Corpus mits.pp
Fragmenten met mits + participium presens in het Nederlands tussen 1450 en 1700
Homepage
Het corpus
Documentatie
Het onderzoek
Bibliografie
Topografie
Het corpus
Deze pagina bevat alle citaten van het corpus mits.pp. Van elk citaat kan een vertaling, een toelichting en een analyse worden bekeken via de betreffende knoppen onder het citaat. Het zoekvakje "Cit.nr" kan gebruikt worden om een citaat te zoeken op nummer. Met het keuzelijstje Selecteer filter kan een aantal variabelen worden geselecteerd om het corpus te filteren. Na selectie van een filtervariabele verschijnen de bijbehorende waarden in een tweede keuzelijstje. Het combineren van filters is niet mogelijk. Het tellertje geeft aan hoeveel fragmenten aan de filtervoorwaarde voldoen. Met behulp van de knop Knop Toon alle citaten kan het actieve filter ongedaan worden gemakt, zodat alle citaten weer worden getoond. Met behulp van de knoppen [+ A] en [- A] kan de annotatie van de citaten respectievelijk worden getoond en weer verborgen.
Als een citaat twee of meer voorkomens van mits bevat (achter het citaatnummer staat dan ab of abc) kan de gevonden filterwaarde soms op één en soms op alle voorkomens van toepassing zijn. Voor de variabele Betekenis mits wordt dit toegelicht in de tekst onder de knop Analyse.
300
Toon alle fragmenten
1 Zo wie die vryhede hebben zal of commen binnen den vorseiden ambochte, die zal moeten gheven, aleer hy ontfaen zal wesen, tien scelligh grooten Torn., te gane deene helft ten proffite van der vorseiden stede ende dander helft ten proffyte van den vorseiden ambochte; moet ooc Sinte Niclause gheven een pond was ende boven desen noch twee kannen wijns, daerof de wet deene hebben zal ende tambocht dander; maer es wel te verstane, dat alle vrymeesters-kinderen zullen moghen hebben de vryhede ende commen binnen den vornoemden ambochte [Q], mids ghevende alleenlic twee kannen wijns, die te gane in der manieren dat vorseit es [mids.pp P]. Ende dat niement en zal moghen noch useren den vryheden van den vorseiden ambochte, hy en moet eerst wesen poorter van der vorseide stede van Ardenburch. (RechtsbrAardenb 163v)
[Aardenburg, Vlaanderen; 1442-T01] T=T01 P=Aardenburg R=Vlaanderen TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Wie het voorrecht zal hebben om in te treden in het genoemde gilde, zal voordat hij aangenomen wordt tien schelling in Tournooise groten moeten betalen, waarvan de ene helft ten goede komt aan de genoemde stad en de andere helft aan het genoemde gilde; hij moet tevens op de dag van Sint-Nicolaas een pond was leveren en bovendien nog twee kannen wijn, waarvan de magistraat de ene zal krijgen en het gilde de andere; met dien verstande dat alle kinderen van de vrijmeesters het voorrecht zullen mogen hebben om in genoemd gilde in te treden met als enige voorwaarde dat zij twee kannen wijn leveren met als bestemming de genoemde. Maar niemand zal van de voorrechten van het genoemde gilde mogen profiteren als hij niet allereerst poorter is van genoemde stad Aardenburg.’
    Dit citaat omvat het eerste artikel van de cuere van den crudeniers, de keur voor de kruideniers en de handelaren in vette waar (o.a. kaarsgieters), opgesteld door de heer van het gebied, burgemeesters en schepenen van de stad Aardenburg. Als keur valt deze tekst in tekstcat. A2. De beschermheilige van de kruideniers etc. was de heilige Nicolaas. De tekst is gedateerd 1442, want aan het eind van de keur staat: ‘ghezeghelt met den grootzeghele der vorseide stede van Aerdembuerch uuthanghende. Dit was ghedaen up den XIIIden dach van Septembre int jaer M. IIIIc twee ende viertich’.Maar bij deze datering past voorzichtigheid. De editeur vermeldt namelijk in een noot (RechtsbrAardenb 163 nt. 1) dat onderaan het door hem getranscribeerde handschrift staat dat dit een kopie is uit 1511 van het originele document. Of de toenmalige klerk de tekst uit 1442 letterlijk of moderniserend overgeschreven heeft, is niet bekend. Voor de betrouwbaarheid van deze tekst pleit dat het originele document na het kopiëren aan de deken van het gilde is overhandigd, zoals onderaan het handschrift staat. Controle van de tekst via het archief van Sluis is mij niet mogelijk geweest: een keur uit 1442 is daar niet bewaard. Het fragment is ook digitaal te vinden via www.nederlab.nl/onderzoeksportaal. Kies Zoeken in titelgegevens, met als ‘metadata’: Aardenburg, en als ‘tekstjaar’: 1442; het fragment is ontleend aan par. 1.
    De beperkte eisen voor het lidmaatschap maakten het voor de kinderen van de vrijmeesters te meer aantrekkelijk om in de voetstappen van de vader te treden, en zo was dat ook bedoeld door de opstellers van gildekeuren, want men redeneerde dat familiebanden het sociale netwerk van de gildeorganisaties versterkten. Zo hadden de opstellers dus voordelen voor de kinderen van de eigen vrijmeesters op het oog bij de bepaling dat die om te mogen intreden in het gilde (Q) uitsluitend moesten voldoen aan de voorwaarde - die wel beoordeeld moest worden door het bestuur van het gilde - dat zij twee kannen wijn ter beschikking stelden (P). Maar er zullen ook lezers geweest zijn die mits.pp P als middel hebben opgevat, als automatisch naar een doel leidende handeling, als volgt: voor mensen die het gilde wilden binnentreden was gildelid worden een klus, het kostte naast de twee kannen wijn een vrij hoog bedrag (en de eis gold dat men poorter was), terwijl het voor kinderen van gildeleden die al vrijmeesters waren, een kwestie (een eenvoudig toe te passen middel) was van twee kannen wijn betalen. In deze instrumentele lezing (‘(.....), slechts door twee kannen wijn te leveren met als bestemming de genoemde’) bevat de mits.pp-frase niet het belangrijkste informatieve element.
 De mids.pp-frase is conjunct (subject-subject).
2ab Ende voirt waert zoe, dat onse tolnairs voirnoemd binnen den tijt voirscr. yet vertimmerden an onsen tollenhuyse tot Yersickeroirt voirscr., dair dat nut ende van noode wair, dat zullen wy hem doen corten van hoeren pachte voirscr. [Q1], mits overbrengende certifficacie dairof, als dat behoirt [mits.pp P1]. Ende wes renten onse tolnairs voirscr. betalen zullen van onsen wegen ende by onsen bevele diegene, die jairlicx renten dairop hebben of noch gecrygen mogen, die zullen wy him oick doen corten ende passeren in hoire rekeninghe, die zy ons van hoeren pachte ende ontfange van onsen voirscr. tolle jairlicx doen zullen by denghenen, die gecommitteert zijn of gecommitteert zullen worden die te hoeren [Q2], mits overbrengende quytancie van elken, die zy betaelt zullen hebben, als dat behoirt ende gewoenlic is [mits.pp P2]. (TolIersekeroord 7)
[Iersekeroord (+Antwerpen), Zeeland; 1444-T01] T=T01 P=Iersekeroord P=Antwerpen R=Zeeland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En verder, als onze voornoemde tolgaarders in de genoemde periode eventueel nuttig en noodzakelijk timmerwerk verrichten aan ons tolhuis in voornoemd Yersekeroord, dan zullen wij dat in mindering laten brengen op hun genoemde pachtsom, zodra zij bewijs daarvan overleggen zoals dat behoort. En al wat onze genoemde tolgaarders namens ons en in onze opdracht aan rente zullen betalen aan diegenen die jaarlijks rente over iets krijgen of nog mogen krijgen, dat zullen wij eveneens, zodra zij naar behoren en conform het gebruik bewijs overleggen van ieder aan wie zij betaald hebben, als aftrek laten berekenen bij de verantwoording van hun pacht en de opbrengsten van onze genoemde tol die zij voor ons jaarlijks moeten afleggen ten overstaan van degenen die gemachtigd zijn of gemachtigd zullen worden om die verantwoording af te horen.’
    Dit citaat komt uit een instructie (tekstcat. B), door hertog Filips de Goede te Antwerpen uitgevaardigd, inzake de verpachting van de de tol te Yersekeroord (gelegen op een belangrijke vaarroute in de Oosterschelde) en bevat de instructie voor de tolgaarders. Woorden: Wes I VNMW betek II.1; Tollenaars’: WNT: pachters die de verschuldigde tolgelden innen of laten innen.
    De tolgaarders die noodzakelijk timmerwerk verrichten aan het tolhuis krijgen, zo luiden de instructies, korting op hun pachtsom (Q1), zodra ze naar behoren bewijs voor het verrichte werk overleggen (P1). P1 heeft een temporeel-momentane rol. De taalgebruiker begreep het momentane aspect van P1 vermoedelijk niet letterlijk als ‘precies op het moment dat...’; de relatie tussen Q en P werd vermoedelijk zó begrepen, dat de hertog in de instructie stelt, dat als P1 (bewijs leveren) uitgevoerd is, als het ware daardóór Q1 (hun korting op de pachtsom) wordt geëffectueerd. Daarom kunnen we de rol an P1 ook quasi-causaal noemen.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw): de tolgaarders zijn het begrepen subject van het pp en ook het meew.voorw hem van de direct hogere frase.
 De rente die tollenaars uitbetalen aan degenen die daarop jaarlijks recht hebben zal eveneens voor hen als aftrekpost fungeren (Q2), zodra ze naar behoren bewijs overleggen van de verrichte betalingen (P2). P2 ontleent betekenis aan zelfde semantische constellatie als P1: P2 heeft temporeel-momentane rol, ook opgevat als quasi-causale.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw): de tolgaarders zijn ook hier het begrepen subject van de mits.pp-frase, en zij treden op als meew.voorw in de direct hogere frase.
3 [...] in welke dachvaert onder meer andere punten gesloten ende bevonden wert, dat mijn genadige heere de hertoge van Bourgoingen ende van Brabant, grave van Hollant, van Zeelant etc., uut machte van zijnre heerlicheit die hij hadde upten stroemen van Zellant ende [Q 1e deel] mits die vrijhede van zijnre genaden gebruyckende [mits.pp P] opten stromen van denselven landen van zijnen tollen dair binnen gelegen, mochte leggen ende stellen zijne tollen ende wachten wair hij woude [Q 2e deel] (BronnenDagvrtenZl dl.1: 145v)
[Goes, Zeeland; 1445-T01] T=T01 P=Goes R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W1 VO=QPQ
           
    ‘[...] op deze dagvaart [in Goes] was onder andere geconcludeerd, dat mijn genadige heer de hertog van Bourgondië en van Brabant, graaf van Holland en Zeeland enz., op grond van zijn heerlijke rechten over de wateren van Zeeland en door gebruik te maken van zijn privileges, de bevoegdheid had om in de wateren gelegen binnen het gebied van zijn tolrecht tollen te vestigen en tolwachten te stationeren waar hij maar wilde’
    Dit citaat komt uit een rapportage van Willem van Lalaing op 4 september 1445 ter dagvaart van de Staten van Zeeland. De tekst valt in tekstcat. B. Deze Lalaing was stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland (gouverneur van de Bourgondische hertog). Zijn rapportage betrof een dagvaart in Goes van ongeveer drie jaar eerder, waar het recht van hertog Filips de Goede om tollen en wachttollen te leggen was vastgesteld. Over dat recht gaat het citaat.
    De conclusie luidde, dat het de vorst op grond van zijn heerlijke rechten toegestaan was in de wateren binnen het gebied waar hij tolrecht had, tollen en tolwachten te vestigen op plaatsen naar zijn keuze (Q) door gebruik te maken van de privileges die uit de heerlijke rechten voortvloeiden (P). Q duidt op het doel: de plaatsing van tollen en wachtposten waar hij maar wil, P heeft de rol van middel.
 Conjunct: subject-subject.
4 Voort gheeft men hu allen te kennene ende elc byzondre, dat elc wiens maech oft vrient die fugytyf ghemaect es, in zulcker wys dat zyn goet als nu by den Hooftmannen ten prouffyte van der stede in sequestren gheleyt es, commen zal moghen, wanneer dat men ’t zelve goet prysen zal ende behauden voor den prys daer ’t vooren ghepresen werdt [Q], mids overlegghende den ontfangbere [ontfanghere] van der stede al zulcke sommen van pennynghen als ’t ghepresen werden zal, in de huusen oft ander goet die al zulcke persoonen toebehooren [mids.pp P]; dat insghelycx die zullen moghen lossen haerlieder vrienden, ofte de ghuene die waerzegghen zullen moghen den ontfanghere van der stede dien zy al nu toebehoren, de zelve sommen te betalene, t’al zulcken daghen ende payementen als men ordineren zal (DagboekGent dl. 1: 237)
[Gent, Vlaanderen; 1451-T01] T=T01 P=Gent R=Vlaanderen TC=C TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Vervolgens stellen wij u gezamenlijk en ieder afzonderlijk ervan in kennis, dat een ieder van wie een bloedverwant of familielid is verdreven waardoor op diens bezittingen voor dit moment door bestuurderen ten voordele van de stad beslag gelegd is, erbij aanwezig mag zijn wanneer men de waarde van deze goederen zal bepalen, en het eigenaarschap ervan mag veiligstellen voor het bedrag waarvoor het daarvoor getaxeerd is, op voorwaarde dat hij in de huizen of andere goederen van genoemde personen een zodanig bedrag aan penningen als waarvoor ze getaxeerd zijn [contant] betaalt aan de stedelijke ontvanger. En dat eveneens hún verwanten die bezittingen zullen mogen vrijkopen, of ook degenen die aan de ontvanger van de stad waar zij op dat moment poorterschap hebben, zullen kunnen garanderen dat zij die sommen zullen betalen op alle betaaldagen en in de vormen die men zal gelasten’
    Dit citaat is ontleend aan een decreet oftewel plakkaat (tekstcat. A2) onder de titel Wie naerhede hebben mach an de fugytiven goedt (‘Wie recht van naasting heeft op de goederen van gevluchte burgers’). De tekst staat in een deels verhalend werk over gebeurtenissen in Gent tussen 1447 en 1470 en is daarin opgenomen naar de datum van uitvaardiging. De datering 19 december 1451 ontleen ik aan DagboekGent (dl. 1: 231v).
De jaren 1449-1453 waren die van de Gentse Opstand. Het nauw met de gilden verbonden stadsbestuur verzette zich, aanvankelijk via bestuurlijk dwarsliggen, tegen het plan van Filips de Goede om belasting op zout en meel te heffen. Filips bleef druk uitoefenen, het verzet groeide, sancties van Filips volgden en op 26 oktober 1451 organiseerden de gilden een staking en kwam een revolutionair bewind tot stand. Tegenstanders vluchtten de stad uit, al dan niet gedwongen (vgl. in het citaat: fugytyf ghemaect), veelal onroerend goed achterlatend. Door voorlezing aan de stadsbewoners op de Grote Markt vaardigde het recent gevormde bewind enkele op de nieuwe situatie toegespitste ordonnanties uit (zgn. voorgheboten). In het citaat één daarvan. Woorden: voorghebot: WNT voorgebod betek. 1 (‘gebods- of verbodsbepaling vanwege de (inz. plaatselijke of stedelijke) overheid; keur, ordonnantie’); naerheden: VNMW naerheit (betek. ‘oorspr.: (nauwe) verwantschap; vand.: (het) recht van naasting (op grond van verwantschap)’_ zie ook gebruikte editie nt. 1 blz. 237); vrient: MNW vrient II betek. 5 (‘verwant, bloedverwant, aanverwant, nabestaande); fugytyf: WNT fugitief betek. 1 (‘(...) iemand die op de vlucht is; voortvluchtige(...)’); hooftmannen: WNT hoofdman betek. 1 (‘iemand die met eenig gezag of bestuur over anderen is bekleed. In ’t mv.: (een) college van zoodanige personen’); prysen: MNW prisen betek. 1 (‘den prijs van iets bepalen (...), taxeeren’); sous séquestre: in beslag (nt. 2 blz. 237); insgelycs, insgelijx > ingelijcs (in die gelike des, betek.: ‘op de wijze daarvan, evenzoo, eveneens’_ ook in de vorm insgeliken); waerzegghen: MNW waerseggen II (betek. ‘borg spreken, borg voor iemand zijn. Vgl. waerspreken’). Handschrift: het door de editeur getranscribeerde handschrift is een afschrift. ‘Wij denken te mogen verzekeren dat het register niet het eigenhandig werk van den eersten opsteller is, maar wel een afschrift korten tijd na het schrijven van het verhaal zelf gemaakt, tusschen 1467 en 1489’ (DagboekGent V). Voor deze veronderstelling voert de editeur de regelmatigheid van het handschrift als belangrijkste argument aan.
    Een familielid van iemand die verdreven is uit de stad, mag aanwezig zijn bij de taxatie en voor de taxatieprijs eigenaar worden van door de stad in beslag genomen onroerend goed van de verdrevene (Q), onder de conditie dat hij in de betreffende huizen of ander bezit van de verdrevene een bedrag overeenkomend met de taxatiewaarde aan de stedelijke ontvanger afdraagt (P). Hier wordt de voordelige uitgangspositie beschreven van familieleden van een gedeporteerde die wensen het onroerend goed voor de taxatieprijs te verwerven.
 De mids.pp-frase is conjunct, want het subject ervan wordt begrepen als een familielid van een verdrevene die onroerend goed heeft achtergelaten, en die variërende persoon is ook het onderwerp van de direct hogere frase.
5 Item [...] waer enich meester van den ambochte voirscreven oflivich gheworden, so sel ?van [dan] sinen outsten soen op sijns vaders stoel sitten moghen [Q] mits betalende een pont was tottes outaers behoef [mits.pp P], behoudelic dat hi sijn proeve doen sel bi den ghesworen ghelic voerscreven staet, op die boete van drien ponden. (RechtsbrHaarl 145)
[Haarlem, Holland; 1460-T01] T=T01 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, als een meester van het ambacht gestorven is, dan zal zijn oudste zoon op de plaats van zijn vader mogen zitten; hij behoort daarbij een pond was te betalen ten behoeve van het altaar. Dit alles onverminderd de bepaling dat hij zijn proef moet doen bij de ingezworen meesters zoals hierboven genoemd, op straffe van een boete van drie ponden.’
    Dit citaat omvat art. 15 van de door de editeur zo genoemde Snijderskeur (tekstcat. A2), die in 1460 door de schout en de heren van het gerecht uitgevaardigd is voor het Haarlemse gilde van de kleermakers.
Woorden: van [dan]: de editeur, die dan heeft geschreven, vermeldt in een noot dat in het handschrift van staat; stoel: MNW betek. 8 (‘het betreft hier de vaste plaats die leden van bijvoorbeeld een vereniging (in het bijzonder gilden) hebben’); snijder: MNW: betek. 1.
    De keur bepaalt dat de oudste zoon het recht heeft de plaats van zijn gestorven vader in te nemen in het gilde (Q), waarbij hij, aldus de keur, een pond was dient te betalen ten behoeve van het altaar (P). P heeft een comitatieve rol. De betaling is geen voorwaarde, want in de keur staat eenvoudigweg dat de oudste zoon van een gestorven gildelid de plaats van zijn vader in het gilde mag innemen, punt, uit. Wanneer deze oudste zoon zijn intrede doet, behoort hij een pond was te betalen. De betaling in deze vorm is een gebruikelijke. De keur noemt wel een uitzondering op zijn welkom-zijn in het gilde, nl. als hij de meesterproef niet haalt. Maar deze uitzondering staat buiten de mits-constructie. De mits.pp-frase is conjunct, want het onderwerp ervan wordt begrepen als de oudste zoon van een overleden lid van het snijdersgilde, en die is ook het onderwerp van de direct hogere frase.
6 Ende van welcken geappointeerden gelde men hen sulcke betalinge doen sal, des zij te vreden werden [Q], mids ouerleuerende quitancie absolute, sulcke als men hem sal heesschen [mids.pp P] (CodexDiplNeerl serie 2, afd. 1: 148)
[Sint-Maartensdijk (+Brussel), Zeeland; 1471-T01] T=T01 P=Sint-Maartensdijk P=Brussel R=Zeeland TC=A1 TG=Test TS=e SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En van deze aangewezen sommen gelds zal men hun [degenen die aanspraak op de boedel maken] een bedrag uitkeren dat hun genoegdoening geeft, op voorwaarde dat zij een verklaring van volledige kwijting overleggen, die men van hen zal verlangen’
    Dit citaat komt uit een akte, gedateerd 18 november 1471 en opgesteld in Brussel, die verband houdt met het testament van de Zeeuwse edelman Frank van Borselen. De akte valt in tekstcat. A1. Na het overlijden van Van Borselen maakt een groot aantal schuldeisers aanspraak op betaling uit de boedel. Ten behoeve van de executie van het sterfhuis Van Borselen geeft de akte een opsomming van schulden en schuldeisers.
    Q - P: conditioneel. De executeur dient de schuldeisers uit het testamentair aangewezen kapitaal genoegzaam uit te betalen (Q) onder de voorwaarde dat zij [de schuldeisers] aan de executeur de door hem verlangde kwijtingsbrief ter hand stellen (P).
Mids.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw; meew.voorw van direct hogere frase is hen.
7 In welcke reyse die voirs. Steven uut was varende, marrende ende kerende [Q 1e deel], mits dairinne begrepen wesende veertien dagen die deselve Steven verbeyden moste bij mondelinge beveel van mijnen voirs. genadigen heere om zijnre genaden bescreven antwoirde ende goede beliefte weder in gescrifte te hebben, diewelcke dieselve Steven brochte mitgaders vier zijnre genaden besloten brieven, den eenen gaende aen der stede van Dordrecht, den anderen aen der stede van der Goude, den darden aen der stede van Leyden ende den vierden aen den stede van Schoenhoven, roerende derselver materie die de voirs. Steven denselven steden mede gebrocht ende gelevert heeft [mits.pp P], in als den tijt van twintich dagen tot 12 groit sdaechs, alst blijct bij der cedule onder thanteicken van Willem van Zwieten, greffier, houdende affirmacie ende quijtancie hier overgegeven [Q 2e deel]; him betaelt 6 lb. (BronnenDagvrtenHoll dl. 4.2: 162)
[Den Haag, Holland; 1479-T01] T=T01 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Oorz CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘Doordat daarin veertien dagen begrepen zijn die deze Steven op mondeling bevel van mijn genoemde genadige heren [van de Raad van Holland] moest wachten om de uitgeschreven antwoorden en vriendelijke wensen van zijne genade [aan de heren van de Raad van Holland] op schrift mee terug te krijgen - antwoorden die deze Steven overbracht, samen met vier vertrouwelijke brieven van zijne genade betreffende dezelfde kwestie, de eerste bestemd voor de stad Dordrecht, de tweede voor de stad Gouda, de derde voor de stad Leiden en de vierde voor de stad Schoonhoven, en genoemde Steven heeft deze meegenomen en in deze steden afgeleverd -, door die oorzaak omvatten Stevens heenreis, zijn wachttijd en zijn terugreis al met al een periode van twintig dagen à 12 groten per dag, zoals blijkt uit de verklaring getekend door griffier Willem van Zwieten, die de bevestiging en kwijting inhoudt die hiervan is gegeven; hem is betaald 6 pond.’
    Dit is een fragment van de verantwoording voor een betaling door de Grafelijkheidrekenkamer, die hoort bij het verslag van een zgn. dagvaart van de Staten van Holland gehouden van 4-6 mei 1479 in Den Haag. Tekstcat. is B. Dagvaarten waren de bijeenkomsten van vertegenwoordigende of juridische lichamen (zoals de Staten van Holland er een was); de leden werden vanuit hun respectieve standplaatsen gedaagd (officieel opgeroepen) om de vaart (reis) daarheen te maken. In het citaat gaat het om de verantwoording van het bedrag dat aan ene Steven Janszoon uitbetaald was. Steven was, zo is in het direct vooafgaande te lezen, een gezworen bode. Eind april was hij vertrokken met de opdracht om brieven van heren van de Raad van Holland namens enkele steden in Holland en Friesland te bezorgen in Brugge bij Maximiliaan van Habsburg, de echtgenoot van landsvrouwe Maria van Bourgondië, die de militaire belangen van haar landen behartigde. De brieven handelden over een mogelijk op de been brengen van een leger ter bescherming van Hollandse steden tegen Gelre, en de bode moest Maximiliaans antwoord mee terugnemen naar de Raad. Woorden: bescreven: VMNW bescreven I betek. 2.
    Doordat de reis van de bode 14 dagen extra omvatte om te wachten op documenten en die te bezorgen op diverse plaatsen (P), daardoor besloeg die in totaal 20 dagen, elke dag declarabel voor 12 groten (Q). De Grafelijksheidsrekenkamer geeft met P de oorzaak aan van het feit dat de reis al met al twintig dagen duurde.
 Het subject van de mits.pp-frase zijn de veertien dagen die Steven moest wachten, met de zeer lange uitleg die pas eindigt met de woorden gelevert heeft - alles uitgedrukt binnen de mits-frase zelf; de frase is dus absoluut.
8 Betaelt meester Willem Slijptvijlt, tresorier van Calis, in handen van Jan Zaira ter causen van eenre obligacie van hondert thien pont gr., dairinne burchmeesters, scepenen ende raedt als lichaem van wette ende in den name van der stadt van Middelburch huerselven verbonden ende geobligeert hadden tegens meester Willem Slijptvijlt voirnoemd oft den houder van derselver obligacie over alsulcken coop van choiren van tairwe, belopende 1132 achtendeel, tot 40 gr. tachtendeel, makende in gelde 188 £ 13 sc. 4 gr. als die stadt tanderen tyden doen coopen hadde voir de gemeenten van Thomas Joczale, scipper, dairaf deselve scipper ontfangen hadde up rekeninge van den coop van der tarwe voirscr. 78 £ 13 sc. 4 gr. by handen van Pieter Domis’ zone, alst blijct by der rekeninge particulier, dairaf gehouden; dus hier betaelt ter volder betalinge van der tairwe voirscr. [Q], mids overnemende de voirscr. obligatie [mits.pp P], des zoe is de stede gegonnen ende gegeven tot huesscheit in der betalinge van der voirscr. obligacie een pont gr. Vl., afgecort wairt hier, ergo 109 £ gr. (BronnenMiddelb dl. 2: 379v)
[Middelburg, Zeeland; 1483-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Door overhandiging van een bedrag aan Jan Zaira is aan meester Willem Slijptvijlt, schatkistbewaarder van Calais, betaald ter zake van een schuldbekentenis van honderdtien pond in groten, waarin zich burgemeesters, schepenen en de raad als wettelijk orgaan in naam van de stad Middelburg verplicht hadden tegenover genoemde meester Willem Slijptvijlt of de houder van genoemde schuldbrief, vanwege een aankoop van 1132 achtendelen tarwe à 40 groten per achtendeel, in geld uitkomende op 188 pond, 13 schellingen en 4 groten, die de stad eerder voor haar inwoners had laten kopen van schipper Thomas Joczale. Deze schipper had als voorschot voor de koop van de genoemde tarwe 78 pond, 13 schellingen en 4 groten ontvangen uit handen van de zoon van Pieter Domis, zoals blijkt uit de afzonderlijke boekhouding die daarvan is bijgehouden. Derhalve hebben wij hier betaald om de betaling van genoemde tarwe te completeren, waarbij wij volgens de regels de genoemde schuldbrief hebben teruggenomen. Daarom is de stad vanwege de correcte terugbetaling van de genoemde schuldbrief een pond in Vlaamse groten toegekend en gegeven, hier als aftrek, dus betaald is 109 ponden in Vlaamse groten’
    Deze passage komt uit uittreksels uit de jaarafrekening over 1482 van de zgn. kwartiermeesters in Middelburg, als tekst dus te dateren op het allereerste begin van 1483. De kwartiermeesters waren militaire functionarissen die organisatorische en administratieve taken uitvoerden voor de zgn. kwartieren (onderafdelingen van het scheepsvolk, oorspronkelijk meestal vier in getal). Tekstcat. is B.
    Voor dit citaat moeten we een comitatieve functie van de mids-frase aannemen. Bij de afrondende betaling van de rekening voor aangekochte tarwe (Q) hoorde een begeleidende handeling die vanzelfsprekend was: het terugnemen van de schriftelijke schuldbekentenis (P). De betaling completeerde hier een tussentijdse voorschotbetaling aan de verkopende schipper Joczale. Bij die gelegenheid was het schuldpapier logischerwijs nog in handen gebleven van de thesaurier van Calais, Slijpvijlt, die de schipper in dit verband vertegenwoordigde, maar bij de gerapporteerde afrondende betaling aan Slijpvijlts ondergeschikte Zaira namen zij het schuldbewijs weer terug, zo vermelden de Middelburgse kwartiemeesters, en was hun lei per ultimo 1482 wat dat betreft schoon. Het terugnemen van een schuldbekentenis bij volledige betaling was normale praktijk, die voorkwam dat de schuldeiser zich daarna nogmaals zou kunnen melden om de schuld een tweede keer te innen. Het was dus ook werkelijk belangrijk om het schuldpapier terug te krijgen. Als administratieve krachten waren de kwartiermeesters zich daarvan uiteraard bewust, en met de mids-frase in hun jaarafsluiting lieten ze het Middelburgse bestuur weten dat ze bij hun betaling gezorgd hadden voor de noodzakelijke begeleidende handeling: de terugname van de schuldbekentenis. Het is deze rol van een vanzelfsprekend, noodzakelijk, soms als uitvoering van een plicht op te vatten begeleidend feit die we aanduiden als de comitatieve functie van een mits-frase. De terugname van het schuldpapier (P) begeleidde de betaling (Q) en hoorde daar, zoals de voor de tekst verantwoordelijke kwartiermeesters hier laten blijken, noodzakelijk bij.
Op te merken is dat de comitatieve functie zich in deze analyse niet ver verwijdert van de voorwaardelijke functie, die hier weliswaar niet van toepassing kan zijn omdat de afsluitende betaling gerapporteerd wordt als te zijn uitgevoerd, maar die óók een stand van zaken betreft (P) die begrepen wordt als noodzakelijk in samenhang met een andere stand van zaken (Q). Deze verwantschap van analyse is ook nodig, omdat bij dit citaat het idee van een voorwaarde gemakkelijk postvat (weliswaar duidelijk te zwaar aangezet: ‘men betaalde op voorwaarde van gelijk oversteken van het schuldpapier door de andere partij’). Het is om die reden ongewenst om het bestaan van een homomiem element mits2 met een volstrekt andere betekenis te impliceren. Met de notie ‘begeleiding’ blijft uiteraard ook de semantische overeenkomst met het voorzetsel met intact. Voor de volledigheid kunnen andere bekende betekenissen van mits nog bezien worden. Een interpretatie als middel is niet mogelijk, omdat de betaling niet werd geëffectueerd dóór het overgeven van het papier. Kan de overgave wellicht gezien worden als reden voor de betaling? De kwartiermeesters zouden er dan speciaal op gespitst zijn geweest het schuldpapier weer in handen te krijgen, en zouden om die reden betalen. Maar ook dat kan zo niet kloppen, want de gerapporteerde betaling is expliciet voorzien van de doelaanduiding dat deze dient ter vervollediging van de betaling van de aangekochte tarwe.
 De mits-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject ervan zijn de betrokken kwartiermeesters die hier verslag doen, en zij zijn het meest plausibel ook onderwerp van de direct hogere elliptische frase (dus hier betaelt ter volder betalinge van...).
9 [...] waert dat na inhout deser kuere yemant neringloes bleven sittende ende bi dien meende van sine sculde den coopman tontgaen [...] soe soude die schout van Haerlem van sheren wegen dien sculdenaer tot begeerte ende versoucke van den voerscreven coopman so bedwingen, dat hi deselve sculde maken soude uyt sijn alderghereetste goeden [Q], mits daer toe makende voir sinen gang ende moyte XX scellinge heren gelts voirscreven [mits.pp P]. (RechtsbrHaarl 166)
[Haarlem, Holland; 1483-T01] T=T01 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Als iemand [van het bakkersgilde] op grond van deze keur zijn bedrijf niet zou kunnen uitoefenen en daarom zou menen onder zijn schuld aan de koopman [de korenverkoper] uit te komen [...], zal de schout van Haarlem in naam van de heer op wens en verzoek van de genoemde koopman die schuldenaar ertoe dwingen zijn bewuste schuld te voldoen uit verpanding van zijn meest direct beschikbare goederen, waarbij hij [de schout] bovendien voor zijn bemoeienis en handelen 20 schellingen herengeld in rekening brengt, zoals eerder genoemd.’
    Dit citaat is ontleend aan art. 4 van de ‘Kueren voir den backers bynnen Hairlem’, door schout, burgemeesteren, schepenen en raad van Haarlem uitgevaardigd op 15 december 1483. De keur valt in tekstcat. A2. Woorden: yemant: bedoeld is een bakker die de korenverkoper niet op tijd betaald heeft en volgens deze keur geen nering mag doen totdat zijn schuld voldaan is; sculde maken: aan de orde is maken MNW I. trans. betek. 19 die overeenkomt met maken MNW III. intrans. betek. 4. ‘goederen door de rechter doen verkopen om uit de opbrengst een toegewezen vordering te voldoen’. In de betreffende voorbeelden in het MNW uit Westfriesche stadrechten (1885-1888) wordt maken als synoniem gebruikt van panden; een ander voorbeeld is: Alle goeden daar men aan maakt ofte aan pandt die dat vervoerde, zal gelden drie pondt (Westfriesche stadrechten (1885-1888): 384, art.50), waarnaast is aangetroffen: scoudt inpanden (ibid: 298, art.55) met als betekenis ‘door verpanding van goederen een openstaande schuld invorderbaar maken’; het tweede maken, in de mits-frase, heeft een andere betekenis: MNW bet. I (trans.) 8: ‘winnen’ (van geld).
    De bakkerskeur regelt dat ingeval van wanbetaling door een bakker, de schout op verzoek van de korenhandelaar de bakker kan dwingen om goederen te verpanden ter voldoening van zijn schuld (Q). De mits.pp-frase verwoordt iets dat volgens de opstellers van de keur daaraan gekoppeld dient te zijn, namelijk dat de schout een herengeld van twintig schellingen ontvangt voor zijn werkzaamheden (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject is de schout, die ook als subject van de direct hogere frase optreedt (aangeduid met die schout van Haerlem).
10 Ende oft gebuerde dat zijnder genaden geliefde eenighe volck van oirloghen duer ofte tot eenigher plecken van Zeelandt te zendenne, zo sal hij hemlieden passepoorten doen gheven, hemlieden bevelende tot eender zekere plecke, in deselve passepoorte geexprimeert, te arriveerenne. Ter welker ende tot neghene andere zylieden gehouden werden payselick ende hueschelick te lydenne [Q], mits wel betalende [mits.pp P], sonder eenighe vyolencie enichsins te doene. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 467)
[Middelburg, Zeeland; 1488-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En wanneer het zijne genade zou behagen enig krijgsvolk naar plaatsen in Zeeland te sturen of hen daar te laten doortrekken, dient hij hun passen te laten verstrekken en opdracht te geven juist naar de plaats te gaan die in de pas vermeld staat. Zij zijn gehouden om zich rustig en met fatsoen naar die plaats en geen andere te begeven, waarbij ze de plicht hebben naar behoren te betalen, zonder enig geweld te gebruiken in welk opzicht dan ook.’
    Dit citaat is ontleend aan de besluiten van de Statenvergadering van Zeeland van 17 augustus 1488. Ik reken het daarom tot tekstcat. B. Aan de orde is de betaling door Zeeland van een door Maximiliaan I gevraagde bede. (Maximiliaan was tot 1494 regent voor zijn jonge zoon Filips de Schone, die al sinds 1482 o.a. graaf van Zeeland was.) De Staten stemmen in met de gevraagde bede, maar stellen de voorwaarde dat alleen soldaten voorzien van per geval specifiek uitgevaardigde passen door het gewest zullen mogen trekken.
    Als soldaten door de vorst door Zeeland of naar welbepaalde plaatsen in dat gewest gestuurd worden, zijn zij gehouden om zich op hun tocht naar juist die plaatsen vreedzaam en fatsoenlijk te gedragen (Q) - waarbij zij naar behoren dienen te betalen (P) - en geen geweld te gebuiken. De mits.pp-frase heeft hier een comitatieve rol. Een conditionele analyse is niet mogelijk, omdat de bedoelde soldaten een voorwaarde (zoals normale betaling van tol- en veergelden op hun reis) alleen zullen vervullen ten behoeve van iets dat voor hen wenselijk is, en niet ter verwerkelijking van iets waar zij geen belang bij hebben (het rustige en gecontroleerde reisgedrag dat hun opgedragen wordt). Een instrumentele analyse is ook niet overtuigend, want normale betaling is geen middel om rustig en gecontroleerd reisgedrag te bereiken. Wel ‘hoort’ normale betaling (P) ‘daar vanzelfsprekend bij’ (bij Q), en dat is wat we als betekenis aannemen van een comitatieve mits-frase ten opzichte van enigerlei uit de context reconstrueerbare stand van zaken Q. Deze betekenis van ‘vanzelfsprekend erbij horen’ lijkt op de voorwaardelijke hierin, dat de spreker of schrijver van de uiting enigerlei stand van zaken Q niet anders voor ogen heeft dan ‘begeleid door P’.
 De mits-pp-frase is conjunct, want als onderwerp ervan worden door Zeeland trekkende soldaten van Maximiliaans krijgsvolk begrepen, die ook het onderwerp zijn (aangeduid met zylieden) van de direct bovengeschikte frase.
11 Welcke nyeuwe bede, vonnisselick gewijst alsboven, men inwinnen zal mitten rechte van beryde bij den burchgrave ende mannen van Zeelant [Q], mits mogende betalen mit leverincgen van geestelicke geprevilegierde, mit edele ende mit poirters nair ouder costumen [mits.pp P] (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 501)
[Iersekeroord, Zeeland; 1490-T01] T=T01 P=Iersekeroord R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘Deze nieuwe bede, waarover de leenmannen zich hebben uitgesproken zoals boven vermeld, zal men [Staten van Zeeland] invorderen met de rechtsdwang die de burggraaf en de leenmannen van Zeeland in hun gebied bezitten, waarbij het noodzakelijk is dat het gewest mag betalen met leveringen in natura van geestelijken die bijzondere vrijheden genieten en naar oud gewoonterecht ook met zulke van edelen en burgers’
    Dit citaat is ontleend aan de handelingen van de vergadering van de Staten van Zeeland op 31 juli 1490 in het tolhuis van Iersekeroord. De handelingen bevatten vooral resoluties; de besluiten werden in een zogeheten akte neergelegd. Ik reken het citaat tot tekstcat. B.
In zijn functie van regent voor zijn jeugdige zoon Filips de Schone heeft Maximiliaan van Habsburg, koning van het Heilige Roomse Rijk, de Staten van Zeeland voorgesteld een grondbelasting te heffen waarvan de opbrengst direct of indirect voor hemzelf zal zijn. Gesteund door een uitspraak van de zgn. leenmannen (ambtenaren met juridische taken) gaan de Staten akkoord met een heffing van 15 groten steenschietens en 6 groten bij de brede voor elk gemet voor een periode van drie jaar. (Een heffing ‘steenschietens’ werd berekend naar de perceeloppervlakten zoals die in Middelburg sinds zeer oude tijden op het Steen (grafelijk slot) genoteerd stonden; een heffing ‘bij de brede (=breedte)’ werd berekend naar de werkelijke en in feite grotere perceeloppervlakten.) In het citaat gaat het over de inning van deze belasting.
Woorden: burchgrave: MNW borchgrave II (‘burggraaf’)_ ‘Oudtijds stond boven de beide baljuwen van Zeeland een (...) graaflijk ambtenaar met groot gezag: de burggraaf, haast een stadhouder. (...) (hij) treedt (...) aanhoudend handelend op als plaatsvervanger van den landsheer (...)’ (Fruin (1980 [1901]: 83); Woord: mannen = (zwerm) leenmannen, die vaak praktische dingen doen samen met (in opdracht van) baljuw of andere hoge functionaris, zoals hier: door het gewest rijden en de landbezitters dwingen tot betalen.
    De Staten besluiten dat de bede bij de onderdanen met rechtsdwang te zullen invorderen (Q), waarbij het noodzakelijk is dat het gewest op grond van oud gewoonterecht mag betalen met leveringen in natura van geestelijken die daartoe privileges bezitten en ook van edelen en burgers (P). (Er worden geen indicaties gegeven dat de landsheer de invordering met rechtsdwang specifiek heeft gewenst of dat zij zelf de mogelijkheid van rechtsdwang hebben gewenst, daarom is het stellen van voorwaarden voor de vervulling van zo’n wens niet aan de orde.) De Staten stellen vast dat hun invordering van de bedegelden met rechtsdwang gepaard zal gaan, en dat dat logischerwijs met zich brengt dat zij als gewest de mogelijkheid moeten hebben het bedegeld in natura aan de vorst af te dragen (P). P heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct: het begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de Staten van Zeeland, die ook als subject optreden van de direct hogere frase, daar aangeduid met men.
12 Wel verstaende dat diegeene van den poerteren ende inwonende, denwelken die voerscreven goeden, die alsoe vercoft zullen worden, toebehoeren, vierthien dagen lanck dach hebben sullen, na den dach van der voerscreven vercopynge, om dieselve hore goeden weder te vrijen ende te lossen [Q], mits hore voerscreven gesette penningen upleggende ende betalende, ende mit twee stuvers van elken Rijns gulden van alsoe vele als die voerscreven goeden vercoft sullen zijn, den eenen stuver te gaen totter stede behoef ende den anderen totten coepers behoef [mits.pp P]. (RechtsbrHaarl 171)
[Haarlem, Holland; 1493-T01] T=T01 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Met dien verstande dat de burgers en inwoners aan wie de te verkopen goederen toebehoren, een termijn zullen hebben van veertien dagen na de dag van de bewuste veiling om hun goederen weer vrij te kopen door de aan hen opgelegde belasting daadwerkelijk te betalen, verhoogd met twee stuivers voor iedere rijnsgulden waarvoor de genoemde goederen verkocht zullen zijn, waarvan één stuiver bestemd is voor de stad en de andere voor de koper’
    Dit is een citaat uit een decreet oftewel plakkaat (tekstcat. A2) dat voorgelezen is in aanwezigheid van schout, burgemeester en schepenen van Spaarnwoude. Het decreet bepaalt dat zich binnen de vrijheid van de stad Haarlem bevindende goederen van mensen die de belasting willen ontlopen, op een aangekondigde dag zullen worden geveild. Het citaat geeft een bepaling daarbij. Dit fragment is digitaal toegankelijk, echter zonder interpunctie, via Compilatiecorpus Haarlem 1493, nr. 1.
    Burgers en inwoners kunnen hun gedwongen geveilde goederen weer vrijkopen (Q) door de hun opgelegde belasting alsnog te betalen, verhoogd met een zeker percentage van de prijs waarvoor de goederen intussen verkocht waren (P). P duidt een instrument aan.
 Conjunct: subject met subject.
13 [...] dat | inghebreke van dien de vorseide Burchmeesters, scepenen ende tresorieren, | den welcken wy als nu Rentmeestre dair toe machtighen by desen ende | speciael bevel geven, zullen moghen die vorseide somme oft die achterstellen van dien verhalen innen ende doen ontfangen ende mynen vornoemden genadichen | heere ende my cortten vanden gereetsten penningen die huere poorters | ende ingezetene ter cause van myns vorseide genadichs heeren penningen | schote oft bede sculdich werden zullen [Q1] Mids tot hueren proffyte | zo vele meer bouen der vornoemde hooftsomme uter voorseide bede ende schote | te moghen ontfangen [als] der clercken loon van denzelven ontfange | naer oude coustume bedragen zoude [mids.te.Inf P1] dies zullen zij in desen gevalle | gehouden bliven my oft mynen gecommitteerden van hueren ontfange | goede Rekeninghe ende bescheyt te doene [Q2] Mids alsdan overleverende | dese mijne obligacie, gheteykent met mynen handteykene ende | gegeven den xxien dach van meye anno xiiiiC zeven ende tnegentich [mids.pp P2]
Crunnigen (Zeeuws Archief toeg.nr. 5022 (Stad en gemeente Zierikzee), Charters inv.nr. F6)
[Zierikzee, Zeeland; 1497-T01] T=T01 P=Zierikzee R=Zeeland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] bij in gebreke blijven [inzake terugbetaling van de lening] zullen de genoemde burgemeesters, schepenen en schatbewaarders [van Zierikzee], die wij als huidig rentmeester bij dezen daartoe machtigen en daartoe het speciaal uitgevaardigde bevel geven, genoemd bedrag of het nog openstaande deel van de schuld mogen vorderen, innen en doen incasseren en mijn genoemde genadige heer en mijzelf mogen korten op de direct beschikbare contante gelden die hun poorters en ingezetenen aan belastingopbrengsten, grondbelastingen of bedegelden aan mijn voornoemde genadige heer verschuldigd zullen zijn, waarbij het noodzakelijk is dat de bestuurderen van Zierikzee op de genoemde bede en belasting zo veel meer boven de genoemde hoofdsom mogen inhouden als het loon van de belastingontvangers voor hun inning oudergewoonte zou bedragen. Daarom zullen zij in dat geval [als de vereffening de vorm zou krijgen van vermindering van intussen verschuldigde belasting] gehouden zijn om aan mij of aan mijn gemachtigden een corrcte berekening en bewijs te verstrekken van hun ontvangsten [die van de belastingontvangers]. Daarbij dienen zij mij dan terug te geven mijn onderhavige schuldbekentenis, die ondertekend is met mijn handtekening en uitgegeven op de 21ste dag van mei in het jaar veertienhonderd zevenennegentig.
[Was getekend] Crunnigen.’
    Dit is een citaat uit een akte van schuldbekentenis gedateerd 21 mei 1497, die betrekking heeft op een lening die de stad Zierikzee verstrekt aan graaf Filips de Schone via zijn rentmeester en over de modaliteiten van de vereffening daarvan samen met die van twee eerdere leningen. Rentmeester Crunnigen heeft de akte ondertekend. De akte valt in tekstcat. A1. Ondertekenaar Crunnigen noemt zich aan het begin van het document ‘Jan, heere van Cruninghen, van Heinvlyet, van Pamele etc., riddere, raidt ende camerlinck mijns genadichs heeren des ertshertoghen van Oostenrycke, hertoghe van Bourgongne etc., ende zijn rentmeestere-generael van Zeelant’. Hij is bekend als Jan van Kruiningen, in 1497 rentmeester van Bewesterschelde en Beoosterschelde. In het direct voorafgaande wordt vermeld dat de bestuurderen van Zierikzee aan graaf Filips in 1496 en begin 1497 al leningen verstrekt hebben met een totale waarde van 800 pond; daar komt met dit document nog 300 pond bij. In deze akte, die tot stand gekomen zal zijn na onderhandelingen van de rentmeester met de Zierikzeeërs, belooft de rentmeester dat de lening uiterlijk een half jaar na de eerste aan Filips toegestane bede terugbetaald wordt; als de graaf dat niet doet, wordt Zierikzee opgedragen te handelen zoals het citaat beschrijft. Woorden: achterstelle: MNW achterstelle betek. ‘de achterstand, het ten achteren staande (...)’ of achterstal II betek. ‘achterstallige schuld’; genadichen: VMNW ghenadich betek. 1 (‘goedertieren, genadig [etc]’)_ In datief enkelvoud is uitgang op -en mogelijk (zie Flexie), en WNT genadig betek. I.B (‘Van vorsten of hunne vertegenwoordigers, of in ’t algemeen van ieder, die, hetzij op een bepaald tijdstip, hetzij doorgaande, als meerdere of als meester wordt voorgesteld’), afgeleid van genade (WNT genade betek. I.A.2 (‘Van de goedertieren vergevensgezindheid van vorsten, regeeringspersonen, rechters of krijgsbevelhebbers jegens misdadigers of overwonnenen’); cortten: MNW corten betek. I.1.b, tweede streepje (‘Met eene geldsom als voorwerp. ‘Afhouden van, korten’_ Eén van de voorbeelden luidt: ‘Ongelden, die zy corten den eygen (belastingen die de huurders van de huur aftrekken en den eigenaar in rekening brengen)’_ waarschijnlijk werd de persoon bij wie op het geldbedrag gekort werd, uitgedrukt m.b.v. de 3de naamval, zie ook betek I.2; dies: in dit citaat past de betekenis ‘in dit verband’, nl. in verband met de hiervoor genoemde compensatie; bescheyt: MNW besceit betek. 10 ‘wettelijk bewijs’/ 12d ‘bericht’; ontfange: WNT ontvang betek. 2 ‘ontvangen gelden’; schote: VMNW scot I betek. 3 ‘belasting’. Eigen diplomatische transcriptie van een foto van het handschrift, die mij door dhr. Ilja Mostert van het Zeeuws Archief ter beschikking is gesteld. Het handschrift was in de periode van corpusproductie niet digitaal toegankelijk. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Van Kruiningen, rentmeester van de graaf, beschrijft in deze passage van zijn schuldbekentenis een gecompliceerde wijze van vereffening van de beide leningen aangegaan met de stad Zierikzee, die actueel zal worden als hij die niet binnen een half jaar terugbetaalt. Hij legt voor dat geval een verrekening van die vereffening vast met de dan door Zierikzee verschuldigde belasting- en bedegelden: het stadsbestuur mag daarop dan het bedrag van de leningen in mindering brengen. Het mag dan bovendien het bedrag aftrekken dat de Zierikzeese belastinginners in vergelijking met de normale situatie zullen missen, doordat vanwege verrekening met de leningen een inning van veel lagere belastingbedragen zal plaatsvinden bij de burgers. Voor het beslissende moment van de vereffening verlangt Van Kruinigen van het Zierikzeese stadsbestuur wel een nauwkeurige en voor hem aanvaardbare berekening van deze inkomstenderving van de belastinginners, een berekening die mede bepaalt welk bedrag aan belasting- en bedegeld voor Zierikzee nog blijft te betalen. Op deze wijze zullen de partijen eenstemmigheid moeten bereiken over vereffening van de leningen tegelijk met een vaststelling van het verminderde bedrag van door Zierikzee verschuldigde belastinggelden; en dan moet het stadsbestuur de rentmeester natuurlijk de onderhavige schuldbekentenis teruggeven. Bovenstaande beschrijving van de financiële constructie in moderne termen staat op enige afstand van wat Van Kruiningen precies formuleert. We moeten het ongemak of zelfs de weerzin in rekening brengen van de edelman (ridder, en raads- en kamerheer van de soeverein) die een stadsbestuur om financiële hulp moet verzoeken: dat leidt hier tot verbloemende wijzen van zeggen. Zo noteert hij niet ‘als wij niet op tijd terugbetalen, mag het stadsbestuur...’, hij houdt vast aan de bestaande bestuurshiërarchie en formuleert paradoxaal ‘dan geven wij het stadsbestuur de speciale opdracht om het bedrag van de lening te mogen aftrekken van dan verschuldigde belastingen.’ Hij zegt ook niet graag ‘ik ga akkoord met de eis van het stadsbestuur om dan ook een compensatiebedrag te mogen aftrekken voor de loonderving van de belastinginners’, maar houdt het bij een (hemzelf in schijn buiten schot latende) constructie met mits.te.Inf ‘waarbij het noodzakelijk is dat het stadsbestuur compensatie van de belastinginners als méérbedrag boven de hoofdsom van de lening mag ontvangen’ (P1). Deze comitatieve rol van P1 bestaat bij de grote verrekeningsoperatie met verschuldigde belastingen die Van Kruiningen heeft gelast voor het geval van te late terugbetaling van de leningen door hemzelf (Q1).
 In het vervolg vat de rentmeester de eigenlijke afronding van de vereffening in het oog. Die van Zierikzee zijn te zijner tijd wel verplicht, zo formuleert hij in de schuldbrief, om hem correcte berekening te verstrekken van de bewuste compensatie voor de belastinginners (Q2). ‘Daarbij dienen zij mij dan mijn schuldbekentenis terug te geven’, zo besluit Van Kruiningen in een eveneens comitatieve mits.pp-constructie (P2). De rentmeester stelt hier ook de vereffening voor als een zaak van plichten van de schuldeisers. Dat strookt bepaald niet met de werkelijkheid van lenen en aflossen, waarin de schuldenaar de taak heeft het verschuldigde te voldoen naar genoegen van de schuldeisers, die als teken daarvan de schuldbrief zullen teruggeven. Het zou kennelijk niet gepast hebben in de hiërarchische bestuurscultuur, als de rentmeester in zijn schuldbekentenis zijn afhankelijkheid in dezen van de stad Zierikzee zelfs maar had aangeduid.
 Als subject van de mids.pp-frase worden de bestuurderen van Zierikzee begrepen. Omdat zij ook subject zijn van de direct hogere frase, is de aansluiting conjunct subject-subject.
14 Ende dairoff hij hem beclagende es mit dat die stede alle renthen denct ende meent the betalen nae date van den brieven ende dat sijn betalinge lange eer gesciet was dan die date van de brieff inhoud ende verclairt, seggende dat hij behoirt te ontfangen van sijn renthen al zulck gelt alst die stede gepasseert heeft, af zoeveel min als goede genouchlicke arbiters goetduncken zoude. Ende Bartolmeeus Jacobsz. presenteerde hem an tseggen van den arbyters the willen genogen. Up twelcke bij de XXXVI eendrachtelicken geantwoirt worde, alzoe zij deselve saicke tot veel stonden gehoirt hadden ende mitsdien hem lieten duncken dat sij dairoff ende vandien wel geinformeert waeren, dat Bertolmeus Jacobsz. hem zoude laten genoegen [Q], mits hebbende ende behoudende den brieff die hij in betalinge van de gelden voirs. genomen ende ontfangen hadde [mits.pp P], seggende hoe hem voirstonde ende oick int sekere wair was, dat van denselver saicke te anderen tijden bij verclaringe van scepenen alzoe geseit was ende anders niet (ResolVroeAmstI 24)
[Amsterdam, Holland; 1497-T01] T=T01 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘En daarom dient hij [Bartolmeeus Jacobsz.] een klacht in over het feit dat de stad alle rentebetaling denkt te doen op grond van de datum van de rentebrief, terwijl zijn voorschot gedaan is lange tijd vóór de datum die in de rentebrief vermeld wordt. Hij stelt hierbij dat hij van de hem toekomende rente zoveel geld behoort te ontvangen als het bedrag dat de stad niet zelf heeft hoeven opbrengen, of zoveel minder als minnelijk schikkende scheidslieden zou goeddunken. Bartolmeeus Jacobsz. bracht naar voren zich bij de uitspraak van de scheidslieden te willen neerleggen. Omdat de 36 [vroedschapsleden] de feiten van de kwestie gedurende vele uren aangehoord hadden en daarom van mening waren daarover goed geïnformeerd te zijn, is hun eensgezinde oordeel daarover dat Bartolmeeus Jacobsz. zich tevreden zou moeten laten stellen door vast te houden aan de rentebrief die hij als vergoeding van de eerdergenoemde gelden aangenomen had, waarbij zij memoreren dat hun díe feiten als zeker voor ogen stonden die in de verklaring van schepenen in vroeger tijd over deze kwestie genoemd waren en geen andere’
    Dit is een fragment uit een vergaderverslag van de vroedschap (Amsterdam) van 11 december 1497. Tekstcat. is B. De tekst van de resolutie is getiteld Roerende dese stede ende Bartolmeeus Jacobsz. Uit het direct voorafgaande blijkt dat ene Bartolomeeus Jacobsz. bij de vroedschap een klacht heeft ingediend omdat hij te weinig rente ontvangen zou hebben over de som geld die hij de stad heeft voorgeschoten, zodat de stad aan de vorstelijke bede kon voldoen. Het citaat vermeldt welke uitspraak de vroedschap in deze kwestie doet. Woorden: segel ende brief: ‘een brief of akte met een er aanhangend of opgehecht zegel, een gezegelde brief’; hem zoude... genoegen: MNW: ‘[...] met eene bep. met met. ‘Zich vergenoegen, zich tevreden stellen, genoegen nemen met iets’; hem voirstonde: MNW hem vorestaen (‘voor iemands geest staan, hem vóórkomen’)_hem hier meervoud; zich laten dunken: van mening zijn.
    Q - P: instrumenteel. Bartolmeeus Jacobsz. zou zich naar het oordeel van de vroedschapsleden tevreden moeten laten stellen (Q) door een vasthouden aan de in de rentebrief vervatte aanspraken op de vergoedingen (P). P is een middel.
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is Bartolmeeus, die ook het subject is van de direct hogere frase. Aanslutiing is dus conjunct subject-subject.
15ab [...] of sy de voirscr. huere wynen ende coopmanscepen anvaerden ende hebben wilden of nyet [Q1], mits betalende hem zijn vracht ende geleent gelt naer uutwysen huere certepertie [mits.pp P1]
[...] ende waeren tevreden, dat de voirscr. scippere die behouden ende zijn proffit daermede doen zouden voir zijn vracht ende geleent gelt [Q2], mits by hem betalende tsheeren thol ende de wettelicke costen [mits.pp P2]. (BronnenMiddelb dl. 3: 203v)
[Middelburg, Zeeland; 1500-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[de schipper eiste na de contractueel vastgelegde termijn van 31 dagen dat de twee kooplieden, zijn handelspartners, zouden verklaren] of zij de genoemde voor hen bestemde wijnen en koopwaren wilden afnemen of niet, waarbij zij hem - [wel of niet,] volgens de bepalingen in hun contract - zouden moeten betalen voor de vrachtkosten en het voorgeschoten bedrag
[waarop de kooplieden via hun vertegenwoordiger lieten weten dat zij de goederen niet zouden afnemen] en zij ermee akkoord gingen dat de genoemde schipper deze zou houden en er zijn voordeel mee zou doen als compensatie voor zijn vrachtkosten en het voorgeschoten bedrag, waarbij hij zelf de tol van de landsheer en de wettelijke kosten zou dienen te betalen.’
    Het citaat maakt deel uit van een ambtelijke samenvatting (tekstcat. B) van een in Zeeland gesitueerd handelsconflict over vrachtkosten tussen twee kooplieden uit Andalusië en een schipper uit een havenplaats in Navarra aan de Golf van Biskaje, die in hun opdracht wijn en andere koopwaar naar Arnemuiden had gebracht. Burgemeesters en schepenen van Middelburg hadden, vermoedelijk op verzoek van een van de partijen (of wellicht van beide), vastgesteld wat precies contractueel tussen partijen was vastgelegd. Het contract bleek bepalingen te bevatten voor de periode van de eerste 31 dagen na aankomst van het schip, en voor de periode na afloop daarvan. De magistraten hadden geconcludeerd dat de kooplieden in die eerste 31 dagen toegang tot de koopwaar moesten kunnen hebben (om daar eventueel delen van te verkopen) zónder eerst de vrachtkosten te hoeven betalen. Eventuele opbrengsten van verkoop in die eerste periode zouden echter allereerst ten goede komen aan de schipper als aanbetaling op de vergoeding van zijn vrachtkosten. De magistraten hadden ook uit het contract gelezen hoe de kaarten na deze 31 dagen zouden liggen. De kooplieden zouden dan ofwel de vrachtkosten en verdere voorgeschoten kosten (in feite het aankoopbedrag van de wijnen en andere koopwaar) aan de schipper moeten betalen en zouden daarmee de koopwaar als de hunne kunnen beschouwen; ofwel ze zouden afstand kunnen doen van de goederen, die dan voor de schipper zouden zijn, samen met het bedrag dat delen ervan intussen mogelijk opgebracht hadden. De schipper hoefde in het laatste geval ook niet te betalen voor het gemeenschappelijk logement waarvan hij al wachtend wellicht gebruik had gemaakt, alleen de tolkosten en de wettelijke kosten zouden voor zijn rekening blijven. Het ambtelijk verslag vermeldt vervolgens dat de schipper in kwestie na 31 dagen eiste dat hij de keuze van de kooplieden zou vernemen, en wat hun antwoord was.
    De schipper eiste volgens het ambtelijk verslag duidelijkheid over de vraag of de kooplieden hun wijnen en andere door hem vervoerde koopwaar wel of niet in bezit wensten te nemen (Q1), waarbij ze hem, zo maakte volgens het verslag de schipper met verwijzing naar het contract duidelijk, wel of niet zouden dienen te betalen voor de vrachtkosten en het voorgeschoten bedrag voor de koopwaar (P1). P1 heeft een comitatieve rol. Het verslag vermeldt verder dat de kooplieden de negatieve optie kozen en ermee instemden dat de schipper zijn kosten zou terugwinnen en zijn winst zou kunnen behalen uit de handelswaar zelf (Q2), waarbij hij - ook weer precies volgens het contract - wel zelf de wettelijke kosten en de tolkosten zou moeten dragen (P2). Q2 duidt weliswaar op een mogelijk voordeel voor de schipper, maar P is geen voorwaarde waaronder hij dat voordeel zou kunnen verwerven: P noemt een verplichting die sowieso uit het contract voortvloeit. Ook P2 heeft dus een comitatieve rol. (Haast te mooi om werkelijk zo te zijn gebeurd, dit schoolvoorbeeld van geslaagde conflictbemiddeling door overheidsoptreden!)
 De mits.pp-frase met P1 is conjunct subject-subject: het begrepen onderwerp zijn de kooplieden, die ook het onderwerp zijn van de direct hogere frase. De mits.pp-frase met P2 is semi-conjunct: hier is het begrepen onderwerp de schipper, die geen rol van onderwerp of voorwerp vervult in de direct hogere frase. Er is in dit geval een Agentieve by-bepaling by hem, die naar de schipper verwijst om misverstand uit te sluiten over wie de genoemde formele kosten zou moeten betalen.
16 Bij state aldus gemaect bij den edelen van Zeelant, ende den vors. Andries Andries gegeven ende bevolen de partien hierin begrepen te betaelene, dewelcke men hem passeren sal in rekeninge [Q] mits bringhende betooch van den betalinghe [mits.pp P]. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 608)
[Middelburg, Zeeland; 1501-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Als overzicht aldus opgemaakt door de edelen van Zeeland en aan de genoemde Andries Andries overhandigd met de opdracht de hierin opgenomen geldsommen [aan de grafelijkheid] af te dragen, waarvan men de financiële verantwoording te zijnen behoeve zal goedkeuren, als hij bewijs van de afdracht overlegt.’
    Dit is een citaat uit de instructie voor Andries Andriesz., de rentmeester van Bewesterschelde, vestigingsplaats Middelburg. Tekstcat. is B. De edelen van Zeeland hebben samen met de prelaat voor rentmeester Andries Andries een overzicht gemaakt van de grafelijke beden die voor de jaren 1501-1503 waren geaccordeerd. Inning van de bedegelden was de taak van de rentmeester; deze had naast een vast salaris recht op de vijftigste penning (2%) uit de inkomsten die hij ten behoeve van de bede binnenhaalde en de twintigste penning (5%) uit de domeininkomsten; het bedegeld moest afgedragen worden aan de grafelijke vertegenwoordigers.
Woorden: rekeninge: ook: afrekening; passeren: ook: goedkeuren, verlyden van akten; prelaat: hoogwaardigheidsbekleder in R.K.-kerk. Zeeland had er inderdaad maar één, die van Middelburg (curie is er alleen in Rome).
    De grafelijke ambtenaren zullen de boekhouding van de rentmeester inzake het geïnde bedegeld fiatteren (Q) zodra deze functionaris zijn documentatie inzake de afdracht van het geld overlegt (P). De rol van P is temporeel-momentaan. Maar omdat P als het ware de oorzaak van Q zal zijn, kan de rol van P ook betiteld worden als quasi-oorzakelijk. (Opm: er is geen sprake van een wens tot het goedkeuren van de boekhouding die de rentmeester zou hebben geuit, zodat er ook geen voorwaarden gesteld zijn voor de vervulling daarvan.).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw: begrepen subject is Andries Andries, die meew.voorwerp is van de direct hogere frase.
17 Opten VIden dach van februario anno vijftienhondert ende een soe zijn up die nyewe zale vergadert geweest alle den rentieren, poirteren deser stede, die an der stede ten afteren zijn van hore renten ende die daer gecommen waren ten ontbieden van den burgemeesteren [...]. Ende dieselven rentieren in langhe verthoent ende mits veel verhaels te kennen gegeven es, tenderende alle die verhalinghe ter conclusie, dat zij allen die stede goetwillichlijken consenteren zouden een zekeren tijdt van jaren uuytstel ende respijt van de renten ende afterstallen vandien, die hem commen ende gebreken mogen, verschenen voerden jare XCIX lestleden. Ende mits soe doende [mits.pp P] soe zoudt men benaerstigen, dat zij van de vallende termijnen souden worden gecontenteert, te weten dat men van meye of beginnende soude betalen tgene dat noch resten mochte van XCIX [Q]. (ResolVroeAmstI 25v)
[Amsterdam, Holland; 1501-T01] T=T01 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=TempMom CV=W3 VO=P-Q
           
    ‘Op de zesde dag van februari van het jaar vijftienhonderd en een zijn in de nieuwe zaal alle bezitters van rentebrieven van deze stad bij elkaar gekomen die van de stad rentebetalingen tegoed hebben. Zij waren daar door burgemeesteren ontboden. En voor deze bezitters van rentebrieven is in een lange uiteenzetting en met veel omhaal van woorden betoogd, dat zij allen zo goedwillend zouden moeten zijn de stad een bepaald aantal jaren van uitstel toe te staan van de betaling van de hun toekomende en niet-uitbetaalde renten en daaruit voortvloeiende vorderingen die vervallen waren voorafgaande aan het jaar [14]99. En als zij dat zouden doen, zou de stad zich beijveren om hun de vervallende termijnen te voldoen, te weten dat men vanaf mei allereerst zou betalen wat nog mocht openstaan van het jaar ’99.’
    Dit citaat behelst het eerste deel van een resolutie van de Amsterdamse vroedschap van 6 februari 1501. De resolutie valt in tekstcat. B. De stad Amsterdam is achter met de uitbetaling van rente op rentebrieven (obligaties). De burgemeesters hebben een bijeenkomst georganiseerd met de bezitters van deze rentebrieven en doen hun een voorstel. Woorden: die nyewe zale: ‘deze zaal is ingericht in de kapel van het voormalige St. Elisabeths- of Oude Gasthuis, gelegen naast het oude stadhuis, dat in 1492 met dit gasthuis werd uitgebreid’ (ResolVroeAmstI 138 nt. 6); te weten: WNT weten betek. 3.c (‘in de bijw. verb. te weten, namelijk; met name; meer bepaald; en wel’ _betek. 3.c.γ: ‘ter inleiding van een specificatie van oorzaak, reden of doel van wat in het voorafgaande werd genoemd’).
    Zodra de bezitters van rentebrieven de stad een aantal jaren van uitstel toestaan van rentebetalingen voor jaren voorafgaand aan ’99 (P), zal de stad volgens de burgemeesters haar best doen om de vallende termijnen te voldoen, en vanaf mei alle. De analyse van mits kan temporeel zijn, ruilmiddel-aanduidend of voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het subject wordt begrepen als de bezitters van de rentebrieven, die niet optreden in een direct hogere frase, maar alleen eerder in de tekst, aangeduid met zij in de voorafgaande zin.
18 Item, dat den vercoper [Q 1e deel], mits ontfanghende zyne penninghen [mits.pp P], gehouden wesen sal den registermeester te geven ende doen hebben zall behoirlick ackquyt van alle tghene dat tot dien daghe toe by hem registermeester gehantiert wesen sal [Q 2e deel]. (RechtsbrAmst 397)
[Amsterdam, Holland; 1502-T01] T=T01 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=TempMom CV=W2 VO=QPQ
           
    ‘Voorts, dat de verkoper, zodra hij zijn penningen ontvangen heeft, verplicht zal zijn de registratieambtenaar correct te quitteren inzake alle transacties die op die dag door hem, de registratieambtenaar, behandeld zijn.’
    Het citaat omvat artikel 13 van de ‘Ordinancie ghemaect by den heere ende gherecht in den ossen- en koyenvercopinghe’ uit 1502, een reglement van het Amsterdamse stadsbestuur voor de ossen- en koeienhandel. Dit reglement valt in tekstcat. A2. De hele transactie vond plaats direct bij de registratieambtenaar, in aanwezigheid van koper en verkoper. Woorden: quitantie MNW ‘kwitantie, kwijting, vereffening’; registermeester: WNT betek. 2 (‘Eert. ook ter aanduiding van een bepaalden stedelijken ambtenaar die belast was met het registreeren, b.v. van sommige transacties. In de aanh. m. betr. t. den veehandel’) ; gehantiert: MNW hanteren betek. II B 7 ‘een zaak behandelen’.
    De verkoper van vee is verplicht om, du moment dat hij zijn geld van de als ambtelijk tussenpersoon fungerende ‘registermeester’ ontvangen heeft (P), deze registratieambtenaar te quitteren voor al diens transacties voor hem van die dag (Q). De rol van P is temporeel-momentaan: du moment dat de veekoopman zijn geld van de registermeester krijgt (P), moet hij zijn kwijting aan hem geven (tekenen voor ‘voldaan’, kwitantie overhandigen) (Q). Een voorwaardelijke analyse is ook mogelijk; het temporele aspect blijft dan behouden.
 De mits.pp-frase is conjunct, want het begrepen subject is de verkoper, die ook onderwerp is van de direct hogere zin met het predicaat gehouden wesen sal.
19 [...] de drie Staten van denzelve lande van Zeellant [...] hebben hedent [...] geconsenteert [...] de betalinge van vijfhondert vechtender mannen te voet voer drie maenden [...] [Q1].
Behoudelick ende met condicie dat mijnen heere de prelaet, dedelen ende ambochtsheeren mitsgaders de steden van Zeellant ende elcken van hemlieden ontslaen, vrij ende quyte wesen zullen [Q2], mits betalende telcken lesten daghe van der maent de drie maenden geduerende als voirs. es huerlieder part, porcie ende cote in de betalinge van den voirs. Vc knechten [mits.pp P2], ende dat deene voir dandere niet executable en zal zijn [behoudelick ende met condicie dat + Vf ende dat + Vf P1]. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 656)
[Middelburg (+Mechelen), Zeeland; 1508-T01] T=T01 P=Middelburg P=Mechelen R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] de drie standen van dit gewest Zeeland [...] hebben heden ingestemd met de bekostiging van vijfhonderd infanteristen voor drie maanden [...].
Met dien verstande, dat mijnheer de prelaat, de edelen en bestuurders van de rechtsgebieden evenals de steden van Zeeland, tezamen en elk afzonderlijk vrijgesteld en ontslagen van financiële verplichtingen zullen zijn als ze voor de genoemde drie maanden op elke laatste dag van de maand hun aandeel in de betaling van de genoemde 500 soldaten voldoen, en dat zij niet aansprakelijk zullen zijn voor elkaar.’
    Dit is een fragment van het verslag van de dagvaart (tekstcat. B) van de Staten van Zeeland van 28 februari 1508. De pasbenoemde landvoogdes Margaretha van Oostenrijk heeft uit naam van haar jeugdige neef Karel V, de landsheer, de Staten van Zeeland verzocht om de kosten op zich te nemen van 800 infanteristen gedurende drie opeenvolgende maanden. Na beraadslaging verklaren de drie standen zich bereid, en ondertekenen dat in Mechelen, om voor zo’n periode 500 infanteristen te onderhouden, waarmee een bedrag van 6000 goudguldens gemoeid zal zijn, voor een derde op te brengen door prelaat en edelen (de eerste twee standen) en voor twee derde door de steden (derde stand).
    De instemming van de standen met de wens van de landvoogdes (Q1) gaat gepaard met een tweeledig voorbehoud P1 met de structuur behoudelick ende met condicie dat + Vf ... ende dat... + Vf. Het eerste deel daarvan bevat een mits.pp-frase met P2 met een instrumentele rol. In verband met wat de standen willen bereiken, namelijk dat ze na de gevraagde toezegging rust zullen hebben op het financiële front (Q2), noemen zij als middel waarmee ze dat doel zullen bereiken dat ze de betaling steeds op de laatste dag van de maand voltrekken (P2). Maar een kanttekening is hierbij op de plaats. Deze instrumentele analyse geldt bij de (con)tekstuele aanwijzingen die ons ter beschikking staan. Maar het is denkbaar dat sommige taalgebruikers de mits.pp-constructie conditioneel hebben opgevat, nl. dat Q2 (vrij ende quyte wesen zullen) te begrijpen is als iets wat de standen wensen, waarvan de landvoogdes of haar ambtenaren beoordelen of aan de voorwaarde daarvoor voldaan zal zijn (ongeveer zo: ‘wij zullen jullie als vrij van financiële verplichtingen beschouwen, als we in de boekhouding van onze rentmeesters constateren dat jullie aan de voorwaarde voldaan hebben dat jullie aan het eind van elk van de drie maanden je aandeel in de betaling van de voetsoldaten hebben betaald.’).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject zijn de drie standen, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
20 Soe eyst dat wij scelden quyte ende remeteren uuyt onse zonderlinge gracie mits desen onsen brieve teen derdendeel van zulcker zomme van penningen als zij ons sculdich zullen mogen wesen ter causen van huere cote ende porcie van den voirseyden 70.000 lb. munte voirscreven ons geconsenteert als voirs. es, omme ons daermede te helpen vervallen die groote ende zware lasten ende nootsaicken die wij nu ter tijt te dragen hebben, zoe om die veede ende oorloge van Geldre als anderssins in diverschen manieren [Q], mits bij denzelven supplianten betalende ende furnierende die andere twee deelen van derselver huerer porcie van den voirs. accorde in handen van onsen rentmeesters van Bewest ende Beoosterschelt [mits.pp P], die gehauden worden rekenynghe, bewijs ende reliqua daerad [daeraf] te doenne tot onsen behouf mitten anderen penningen van hueren ontfange. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 666v)
[Antwerpen, Zeeland; 1508-T01] T=T01 P=Antwerpen R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Daarom schelden wij bij wijze van bijzondere gunst door deze brief één derde deel kwijt van welke som dan ook die zij ons schuldig zullen zijn inzake hun aandeel in de voornoemde 70.000 pond in voornoemde valuta, die ons zoals eerder aangegeven zijn toegestaan om ons daarmee te helpen een eind te maken aan de grote en zware lasten en dringende problemen waarmee wij op dit moment te kampen hebben, zowel vanwege de vijandelijkheden en de strijd in Gelre als door diverse andere oorzaken; onder de voorwaarde dat zij [deze verzoekers] de andere twee delen van hun aandeel in het genoemde akkoord betalen en ter beschikking stellen in handen van onze ontvangers van Bewesten en Beoosten Schelde, die gehouden zijn te onzen behoeve daarvan rekening en verantwoording af te leggen met vermelding van het batig saldo tezamen met de verantwoording van hun verdere ontvangsten.’
    Dit is een fragment van een brief van keizer Maximiliaan van Habsburg van 10 november 1508; het valt in tekstcat. B. Maximiliaan trad sinds de dood van zijn zoon Filips de Schone in 1506 op als regent voor zijn kleinzoon Karel (de latere Karel V) als heer der Nederlanden. In 1508 was hij in Antwerpen voor een Blijde Intrede; in deze stad zetelde ook de Staten-Generaal der Nederlanden. De brief is gericht aan de hoogste financiële ambtenaren in de Nederlanden, die het besluit dat hij hier uiteenzet dienen uit te voeren en op alle lagere niveaus te laten uitvoeren. De inhoud betreft Zeeuwse zaken en is ingevoegd bij de stukken van de Staten van Zeeland. Op grond van zeer grote belasting door kosten van velerlei aard hebben gedeputeerden van de Zeeuwse Staten (de supplianten) kwijtschelding verzocht van de helft van hun aandeel in een toegezegde bede van 70.000 pond. Het fragment laat zien tot welke kwijtschelding Maximiliaan zegt bereid te zijn. Woorden etc: mogen: ‘Hoe hoog het bedrag (van dit aandeel) ook zou kunnen zijn’, modaal dus; reliqua, het overige; Rekeninghe, bewijs ende reliqua, rekening met aanwijzing van het batig saldo; hueren (altijd possessief) ontfange; vervallen WNT betek. II, 10 (‘doen verdwijnen’.
    De vorst scheldt de Zeeuwse gedeputeerden op hun verzoek een derde deel kwijt van het Zeeuwse aandeel in de bede (Q), onder voorwaarde dat zij twee derde van dat aandeel betalen en ter hand stellen aan de landsheerlijke ontvangers in Bewesten en Beoosten Schelde (P).
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen subject zijn de verzoekers, die (onder de aanduiding zij) slechts optreden in een als-bijzin van de direct hogere frase. De mits.pp-frase bevat wel een Agentieve by-bepaling bij denselven supplianten, waardoor er geen misverstand is over degenen die verantwoordelijk zijn voor de betaling.
21 [...] ende anderssins hemlieden niet mogelijck en ware te furnieren noch te betalen huer porcye van den vijfhondertduysen croonen van achtenveertich grooten Vlaems tstuck nu onlancx begheert van wegen der keyserlijcken majesteit ende ons genadichsten heeren des eertshertogen over alle huere voirs. landen van herwaertsovere, biddende daerom oetmoedelijck dat men aensien wilde hueren staet, lasten ende aermoede ende hem mids dien te laten ontstaen [Q] midts betalende die helft van huere voirs. porcye van den voirs. 500.000 croonen, ofte van alsulcker andere somme als bij den voirs. Staten int ghemeyne tot deser jegewoirdeger dachvaert gheconsenteert zal moghen worden [midts.pp P]. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 672)
[Antwerpen (Staten-Generaal), Zeeland; 1509-T01] T=T01 P=Antwerpen R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[de Zeeuwse gedelegeerden zetten uiteen dat het gewest er door natuurrampen en geldelijke lasten slecht aan toe is,] en omdat het hun anders niet mogelijk zou zijn hun aandeel te leveren of te betalen in de vijfhonderdduizend kronen van achtenveertig Vlaamse groten per stuk die nu binnenkort vanwege de keizerlijke majesteit en onze zeer genadige heer de aartshertog verlangd worden over al zijn genoemde Nederlandse erflanden, om die reden smeken zij ootmoedig dat men hun slechte staat, financiële lasten en armoede in ogenschouw zou willen nemen en hen daarom zou willen laten volstaan met betaling van de helft van hun genoemd aandeel in de genoemde 500.000 kronen, of van enige andere som die door de genoemde Staten tezamen op deze huidige zitting geaccordeerd zal worden.’
    Dit is een fragment van het verslag van een vergadering van de Staten-Generaal op 31 maart 1509 in Antwerpen. Detail: 31 maart viel in dat jaar 8 dagen voor Pasen en men hanteerde in Antwerpen toen nog de paasstijl - waarbij het nieuwe jaar 1509 pas na Pasen zou ingaan - ; daardoor staat aan het eind van het verslag, bij de ondertekening: Actum tAntwerpen, den lesten dach in maerte anno XVc ende achte voir Paesschen. Tekstcat. is B. Ter bespreking staat een nieuwe bede van landvoogdes hertogin Margaretha van Savoye, die zelf aanwezig is. Er is van tevoren een voorstel geformuleerd om hier positief op te reageren. De Zeeuwse gedelegeerden reageren daarop met een verzoek. Woorden: de landen van herwaarts over, benaming voor de Nederlandsche erflanden van de Bourgondische vorsten; onder de Spaansche regering: voor de gezamenlijke Nederlandsche gewesten (fra. les (nos enz.) pays (enz.) de par deça); staet: duidt waarschijnlijk op het verval van Zeeland door natuurrampen en gebrekkig onderhoud; onlancx: weldra.
    Q duidt op het nagestreefde, nl. zij (kunnen) volstaan, d.w.z. zij doen genoeg, waarvoor ‘de helft betalen’ het middel is. P heeft een instrumentele rol.
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen subject zijn de Zeeuwen, die ook begrepen subject zijn van de infinitief ontstaen, ‘volstaan’, die de direct hogere frase uitmaakt.
22 Item, so wie in dit voorscr. ghilde ghildebroeder wil wesen ende bliven, die sal ghehoorsaem wesen deken ende beleeders up brueken ende boeten, daertoe staende [Q], mids gheldende in opscote ende ander costen ende oncosten alzovele, als de tabbaertdraeghers in allen zaken in scotteriën, scietspelen ende ooc mede in opscote, indies zy de feeste volghen willen [mids.pp P]. (BronnenMiddelb dl. 1: 151)
[Middelburg, Zeeland; 1509-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voorts: wie lid van het genoemde gilde willen zijn en blijven, dienen te gehoorzamen aan de deken en bestuurders op straffe van de boetes die daarvoor zijn vastgesteld, waarbij zij als vooruitbetaling en aan andere kosten en onkosten voor alle activiteiten bij schuttersfeesten en schietwedstrijden net zoveel moeten betalen als de tabberddragers, en ook vooruit moeten betalen als zij willen meelopen in de optocht.’
    Dit citaat behelst art. 14 van de Middelburgse ‘Ordonnantie voor het gilde van de kloveniers’ (tekstcat. A2). De kloveniers waren schutters die, anders dan de hand- en voetboogschutters, schoten met de klover (een musketgeweer, handbus, Fr. couleuvrine). Als aanvulling op de bestaande schutterijen stelde het Middelburgse stadsbestuur ter bescherming van de stad in 1509 het kloveniersgilde in. De zgn. tabberddragers (tabbaertdraeghers) waren gildeleden met speciale verantwoordelijkheid en bijbehorende privileges, door burgemeesteren als zodanig beëdigd. Hun lidmaatschapscontributie wordt eerder in de ordonnantie gespecificeerd. Woorden: beleeders: MNW beleeder, beleider betek. 2c (‘van de gilden. Hoofd van het gild.’); up: betekenis up pene van; in opscote: WNT opschot (‘voorschot van geld (...)’); feeste is vrouwelijk enkelvoud, hier vermoedelijk: ‘optocht’ in verband met volghen; brueken ende boeten: pleonastische formulering van boetes; scotterie: MNW, betek. 1 (‘schuttersgild, -gezelschapers (...)’); indies: indien.
    De gildebroeders, zo stelt de ordonnantie van het Middelburgs stadsbestuur, moeten gehoorzamen aan de boven hen gestelden (Q), waarbij ze verplicht zijn voor de schuttersfeesten en schietwedstrijden zoveel te betalen als de tabberddragers, en ook om vooruit te betalen voor meelopen met de feestoptocht (P). De mids.pp-frase wordt geïnterpreteerd als comitatief: ordelijk financieel gedrag is in het onderhavige artikel van de ordonnantie een noodzakelijk aspect van het gehoorzamen aan de meerderen.
 De mids.pp-frase is conjunct subject-subject.
23 Alsoe op huden by den Gherechte ontboeden hebben geweest de ghemeenen drapenierders deser stede oft ymmers tenminsten d’meerdeel van dien ende hen voergehouden, zy souden onder hen allen vinden een wech ende maniere, omme te verschieten ende verlegghen Willem van Parijs, verwer, angenomen omme alle manieren van verwen binne deser stede te maken ende verwen navolghende d’oevercoompst, mit hem daeraff gemaect, de somme van 50 ponden gr. Vlaems in sulcker manieren, als deselve ordinantie inhout ende begrijpt [Q], mits weder hebbende ende ontfanghende van ’t verleg van hoeren penningen van elck Aemstelredamme laken, dat by hem geverwet soude werdden mit anderen verwen dan swartte, een stuver ende van een Enghelsche laken twee stuvers [mits.pp P], so hebben deselve drappenierders, naedat zy hen daerop beraden hebben gehadt, by diversen redenen geseyt, dat hen sulckx nyet wel doenlijck en was (BronnenAmst dl. 1: 2v)
[Amsterdam, Holland; 1512-T01] T=T01 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Heden waren bij het gerecht ontboden de lakenbereiders van deze stad of ten minste het merendeel van hen, en hun is nadrukkelijk verzocht onder elkaar een manier te vinden om ten behoeve van verfmeester Willem van Parijs, die aangenomen is om alle soorten van verf te maken en toe te passen in deze stad, op grond van de overeenkomst met hem bij vooruitbetaling de som van 50 ponden in Vlaamse groten te verschaffen op de wijze die deze ordonnantie beschrijft, waarbij zij van de vooruitbetaalde penningen een stuiver moeten terugontvangen voor elk Amsterdams laken dat door hem geverfd zal worden met andere verf dan zwarte, en twee stuivers voor een Engels laken. Na onderling overleg gaven deze lakenwevers met verschillende argumenten te kennen dat dat voor hen niet goed uitvoerbaar was’
    Dit citaat vormt het begin van een verslag van de onderhandelingen die het stadsbestuur op 2 december 1512 met de lakenbereiders voerde (tekstcat. B) over de vooruitbetaling van een contractueel afgesproken som geld ten behoeve van lakenverver Willem van Parijs. Overeengekomen was dat hij lakense stoffen zou verven voor Amsterdamse drapeniers - en, als er uit Amsterdam niet genoeg vraag was, ook voor drapeniers van elders -, dat hij corrigeerbaar zou zijn door de bestuurders, de poorterseed zou afleggen en een garantie van de stad zou krijgen om twee jaar te kunnen werken, ook als de samenwerking met de lakenbereiders niet optimaal zou verlopen. Tevens werd de prijs afgesproken die Van Parijs de drapeniers zou berekenen, gespecificeerd naar soort en kleur verf. Eén van de eerste bepalingen hield in dat de stad voor Van Parijs 50 pond in Vlaamse groten voor apparatuur en materialen zou reserveren, ‘welcke 50 pont grooten hy in zynen handen nyet hebben en zal, maer zal van der stede wegen by den waerdeyns een goet man daertoe geordineert werden, die de voors. penningen in handen hebben zal ende coopen tgene, dat Willem voirs. hem bevelen zal te coopen, ende de goeden weder ontfanghen in zynen handen ende den voors. Willem uuytleveren, als hy die behoufven zal’ (BronnenAmst dl. 1: 1v).
    Het stadsbestuur verlangt van de lakenbereiders de bereidheid om onder elkaar een vooruitbetaling van 50 ponden te realiseren ten behoeve van contractpartner verfmeester Willem van Parijs (Q), waaraan contractueel de bepaling verbonden is dat Van Parijs hun later een korting moet geven op de prijs van alle door hem anders dan zwart geverfde stuks laken (P). De rol van P is comitatief.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject van de mits-frase worden de drapeniers begrepen, en zij zijn ook het subject (zy) van de direct hogere frase met het predicaat souden... vinden.
24ab 19 Hierna zoe hebben die voorsz. van Noordhollant vercreegen zeeckere Requeste, wijl begerende gereleveerd te wesen van het voorsz. default [Q1] mits overleggende ratificatie oft Procuracie souffisant [mits.pp P1]. Dair jeghens die van Dordrecht sustinerende waeren die contrarie dat die voorsz. van Noordthollant nijet onfanckelick en waren, ende is geappoincteert, dat de Requeste civijl zoude gevoucht worden by ’t Proces op t’proffijt van het voorsz. default om [?]ap als recht gedaen te zijn als behoiren zoude.
[...]
23 Item die voorsz. partien hebben t’ voorsz. appointement gefundeert in zulcken schyn dattet proces bij die van den groiten Raide ons genad. Heeren doenter tijd in den Haghe wesende is gevisiteert geweest en op ten xvii dach in Julio dair an volgende een zeeckere Sentencie interlocutoir oft appoinctement geweesen is, daerby verclaard is eerst: dat myn voorsz. genad. Heeren interineerende die Requeste civile by den voorsz. van Noord holland verworven, doet tenyette het deffault tegens hem luden vercreegen by den voorsz. van Dordrecht ende Zuidhollandt [Q2] mits refunderende ende opleggende die kosten gedaen in’t vervolch van dien ter tauxatie van den Hove [mits.pp P2]; Ende in die principale materie worde geappoincteert dat Enquesten zouden gemaict worden by zeeckere Commissarijssen die welke Instrueren zouden t’proces vanden voorn. partien en t’zelve geinstrueerd zijnde ende gestelt in Staite van wysen, overbrengen etc. Ende als van de Provisie gezien die ?hangende dit proces en ter tyd toe dat anders geappoincteert zoude worden die voorsz. van Dordrecht zouden gelden ende contribueeren in de Lasten ende Schulden van den Landen hier voirtijts gemaict voor den xii Penninck alleenlyk. [...] (Regionaal Archief Dordrecht toeg.nr. 1, inv.nr. 600: fol. 10, 12)
[Dordrecht, Holland; 1513/19-T01] T=T01 P=Dordrecht R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=d TS=b SM=Instr SM=Comit CV=W1 CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘19 Hierna kwamen de genoemde vertegenwoordigers van Noord-Holland met een zeker verzoekschrift, omdat ze door het overleggen van bekrachtiging of geldige machtiging ontslagen wensten te zijn van de genoemde ingebrekestelling. Daartegenover hielden de vertegenwoordigers van Dordrecht staande dat de genoemde vertegenwoordigers van Noord-Holland niet ontvankelijk waren in hun verzoek. De beslissing was dat het request-civiel betrokken zou worden in de procedure inzake de som die op grond van de ingebrekestelling zou toekomen [aan die van Dordrecht], zodat naar behoren recht gedaan zou kunnen worden.
[...]
23 Voorts: de genoemde partijen hebben op de genoemde uitspraak [van het Hof van Holland van 14 maart 1497 (in oudere jaaraanduiding: 1496)] op zo’n wijze gereageerd, dat onderzoek is gedaan naar dat proces door de Grote Raad van onze genadige heer (Filips), die in die periode in Den Haag was, en op de 17e dag van juli daarna is voorlopig vonnis gewezen. Daarbij is allereerst de uitspraak gedaan dat mijn genoemde genadige heer als bekrachtiging van het door de vertegenwoordigers van Noord-Holland aanhangig gemaakte request-civiel de ingebrekestelling vernietigt die tegen hen [de Noord-Hollanders] verkregen was door de vertegenwoordigers van Dordrecht en Zuid-Holland, waarbij dezen [die van Dordrecht en Zuid-Holland] de kosten dienen te vergoeden en te betalen die als gevolg daarvan [van de ingebrekestelling] gemaakt zijn, naar raming door het Hof; en dat inzake het eigenlijke geschil wordt gevonnist dat onderzoekingen dienen te worden ingesteld door gemachtigden, die het proces tussen genoemde partijen zouden moeten voorbereiden en het na de voorbereiding en het uiteindelijk bevinden voorleggen [aan het hof] etc. Hangende dit proces en tot de tijd dat anders gevonnist zal worden, zouden de genoemden van Dordrecht voorlopig niet méér hoeven te betalen en bij te dragen in de lasten en eerder gemaakte schulden van het land dan voor 1/12 deel. [...]’
    Dit nummer behelst twee fragmenten van het ‘Register houdende aantekening van verschillende dagvaarten betreffende de verponding’, dat anders dan de archieftitel suggereert, gerechtelijke zittingen over het genoemde onderwerp betreft. De fragmenten zijn niet digitaal beschikbaar. Het document is een genummerde opsomming van kort beschreven bestuurlijke en juridische feiten uit de periode 1513-1519, opgesteld door Floris Oem van Wijngaarden, tot 1510 raadsheer van het Hof van Holland en vanaf 1513 pensionaris van Dordrecht. Oem stelde deze aantekeningen samen, toen hij zich in 1516 in Brussel voor de Grote Raad van de centrale regering moest verdedigen o.a. wegens niet meer geheel betamelijke verdediging van de privileges van Dordrecht en gebrek aan respect voor de koninklijke ambtenaren (Ter Braake 2005: 65; zie ook Fruin 1866 en Van de Wal 1790). De mits.pp-teksten van Oem zijn (deel van) gerechtelijke vonnissen en vallen als zodanig in tekstcat. A1. De beide fragmenten betreffen episodes uit een langjarige strijd tussen de Noord-Hollandse steden en Dordrecht, dat zich min of meer opstelde als heer van de omstreeks veertig Zuid-Hollandse dorpen en de stad Geertruidenberg, over de lastenverdeling in de ‘verponding’, dat wil zeggen de onderscheidenlijk vastgestelde aandelen van alle steden en dorpen in de lasten van de Staten van Holland. Het intussen welvarende Dordrecht beriep zich blijvend op een vaststelling ‘voor eeuwig’ van zijn aandeel in het totaal van de lasten aan bedes en belastingen (en op andere belastingprivileges), die het bereikt had bij de successieve landsheren Karel de Stoute, Philips de Schone en diens regent Maximiliaan van Oostenrijk alsmede bij landsvrouwe Maria van Bourgondië, en zocht daarvoor steeds steun bij de Grote Raad van de vorstelijke regering in Mechelen, terwijl de Noord-Hollandse steden de toon aangaven in de Raad van Holland (de latere Staten van Holland) en meer dan eens in het gelijk werden gesteld door het Hof van Holland. In het eerste fragment memoreert Oem vermoedelijk iets van de juridische schermutselingen die het gevolg waren van het handvest dat Maximiliaan en Filips de Schone op 17 november 1487 uitgevaardigd hadden ten gunste van Dordrecht en Zuid-Holland: in plaats van het in 1462 vastgestelde aandeel van 1/9, hoefden zij voortaan niet meer dan 1/12 te betalen van het totaal aan bedes en belastingen die ten laste kwamen van het gewest Holland (Van de Wall 1790: 718v, 844-846; Fruin 1866: XIV). De Noord-Hollandse steden ontvouwden vervolgens de eis dat Dordrecht en Zuid-Holland voor doeleinden van beden en belastingen geschat zouden moeten worden op hun reële welvaartsvermogen, met een quote namelijk van 1/7, minimaal 1/9 van de Hollandse lasten. In het tweede fragment noteert Oem feiten van een latere fase van het geschil. Het Hof van Holland had op 14 maart 1497 voorlopig gevonnist dat Dordrecht toch voor 1/9 aan de door Holland verschuldigde vorstelijke beden moest bijdragen; daartegenin had de Grote Raad van Filips de Schones regering enkele maanden later (op 17 juli 1497) geoordeeld dat Dordrecht en Zuid-Holland vooralsnog niet meer dan voor 1/12 hoefden te betalen (Fruin 1866: XVI-XVII). Intussen werd wel het ingebrekestellen van Noord-Holland door Dordrecht en Zuid-Holland verworpen. Vanaf myn voorsz. genad. Heeren interineerende die Requeste civile citeert Oem hierbij de eerste zin van dit vonnis van de Grote Raad, zoals blijkt uit de weergave daarvan in Van de Wall (1790: 761v). Het bezittelijk voornaamwoord in myn voorsz. genad. Heeren verwees in het vonnis naar de president van de Grote Raad, die het vonnis had uitgesproken, maar in Oems overname ten behoeve van zijn verdediging op de rechtszitting had het betrekking op hemzelf. Woorden: vercreegen: MNW vercrigen betek. 1 (‘verkrijgen, verwerven (...)’), en een verzoek verkrijgen heeft als uitdrukkingsbetekenis ‘een verzoek ingewilligd krijgen’, maar hier is deze uitdrukking waarschijnlijk niet aan de orde: zie bij krijgen WNT I, 2 ‘iets aanvatten en tot zich nemen, voor de dag halen’; request-civiel: ‘verzoek om herroeping van een vonnis waartegen geen beroep, cassatie of verzet meer mogelijk is’. interineeren ‘bekrachtigen, ratificeren’; instrueren: WNT instrueeren betek. 2 (‘Als rechtsterm. Van eene rechtszaak. Haar voorbereiden voor de behandeling ter (openbare) terechtzitting.’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    In het eerste fragment releveert Oem dat de Noord-Hollandse delegatie een request-civiel aanhangig maakte, omdat zij een ingebrekestelling door Dordrecht wilden laten opheffen (Q1) door het overleggen van een geldige machtiging van alle Noord-Hollandse steden (P1). P1 heeft derhalve instrumentele rol.
  De mits-frase is hier conjunct subject-subject.
In het tweede fragment heeft de mits.pp-constructie een comitatieve rol: de Grote Raad formuleerde hier, dat de bekrachtiging van het request-civiel van de Noord-Hollanders parallel met de nietigverklaring van de ingebrekestelling die geïnstigeerd was door Dordrecht en Zuid-Holland (Q2), tot logisch gevolg had dat de laatsten de gerechtelijke kosten moesten betalen (P2).
 De mits.pp-frase met P1 is conjunct subject-subject. Als begrepen subject van de mits.pp-frase met P2 (refunderende ende opleggende) fungeren: die van Dordrecht en Zuid-Holland, genoemd in de by-bepaling in de matrixfrase. De aansluiting van de mits.pp-frase met P2 is semi-conjunct.
25 [...] in erfhuysen nyet moghen copen dan [Q] mits stellende sufficiënte borghe [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 1: 17)
[Amsterdam, Holland; 1514-T01] T=T01 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[Bepaald wordt dat opkopers] op boedelveilingen niet mogen kopen tenzij bij voldoende borgstelling’
    Dit is een citaat uit een keur (tekstcat. A2) uit Amsterdam. In de editie BronnenAmst staat geen verdere informatie.
Woord: erfhuis: veiling van de inboedel van overledenen op verzoek van de erfgenamen (vgl : erfhuis houden), boelhuis.
    De keur bepaalt dat opkopers niet in erfhuizen mogen kopen dan (Q) onder voorwaarde dat ze voldoende borg stellen (P). De negatie-met-uitzondering nyet... dan impliceert dat het stadsbestuur ‘kopen in erfhuizen’ in beginsel niet toestaat. Bij de verlening van (beperkte) toestemming is P een voorwaarde.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
26 Alsoe onlancx, te wetene upten vijfsten deser maent van junio int jaer duust vijfhondert ende zestiene, mijn heeren van Montigny ende deken van Besanchon als commissarissen hiertoe gescickt ende gedeputeert van wegen onsen genadichsten heere den coninck van Castillen etc., verthoonden ende te kennen gaven [...] den drien Staeten tslants van Zeelant [...], hoe dat de voirs. Co. M. verstaen hebbende dat mijn heere de bisscop van Uuytrecht overmits die debilitacie van zijnen persoon zeere versocht was tvoirs. zijne beneficie ende bisdom te willen resigneren, soe hadde dezelve Co. M. met alder neersticheyt ende tot zijnen zwaren costen zulcx doen vervolgen ende solliciteren aen den voors. heere van Uuytrecht, alsdat de voirs. resignacie geschien zal tot proffijte ende voordeele van mijn heere den admirael heere Philippus van Bourgoingnen [Q] midts bij derzelver Co. M. onder andere condicien ende voirwaerden den voirs. heere van Uuytrecht uuytreickende ende betalende in gereede penninghen die somme van achtienduust gouden guldenen, omme daermede te lossene ende te quytene zekere huysen ende fortressen denzelven bysdomme toebehoorende ende bij den voors. heere van Uuytrecht omme zijne nootsaecken wille belast ende verzedt [midts.pp P]. (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 752)
[Middelburg, Zeeland; 1516-T01] T=T01 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Onlangs, namelijk op de vijfde van deze maand juni in het jaar 1516, stelden de heer van Montigny en de deken van Besançon, als afgezanten met dit doel gestuurd en gemandateerd door onze allergenadigste heer de koning van Castilië etc., de drie standen van het gewest Zeeland ervan in kennis, dat de Koninklijke Majesteit vernomen had dat mijnheer de bisschop van Utrecht vanwege zijn zwakke gezondheid met klem verzocht was afstand te willen doen van zijn rechten en zijn bisdom. Genoemde Koninklijke Majesteit had met sterke aandrang en de belofte van een grote som geld daar verder werk van laten maken en de genoemde heer van Utrecht onder druk laten zetten om te bewerkstelligen dat genoemd terugtreden zal geschieden ten gunste van mijnheer de admiraal Filips van Bourgondië, onder de conditie dat door genoemde Koninklijke Majesteit (naast de vervulling van andere financiële voorwaarden en bepalingen) aan de genoemde heer van Utrecht de som van achttienduizend goudgulden in contanten ter beschikking gesteld en betaald wordt, om daarmee een aantal huizen en forten vrij te kopen die toebehoren aan dat bisdom en door de genoemde heer van Utrecht uit nood met hypotheek belast zijn.’
    Dit citaat is ontleend aan een verslag van de bespreking van de Staten van Zeeland op 5 juni 1516 van het verzoek van de landsheer (Karel V) om een bijzondere bijdrage van 6000 goudguldens. Het verslag met het besluit over dit verzoek is vier dagen na de vergadering getekend door de koninklijke afgevaardigden Anton van Lalaing (heer van Montigny) en Jan Carondelet (deken van Besançon), die ter vergadering aanwezig waren. Het verslag valt in tekstcat. B. Karel V en met name zijn grootvader Maximiliaan van Habsburg (tot in 1515 Karels regent) vonden de bisschop van Utrecht (Frederik van Baden) een sta-in-de-weg voor de realisering van hun Bourgondische aspiraties (voor situatie Utrecht onder Karel V zie Fruin 1980 [1901]: 86-90). Dit citaat behelst de ter vergadering gegeven toelichting door de koninklijke afgevaardigden op het plan van de vorst om met de belofte van een zeer aanzienlijke som het aftreden van de bisschop te forceren ten gunste van een bepaalde opvolger, nl. Filips van Bourgondië (1464-1524), een zoon van Karels betovergrootvader Filips de Goede. De Staten van Holland en Friesland hadden al 12.000 goudguldens toegezegd, en Zeeland werd nu verzocht om de resterende 6.000 goudguldens bij te willen dragen. Woorden, vertaling: also: WNT alzoo betek. II.3 (‘als redengevend voegwoord’), zie ook Suppl. bij II.3 (‘zeer gewoon als aanhef in den considerans van wetten, plakkaten enz.’)_ also is in dit citaat niet gecorreleerd met soe; de erdoor ingeleide zin met bijzinsvolgorde is een gewone hoofdzin waarin also onvertaald blijft; zeere versocht was [...] te willen resigneren: vermoedelijk had Maximiliaan van Habsburg deze druk (waarvan Karel V nu werk maakt) al op de zittende bisschop uitgeoefend; versocht: WNT verzoeken betek. III. 6.a (‘eischen, vorderen, dwingend verlangen (...)’); costen: MNW cost I betek. 1 in combin. met 2; zulcx: verwijzend naar de reeds uitgeoefende aandrang om af te treden, waarvan Karel V verder werk maakt; vervolgen: MNW betek. II.A.1 (‘vervolgen, voortzetten, met iets voortgaan’); sollliciteren: MNW betek. 1 (‘het iemand lastig maken, iemand verontrusten (....) benauwen’_hier vertaald met ‘onder druk zetten’); neersticheyt: MNW nernsticheit betek. c (‘(...) aandrang, ijver waarmede men op het inwilligen van een verzoek aanstaat’); alsdat: WNT als IV betek. VII als expletief, m.n. VII.1 (‘met het verbindende voegwoord dat, in de vereenigde uitdrukking als dat, die niet meer beteekent dan het enkele dat, maar alleen strekt om dat voegwoord met sterkeren nadruk te doen uitkomen (...)’). Conditie: WNT bet 1 tweede streepje ‘financiële voorwaarde’.
    De koninklijke afgevaardigden hebben de Zeeuwse Staten meegedeeld dat Karel V de fungerend bisschop van Utrecht onder druk heeft laten zetten om, volgens ’s konings wens, af te treden ten gunste van een familielid, Filips van Bourgondië (Q), onder de voorwaarde dat de koning de bisschop onder andere achttienduizend goudgulden ter beschikking stelt om een aantal verpande kerkelijke onroerende goederen vrij te kopen (P). Het gaat hier om de wens van de koning, en hij is ook degene die de door de bisschop gestelde voorwaarde moet vervullen. Deze voorwaardelijke constructie is ingebed in het ruimere tekstverband waarin Karel V de fungerend bisschop van Utrecht onder druk heeft laten zetten om af te treden, om dit aftreden te presenteren als eigen wens, en om aan de vervulling van die wens een voorwaarde te koppelen. De voorwaarde is dus een door medewerkers van de koning bij de bisschop ‘ingefluisterde’ voorwaarde.
 De midts.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt de koninklijke majesteit begrepen, die wel voorkomt in de eerdere tekst maar geen rol speelt in de direct hogere frase. Ter verduidelijking is in de midts.pp-frase toegevoegd de Agentieve by-bepaling bij derzelver Co. M.
27 Dit gedaen zynde reysde die prince na des sgrauenhage mit alle zyn dienres Ende dair wesende informeerden die cabbeliaus den prince also dat hi Jorijs die bastert voorszeit destitueerde ende benam die slotelen vander stede van rottenrdam ende bevalense weder heer anthonis de bastert van brabant hertoghe philips zoen van brabant ende die wert capitein ende ouerste gemaect tegen die vander goude ende van dordrecht. onder desen wert starkelic tracteert ende veruolgt aen den prince om een ander stathouder te hebben ende dair wert also vele in gedaen ende tracteert dat dat lant van hollant hem ouer gaf anden prince contrarij haerre lester privilegie [Q] mits hebbende brieuen van {nonpreiudicie} [mits.pp P] dat is onuermindert haerre laest vercregen priuilegie van allen in dit stic ende dat om vrede in dit lant te mogen hebben ende consenteerden dat de prince een bequamen neutralen man soude mogen ordineren ende setten tot een stathouder niet van desen lande geboren opdat niement en soude mogen seggen hi is van deser of dyer partien ende secten. so dat int leste bi vele auisien ende raet dair op gehouden wesende de prince maximiliaen ordineert ende geset heeft tot een stathouder van hollant zelant ende vrieslant heer ioest van lalling ridder heer van montegys ende h[s]antes een here vander oerden des gulden vlies (Aurelius 2011 [1517]: 379r)
[Gouda, Holland; 1517-T01] T=T01 P=Gouda R=Holland TC=C TG=Vert TS=s SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Na deze handeling [de benoeming van Joris van Bredero tot opperbevelhebber van Rotterdam], trok de vorst naar ’s-Gravenhage met zijn hele gevolg. Toen hij daar aangekomen was, bepraatten de Kabeljauwen de vorst zo, dat hij genoemde Joris de Bastaard afzette en hem de sleutels van de stad Rotterdam ontnam. Ze gaven die vervolgens aan de heer Anthonis, bastaard van Brabant, de zoon van hertog Filips van Brabant; die werd tot hoofdman en opperbevelhebber benoemd tegen de zin van de vertegenwoordigers van Gouda en Dordrecht. Door laatstgenoemden werd intensief overleg met de vorst gepleegd en sterke aandrang op hem uitgeoefend om hun een andere stadhouder te geven. Er werden zoveel stappen gezet en onderhandelingen gevoerd, dat het gewest Holland, anders dan de strekking was van hun laatst verkregen privilege, het gezag van de vorst erkende onder het beding een akte te ontvangen waarin precedentwerking werd uitgesloten, hetgeen de onverminderde geldigheid op alle gebied van hun laatst verkregen privilege betekende; en dit was bedoeld om vrede in deze landstreek te verkrijgen. Zij stemden erin toe dat de vorst een bekwaam, neutraal persoon zou aanstellen als stadhouder, iemand die niet geboortig was uit dit gewest, opdat niemand zou kunnen zeggen: ‘Hij is van deze of die partij of groepering’. Zo heeft hertog Maximiliaan na veel adviesgesprekken en beraadslagingen daarover uiteindelijk tot stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland benoemd de heer ridder Joost van Lalaing, heer van Montigny en Santes en ridder in de orde van het Gulden Vlies’
    Dit is een fragment van de zgn. Divisiekroniek, geschreven door Cornelius Gerardi Aurelius (Cornelis Geritsz. of Gherytsz. van Gouda > latinisering Goudanus > verdere latinisering Aurelius). Dit werk is een uit 32 deelbestanden (‘divisies’) bestaande kroniek van de geschiedenis van Holland binnen die van de wereld, vanaf de schepping. De kroniek valt in tekstcat. C. Het fragment betreft Holland in 1480. Holland, Zeeland en Friesland koesterden het Groot Privilege dat Maria van Bourgondië hun drie jaar tevoren had toegekend; dat beperkte de centralisatie van het bestuur door de hertog (zie o.a. Kennedy 2017: 81). Tegelijkertijd werd Holland geteisterd door conflicten tussen Hoeken en Kabeljauwen. Toen Maximiliaan van Habsburg in 1480 in Holland was, meldde zich de Hoek Joris van Brederode - tot het burgemeestersambt gestimuleerd door de met de Hoeken sympathiserende Hollandse stadhouder Wolfert van Borselen VI - bij hem met de sleutels van Rotterdam. De vorst had Joris nog niet bevestigd als bevelhebber van Rotterdam of hij werd teruggefloten door Dordtse en Goudse Kabeljauwse heren, vermoedelijk uitgewekenen. Zij verwachtten steun van Maximiliaan. Woorden, namen: prince: MNW prince betek. 1 (‘vorst, gekroond hoofd); hertoghe philips (van wie Anthonis de zoon is): het betreft Filips van Sint-Pol, van 1427 tot 1430 hertog van Brabant; contrarij: MNW contrarie I betek. 1 (‘tegenoverstaande, in strijd zijnde met iemand of vijandig staande tegenover iemand of iets.’); brieven: WNT brief betek. A.1 (met name het vierde streepje: ‘Eene bepaling met van duidt nader den inhoud aan. (...) brieven van (o.a.) convocatie, obligatie, octrooi, pardon, plakkaat, recommandatie, (...) _ in deze trant zie ik brieuen van preiudicie; WNT prejudicie betek. 1 (‘(...) van te voren gevormd oordeel (...)’)_ bij het streepje de vermelding: ‘in den handel bezigt men zonder mijn (uw enz.) prejudicie in den zin van ‘zonder dat het mij (u enz.) tot iets bindt of verplicht’, hetgeen wellicht is te verklaren uit de beteekenis ’zonder dat men ten opzichte van mij (u enz.) van te voren een oordeel mag hebben’; ‘brieuen van {nonpreiudicie}’: in de editie-De Hamer (2011) getranscribeerd als: brieven van (nonprejudicie), in de editie-Tilmans (2003) als: brieven van “nonprejudicie”; bevelen: MNW betek. 2 (‘opdragen, toevertrouwen, iemand de zorg voor iemand of iets aanbevelen’); privilegie: het in 1477 aan Holland, Zeeland en Friesland geschonken Groot Privilege waarmee hertogin Maria toegaf aan de wens de hertogelijke macht te begrenzen ten gunste van de erkenning van de vanouds bestaande lokale rechten van elk gewest; lalling: schrijfwijze meestal Lalaing. De diplomatische transcriptie van een scan van de facsimile is van mij.
    Holland, waar in dit verband Zeeland en Friesland bij gedacht moeten worden, deed iets wat niet direct strookte met het privilege dat hun kortgeleden was toegekend: het stelde zich onder het gezag van Maximiliaan van Habsburg zoals door deze gewenst was (Q), onder de conditie dat het een schriftelijke verklaring zou krijgen die precedentwerking van deze erkenning van Maximiliaans gezag zou uitsluiten (P). De rol van P is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject is Holland, dat fungeert als subject van de direct hogere frase.
28 Heren tresoriers der stede van Alcmaer, men ordonneert u te betalen Jan Luytgensz. de somme van twaelff stuvers voer zijn reyse die hij dede duer bevel van de vroetscap derselver stede up sondach lestleden tot Eynchuysen mit brieven an meester Franchois Coebel, roerende de vijftich knechten die de stede uutmaicken zoude, ende mits alleenlijc overbringende dese ordene [mits.pp P], men sal ’t uluyden passeren in ’t uutgeven van uwer rekeninge [Q]. Actum desen Pinsteravont anno XVC ende zeventien bij mij als burgemeester Dirck Allertz. (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 576: p. 13)
[Alkmaar, Holland; 1517-T01] T=T01 P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=P-Q
           
    ‘Heren schatbewaarders van de stad van Alkmaar, men draagt u op aan Jan Luytgensz. te betalen het bedrag van twaalf stuivers voor de reis naar Enkhuizen die hij in opdracht van de vroedschap van deze stad laatstleden zondag heeft gemaakt voor het afgeven van brieven aan meester Francois Coebel betreffende de vijftig voetknechten die de stad zou uitrusten; en als u deze betaalopdracht slechts [in de staat van uitgaven] opneemt, zult u deze uitgave goedgekeurd krijgen bij het opmaken van uw boekhouding. Opgesteld op deze pinksteravond van het jaar 1500 en zeventien door mij als burgemeester, Dirk Allertz.’
    Deze tekst is een opdracht van de burgemeester aan de schatkistbewaarders van de stad Alkmaar (tekstcat. B). Woorden, naam: Franchois Coebel: Frans Coebel van der Loo, vanaf 1513 Raad in het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland; ordene: MNW betek. 4. (‘regel (...) verordening.’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift heb ik overgenomen van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar, bijlage stadsrekeningen.
    De burgemeester heeft hier in gedachten dat de goedkeuring van de uitgave in de boekhouding gerealiseerd wordt (Q) alleen al zodra de tresorier de betaalopdracht in de uitgavenstaat invoegt (P); in de door hem gegeven voorstelling van zaken volgt Q in de tijd min of meer snel op P en wordt door P getriggered. De volgorde is P-Q. De mits.pp-frase heeft een temporeel-momentane rol, die hier tegelijkertijd oorzakelijk lijkt te zijn. P is echter niet de feitelijke oorzaak van de fiattering van de boeken, daartoe beslist de burgemeester. We kunnen de rol van P daarom quasi-oorzakelijk noemen. Van de nageplaatste Q-frase valt op dat deze de rechte orde heeft. Syntactisch is de mits.pp-frase dus niet geïntegreerd in de Q-frase; bij syntactische integratie zou de volgorde sal men zijn (inversie).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw: begrepen subject zijn de aangesproken thesauriers, die in de direct hogere frase ook de rol van meewerkend voorwerp hebben.
29 Men ordonneert den tresoriers der stede van Alcmair te betalen in handen van Peter Smit die somme van vijftich stuvers ter cause dat hij den drie cloocken gestelt ende bewaert heeft zeedert meyendach tot Sint-Jacobsdage toe, beyde laeste geleden. Ende mits overleverende dese onse ordonnancie [mits.pp P], men sal ’t denselven tresoriers passereren [passeren] in huerluyder rekeninge [Q]. Actum onder hanteken van de voirs. Peter Smit, den xxvien july anno XVC ende achtienne. Barthout Gherytz. X (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv. nr. 577: p. 57)
[Alkmaar, Holland; 1518-T01] T=T01 P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=P-Q
           
    ‘Men draagt de schatkistbewaarders van de stad Alkmaar op om aan Peter Smit het bedrag van vijftig stuivers in handen te geven, omdat hij de drie klokken in de toren ingesteld en onderhouden heeft vanaf meiavond [de dag voor mei, 30 april] tot Sint-Jacobsdag [25 juli] laatstleden. En zodra zij deze betaalopdracht van ons [te bestemder plaatse] inleveren, zal men deze schatkistbewaarders goedkeuring verlenen voor hun boekhouding. Opgemaakt met de handtekening van de genoemde Peter Smit, de 26e juli van het jaar 1500 achttien.
Barthout Gherytz. X [als paraaf van Peter Smit]’
    Dit citaat bevat een betaalopdracht van de burgemeester van Alkmaar aan de thesauriers en is te rekenen tot tekstcat. B. Woorden, namen: overleveren: MNW betek. a en WNT betek. 1 en 2; passereren [passeren]: MNW betek. II.4, zie hier de 3de nv. (zoals in dit citaat denselven tresoriers) ter aanduiding van de persoon aan wie iets goed af gaat, en WNT passeeren B.IV.5, vandaar de vertaling ‘goedkeuring verlenen’; Barthout Gherytz was in 1518 burgemeester. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift heb ik overgenomen van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar, bijlage stadsrekeningen.
    De burgemeester stelt het zo voor, dat de goedkeuring van de boekhouding van de stedelijke thesaurier inzake de betaling van vijftig stuivers aan Peter Smit (Q) in de tijd min of meer snel volgt op de invoeging van de betaalopdracht in hun boekhouding, en daardoor als het ware veroorzaakt wordt (P). De mits.pp-frase heeft een temporeel-momentane rol, die hier tegelijkertijd oorzakelijk lijkt te zijn. De rol van P kunnen we daarom ook quasi-oorzakelijk noemen. De volgorde is P-Q. In de Q-frase valt op dat deze de rechte orde heeft: het subject men staat vóór sal, er is geen inversie (sal men).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als subject worden begrepen de personen aangeduid met denselven tresoriers, die de rol van meewerkend voorwerp hebben in de direct hogere frase.
30 Eerst en alvooren zullen de ghesellen vander rhetorijcke, te wetene vander Camere van Pax Vobis, bliven in haren wesene ende effecte, usurerende van huerlieden statuten ende ordonnancien, volghende den auden wettelecheden die zy danof hebben, zo zy alnoch ghedaen hebben totten daghen van hedent; behaudende niet min alzulcke vrijheiyt ten autare ende inde cappelle van Pax Vobis, als andre guldebroeders ende guldesusteren vander selver gulde [Q], mids doghende ende gheldende, thairlieder incomste, thairlieder doot, ten profijtte vanden autare ende dienst Gods, die men dair doen sal, elc xij sc. par. [mids.pp P]. (Van der Meersch 1843: 25)
[Oudenaarde, Vlaanderen; 1519-T01] T=T01 P=Oudenaarde R=Vlaanderen TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Eerst en vooral zullen de rederijkersbroeders van de kamer Pax Vobis recht houden op hun identiteit en handelwijzen die berusten op hun statuten en ordonnanties, in overeenstemming met de oude rechten die zij op grond daarvan hebben en die zij tot op de dag van vandaag uitgeoefend hebben. Daarbij blijven zij zeker ook in het bezit van hetzelfde recht op een plaats bij het altaar en in de kapel van Pax Vobis als andere gildebroeders en gildezusters van dat gilde, onder de voorwaarde dat zij voor hun intrede en voor hun begrafenis 12 Parijse schellingen hebben te voldoen en die betalen, ten bate van het altaar en de eredienst die men daar zal houden.’
    Het citaat komt uit een keur (tekstcat. A2) voor de rederijkers in Oudenaarde. Het plaatselijke rederijkersgezelschap Pax vobis is de stedelijke overheid komen verzoeken om instelling van een wettelijk gilde, om een juister kader te hebben voor zijn godsdienstige activitieiten in de kapel van Onze Lieve Vrouwe Presentacie. Het stadsbestuur gaat akkoord en stelt een keur op voor het nieuwe gilde. Het citaat gaat in op een overgangsbepaling daarin voor de bestaande leden van Pax Vobis. Woorden: doghen: WNT doogen en MNW dogenII: betek. ‘lijden’ dulden’ maar (uniek vb) volgens WNT ook ‘onderworpen zijn aan zekere (on)kosten’.
    De toezeggingen aan de bestaande leden van de rederijkerskamer zijn zo gedetailleerd, dat het stadsbestuur hier wel verzoeken van deze leden in het oog moeten hebben gehad, waarvan de inwilliging met een conditie gepaard kan gaan. De bestaande leden behouden onder andere hun vanouds geldende recht op een plaats bij het altaar en in de kapel waarvan het onderhoud wordt bekostigd door de rederijkers, zoals leden van het nieuwe gilde die ook zullen hebben (Q), onder de voorwaarde van betaling voor intrede en begrafenis.
 De mids.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject van de mids.pp-frase zijn de bestaande leden van de rederijkerskamer, die ook begrepen onderwerp zijn van behaudende in de direct hogere frase.
31ab De principale wachten in onsen lande van Zeelandt zyn Yersickeroort, Houte [Honte], Middelburg, Armuden ende ter Vere, ende deghene, die te Houte [Honte] uuter zee opwaerts ofte nederwaerts hanteren willen, die zullen volstaen [Q1] mids aensprekende ende verthollende op de wachte van der Houte [Honte] [mids.pp P1];
het en ware dat zy incommende uuter zee alzulcken storm ende onweder hadden dattet hen nyet doendelick en ware zonder peryckel aen ’t tolhuus upte Houte [Honte] noch den thollenaer met zynen boot aen ’t scip te commen, soe zal die scipper [Q2 1e deel ], mids een teycken uutstekende [mids.pp P2], zonder verbueren voorts moghen zeylen t’Antwerpen [Q2 2e deel], maer aldaer gheen last breken voor dat hy de thollenaer van der Houte [Honte] de voorseide specificatie ghedaen ende hem van den tholle vernoucht zal hebben, opte verbuerte voorseid. Ende indien de scipper onder ’t dexel van dezen eenighe frauden ofte rebellicheit committeerde, voorby zeylende als hy wel zoude moghen anckeren, dat zal wesen opte verbuerte als voren. (RecueilAnciennOrd 715)
[Iersekeroord (+Mechelen), Zeeland; 1519-T01] T=T01 P=Iersekeroord P=Mechelen R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr SM=Cond CV=W4 VO=Q-P VO=QPQ
           
    ‘De belangrijkste tolwachten in ons gewest Zeeland zijn Iersekeroord, Honte [d.i. Westerschelde], Middelburg, Arnemuiden en Veere, en degenen die vanuit zee stroomopwaarts of stroomafwaarts de Honte willen bevaren, die zullen aan hun verplichtingen voldoen door zich kenbaar te maken en tol te betalen bij de tolwacht van de Honte; tenzij zij, varend vanuit zee landinwaarts, met zo’n storm en noodweer te maken hebben, dat het voor hen niet doenlijk is om zonder risico bij het tolhuis op de Honte te komen en dat de tolwacht ook niet met zijn boot bij het schip kan komen - dan zal de schipper namelijk, mits hij een herkenningsteken naar buiten steekt, zonder sanctie verder naar Antwerpen mogen zeilen, maar daar zal hij een vracht niet in kleinere verkoopklare delen verdelen voordat hij de tolwacht van de Honte de genoemde specificatie opgegeven en hem de tol naar genoegen betaald zal hebben, op straffe van de genoemde verbeurte [van zijn schip]. En als de schipper onder het voorwendsel van deze bepaling enig bedrog of vergrijp pleegt door langs te zeilen terwijl hij wel voor anker zou kunnen gaan, dan zal dat geschieden op straffe van verbeurte [van zijn schip], zoals hiervoor uiteengezet.’
    Dit citaat is ontleend aan het begin (derde alinea) van de ordonnantie op de frauden, uitgevaardigd in Mechelen op 19 november 1519 door Karel V. Het valt dus in tekstcat. A2. In het direct voorafgaande staat het doel van deze ordonnantie, namelijk de (weder)invoering van het gebruik dat koopvaarders bij een van de tolwachten hun in- en uitgaande goederen specificeren en op grond van de geldende tarieven daarvoor in- of uitvoerrechten betalen. Woorden: hanteren: MNW betek. II.b.4; wachten: WNT wacht I:5.c.α. (‘Controlepost tegen het ontduiken van tollen. (...)’); Houte: VMNW Honte, betek. 1 (‘ belangrijkste vaargeul in de Westerschelde’); aenspreken: MNW betek. I.2 (‘het woord tot iem richten’ ); teycken: MNW teken: betek. 3, derde streepje (‘ Ook herkenningsteeken, sein’) in combinatie met betek. 10 (‘ teeken, wenk (...) “een zichtbaar teeken als sein”(...)’); uutstekende: MNW utesteken, betek. A.I.3. (‘Uitsteken, vooruitsteken, naar buiten steken’) b (‘een voorwerp, uitsteken, in de hoogte brengen of vooruitbrengen’); last: VMNW last betek. 1.3; breken: MNW betek. I.1.g (‘ in het klein verkopen, smaldelen’ ); rebellicheyt: MNW rebellicheit betek. 1. Volgens vermelding van de editeur is de tekstweergave van deze ordonnantie gebaseerd op het zgn. Vaartboek Gent; dit is een bundel ordonnanties van o.a. Karel V in afschriften, gemaakt rond 1550 (p.c. medewerker Gents Archief). Een licht afwijkende tekstweergave is gebaseerd op een afschrift van latere datum, 1582 (TolIersekeroord 102). De oudere en jongere versie verschillen hier en daar in spelling (bijv. resp. Yersickeroort - Iersickeroort, Middelburg - Middelburch, Armuden - Arnemuyden, uuter - uuytter, doendelick - doenlick, ware - waere, peryckel - pericule, tolhuys - tolhuus, mids - midts), maar ook interessant is het verschil tussen de mids.pp-frasen met P1 die samenhangen met die zullen volstaen (Q1-frase). In het oudere afschrift luidt de mids.pp-frase: mids aensprekende ende verthollende op de wachte van der Houte [Honte]. Mids wordt gecomplementeerd door twee pp’s. Maar in de versie gebaseerd op het jongere afschrift van 1582 staat een met +[Inf + pp]-frase: met aan te spreken ende verthollende op de wachte van de Honte. Niet bekend is via welke tussenstap(pen) de afschrijvers van mids aensprekende tot met aan te spreken zijn gekomen; ik heb de manuscripten niet gezien. Verschillen de twee verwoordingen naar betekenis? Nee. Ik vermoed dat volstaan mits + pp en volstaan met + Inf of pp niet altijd semantisch van elkaar verschilden, en dat er evenmin altijd een principieel onderscheid was tussen een pp en een infinitief als die samen het complement van mits vormden.
    Koopvaarders die de tolwacht op de Honte naderen, handelen correct (Q1) door zich te melden en na opgave van hun waren de verschuldigde tol te betalen (P1). Q1 noemt het streven van de vrachtvervoerder, P1 het middel ter realisering van dat doel. De rol van P1 is dus instrumenteel. In het tweede deel wordt gesteld, dat ingeval storm en noodweer het de koopvaarder onmogelijk maken het tolhuis op de Honte te bereiken, het hem toegestaan is direct door te varen naar Antwerpen (Q2), op voorwaarde dat hij iets naar buiten steekt waaraan de tolwachter hem kan identificeren (P2). De rol van P2 is conditioneel. In het direct volgende staat dat dat de koopvaarder bij aankomst in Antwerpen de tol op de Honte alsnog moet betalen, voordat hij ook maar begint met het verhandelbaar maken van zijn waren.
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject. Het subject van de mits.pp-frase met P1 wordt begrepen als de schippers die de Honte willen bevaren; zij zijn ook het subject van de direct hogere frase die betrekking heeft op hun correcte handelen. Het begrepen subject van de mits.pp-frase met P2 is de schipper die in vliegende storm landinwaarts vaart; hij is ook het subject van de direct hogere frase, waarin staat dat hij zonder sanctie eerst naar Antwerpen mag doorvaren.
32 Alzoe die scout, burgermeesteren ende schepenen deser stede wel ende te vollen geinformeert zijn van een Jan Peterz. de schoenlapper, hoe dat zij [hij] zekere tijde binnen zijnen huyse bij ongeijcte ende ongetekende vate ende oeck merckelijcken grooter dan ’t behoirde, achtervolgende zijn selfs confessie zijn bier gedroncken heeft in grooter achterweesen van den exceysen deser stede ende noch meer doen soude, indien in tijts hier inne nyet voir sien en worde. Ende alzoe dit een zaecke is die men nyet en behoirt te gedoogen noch over te lijden sonder famose correxie omme te verhoeden die consequencie in exempell van allen anderen, die heeren nochtans deser stede meer genegen ende geinclineert zijnde tot misericordie dat [dan] rigore van justicie [Q 1e deel], mits hier op wel ende in ’t lange gedelibereert zijnde [mits.pp P], hebben de voirnoemde Jan Peterz. ter cause van ’t voirs. narre ende delict gebannen ende bannen mits dese uut der stede van Alcmair ende jurisdictie van dien [Q 2e deel] bij deser dage sonneschijn te vertrecken sonder dair inne weder omme te mogen comen, hij sal eerst ende al voren voirsoecken Onse Liever Vrou tot ’s-Gravesande ende beschijn autentyck dair van brengen op te verbueren ende te wachten meerder correxie. Actum als voren. (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.3.006, inv.nr. 44: p. 7 rechts)
[Alkmaar, Holland; 1520-T02] T=T02 P=Alkmaar R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Mot CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘De schout, burgemeesteren en schepenen van deze stad zijn ter dege en volledig op de hoogte gesteld dat ene Jan Peterz. de schoenlapper naar zijn eigen bekentenis een tijd lang in zijn huis zijn bier gedronken heeft uit niet geijkte en niet geregistreerde vaten (ook nog eens aanmerkelijk groter dan de norm) en zo de belastingen van deze stad grote schade heeft berokkend, en dat hij deze handelwijze zou voortzetten indien hiertegen niet op tijd een maatregel genomen zou worden. En omdat dit een misdaad is die men, om navolging te voorkomen, niet mag tolereren noch mag laten lopen zonder een zware straf als voorbeeld voor alle anderen, hebben de heren stadsbestuurders, die desondanks sterker geneigd zijn tot medelijden dan tot de gestrengheid van het recht, op grond van uitvoerig beraad hierover genoemde Jan Peterz. vanwege de vermelde afkeurenswaardige en misdadige handelwijze verbannen, en zij verbannen hem bij deze uit de stad Alkmaar en haar rechtsgebied, waaruit hij vóór zonsondergang moet vertrekken, en waar hij niet terug mag komen als hij niet eerst Onze Lieve Vrouwe te ’s-Gravezande bezocht heeft en daarvan een betrouwbaar bewijs meebrengt. [Dit] op straffe van verbeurte [van zijn goed] en te verwachten zwaardere straf. Opgemaakt zoals hiervoor.’
    Dit citaat omvat het vonnis (tekstcat. A1) ‘Die correcxie van Jan Peterz. scoenlapper’, gedateerd 2 mei 1520 en ingeschreven in het zgn. Correctieboek van het Alkmaarse schepengerecht. De bieraccijns was een belangrijke bron van inkomsten van de stad; ontduiking ervan werd bestraft. Woorden, vertaling: correcxie: MNW correctie betek. 1(‘de eig. bet. is verbetering, doch het woord wordt gewoonlijk euphemistisch gebruikt in de bet. straf voor het plegen van een misdrijf’); zeekere: MNW seker I, betek. II.4; rigore: WNT rigeur I, betek. 1, vaak in combinatie met bijv. des rechts, van Justicij; famose: WNT fameus betek. A.3 in combinatie met A.4; narre: in de Pdf van het Correctieboek wordt de betekenis ‘pesterij’ voorgesteld, die zal berusten op MNW narre II betek. 1 (‘Zot, gek, dwaas, onwijs._Ook als znw. Een zot, een dwaas, een gek’)_ maar waarschijnlijker is dat narre hier verband houdt met WNT naarheid I, betek. 2 (‘akeligheid, afgrijselijkheid’[etc]); beschijn: WNT betek. ‘bewijs’. Lezing van dan in plaats van dat (vóór rigore van justicie) berust op een vergelijking van dit vonnisblad met de twee eraan voorafgaande; in blad 8 staat bijv.: (...) die heeren ende gerechte deser stede meer geinclineert ende genegen zijnde tot bermherticheyt dan tot strenge rigore van justicie (...)_ de vertaling van heeren in dit citaat met ‘stadsbestuurders’ berust ook op deze vergelijking: heeren lijkt in dit citaat een verkorting van heeren ende gerechte; Actum als voren: duidt erop dat de datering, ondertekening en zegels dezelfde zijn als in het voorafgaande vonnis (eveneens gedateerd 2 mei 1520). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie heb ik, met een enkele wijziging, overgenomen van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar.
    Burgemeesteren, schout en schepenen verklaren dat zij de schoenlapper die de regels voor ijking en registratie van vaten bier overtreden heeft en zo de stedelijke belastingen schade heeft berokkend, verbannen uit de stad en het rechtsgebied Alkmaar (Q). Zij doen dat op grond van uitvoerig beraad (P). De rol van P is motiverend (in casu grondaanduidend).
 De mits.pp-frase omvat een onpersoonlijke passieve constructie (hier op wel ende in’t lange gedelibereert zijnde) die noch een uitgedrukt noch een begrepen onderwerp heeft. De mits.pp-frase is dus niet conjunct of semi-conjunct, en naar de definitie van Hermkens & Van de Ketterij (1980) ook niet absoluut. Toch is een categorisering als absoluut verdedigbaar: het ontbreken van grammaticale banden naar buiten toe komt neer op ‘losgemaakte’ status, dat wil letterlijk zeggen: absoluut. De definities van Hermkens & Van de Ketterij (1980) passen eenvoudig niet op een pp van een onpersoonlijk passief. Uit het direct voorafgaande is wel duidelijk door wie er uitvoerig beraadslaagd is, nl. door de schout, burgemeesteren en schepenen, auteurs van het vonnis, zelf.
33 Alzoe die scout, burgermeesteren ende schepenen der stede van alcmaer hem wel ende te vollen geinformeert hebben van eenen Aef Marten Janszoon de metselairs weduwe hoe dat zij tot diversse stonden haer selver geabuseert heeft binnen der prochyekercke ende opter straten ande [in margine: zekeren] personen van Claes oom Peter zoon Philips Roucx zoon ende Andreys Peter Zell zoon tonende alle ongeregeltheyt [Q] mits hem luyden spijtelijcken ende confuselijcken toespreeckende ter cause dat zij nyet te vollen betaelt soude weesen van den arbeytsloon bij huere man in zijnen leven an den huyse van den out scutsdoelen staende binnen deser stede verdient [mits.pp P] hoe well contrarie wair is nair tblijck hier of gedaen (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.3.006, inv.nr. 44: p. 9 links)
[Alkmaar, Holland; 1521-T02] T=T02 P=Alkmaar R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Instr CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Schout, burgemeesteren en schepenen van de stad Alkmaar hebben zich ter dege en volledig geïnformeerd over de metselaarsweduwe Aaf Marten Janszoon, die meermalen in de parochiekerk en op straat door onjuiste denkbeelden bevangen is geweest en zich daarbij tegenover bepaalde personen van Claes oom Peterszoon, Philips Roucxzoon en Andreys zoon van Peter Zell teugelloos heeft gedragen door ze op schandelijke wijze aan te spreken en in verlegenheid te brengen, met als reden dat ze niet ten volle uitbetaald zou zijn inzake het loon dat door haar man tijdens zijn leven verdiend was met werk aan het pand van de oude schuttersdoelen in deze stad, ofschoon het tegendeel het geval is, volgens bewijs hiervan verkregen’
    Dit citaat omvat een vonnis in het zgn. Correctieboek van het Alkmaarse schepengerecht, waarin alle gevelde vonnissen genoteerd werden. Het vonnis valt in tekstcat. A1. Van de vrouw wordt gezegd dat ze haer selver geabuseert heeft zowel in de kerk als op straat. Van abuseeren geeft het WNT als betek.: A ‘misleiden’; en B (in reflexief gebruik, hem/zich abuseeren) ‘in de war raken’_hierbij wordt slechts één voorbeeld gegeven, uit Brugge, luidende ‘My abuseric van wondere’ (‘ik ben in de war van verwondering’); onder B staat bij een streepje geabuseerd: maar de daar genoemde voorbeelden zijn niet wederkerend, dit zijn transitieve gevallen in passief perfectum, en geabuseert kan hierin ook als bijvoeglijk naamwoord gezien worden. Als derde, hier vermoedelijk meest passende, hoofdbetekenis noemt het WNT betek. C ‘dwalen’_ geabuseerd kan natuurlijk ook een vorm zijn - perfectum - van dit intransitief gebruikte werkwoord: ‘in de war geraakt’, hier vermoedelijk eufemistisch gebezigd. De situatie is dat de weduwe woedend is op drie met name genoemde personen, omdat die haar naar haar mening financieel tekortgedaan hebben. Ze heeft tegenover die personen getoond alle ongeregeltheyt, d.w.z. een en al teugelloosheid (zie WNT ongeregeldheid betek. 2a), is alle perken te buiten gegaan door ze op schandelijke wijze (spijtelijcken, zie WNT spijtig betek. I.3_bij de Afl. staat spijtiglijk (‘doorgaans vervormd tot spijtelijk’) aan te spreken en confuselijcken aan te spreken (zie WNT confuus betek. A. 3 en confuselijc ‘beschaamd makend, beschamend, schandelijk’, en MNW confuselike betek. 2), d.w.z. in verlegenheid te brengen. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift heb ik overgenomen van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar.
    Schout, schepenen en burgemeesteren zijn erover geïnformeerd dat de weduwe van een metselaar zich meermalen teugelloos en lasterlijk gedragen heeft (Q) door op hinderlijke wijze bepaalde personen op straat aan te spreken en het hen lastig te maken omdat een deel van het loon van wijlen haar man haar niet uitbetaald zou zijn (P). Q duidt op een bepaalde, door het schepengerecht als negatief gekwalificeerde opzet van deze vrouw en P noemt de concrete handelingen waarmee zij die opzet gestalte heeft gegeven. P heeft derhalve een instrumentele rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject is de weduwe, die ook fungeert als subject van de direct hogere zin.
34 Acte van de bede van 68.000 lb. [lees: gulden] geconsenteert bij vercoopinge van renten ter somme van 4250 gulden erffelijck, te lossen den penninc XVIe mettet verloop van dijer vercoopinge voor acht jaeren allenlijck, voor welck verloop de Staten consenteren 20.000 gulden eens, te vinden [Q] mits schietende bij der breede het eerste achtste jaer 2 gr. Vlaems ende dander zeven jaeren I gr. Vlaems, te innen metter ordinaris bede [mits.pp P].(BronnenDagvrtenZl dl. 2: 820)
[Middelburg, Zeeland; 1523/17e eeuw-T02] T=T02 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Akte inzake de bede van 68.000 gulden: toegestaan gekoppeld aan de uitgifte van erfelijke rentebrieven waarvoor jaarlijks in totaal 4250 gulden aan rente betaald moet worden, af te lossen samen met de vervallen renten op de 16e penning uiterlijk na acht jaren vanaf de uitgifte; voor de tijdens de looptijd vervallende renten stemmen de Staten in met een begrotingspost van 20.000 gulden ineens, waarvoor dekking te vinden is door heffing van een grondbelasting over de volle landoppervlakten van 2 groten Vlaams in het eerste jaar van de acht en 1 groot Vlaams in de volgende zeven jaren die samen met [de heffing voor] de gewone bede geïnd moet worden.’
    De tekst van dit citaat is in de 17e eeuw als samenvatting geplaatst op een afschrift (vermoedelijk van een eerder afschrift) van de originele akte (die laatste is in 1940 door oorlogshandelingen en de resulterende stadsbrand van Middelburg verloren gegaan). Tekstcat. is B. Gekozen is voor de datering ‘1523/17e eeuw’, en ook voor plaatsing van dit fragment in de collectie van T02, omdat het voor de hand ligt dat de auteurs zich in hun samenvatting van deze ingewikkelde akte hoogstwaarschijnlijk niet ver verwijderd hebben van de tekst van 1523. In de eerste woorden van deze samenvattingstekst is een fout gemaakt: het zou zijn gegaan om 68.000 ponden, terwijl het volgens de tekst zelf guldens waren. Verder wordt in de aanduiding van de grondbelasting geen oppervlakte-eenheid genoemd waarvoor jaarlijks het bedrag van 2 resp. 1 groten Vlaams geheven zou gaan worden (het ging om een belasting per gemet - maar misschien was dat een evidentie).
 Tot goed begrip van de ingewikkelde financiële constructie het volgende. Landvoogdes Margaretha van Savoye heeft de Staten van Zeeland verzocht om 68.000 gulden van de beden die haar voor de periode van de komende acht jaren al waren toegestaan, vervroegd aan haar ter beschikking te stellen, zodat zij een minder gunstige particuliere lening kan aflossen; zij zal het bedrag in acht gelijke porties in mindering brengen op de genoemde jaarlijkse Zeeuwse bedebetalingen. Dit kost de Staten dan uiteindelijk niets extra’s aan kapitaal, maar ze moeten de som per direct ophalen door het uitgeven van rentende obligaties tot dat bedrag met een looptijd van acht jaar, zoals de landvoogdes heeft voorgesteld, en daarvoor zullen ze de obligatiehouders (Zeeuwse edelen en kooplieden) behalve de hoofdsom - die ze kunnen terugbetalen omdat de beden over acht jaar gaandeweg juist met dat bedrag verminderd worden - jaarlijks ook rente moeten betalen ‘op de 16e penning’ (6,25 %). Deze rentelasten zijn wél een extra uitgave voor de Staten (met name na het eerste jaar, als het totaal van de hoofdsom nog uitstaat), en daartoe moet er gedurende de acht jaar van de looptijd een nieuwe grondbelasting geheven worden.
Woorden: bij der breede: ‘gebaseerd op de volle oppervlakte’, dus niet alleen maar op de grof genomen (in feite kleinere) oppervlakte die administratief ooit genoteerd was op ’s Graven Steen in Middelburg (grafelijke zetel), en waarover normaal de belasting betaald (geschoten) werd. ‘Steen schietend’ is dus grof en krap berekend, en het feitelijk aantal gemeten van een perceel was hoger (Van Steensel 2010: 102) en MNW schieten betek. 8, derde streepje (‘ook vindt men schieten herhaaldelijk in de bet. omslaan in eene belasting; aanslaan in de kosten van iets.’). Ander woord: verloop: interest van geld, verval van rente, die nog niet betaald is, rente tijdens looptijd.)
    Het opschrift van de akte beschrijft dat de Staten de voorziene uitbetaling van zekere rentelasten zullen dekken (Q) door het middel van heffing van een grondbelasting voor de tijd van acht jaar, in het eerste jaar een hogere dan de volgende zeven jaren (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen onderwerp zijn de Staten, die de belasting gaan heffen, en die zijn ook het begrepen onderwerp van de direct hogere infinitief-frase te vinden.
35 Item, en zal nyemant van buyten van nu voortan int ghilde commen, hy en zy eerst poortere ende van goede name ende fame ende machtig alle werck te doene, ende nyemant van buyten en zal int voorscr. gilde commen, hy en betale voir incomste tot prouffyte van tvoorscr. ghilde 3 sc. 4 gr., welverstaende, dat de ingeboren poorters zullen vry zijn [Q], mits betalende een pondt was, oft 12 gr. dairvooren [mits.pp P]. (BronnenMiddelb dl. 3: 318)
[Middelburg, Zeeland; 1523-T02] T=T02 P=Middelburg R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts: vanaf nu kan niemand van buiten tot het gilde toetreden als hij niet om te beginnen poorter is en van goede naam en faam en in staat alle werk te doen, en niemand van buiten kan tot het voornoemde gilde toetreden als hij niet voor zijn intrede ten voordele van het genoemde gilde 3 schelling 4 groten betaalt, met dien verstande dat de hier geboren poorters zelfstandige ambachtslieden zullen zijn tegen betaling van een pond was, of 12 groten in plaats daarvan.’
    Dit citaat omvat art. 40 van de ordonnantie (tekstcat. A2) voor het Sint-Jansgilde van de dragers in Middelburg; op 5 sept.1523 presenteerde het stadsbestuur deze ordonnantie, omdat de verhouding tussen kooplieden en vervoerders in de praktijk regulering behoefde. Dragers: deze term heeft vaak betrekking op bierdragers of op dragers van een baar bij begrafenissen, maar gezien de context slaat dragers hier vermoedelijk op transporteurs van allerlei in- en uit te voeren waren. Woorden: poorter: niet iedere Middelburger was poorter; diverse knechts bijv. niet; poorterschap kon gekocht worden (zie bijv. BronnenAmst dl. 1: XXIIIv); dairvooren: WNT Voor II B 9 c ‘in plaats van’.
    In Middelburg geboren poorters zullen (bedoeld zal zijn: na hun leertijd) zelfstandig gildelid kunnen zijn (Q) als ze een pond was of vervangend relatief laag bedrag betalen (P). Het stadsbestuur heeft hier het belang van in Middelburg geboren poorters voor ogen. De rol van P is conditioneel.
 De mits.pp-frase is conjunct, subject-subject.
36 [...] hebben wij ons selven tot die reyse ghestelt, mit ons nemende om ene propere penninck omtrent.xxx. man die ons bijstonden ende ghinghen ghelijck mit ons gheweer inder oorden wel ghewapent ende voersyen van schut. Dese snaphanen dit syende quamen ons wel omtrent mer en stieten ons niet an Alsoe dat wij ongheschent van ghulpenberch twee groote milen voorts gecomen sijn in die stadt van aken omtrent twee uren na die noene ende sijn ter herberge gheghaen in den ghulden Arenth ende deden aldaer onse leytzluyden guet tcyer [Q], mits hoer op tellende hoer bedinckt loon [mits.pp P]. (Willemsz 1884 [1525]: 6)
[Delft +Maastricht, Buitengewestelijk; 1525-T02] T=T02 P=Delft P=Maastricht R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=t SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] hebben wij ons opgemaakt voor de reis onder escorte van ongeveer 30 mannen tegen een passend bedrag; al observerend begeleidden zij ons in geordende opstelling, in goede wapenrusting en voorzien van geschut. Toen deze rovers dat zagen kwamen ze wel in onze buurt, maar ze vielen ons niet aan. Zo kwamen wij vanaf de Gulperberg twee flinke mijlen verder om ongeveer twee uur na de noen heelhuids in de stad Aken aan, waar we naar de herberg De gulden arend gingen. Daar boden we onze begeleiders een rijk onthaal, waarbij we hun uiteraard het loon uitbetaalden dat zij bedongen hadden.’
    Dit is een citaat uit een reisverhaal met als uitgebreide titel Bedevaart naar Jerusalem volbracht en beschreven in het jaar 1525, door meester Arent Willemsz., barbier tot Delft in Hollant. Het werk beschrijft een pelgrimstocht van Delft naar Jeruzalem via Venetië, Cyprus en Jaffa, en terug. Het fragment is ontleend aan het eerste hoofdstuk, waarin de pelgrims naar Keulen reizen. Het verhaal valt in tekstcat. C. Datering: of het door Gonnet getranscribeerde handschrift uit 1525 stamt, is niet bekend; de woorden en beschreven in het jaar 1525 in de uitgebreide titel suggereren dat dat zo is. Er hebben allerlei mensen aan de tekst gewerkt, Willemsz zelf corrigeerde en plaatste aantekeningen. De bedevaart in het verhaal lijkt in de jaren voorafgaand aan 1525 werkelijk te hebben plaatsgevonden: niet alleen gaat de editeur blijkens het voorwoord uit van een feitelijk plaatsvindende bedevaart in 1525, ook komt de reisbeschrijving van Willemsz op veel plaatsen in detail overeen met het verslag van één van zijn reisgenoten, de Gorkumse priester Jan Govertz (Govertz 2016 [1525]). In de tekst van Willemsz zijn ook gedeelten verwerkt van andere verslagen van Jeruzalemreizen; de editeur noemt o.a. een oudere reisbeschrijving uit 1518 van de heilige plaatsen waar Jezus geleden zou hebben (blz. LXXXIIv en LXXV) en een handleiding met reisinformatie voor Jeruzalemgangers. In het aan het corpusfragment voorafgaande stuk tekst staat dat de reizigers in Maastricht lastiggevallen zijn door een groep rovers; ter bescherming op het eerste stuk van de reis vanaf Maastricht organiseren ze daarom een gewapende escorte. Woorden: snaphaan: WNT snaphaan I betek.1 (‘vrijbuiter of roover te paard’); gheweer: MNW gewer > geware I betek. 1 (‘oplettend, opmerkzaam (...)’); propere: MNW proper betek. I. 3, in combinatie met WNT betek. A.3 (‘gepast, behoorlijk, redelijk (...)’); in der oorden: MNW ordene betek. 1 (‘orde, rangorde (...)’) in combinatie met WNT orde betek. 2 (‘wijze waarop iets gerangschikt wordt, regelmatige opstelling; inzonderheid in toepassing op de opstelling van legerscharen (...)’; guet: naar behoren; tcyer: MNW siere II betek. 2 (‘enen goede, blide siere doen, iemand goed onthalen’); op tellende: WNT optellen > tellen I betek. II.A.6 (‘van geld: ‘neerleggen, neertellen; vandaar ook, zonder dat aan eig. tellen wordt gedacht: storten’).
    In de herberg trakteerden de bedevaartgangers hun beveiligers op gulle wijze (Q), waarbij ze vanzelfsprekend ook het loon uitbetaalden dat afgesproken was (P). De rol van de mits.pp-frase is hier een comitatieve. De inhoud ervan ‘begeleidt’ de mededeling over de traktatie op een wijze die specifiek aangeduid wordt door mits. De goede maaltijd in de herberg was een passende afsluiting van de veilige reis onder bescherming van het ingehuurd escorte, maar bij de afrondende bijeenkomst hoorde - niet te vergeten - natuurlijk ook de betaling. Het is juist dat aspect dat we opvatten als de betekenis van het comitatieve mits. In deze interpretatie duidt mits.pp P aan dat P op dit punt in de tekst bedacht moet worden als volgens de schrijver vanzelfsprekend horend bij een stand van zaken die uit de tekst gereconstrueerd kan worden (Q), hier dus bij de genoeglijke slotbijeenkomst in de herberg.
Bovenstaande interpretatie en vertaling van mits is duidelijk anders dan het in de woordenlijst van de editeur genoemde ‘nadat’ (betekenissen van mits die de editeur in zijn woordenlijst opneemt, zijn ‘nadat’, ‘benevens’ en ‘uit hoofde van’ - zie Willemsz 1884 [1525]: 367). Maar van een natijdige betekenis van mits is in de historische literatuur noch in de historische woordenboeken sprake.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject zijn de bedevaartsgangers (wij), die ook het onderwerp zijn van de direct hogere frase.
37 Nota. Hyer na soe quamen alle die collegien elcks op sijn alder costelickste mit hoer ornamenten, mit silveren schotelen silveren schalen silveren kannen ende mit anderen gouden costeliken vaten [...] Ende elcke collegie bleef voer dat heilige sacrament knyelende [Q], mits singende een pose luter discant ofte simpelsanck, na dat die collegie was Tantum ergo sacramentum ofte dier gheliken [mits.pp P]. (Willemsz 1884 [1525]: 39)
[Delft +Venetië, Buitengewestelijk; 1525-T02] T=T02 P=Delft P=Venetië R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=t SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Aantekening. Hierna kwamen alle collegiale genootschappen [het koor binnen] in hun allerkostbaarste gewaden met waardige versierselen, met zilveren schotels, schalen en kannen en ook met kostbare gouden vaten [...] En elk college bleef geknield voor het heilig sacrament, waarbij ze beurtelings een helder eenstemmig, gregoriaans genaamd gezang moesten uitvoeren, naar gelang van de aard van het college Tantum ergo sacramentum of een ander, soortgelijk gezang.’
    Dit citaat komt uit een ander hoofdstuk van het boek over een bedevaart naar Jeruzalem, getiteld: Hier na soe volghet die maniere der Veneetcianen ommeghanck die welke ghehouden wert opten heiligen sacraments dach ende sal schoen sijn om lesen. Tekstcat. is C. Situatie: de groep pelgrims is op Sacramentsdag in Venetië en mag, in het koor van de kerk gezeten naast de aanzienlijken, toeschouwer zijn van een onderdeel van het ritueel, nl. de passende gezangen als opmaat voor de processie. Sacramentsdag, de tweede donderdag na Pinksteren, is het feest van Corpus Christi, waarop de katholieken Christus’ aanwezigheid vieren in brood en wijn tijdens de eucharistie. Woorden: nota: WNT nota I betek. 1 (‘aanteekening (...)’) _ Nota komt maar liefst 141 maal voor in deze reisbeschrijving; collegien: WNT college betek. 1 (‘(...) gilde’) _ maar in dit hoofdstuk duiden ‘gilde’ en ‘college’ twee verschillende groepen aan: een genootschap van ambachtslieden resp. kerkelijke broederschap, in het direct voorafgaande staat bijv.: (...) alle die ghildens van die stadt ende alle die collegien quamen den thoorn in op dat hooch choer; pose: WNT poos I: betek. II.4 (‘(...) beurt, werkbeurt (...)’) en woordenlijst editeur: pose: betek. ‘een oogenblikje, bij beurten’; luter: MNW luter I betek.1 (‘helder, zuiver, louter, onvermengd, zuiver van gehalte’); discant: MNW: betek. 1 (‘de bovenstem in den zang (...)’); simpelsanck: MNW simpelsanc betek. 1 (‘eenstemmige zang’)_ woordenlijst editeur: ‘gregoriaansch gezang [etc.]’); na dat: MNW nadat betek. II. 3 (‘(...) naarmate (dat), naar gelang (dat), al naar dat, naar (...)’); Tantum ergo sacramentum: eerste woorden van een in de katholieke kerk tijdens de aanbidding van het heilig sacrament gezongen hymne (tekst Thomas van Aquino, ong. 1264).
    Leden van alle genootschappen bleven geknield voor het Corpus Christi (Q), waarbij ze volgens het ritueel per groep beurtelings een eenstemmig gezang zoals Tantum ergo...zongen (P). De rol van P is comitatief. Uitgaand van Overdiep is de basisbetekenis van een pp-constructie die van een bij-omstandigheid (§2.9.1). Het verzwarend voegwoord mits voegt daaraan in de comitatieve rol de extra betekenis toe dat P een vaste, vanzelfsprekende handeling is bij een stand van zaken die uit de tekst te reconstrueren is, hier de rituele binnenkomst met knielen voor het Corpus Christi (Q). De groepen kwamen binnen in schitterend voorkomen en knielden plechtig neer voor het Corpus Christi; de daarbij geboden zang maakte naar de beoordeling van de schrijver een vanzelfsprekend onderdeel uit van dat geheel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen elcke collegie, dat ook fungeert als onderwerp van de direct hogere frase.
38 Den. xxv. dach in augusto Soe quam die heer van gazara binnen iherusalem mede ende onse patroon mit die guardiaen ghinghen te samen weder om biddende om gheley, twellick geschyen soude alsoe sij seyden [Q1], mits dat sij te ghader contrackt maeckten [Q2], mits belovende die turcken een somme van penningen buyten die ordonantie ende ghewoonte [mits.pp P2] [mits dat + Vf P1], ende hier mede soe passeerden dien dach Ende des anderen daghes des merghens den.xxvj. dach van augusto ghinghen wij wederomme totten berrich van syon int convent, ende brochten aldaer onse tapeeten ende leren oorkussenen (Willemsz 1884 [1525]: 143)
[Delft +Jeruzalem, Buitengewestelijk; 1525-T02] T=T02 P=Delft P=Jeruzalem R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=t SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘De 25ste dag van augustus was de heer van Gazara ook in Jeruzalem aanwezig en onze patroon ging hem samen met de kloostervoogd wederom verzoeken om bescherming voor de reis, die volgens hen geregeld zou worden als zij samen een overeenkomst zouden opstellen, waarbij de Turken een som penningen moest worden toegezegd bovenop wat voorgeschreven en gebruikelijk was. Hiermee brachten ze de dag door. En in de ochtend van de volgende dag begaven wij ons weer naar het klooster op de berg Sion en brachten daar onze geweven kleden en leren hoofdkussens’
    Dit citaat komt uit het hoofdstuk Hier na volghet onse laetsten ende derden inghanck des tempels van calvarien daer ic in verclaren sal bijsondere van die creatie der ridderen ende sal lustich sijn om lesen, opgenomen in het verhaal over een bedevaart naar Jeruzalem. Het gaat over het derde en laatste bezoek van de bedevaartgangers aan de Heilig Grafkerk. Tekstcat. is C. De gebeurtenis speelt zich af nadat de pelgrims de kerk bezocht hebben en de ridderslag hebben aanschouwd). In het citaat staan zij op het punt uit Jeruzalem de terugtocht te ondernemen naar de havenstad Jaffa, maar in verband met rovers onderweg kan dat niet zonder bescherming. Daar wordt om gevraagd bij de Turkse stadhouder van Jeruzalem (de stad maakte sinds 1516/1517 deel uit van het Osmaanse rijk). Woorden, namen: heer van gazara: Gazara lag tussen Jeruzalem en Jaffa; de ‘heer van Gazara’ was in de beschreven tijd de Turkse stadhouder van Jeruzalem en omstreken; guardiaen: MNW gardiaen betek. 1 (‘(...) overste der kloosters van bepaalde orden (...)’) en Van Dale gardiaan betek. ‘overste van een fransiscanenklooster’_ in dit citaat betreft het de overste van het klooster dat blijkens de laatste zin hun steunpunt in Jeruzalem was; patroon: MNW patrone betek. 1 (‘beschermheilige, patroon_ de patroon is in dit citaat de in Venetië gecontracteerde reisbegeleider; gheley: MNW geleide betek. 4 (‘bescherming op een tocht, op eene reis. (...)’); maeckten: MNW maken betek. I.4.a, derde streepje (‘van geschreven stukken, wetten enz. Maken, opstellen’).
    Voor het mits dat + Vf-voorkomen en het mits.pp-geval geldt het volgende. De bescherming voor de reis waar de patroon en de kloostervoogd bij de Turkse stadhouder om verzoeken, zou er naar hun zeggen komen (Q1), als zij ter zake een contract met de stadhouder zouden opstellen (P1). P1 heeft daar dus de rol van voorwaarde. Bij dat schriftelijke contract (Q2) zouden ze beslist ook een bepaalde som geld boven het reguliere bedrag moeten beloven (P2). De extra betaling P2 komt bij Q2 als een noodzakelijk element: naar het oordeel van de deskundige patroon en kloostervoogd was het absoluut noodzakelijk dat de financiële gunst in een comitatieve rol het voor te leggen contract zou vergezellen, zo meldt Willemsz.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want patroon en kloostervoogd worden begrepen als het subject van het beloven van de extra betaling, en zij zijn ook subject (sij) van de direct hogere frase. Dat de betaling wellicht uiteindelijk ten laste kwam van de patroon-reisleider alleen, doet niet af aan het feit dat hij en de kloostervoogd tezamen de onderhandeling met de Turkse stadhouder tot een goed einde gingen brengen.
39 [...] waerup is in de vroetscop ghesloeten, dat men reijsen (sal) te Gheertenborch in notabele getal ende met den commissarissen spreecken omme die ordonnaris beede van de ICM te deminuijeren tot LXXM, daerinne men sal consenteren [Q1] mits hebbende IIe deelen gracie in dese stede porcie ende dat voir vier jairen ende VIII terminen [mits.pp P1]. Ende indien men dairtoe nijet comen en mach, soe sal men daeroff wederomme rapport doen. Voirts is mede geaccordeert, dat men onse G.V. sal consenteren driehondert gulden [Q2] met condicien, dat men alle die voirsz. somme van beeden betaelen sal moegen in penningen gelick den eenen coptman den anderen betaelt up den terminen als zij gevallen sullen wesen, welverstaende dat men eerst ende voiral versekert sal wesen die onderhoudenisse van privilegie van de veertich ende geremediert die saecken van den tollen up Arremuijden ende dat men voirsien ende remedieren willen in de verganckelickheijt van den IJssele ende oick mede van der scoele [met condicien, dat + Vf P2]. Ende dat men die gemeen lants renten sal oflossen met die penningen van der beede, achtervolgende dacte dairvan wesende. (ResolVroeGouII 121v)
[Gouda, Holland; 1526-T02] T=T02 P=Gouda R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] en daarop is in de vroedschap besloten dat wij met een flinke groep personen naar Geertruidenberg zullen reizen om met de afgevaardigden [van de Staten van Holland] te overleggen over een verlaging van de reguliere bede van 100.000 naar 70.000 pond, waarmee wij dan zullen instemmen op voorwaarde dat wij voor de tweede helft van het aandeel van deze stad vrijstelling krijgen en wel voor vier jaar en 8 termijnen. En ingeval wij dat niet bereiken, zullen wij daarvan wederom verslag doen. Verder is er [in de vroedschap] mee ingestemd, dat wij onze genadige vrouwe driehonderd gulden zullen toestaan, onder de voorwaarde dat wij alle genoemde bedragen aan bedegeld in contanten zullen mogen voldoen volgens de regel die geldt tussen kooplieden, [dus] op de vervaldagen; met dien verstande dat wij eerst en vooral de garantie moeten hebben dat het privilege van de veertigen gehandhaafd wordt, dat de kwestie rond de tol voor Arnemuiden opgelost wordt en dat men bereid is een voorziening te treffen ter verbetering van de slechte staat van de IJssel evenals van de school. En [er is mee ingestemd] dat wij de aan het gewest verschuldigde landrente overeenkomstig de desbetreffende akte zullen aflossen tegelijk met de penningen van de bede.’
    Dit citaat komt uit een resolutie van de vroedschap van Gouda d.d. 3 oktober 1526, tekstcateg B.
Landvoogdes Margaretha van Oostenrijk heeft de Staten van Holland gevraagd om extra bedegelden, omdat Karel V geld nodig heeft, o.a. voor de oorlog met Frankrijk. Ruim een jaar lang is de hoogte en de aard (regulier of extra) van het bedebedrag strijdpunt geweest tussen de steden in de Staten en vertegenwoordigers van Margaretha. Uiteindelijk luidt het verzoek van de landvoogdes aan Holland om zes jaar lang 100.000 pond jaarlijks aan reguliere bedegelden te voldoen (ResolVroeGouII 121). In het direct aan het citaat voorafgaande doen burgemeesteren van Gouda verslag van de recente dagvaart van de Staten van Holland: de kleine steden, waaronder Gouda, hebben vanwege geldgebrek en achterstallig onderhoud voorgesteld negatief te reageren op het bedeverzoek, en de grotere steden, die de bede aanvankelijk wilden toestaan, hebben zich uiteindelijk aan de opinie van de kleinere geconformeerd. Uit het citaat blijkt waartoe Gouda tegenover de Staten bereid is. Woorden, kwesties: Gheertenborch: Hollandse stad, waar vanouds graven (in het grafelijk slot) en afgevaardigden van steden bijeenkwamen; Icm of ICM LXXm, in bijv. de resolutie nr. III (15 mei 1525) wordt het bedrag gespecificeerd: 1cm (100.000) ponden van elk 40 Vlaamse groten; gracie: MNW betek. 2.b; genadige (in G.V.): WNT genadig betek. I.B.1.a eerste streepje; verganckelickheijt: WNT vergankelijkheid betek. 2; IJssele: de huidige Hollandse IJssel; veertich: WNT veertig betek. A.1 derde streepje (‘de veertigen, college van veertig personen, bepaaldelijk de vroedschap van een stad. De vorm veertigen is blijkbaar te verklaren uit den verbogen vorm (zij vergaderen met hun veertigen > de veertigen vergaderen’)_in dit citaat in enkelv.; onderhoudenisse van privilegie van de veertich: blijkens het direct op dit citaat volgende is er sprake van dat aan Gouda een vroedschap met rechten zoals die vanouds golden, wordt ontnomen; die saecken van den tollen up Arremuijden: de Goudse schippers, geconfronteerd met aangescherpte eisen van de Arnemuidse tollenaar, willen bij Arnemuiden gewoon kunnen aanleggen dan wel - als ze belastingvrije goederen vervoeren - vrijelijk doorvaren (zie bijv. resolutie XIV van 31 jan. en XVI van 20 maart 1526); die gemeen lants renten; er is een achterstand opgelopen, o.a. ten gevolge van reizen door rentmeesters, in de rentebetaling van landrente (pacht) van 580 gulden per jaar, af te kopen op de penning 12 (zie bijv. resolutie nr. XIX van 14 mei 1526). Transcriptie: in de inleiding van ResolVroeGouI (p. 62) melden de editeurs dat de beschikbare afschriften vergeleken zijn met de handschriften uit de vroedschapsboeken.
    Als de Staten van Holland de door Margaretha van Oostenrijk gevraagde bede verlagen van 100.000 pond tot 70.000 zal Gouda erin toestemmen (Q1), maar alleen op voorwaarde dat de stad voor de helft van het stadsaandeel vrijstelling krijgt voor vier jaar en acht termijnen (P1). De rol van P1 is conditioneel. Q1 duidt op een geclausuleerde instemming door de Goudse vroedschap met het voorstel van de Staten om aan de wens van de landvoogdes tegemoet te komen. Feit is dat de specifieke instantie die de voorwaarde P zou moeten vervullen, buiten beeld blijft: Gouda verlangt deze gedeeltelijke vrijstelling te ‘hebben’, waarmee de angel uit het zelf stellen van een voorwaarde wordt getrokken. Het fragment bevat verder een conditionele configuratie met met condicien, dat + Vf. Hier gaat het om toestaan van het verzoek van de landvoogdes om een bedrag van driehonderd gulden boven op de reguliere bede (Q2). De Goudse vroedschap is hiertoe bereid op voorwaarde dat zij het normale uiterste betaaltijdstip van handelstransacties kunnen hanteren, dat ze de garantie hebben van de erkenning (voor alle steden) van het privilege van de veertigen [de vroedschap] en van de voorrechten bij de Arnemuider tol, en dat de men zich bereid verklaart tot de bekostiging van herstel aan IJssel en de Goudse school (tezamen de inhoud van P2). Ook hier is niet expliciet wie de voorwaarden zou moeten vervullen. Inzake de privileges is een rol van de landvoogdes wel duidelijk, maar het herstel aan de IJssel en de Goudse school zouden ook op de weg van de Staten van Holland kunnen liggen. Tussen de voorwaardelijke frase in de mits.pp-configuratie en die in de met condicien dat-configuratie bestaan enkele kleine verschillen: de eerste is korter (17 wrdn) dan de tweede (74 wrdn), de tweede bevat enkele ingebedde frasen, en de eerste noemt een voorwaarde voor een principiële instemming met het voorstel van de Staten, terwijl de tweede een veelomvattende voorwaarde aanduidt voor de honorering van een wens van de landvoogdes.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject is men, duidend op de Goudse vroedschap, die ook het subject van de direct hogere frase is.
40 [...] des zel Jan van wijngerden die grasweydinge hebben om zijn oerbaer dae mede te doen ten waer of Jan van wyngerden hem namaels bevoelde bezwaert te zyn mit die onderhoudenisse vande voerscreven wech | Indien gevalle zal bij[?] [hij] die voorscreven wech moegen laten leggen [Q] mits sceydende uuyt die grasweydinge tot profyt vanden voorscreven ambocht [mits.pp P]. (Archief Hoogheemraadschap Rijnland toeg.nr. 1.1.1, inv.nr. 12: fol. 128verso)
[Hoogheemraadschap Rijnland (+Zoeterwoude), Holland; 1527-T02] T=T02 P=Hoogheemraadschap P=Zoeterwoude R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Op grond daarvan zal Jan van Wijngerden het recht hebben het bermgras voor beweiding te gebruiken om zijn voordeel daarmee te doen, tenzij het onderhoud van de voornoemde weg Jan van Wijngerden naderhand te zwaar zou vallen. In dat geval zal hij het onderhoud van de voornoemde weg mogen laten rusten onder de conditie dat hij afstand doet van het recht van beweiding, ten voordele van het genoemde ambacht.’
    Dit citaat is ontleend aan een vonnis van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland gedateerd 16 maart 1527. Als vonnis valt het in tekstcat. A1. Het vonnis doet uitspraak in een geschil tussen aan de ene kant eiser Jan van Wijngerden en aan de andere kant de ambachtsbewaarders van Zoeterwoude inzake het onderhouden van de weg van Lambrecht Jacobs tot aan het hek van Koeman. De uitspraak komt er o.a. op neer dat de ambachtsbewaarders de weg repareren en verbreden en dat Jan van Wijngerden het onderhoud ervan op zich neemt. In ruil daarvoor krijgt hij het recht de berm te beweiden. Het citaat beschrijft wat het vonnis bepaalt als Jan het onderhoudswerk niet meer aankan. Woorden: namaels: bedoeld lijkt: na de oplossing van het geschil. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde Archieven.
    Bij vonnis wordt Jan van Wijngerden, ingeval het onderhoud van een zekere weg te zwaar voor hem wordt, de vrijheid gegeven die taak neer te leggen (Q) op voorwaarde dat hij zijn recht op gebruik van de berm voor beweiding teruggeeft aan het ambacht (P). De rol van P is conditioneel.
De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen Van Wijngerden, die ook het subject is van de direct hogere frase.
41 Item, soe wat knechten, van buyten comende, die gelt winnen, die zullen een jaer lanck mogen wercken [Q], mits gevende tot behouff van de voers. aermebosse 8 groten Vlaems ende anders nyet [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 84)
[Amsterdam, Holland; 1529-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, wat knechten betreft die van buiten de stad afkomstig zijn en die geld verdienen: zij zullen een jaar lang mogen werken, op voorwaarde dat zij ten bate van de genoemde armenkas 8 Vlaamse groten doneren - anders mogen zij niet werken’
    Dit citaat omvat artikel 19 van een door burgemeester, schout en schepenen en de raad van Amsterdam op 7 augustus 1529 uitgevaardigde ordonnantie (tekstcat. A2) inzake het ziekenfonds van het gilde der timmerlieden. Deze keur bevat voorschriften inzake het beheer van het fonds; bepaald wordt o.a. welk bedrag timmerlieden moeten betalen, wat het inkomgeld is, wat er moet gebeuren als timmerlui ziek worden die hun ziekenfondsbijdrage nog niet betaald hebben en welke bijdrage verschuldigd is voor hen die op een hijskraan werken.
    P (inleg 8 groten Vlaams in ziekenfonds timmerliedengilde) drukt een voorwaarde uit voor werklieden die van elders komen, om een jaar lang te mogen werken.
 Begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de van buiten de stad komende knechten, die ook het onderwerp zijn van de direct hogere frase. De aansluiting is dus conjunct subject-subject.
42 Vanwegen den drie Staeten ons lants van Zeellandt es ons verthoont ende te kennen gegeven hoe dat tzelve landt van Zeellandt schuldich ende tachter es de somme van zeven[en] vijftichduysent ponden van veertich grooten ofte daeromtrent, eensdeels procederende [...] van eene bede van veertichduysent ponden munte voors. die int jaer XVc XXIIII ons geaccordeert was te heffene ende up te bringene [Q] mits betaelende twaelf grooten Vlaems up tgemet over al Zeellandt die de baenders betaelen zouden [mits.pp P], twelcke geen effect en sorteerde mits doppositie van de voors. baenders zeggende dat een nyeuwicheyt was (BronnenDagvrtenZl dl. 2: 879)
[Middelburg (+Brussel), Zeeland; 1529-T02] T=T02 P=Middelburg P=Brussel R=Zeeland TC=B TG=Verord TS=g SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘De drie standen van ons gewest Zeeland hebben ons meegedeeld en ter kennis gebracht dat het gewest Zeeland een betalingsachterstand heeft van ongeveer zevenenvijftigduizend pond, elk pond ter waarde van veertig groten, een schuld die deels voortvloeit uit een bede van veertigduizend ponden van deze waarde, waarvoor wij in het jaar 1524 toestemming gekregen hadden die te heffen, en die het gewest [ons] zou verschaffen door een afdracht van twaalf groten Vlaams per gemet over heel Zeeland die de baanders [gebruikers van de grond] zouden opbrengen, hetgeen mislukte door de tegenstand van de genoemde baanders, die stelden dat dat zonder precedent was’
    Dit citaat komt uit een bevelschrift van Karel V, gedateerd 6 oktober 1529 (tekstcat. B) opgesteld op verzoek van de Staten van Zeeland met als standplaats Middelburg, met als doel een ieder op het Zeeuwse platteland te wijzen op zijn plicht om zijn aandeel in een aankomende bede (24.000 pond) op te brengen. De methode zal die van de kapitale omslag zijn, inhoudend dat de Staten elk dorp op een bepaalde taks zullen stellen. Ter motivering beschrijft Karel in de inleiding het grote financiële tekort van de Staten, en hoe de Staten enige jaren geleden geprobeerd hebben op het platteland de voor een vorstelijke bede benodigde gelden bijeen te brengen. Men hanteerde toen een ongewone methode: een heffing die niet via de landeigenaren, maar rechtstreeks door de gebruikers van de grond betaald moest worden (Van Steensel 2010: 125 nt. 138). Dat die werkwijze op verzet stuitte, beschrijft het citaat. Woorden: opbrengen hier in betek.’verschaffen’, met als begrepen subject de Staten; zij gaan die 40.000 verschaffen; baander: het gaat hier niet om touwslagers, maar (ge)bruikers van de grond.
    Karel V schrijft dat Zeeland hem een aantal jaren eerder 40.000 pond verschaft zou hebben (Q) door twaalf Vlaamse groten per gemet over heel Zeeland af te dragen, een bedrag dat niet via de landeigenaren, maar rechtstreeks door de gebruikers van de grond betaald zou worden (P). De mits.pp-frase geeft de methode aan waarmee Zeeland het bedrag van 40.000 pond had zullen leveren en is dus instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als onderwerp wordt het gewest Zeeland begrepen, en dat gewest is ook begrepen subject van de direct hogere frase: het gewest was ermee akkoord om de vorst de som van de bede te verschaffen.
43 Item noch ordonneren wij dat nyemandt van nu voertan prouffiteren ofte genieten en sal vanden heylighen geest eenighe aelmissen dan arme Luijden die gheen goet en hebben ende nijet winnen en moeghen oft die in groete siecten Ligghen, die salmen te bate coemen tot discretie vand baillui ende Rentmeester metten ghemeenen heijlige geestmeesters in elcke prochie tot versoucke vand armen, op dat haer armoede blijct openbaer, des sal elck arm mensche die ghenieten ofte leuen wil vand heylighen gheest eerst opdraghen voer scepenen van dier maelstede, daerse zijn woenachtich In geualle dat zij steruen dat haer goet sal toebehoeren alleene den heylighen gheest daer zij ouerlijd ende nyemandt anders, maar Indien zij blijuen leuende, sullen [Q 1e deel] midts betalende dat zij vand heijlighen gheest ontleent off verteert hebben [midts.pp P] ontlast ende vrij blijuen [Q 2e deel]. (Schueren, ridder de van der 1884: 110v)
[Diverse Zeeuwse plaatsen met Heilige Geesttafel, Zeeland; 1530/40-T02] T=T02 R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=TempMom CV=W1 VO=QPQ
           
    ‘Ook verordenen wij dat vanaf nu niemand aalmoezen zal genieten van de armentafels van de Heilige Geest dan alleen arme mensen die niets bezitten en geen bezit kunnen verwerven of die ernstig ziek liggen; die zal men hulp bieden, ter beoordeling van de baljuw en de administrateur samen met de beheerders van de algemene armentafel van de Heilige Geest in de parochies. Bij een verzoek daartoe van de armen zal, opdat hun armoede openbaar vastgesteld wordt, ieder arm mens dat voor zijn levensonderhoud gebruik wil maken van de Heilige Geesttafel eerst verschijnen voor de schepenen van de wijk waar hij woonachtig is. Als zij sterven zullen hun goederentoebehoren uitsluitend aan de Heilige Geesttafel waar zij overlijden en aan niemand anders, maar indien zij in leven blijven zullen zij als ze datgene terugbetalen wat zij van de Heilige Geesttafel gekregen en verteerd hebben, schuldenvrij zijn.’
    Dit citaat komt uit een tekst opgesteld door de adellijke Adolf van Bourgogne, begin 16e eeuw heer van Veere, Vlissingen, Beveren en andere delen van Zeeland. De tekst is een ordonnantie (tekstcat. A2) voor de zgn. Heilige Geesttafels in Middelharnis, Wemeldingen en op Walcheren. De Heilige Geesttafels waren liefdadigheidsinstellingen, beheerd door Heilige Geestmeesters, die brood en goederen in natura aan de armen uitdeelden (de Heilige Geest was in de katholieke visie de ‘vader der armen’). In de prereformatorische tijd waren deze armentafels parochiale instellingen, maar in de loop van de 16de eeuw kwamen ze geleidelijk bij de wereldlijke overheid in beheer. Inzake de organisatie van de armentafels in dit citaat speelden wereldlijke (scepenen, baillui) en kerkelijke overheden beide een rol. Woord: tafel: MNW tafele betek. 2b (‘uitdeeling aan de armen, vooral van voedsel.’) en WNT tafel betek. 29 (‘kas ter ondersteuning van armen.’).
    De edelman Adolf van Bourgogne, heer van steden en landstreken in Zeeland, stelt dat de ontvangers van bijstand die in leven blijven de status van schuldenvrij-zijn bereiken (Q) zodra ze het bedrag waarvoor ze gebruik gemaakt hebben van de armentafel terugbetalen (P). De rol van P is hier temporeel-momentaan. We kunnen ook een stap verder gaan en veronderstellen dat taalgebruikers dit mits.pp-geval, behalve temporeel-momentaan, ook voorwaardelijk begrepen hebben: de handeling in P, de terugbetaling van van het bedrag waarvoor ze gebruik hebben gemaakt van de armen tafel aan de directie van deze armentafel, wordt door deze directie beoordeeld: ze zijn schuldenvrij, mits ze dat bedrag terugbetaald hebben.
 Begrepen subject van de midts.pp-frase zijn de cliënten van de Heilige Geesttafel die in leven blijven. Dezen fungeren in de hogere frase als subject, aangeduid met zij. De aansluiting is daarom conjunct subject-subject.
44 Up den XIVen Aprilis anno XXXI is den vroetscap verthoent bij Willem Jan, Cornelis Bosch, burgermeesteren, ende meester Dirck Henricxz., comende uuijt den Haeghe, dat henluijden aldair bij den commissarissen [...] verclaert ende voirgehouden is, dat zij van wegen den staten van Hollandt der K.Mt. int langhe verthoent hebben dantwoirde van den staten upte begeerte van den Cm gulden tsjaers, ses jairen geduerende, wesende, dat overmits darmoede van tlant men soude die voirsz. beede vermijnderen tot LXXXm ende die jairen vercortten tot vier jairen [Q1], mits oick geremediert te hebben in zeekeren privilegien ende puncten als van den thollen, congie ende veertichgen etc. [mits.te.Inf P1], wairmede den staten nijet en moegen voir de K.Mt. volstaen, overmits zijn groeten lasten ende gemerct, dat hij die XLm van der ordonnaris beede Kermisse laestleeden sal laeten smelten, met meer anderen allegacien ende omme dese stede te helpen in hoirluijden armoeden soe hebben die voirsz. commissarissen den voirsz. gedeputeerden verclaert, dat die K.Mt. sal der voirsz. stede gracie gonnen, gelick zij gehaedt heeft in de LXXXm [...] Desen conclusie is gepermuteert ende gesloeten, dat men sal verthoennen die armoede, de declinacie ende groeten zwaeren lasten van der stede ende consenteren in de beede van den LXXXm voir den tijt van ses jairen of in mijnder tijt is moegelick ende ist ijmmers van noede te seggen twoirt van hondert duijsent dat sal men doen [Q2] mits maer betalende soeveel als dese stede gedaen heeft in de laetste LXXXm ordinnarijs beede ende nijet meer, ende hebben dairaff sulcke gracien als zij in die LXXXm gehaedt hebben ende bedingen mit den anderen steden om te hebben die onderhoudenisse van den privilegien van thollen ende anderen articulen [mits.pp P2a ende Inf Pb] soe verde danderen steden dairbij mede persisteeren willen. (ResolVroeGouII 184v)
[Gouda, Holland; 1531-T02] T=T02 P=Gouda R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Op de 14e april van het jaar 31 is door Willem Jan, Cornelisch Bosch, burgemeesteren, en meester Dirk Henricxzoon, die in Den Haag geweest waren, aan de vroedschap meegedeeld dat hun daar door de gedelegeerden [...] duidelijk gemaakt is, dat laatstgenoemden namens de Staten van Holland aan de Keizerlijke Majesteit uitvoerig het antwoord van de Staten uiteengezet hebben op het verzoek van 100.000 gulden jaarlijks gedurende zes jaren, namelijk dat men [de Staten] vanwege de krappe financiële situatie van het gewest de genoemde bede zou verminderen tot 80.000 en het aantal jaren beperken tot vier [en dan akkoord zou gaan], op voorwaarde dat men ook garanties zou verkrijgen inzake bepaalde privileges en kwesties als de tol, het congégeld, de veertigen, etc.; maar dat de Staten daarmee in de ogen van de Keizerlijke Majesteit niet kunnen volstaan vanwege zijn hoge lasten en aangezien hij de 40.000 van de reguliere bede van Kerstmis j.l. zal verminderen en om nog meer redenen, en dat om deze stad bij te staan in haar armoede - zo hebben de genoemde gedelegeerden aan de genoemde afvaardiging [van de vroedschap] uiteengezet - de Keizerlijke Majesteit de genoemde stad een vermindering zal gunnen gelijk aan die zij genoten heeft bij de bede van 80.000 [...] De volgende conclusie [van de Goudse vroedschap] is in de plaats gekomen van de vorige: besloten is, dat men het gebrek aan financiën, het verval en de zeer zware lasten van de stad naar voren zal brengen en zal instemmen met de bede van 80.000 voor zes jaar of een kortere periode als dat mogelijk is, en dat men, als het [voor de Staten] ooit nodig is een toezegging te doen voor [een bede van] 100.0000, daaraan zal meedoen, op voorwaarde dat de stad slechts zoveel betaalt als zij gedaan heeft bij de laatste reguliere bede van 80.000 en niet meer, en daarvan in die mate vermindering krijgt als zij voor de bede van 80.0000 genoten heeft, en samen met de andere steden aanspraak houdt op handhaving van de voorrechten van de tol en andere zaken, voor zover de andere steden daaraan ook willen vasthouden.’
    Dit citaat maakt deel uit van de notulen van de vergadering van de Goudse vroedschap van 14 april 1531 (tekstcat. B). Karel V heeft de Staten van Holland het verzoek van een nieuwe bede gedaan, en de stad Gouda meent argumenten te hebben dat haar aandeel daarin beperkt wordt. Vertegenwoordigers zijn nu voor overleg bij de Staten in Den Haag geweest en hebben gehoord hoe de vorst gereageerd heeft op een algehele vermindering die de Staten hem hebben voorgesteld alsmede op de speciale korting voor Gouda.
Woorden, kwesties: ende groeten zwaeren lasten van der stede: Gouda neemt een relatief groot gedeelte voor zijn rekening van de gemenelantsrenten (zie bijv. resolutie VII, 26 juni 1525, p. 108: ‘[...] dese stede meer dan den anderen steden belast is in de gemeenlants renten’); smelten: WNT I.4 (‘verminderen’); congie: WNT congé > congégeld > congiegeld (‘ben(aming) voor een in- of uitvoerheffing op graan en mog. ook andere producten in de 16de eeuw’); etc.: met ‘etc.’ wordt verwezen naar de preciezere benoeming van de stedelijke problemen in meerdere voorgaande resoluties; allegatie ‘aanvoeren van argumenten’; gracie WNT B.2.b, gamma: ‘vermindering’; gepermuteert: WNT permuteeren betek. 1; verthoennen: MNW vertonen betek. I.3; ijmmers: MNW immers betek. 1; onderhoudenisse: MNW onderhoudenesse betek. 2.; geremediert: WNT remedieeren betek. A, 1, 20- hier blijkt dat hebben qua betekenis weggelaten kan worden. Tekstweergave: hoewel ik hebben en bedingen (in P2) op één lijn zie met betalende, ga ik er niet zomaar vanuit dat het handschrift een afkortingsteken bevat waardoor er hebbende en bedingende zou staan. Daarom is de infinitiefvorm in de tekst gehandhaafd.
    Het citaat bevat een configuratie met mits.te.Inf en een met mits.pp. De configuratie mits.te.Inf is als volgt te analyseren. De gedelegeerden van de Staten van Holland hebben de Goudse afvaardiging uitgelegd dat de Staten Karels bede van 100.000 zouden willen verlagen tot 80.000 gulden en die dan zouden willen toestaan niet voor zes maar voor vier jaar (Q1), op voorwaarde dat zij ook garanties zouden krijgen in verband met bepaalde privileges en zaken zoals de tol, de uitvoerheffing op graan en bier en de status van de vroedschap (P1). Deze garanties zijn evident zaken die de vorst zou moeten geven, maar interessant genoeg wordt zijn rol hier eigenlijk versluierd, want het begrepen onderwerp van mits oick geremediert te hebben in privilegien ende puncten, degenen die volgens de voorwaarde de garanties inzake de handhaving van privileges, tol etc. zullen krijgen, kunnen alleen de Staten van Holland zijn.Voorwaarde voor hun impliciete instemming met Karels bede is in feite dat zij hun strevingen inzake privileges, tol etc. kunnen doorzetten. Begrijpelijk: een handeling ‘garanties geven’ direct van de vorst verlangen deed men niet als onderdaan. De configuratie waarin mits eenmaal met een pp en tweemaal met een infinitief gecombineerd is, betreft daarentegen de interactie van de stad Gouda met de Staten van Holland. De Goudse vroedschap besluit dat de stad te zijner tijd te zal ‘meedoen’ met een voorgesteld akkoord van de Staten als de bede van Karel V ooit 100.000 gulden zou komen te bedragen (Q2), maar alleen als dan de voorwaarden vervuld zijn dat Gouda dezelfde vermindering krijgt als bij de bede van 80.000 gulden (besproken in de niet geciteerde tussenliggende tekst), en samen met relevante andere steden aanspraak houdt op een instandblijven van verschillende privileges (P2); dat moeten de Staten dan dus regelen. Als de twee mits-constructies in dit citaat met elkaar vergeleken worden, valt het volgende op te merken: de conditionele betekenis van beide is een overeenkomst, maar Q1 duidt op instemming met de bedewens van Karel, Q2 op instemming met een toekomstig voorstel van de Staten. In de mits-constructie in het tweede deel valt op dat de rol van een infinitief (hebben, bedingen) in een mits-frase niet verschilt van die van een pp (betaelende).
 De mits.pp-frase is conjunct, want als subject wordt begrepen de Goudse vroedschap, die onder de aanduiding men ook subject is van de direct hogere frase.
45 [...] seggen over ende condempneren mits desen dat zyluden tusschen dit ende morgenavondt voor zonnenonderghanck gaen zullen uuyt deser stede ende de vriheyt van dien, daeruuyt blyvende den tijt van vier jaeren, op pene van ten eewigen daghen daeruuyt gebannen te wesen [Q1], behoudelycken, dat zyluden den voors. banne zullen moegen redimeren ende offlossen [Q2], mits betaelende elcx tusschen dit ende achte daghen nae Sonnendaghe eerstcomende in handen van Mynen Heere die Schout de somme van 50 kar. g. [mits.pp P2] [behoudelycken dat +Vf P1] (BronnenAmst dl. 1: 96)
[Amsterdam, Holland; 1531-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=c SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    a. Instrumentele vertaling: ‘[Mijne heren van het gerecht] gelasten en oordelen hierbij dat zij [de vier vrouwen] tussen nu en morgenavond voor zonsondergang de stad en haar rechtsgebied zullen verlaten en daaruit op straffe van levenslange verbanning zullen wegblijven voor een periode van vier jaar, behoudens dat zij de genoemde ban zullen kunnen afkopen door een hoofdelijke betaling, tussen nu en acht dagen na aanstaande zondag, van de som van vijftig karolusguldens in handen van mijnheer de schout.’
b. Instrumentele betekenis met voorwaardelijke betekenisnuance: ‘[Mijne heren van het gerecht] gelasten en oordelen hierbij dat zij [de vier vrouwen] tussen nu en morgenavond voor zonsondergang de stad en haar rechtsgebied zullen verlaten en daaruit op straffe van levenslange verbanning zullen wegblijven voor een periode van vier jaar, behoudens dat zij de genoemde ban zullen hebben afgekocht als ze ieder individueel, tussen nu en acht dagen na aanstaande zondag, de som van vijftig karolusguldens betalen in handen van mijnheer de schout.’
    Dit fragment is deel van een in een Keurboek van Amsterdam opgenomen ‘correctie’ (straf), door burgemeesteren, schout en schepenen opgelegd aan vier vrouwen, die vernielingen hadden aangericht aan het naast de Kapel ter Heilige Stede in aanbouw zijnde pand voor de keuring van wol. De tekstcat. is A1. In het direct voorafgaande wordt de bouw van dit huis toegelicht: in Amsterdam is de lakenhandel achteruitgegaan. ‘Mijne Heren van het Gerecht’ dragen dit voor de algemene welvaart belangrijke bedrijf een warm hart toe evenals aan pogingen om deze industrie een impuls te geven. Daarbij hoort niet alleen het produceren van wol met betere draden maar ook het stimuleren van de bouw van datgene waar onlangs door de waardijns van het gilde om gevraagd is: een huis voor de keuring van de wol, een ‘huis van thien voeten hooch in ’t viercant omme daerinne de wolle, van Brugge oft anderen plaetzen comende, gebrocht ende by den voors. wardeijns aldaer geoerdelt te werdden, daertoe Myne voors. Heeren ende wardeyns welgelegen ende propijs geducht heeft dat ledige erfve, gelegen an de capelle van der Heyliger Stede, mits tzelve ongewijt ende by den watere leggende e s, oick mede den lucht mach gecrigen an de noortzyde, aldaer die meeste kenningei van wolle es’ (BronnenAmst dl. 1: 95). Hoewel de bouw van dit huis in niemands nadeel was en de kapel er zelfs van zou hebben kunnen profiteren, aldus de heren van het gerecht, hebben enkele vrouwen ’s avonds om tien uur, ’s woensdags na Pinksteren, de resultaten van de graafwerkzaamheden in de grond waar de fundamenten voor het huis gebouwd zouden worden, te vernielen. Eigenlijk behoren deze vrouwen gestraft te wordden an hoeren lijfven ende goeden (BronnenAmst dl. 1: 96), maar omdat zij als rechters meer neigen tot barmhartigheid dan tot harde juridische maatregelen én omdat het om vrouwen gaat, is hun correctie mild.
    Het citaat omvat een door burgemeester, schout en schepenen in hun oordeel gebezigde constructie ingeleid door behoudelycken dat en daarbinnen een instrumentele constructie met mits.pp, met de volgende inhouden. Ter bescherming van het publiek veroordeelt het gerecht wegens vandalistisch optreden vier vrouwen tot een verbanning van vier jaar (Q1), echter met bepaling van een zeker voorbehoud (P1), dat inhoudt dat elk van de vrouwen de mogelijkheid wordt toegekend om de ban af te kopen (Q2) door binnen een aantal dagen 50 karolusguldens te betalen (P2). P2 is hier middel. Omdat echter een mits.pp-frase gecombineerd met het vrijkopen van straf als dat opgevat wordt als handelingsdoel, om deze middel-interpretatie vraagt, maar, indien begrepen als resultaat (‘vrij zijn van straf’), om een voorwaardelijke, noteren we hier ook een conditionele vertaling van het Q2-P2-gedeelte, als volgt: ‘[...] zij vrijgesteld zullen zijn van de genoemde ban op voorwaarde dat ze, tussen nu en acht dagen na aanstaande zondag, de som van vijftig karolusguldens betalen in handen van mijnheer de schout.’
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden de gestrafte vrouwen begrepen, die ook subject zijn (zyluden) van de direct hogere frase.
46 Rekeninge meesters Airndt Sandelijn ende Willem Goudt van den thollen van Geervliet alleen mit hueren wachten ende toebehoeren, welcke tollen zij mitten tollen van Gorckom mit allen hueren wachten ende toebehoeren van mynen G.H. den keyser van Roemen, coninck van Germanien, van Spangnen, grave van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, bij zijne oepene bezegelde brieven van commissien gegeven in zijne stede van Mechelen den tweeden dach van augusto anno XVCXXVIII, ende bij appoinctemente mit himluyden daerof gemaect by den hoofden ende trésorier generael gecommitteert upt stuck van den demeynen ende financie van der K.M., in pachte genoemen hebben eenen tyt van vier jaeren lanck geduerende, ingaende ende beginnende den eersten dach van October anno XVC dertich [Q], mits jaerlicx daervoeren betaelende tot profyte van der K.M. ten gewoenlicken termynen de somme van negenduysent tweehondert ponden van 40 groeten Vlaems tpondt, ende daer en boven gehouden weesen van den geheelen incoemen ende den ontfanck van de voors. twee thollens mitten toebehoeren vandien jaerlicx in de Rekencaemere goede rekeninge doen binnen zes maenden nae de expieracie van elck jaer [mits.pp Pa ende Inf Pb] (BronnenBenedenMaas dl. 2: 227)
[Geervliet (+Den Haag), Holland; 1531/35-T02] T=T02 P=Geervliet P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Financiële verantwoording van de tolmeesters Airndt Sandelijn en Willem Goudt inzake de tol van uitsluitend Geervliet, met hun controleposten en wat daarbij hoort. Deze tol hebben zij, evenals de tol van Gorkum met al zijn controleposten en toebehoren, gepacht van mijn genadige heer de keizer van Rome [van het Heilige Roomse Rijk], koning van Duitsland en Spanje, graaf van Holland, Zeeland en Friesland krachtens zijn open bezegelde opdrachtbrieven, uitgevaardigd in zijn stad Mechelen op de tweede dag van augustus in het jaar 1528 en krachtens een contract dat daarvoor met hen gesloten is door de ambtelijke hoofden en de thesaurier-generaal belast met kwesties van de domeinen en de financiën van de Keizerlijke Majesteit. De pacht zijn zij aangegaan voor een periode van vier jaar, met ingang van de eerste dag van oktober in het jaar 1530, onder de voorwaarde dat zij daarvoor jaarlijks ten gunste van de Keizerlijke Majesteit op het gebruikelijke betaaltijdstip de som betalen van negenduizend en tweehonderd pond, elk pond à 40 groten Vlaams, en bovendien met de bepaling dat zij gehouden zijn uiterlijk zes maanden na afloop van een boekjaar voor de Rekenkamer correcte verantwoording af te leggen van het totaal aan opbrengsten en ontvangsten uit genoemde twee tollen en alles wat daarbij hoort’
    Dit citaat is ontleend aan de rekening van de tol in Geervliet, opgemaakt door de tolbazen Aerndt Sandelijn en Willem Goudt, over de periode 1 oktober 1931 tot en met 30 september 1532. De tekst bevat een financiële verantwoording, door Goudt overlegd in de grafelijke rekenkamer in Den Haag. Aan de toenmalige rivier de Bernisse bij Geervliet op het eiland Putten was sinds het eind van de twaalfde eeuw één van de grafelijke tollen gevestigd. De rivier stroomde vanaf de Brielse Maas langs o.a. Heenvliet, Geervliet, Abbenbroek en Zuidland het Spui in. De tolplaats Geervliet lag op een drukke route voor de handel in o.a. wijn, haring, honing, fruit, hout. Het citaat is een fragment van de inleiding die voorafgaat aan de eigenlijke financiële verantwoording; daarom valt het citaat in tekstcat. B. Deze inleiding is gebaseerd op het pachtcontract en de daaraan ten grondslag liggende opdrachtbrief van de Keizerlijke Majesteit uit 1528. Direct volgend op het citaat wordt gespecificeerd dat de tolpachters 1500 pond voor zichzelf mogen houden (voor onkosten, bedrijfsrisco, arbeid) van wat er aan inkomsten (ontfanck: de tolgelden) méér binnenkomt dan de daarvoor genoemde 9200 pond; eveneens wordt de afdracht geregeld van de emolumenten (incoemen: betreft waarschijnlijk de kruiken wijn die de tolgaarder van wijnschepen kreeg, waarvan men er 25 voor zichzelf mocht houden). Datering: het boekjaar is medio 1531- medio 1532, maar de editeur meldt dat door een andere hand bovenaan is bijgeschreven: ‘Overgelevert te Hove bij den rentmeester Willem Goudt [...] XVCXXXV.’ Vandaar de datering 1931-1935. Woorden, namen: ende: in de gebruikte editie staat de tussen vierkante haken, wat betekent dat de editeur het zelf heeft aangevuld; meesters: MNW meester betek. 4 (‘opzichter (...)’); den thollen van Geervliet alleen: voor de tol van Geervliet en Gorcum gold dezelfde opdracht, maar de rekeningen werden apart opgemaakt; wachten: WNT wacht betek. 5.c.α (‘controlepost tegen het ontduiken van tollen’); oepene bezegelde brieven: VNMW brief betek. 1.3.3., tweede streepje (‘in de verbinding open brief: akte met uithangend zegel’); appoinctemente: VMNW appointement betek. 1 (‘regeling, schikking, afspraak’) resp. WNT betek. 1 (‘rechterlijke uitspraak, vonnis’); hoofden: MNW hovet betek. 5_ bij het eerste streepje: ‘voorzitter’; termynen: MNW termine betek. 4 (‘een bepaald afgebakende tijd (...); ook termijn, van huur, betaling e. a.’); ontfanck: MNW ontvanc betek. 2.a (‘het ontvangen of geïnde geld, de ontvangst, de gezamenlijke som der ontvangsten’); incoemen: WNT inkomen II betek. B.2 (‘wat bij iemand inkomt, t.w. wat hij, gemeenlijk in geld, uit een of anderen hoofde ontvangt, int, geniet, doch meer bepaald in toepassing op iemands ontvangsten uit zijne werkzaamheden of uit zijn vermogen’ en MNW incominge: betek. 1 (‘opbrengst, inkomsten’ _ ter vergelijking wordt genoemd het ww. incomen betek. 5, streepje (‘vandaar ndl. inkomen en inkomsten, uitgebreid tot alle soorten van opbrengsten (...)’). Transcriptie: kritisch-normaliserend (BronnenBenedenMaas dl. 1: L). Omdat de editeur spreekt over handschrift op perkament en soms moeilijk leesbare gedeelten, heb ik de indruk dat hij het originele handschrift heeft getranscribeerd.
    Volgens een akte van Karel V, door Sandelijn en Goudt in de inleiding op hun financiële verantwoording aangehaald, hebben zij het recht verworven om voor een periode van vier jaar (ingaand 1 oktober 1530) tol te heffen onder meer bij Geervliet (Q) onder de voorwaarde dat zij in elk van die jaren op het gebruikelijke betaaltijdstip 9200 ponden van 40 groten Vlaams afdragen ten gunste van de Keizerlijke Majesteit (Pa) en met de logisch bij de toekenning van de tolinning horende verplichting tot het overleggen van een financiële verantwoording (Pb). Het eerste deel van de mits-frase, waarin mits aangevuld wordt door een pp, is conditioneel, het tweede deel, met aanvulling door een infinitief, is comitatief.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen Sandelijn en Goudt, die ook, aangeduid met zij, fungeren als subject van de lange direct hogere frase.
47 Item, en zullen voortan gheenen drapiers hen vervorderen te drapenieren, voor ende alleer zy geweest zullen hebben by den gezwoeren wardeyns, hen te kennen ghevende, hoeveele touwen, tzy drie, twee oft een, zy begheren t’ onderhouden dat jaer lange geduerende; ende zoevele touwen zyluden alsdan anbrenghen, zullen zy schuldich wesen t’ onderhouden, sonder dien te verminderen oft te vermeerderen, tenwaere off die drie touwen zoeveel nyet en mochten weeven, als hiernaer verclaert staet, in welcken gevalle de voors. wardeyns mitten drapiers zullen moeghen dispenseren [Q], mits zoeveel wols min uuytwerpende [mits.pp P], behoudelicken oick merckelicke ongevalle van sterft te oft diergelycke saicken, tot discretie van den Gerechte, ende dat all op de pene van 50 karolusgulden tot goetduncken van den Gerechte. (BronnenAmst dl. 1: 105)
[Amsterdam, Holland; 1533-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Voorts mogen lakenwevers zich van nu af niet verstouten te weven voordat zij bij de gezworen waardijns zijn geweest om hen te laten weten hoeveel weefgetouwen - drie, twee of één - zij gedurende dat jaar in bedrijf wensen te hebben; en zij zullen verplicht zijn het aantal getouwen dat zij dan opgeven in bedrijf te houden, zonder dat aantal te verhogen of te verlagen, tenzij die drie getouwen niet zoveel kunnen weven als in het navolgende beschreven staat, in welk geval de genoemde waardijns de lakenwevers van hun verplichting kunnen ontslaan op voorwaarde dat [daadwerkelijk] een bepaalde hoeveelheid minder laken geproduceerd wordt; ook behoudens aanmerkelijke noodlottige ongevallen zoals overlijden en dergelijke, ter discretie van het Gerecht. Dat alles op de boete van vijftig carolusguldens naar het oordeel van het Gerecht.’
    Het citaat is afkomstig uit een op 11 januari 1533 uitgevaardigde keur betreffende de lakenbereiding. Tekstcat. is A2. Burgemeesteren, schout en schepenen van Amsterdam wensen een goede regeling voor de beroepsgroep van drapeniers, te meer daar veel arme mensen dankzij dit beroep in hun levensonderhoud voorzien. Woorden: wol: WNT betek. 7; wardeyns: MNW waerdein (‘opzichter, keurmeester, stedelijk beambte belast met het keuren van waren; te Leiden opzichter over de draperie (...)’), WNT waardijn betek. 1 (‘opzichter over het lakengilde, de draperie. Hij keurde niet alleen de lakens, maar bepaalde ook welke soorten wol gebruikt mochten worden, hoe er geweven en geverfd moest worden, en fungeerde tevens als belangrijkste bestuurder van het lakengilde.’).
    Het is mogelijk dat een van de gecontracteerde weefgetouwen minder produceert, bijv. door eigenschappen van het getouw of doordat er minder werk is. In dat geval kunnen de waardijns, aldus het stadsbestuur in deze regeling, dispensatie geven, d.w.z. toestaan om een getouw uit bedrijf te nemen; dat is dan in het belang van de drapeniers doordat ze minder gezellen nodig hebben en minder apparatuur hoeven te onderhouden (Q). Voorwaarde waaronder de waardijns de dispensatie kunnen geven - een voorwaarde waaraan de drapeniers moeten voldoen, ter beoordeling door de waardijns - is dat zij daadwerkelijk minder wol produceren (P). Men mag dus niet proberen veel te produceren op minder getouwen.
 Begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de lakenwevers, die in de direct hogere frase fungeren als voorzetselvoorwerp; de mits.pp-frase is dus conjunct subject-voorz.voorw.
48 Rurende ’t lant van putte, die geërfde zijn aldaer vergadert gheweest voer die dorde reyse ende blijven allegaeder eendrachtelijc bij ’t eerste concept ghelijc mijn heer zal zyen bij ’t accort dat ik U sende. Ende ben van der meeneghe te treeden in ’t werrec den 12en dach van maerte [Q] mits hebbende commissye ghelijc ic mijn heer die minuyte oversende [mits.pp P], anders en staet mijn die zaecke niet an in gheender manyere ende is genoech als mijn commissye van jaar 31. Heer, ic sette mijn selfver genouch om of ’t qualijc ginghe om hallef bedorfven te weesen. Daer gaet zoe veel tlant te banne dat ic wel sal moeten hebben erst gheheel tlant ghedijket is over 20.000 guylden. (Van der Gouw 1967: 352)
[Putten, Holland; 1533-T02] T=T02 P=Putten R=Holland TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Wat het land van Putten aangaat, de ingelanden zijn daar voor de derde keer bij elkaar gekomen en blijven allemaal eensgezind bij het eerste plan, zoals mijn heer kan zien in de overeenkomst die ik u stuur. Ik ben van plan aan te treden op 12 maart, op voorwaarde dat ik een volmacht krijg zoals in de akte die ik mijn heer toezend, anders staat de zaak mij totaal niet aan. Een volmacht zoals voor het jaar 31 zou voldoende zijn. Heer, ik neem er genoegen mee om, als het slecht zou gaan, een verlies van de helft te accepteren. Er gaat zoveel land teloor, dat ik voor een complete bedijking van het land meer dan 20.000 gulden nodig zal hebben.’
    Dit citaat komt uit een brief d.d. 21 februari 1533 (tekstcat. B) van Andries van Bronchorst, baljuw van Voorne, aan zijn neef Joost Sasbout. Beiden waren raadsheer van het Hof van Holland, dat zich ook bezighield met bestuurlijke zaken in de gewesten. Zo nam het Hof rond 1530 financiële maatregelen ten behoeve van het dijkonderhoud en -herstel op het eiland Putten (Van der Gouw 1967: 324 v). Na de stormvloed die Putten op 2 november 1532 trof, voerde Van Bronchorst, die octrooi van de vorst verworven had voor bedijkingswerkzaamheden aldaar (ibid 318v), inspecties ter plaatse uit, rapporteerde aan Sasbout, die eigenaar was van veel land op het eiland, stelde samen met de ingelanden een akkoord op inzake het dijkherstel, werd eind december 1532 door het Hof tot voorlopige dijkgraaf van Putten benoemd en regelde in deze functie de aanbesteding van het dijkherstel (ibid 337-345v). Half februari 1533 stelde het Hof het contract op waarmee hij de definitieve dijkgraaf zou worden. In de onderhavige brief aan Sasbout verwijst Van Bronchorst naar het zijns inziens betere oorspronkelijke akkoord, dat hij meestuurt, en stelt hij dat veel werk al aanbesteed is. Hij noemt de voorwaarden waaronder hij de functie van dijkgraaf op zich wil nemen, nl. een volmacht, voldoende budget en erkenning van de noodzaak van complete bedijking van Putten. Woorden: minuyte: het WNT gebruikt in de voorbeelden minute zowel enkelvoudig als meervoudig; de context is hier dus beslissend. Het betreft hier vermoedelijk de tekst van het eerder opgestelde akkoord, dus enkelvoud. Met de commissye doelt hij blijkens het voorafgaande niet alleen op een financiële volmacht maar ook op een mandaat om rekesten van ingelanden af te handelen.
    Van Bronchorst is bereid op de genoemde datum aan te treden als dijkgraaf (Q) op voorwaarde dat hij een toereikende volmacht krijgt, waarvoor hij de akte direct meestuurt (P). Het Hof van Holland, dat Van Bronchorst als dijkgraaf wenst, moet de genoemde voorwaarde vervullen, maar wordt niet genoemd.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject aangesloten.
49 Omtrent lichtmis syn opgeresen sekere opinioesen | menschen ghenaemt verdoepers waer off by den | schout van Amsterdamme sommyge van desen gevangen | syn ende inden hach ghebrocht ende sij luyden | quammen by malcander buyten ian Roeden poert Int beginzel van martio is ghepubliceert | een placaet waer in keyserlijcke majesteyt alle dese verdoepers | gratij verleent [Q1] mits sy luyden binnen .24. daghen | gaen voer haeren bichtuaeder ende bekennen haer | dwalinghen [Q2] mits ontfangende oetmoedijge | penitentie [mits.pp P2] [mits + Vf P1] Ende indien sy haer scult niet | kennen en willen zo zalmenze overleueren inden | hach om aldaer te hoeren zulcx als Recht | wesen zal (NieuweMaren 75)
[Amsterdam, Holland; 1534/36-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=p SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Omtrent Maria Lichtmis zijn bepaalde weerspannige lieden, genaamd wederdopers, oproerig geworden, van wie sommige door de schout van Amsterdam gearresteerd zijn en naar Den Haag gebracht; zij kwamen bij elkaar buiten de Jan Rodenpoort. Begin maart is een plakkaat gepubliceerd waarin de Keizerlijke Majesteit al deze wederdopers gratie verleent op voorwaarde dat zij binnen 24 dagen te biecht gaan bij hun biechtvader en hun dwalingen bekennen, en daarbij uiteraard nederig hun boetedoening aanvaarden. En als zij hun zonden niet willen belijden, dan zal men hen naar Den Haag doen overbrengen teneinde daar het rechterlijk vonnis te horen’
    Dit fragment is ontleend aan een transcriptie van een handschrift (het zgn. handschrift A, zie NieuweMaren 24-26) dat wordt toegeschreven aan Joost Buyck, in 1532 benoemd tot schepen van Amsterdam. Hij maakte aantekeningen (persoonlijke aantekeningen, dus dit fragment valt in tekstcat. C) tijdens de gebeurtenissen in 1534 te Amsterdam, bekend als het oproer van de wederdopers, en hij verwerkte deze tussen 1534 en 1536 tot een verslag dat later de titel ‘Nieuwe Maren’ zou krijgen. Voor de argumentatie voor 1534-1536 als datering zie NieuweMaren 36v en voor het leven van Buyck NieuweMaren 42-56. Woorden: Lichtmis: Maria lichtmis, 2 februari; oprisen MNW betek 6; Jan Rodenpoort: Amsterdamse stadspoort bij de huidige Torensluis over het Singel.
    Het citaat omvat een voorwaardelijke constructie met mits + Vf. De mits + Vf-frase gaat over de gratie die het keizerlijk plakkaat dopersen in het vooruitzicht stelt (Q1), waarvoor de voorwaarde een gang naar de biechtvader is en het bekennen van de godsdienstige dwalingen (P1). In de formulering van voorwaarde P1 doet zich een tweede mits-constructie voor, ditmaal met mits.pp. Bijkomend bij het eigenlijke biechten wordt met die constructie een onmisbare handeling gestipuleerd: de biecht dient noodzakelijk gecompleteerd te worden met nederige boetedoening (P2), die derhalve een comitatieve relatie heeft tot het gesprek met de biechtvader.
Ik heb de tekst van handschrift A vergeleken met een andere tekstversie die opgenomen is in NieuweMaren. Met de ’Editie’, zoals de editeuren de jongere versie noemen, hebben zij een reconstructie voor ogen van de tekst ‘De Nieuwe Maren’ die in het oorspronkelijk handschrift zal hebben gestaan (voor een verantwoording van de reconstructie en de kritisch-normaliserende transcriptie: NieuweMaren 63). Omdat de ‘Editie’ het gereconstrueerde archetype is zou 1534, het jaar van de beschreven gebeurtenissen, eigenlijk het beginpunt van de datering moeten vormen, maar omdat enkele elementen aan een handschrift van ná 1537 en vóór 1554 zijn ontleend (NieuweMaren 25), wordt als datering 1537-1554 aangehouden. De mits.pp-voorkomens in beide versies vertonen geen verschil, maar de ‘Editie’ laat ten opzichte van de facsimile wél een verschil zien wat de eerste mits-constructie betreft, die met mits + Vf. Dat verschil illustreer ik in het overzicht hieronder.
Citaat uit de facsimile (hs A)
Equivalent citaat uit ‘Editie’
Fragment met de conditionele mits + Vf-constructie
Int beginzel van martio is ghepubliceert een placaet waer in keyserlijcke majesteyt alle dese verdoepers gratij verleent mits sy luyden binnen.24. daghen gaen voer haeren bichtuaeder ende bekennen haer dwalinghen mits ontfangende oetmoedijge penitentie [...] (NieuweMaren 75)
Int beghinsel van martio daeran is ghepubliceert een placaet, waer in die keijserlicke majesteijt alle dese verdoopers gracij verleent, mits dat sij luden binnen 24 daghen gaen sullen voir haren biechtvader ende bekennen haer dwalinghe, mits ontfangende oetmoedighe penitentie [...]. (NieuweMaren 122)
Vertaling
‘Begin maart is een plakkaat gepubliceerd waarin de Keizerlijke Majesteit al deze wederdopers gratie verleent op voorwaarde dat zij binnen 24 dagen te biecht gaan bij hun biechtvader en hun dwalingen bekennen en daarbij uiteraard nederig hun boetedoening aanvaarden.’
Zelfde vertaling als links
Elementen
mits + Vf
mits dat + Vfsullen + Inf
Datering
1534-1536
1537-1554
Het al dan niet gevolgd worden van mits door dat lijkt voor de betekenis geen consequenties te hebben, evenmin lijkt dat het geval voor het al dan niet voorkomen van sullen in het predicaat van de bijzin ingeleid door mits (dat).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen subject zijn de gearresteerde wederdopers, die ook subject zijn (sy luyden) van de direct hogere frase.
50 Segt oic dat al woude hem de rentmeester gracie geven van alle zyn voirs. verlyt [Q] mits t zelve revocerende [mits.pp P], en zoude of en is van gheen advise t zelve t anvaerden oft accepteren. (Pekelharing 1866: 248)
[Middelburg (+Zuid-Beveland), Zeeland; 1535-T02] T=T02 P=Middelburg P=Zuid-Beveland R=Zeeland TC=A1 TG=Vonnis TS=d SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘[Cop Heyne] zegt ook dat, al zou de rentmeester hem gratie willen verlenen voor al zijn strafbare uitingen op voorwaarde dat hij die zou herroepen, hij niet van plan zou zijn - noch is - om die [gratie] te accepteren.’
    Dit citaat is door de 19e-eeuwse auteur Pekelharing ontleend aan het verslag in het zgn. Register Crimineel (van de rentmeester Bewesten Schelde) van een verhoor op 28 mei 1535 door de plaatsvervangend-rentmeester in aanwezigheid van burgemeesteren en schepenen van Middelburg. Verhoord wordt ene Cop Heyne. Ik reken dit fragment, dat een deel van het verweer van Heyne weergeeft, tot tekstcat. A1. Hoofdpersoon Cop Heyne was linnenwever, de doperse beginselen toegedaan. In de loop van zijn leven was hij op diverse plaatsen in Zuid-Beveland gevangen genomen als straf voor zijn doperse uitlatingen; en zo had hij in Reimerswaal eens in onderkleding met een brandende kaars van een half pond voor een processie uit moeten lopen. In het direct voorafgaande tekstgedeelte geeft Heyne te kennen niet meer te biechten omdat hij persoonlijke boetedoening voor God voldoende acht. Na het verhoor zullen schepenen vonnissen dat Heyne onthoofd moet worden.
    De beschuldigde Cop Heyne roept een hypothetische situatie op waarin zijn aanklager, de rentmeester, hem gratie zou willen verlenen (Q) onder de voorwaarde dat hij zijn strafbare uitingen zou herroepen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als onderwerp wordt begrepen Cop Heyne, die het meew.voorw van de direct hogere frase is.
51 [...] soe condemneeren scepenen die voornoemde Thomas Rietwertz. dat hij ’t selve sal beteren eerlicken ende prouffitelicken, eerlicken als dat hij gehouden sal weesen voor morgenavont bij sonnenschijn van deser stede te weesen ende te reysen tot Maersen op die Vecht ende versoucken aldaer ’t heylige eerwaerdiche sacrament mit een barnende waskaers in zijn handt en binnen der stede van Alcmaer nyet te commen of hij brenckt guet auctentijdt bescheyt van den cureyt ofte vice-cureyt dat hij aldaer geweest heeft, op die verbuerte van zijn rechterhandt. Ende nae dat hij weder gecomen sal weessen, drye eerste sonnendagen te gaen linnen, barvoedts ende blootshooft [Q 1e deel] mits hebbende een barnende waskaersse in zijn handt [mits.pp P] voor die cruyssen [Q 2e deel] Ende elcke sonnendach de selve kaerse daer nae te brengen voor dat heylighe eerwaerdighe bluet, ende die selve kaersse aldaer te bliven tot elcke reysse ende die hoochmisse uuyt te hooren (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.3.006, inv.nr. 44: p. 21 rechts)
[Alkmaar, Holland; 1535-T02] T=T02 P=Alkmaar R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=c SM=Comit CV=W2 VO=QPQ
           
    ‘Daarom veroordelen schepenen de genoemde Thomas Rietwertz. tot eerlijke en werkzame boetedoening, eerlijk doordat hij verplicht zal zijn om morgenavond voor zonsondergang te vertrekken uit deze stad en naar Maarssen aan de Vecht te reizen om daar het heilig, eerbiedwaardig sacrament te bezoeken met een brandende waskaars in zijn hand, en om niet in de stad Alkmaar terug te komen dan met goede, betrouwbare bevestiging door de pastoor of onderpastoor dat hij daar geweest is, op verbeurte van zijn rechterhand. En om de drie eerste zondagen na zijn terugkomst in grof linnen gehuld, barrevoets en blootshoofds naar het kruis te gaan waarbij hij een brandende waskaars in zijn hand houdt. En om elk van deze zondagen deze kaars voor het heilig, eerbiedigwaardig bloed te brengen en daar elke keer neer te zetten en tot het einde toe naar de hoogmis te luisteren’
    Dit citaat omvat een vonnis uit het zgn. Correctieboek van het Alkmaarse schepengerecht, waarin vonnissen werden genoteerd. Het vonnis (tekstcat. A1) is gedateerd 26 april 1535. In het direct voorafgaande wordt de overtreding genoemd die Thomas Riewertz. bekend heeft. Omdat hij de pastoor belet heeft een zieke het laatste sacrament toe te dienen en, integendeel, een dokter bij de patiënt heeft laten komen, wordt hij geacht medeplichtig te zijn aan de sekte waartoe de zieke behoort. Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op de wederdopers: er wordt verwezen naar een recent verbod van Karel V op huisvesting, hulp etc. aan wederdopers. Woorden: beteren: MNW betek. I.3; eerwaerdiche: MNW eerwerdich (‘eerwaardig’, in één voorbeeld in combinatie met sacrament); Maersen op die Vecht: de strafbedevaart die hier aan de orde is, leidt naar een kerk van Maarssen aan de Vecht; waskaars: WNT betek. ‘kaars vervaardigd uit was (i.t.t. vet- of smeerkaarsen)’, betek. β. (‘meegedragen in processies, stoeten e.d. als symbool of eerbewijs- het dragen van een waskaars werd ook als sanctie en ten teeken van boetedoening opgelegd’; uuyt te hooren: WNT uithooren betek. 1. De transcriptie heb ik overgenomen van de transcriptiewerkgroep Regionaal Archief Alkmaar. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De vertaling ‘waarbij hij een brandende waskaars in zijn hand houdt’ impliceert dat de inhoud van de mits.pp-frase een comitatieve functie heeft. Bij de straf om drie zondagen in grof linnen gehuld, barrevoets en blootshoofds naar het kruis te gaan (Q) komt, als vanzelfsprekend in de kerkelijke traditie, die van het in de hand houden van een brandende waskaars. Deze bijkomende handeling zou ook als verdere voorwaarde beschreven hebben kunnen zijn voor de terugkeer van de banneling en zijn heropname in de Alkmaarse maatschappij. Maar in dit fragment kan een conditionele in plaats van een comitatieve niet, omdat een handeling in een mits-frase niet begrepen kan worden als conditie voor een verplichte handeling door dezelfde persoon. In dit fragment is de voorstelling van zaken dat hij een straf krijgt opgelegd met drie onderdelen, chronologisch: verdwijnen uit Alkmaar, terugkeren met bewijs van zijn bedevaart, en met tekenen van uiterste vernedering voor Jezus te komen, waarbij de mits.pp-frase vermeldt waarmee het voorafgaande gepaard gaat: met het door hem meedragen van een brandende waskaars.
 Twee eeuwen later is deze mits.pp-frase gelijkstaand aan een met-frase gelezen, getuige de parafrase van Simon Eikelenberg van het tekstgedeelte vanaf e[E]nde nae dat hij weder gecomen sal weessen: ‘[...] en by zyn wederkomst hier de drie eerste Zondagen bloodhoofds en barrevoets met een brandende Waskaars in de hand te koomen voor het Kruis, en iedere Zondag de Kaars voor ’t heilig Bloed te brengen, en daar te laaten, en de hooge Misse uittehooren’ (transcriptie overgenomen van de Transcriptiewerkgroep Regionaal Archief Alkmaar). Dat een vergelijkbare mits.pp-frase in later tijd door een andere auteur voorwaardelijk of comitatief begrepen werd, is te zien in het volgende citaat: ‘De paus Adrianus de Zesde vergunde aan een iegelyk die op ’t gypen ley [vert.: op sterven lag], een volkomen aflaat van alle zyn zonden, mids een gewyde waskaars in zyn hand houdende, en ’t psalmboek van het Rozenkransje uytzingende’ (Weyerman 1725-1728 dl. 1: 320).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen Thomas R., die ook het niet uitgedrukte subject is van de direct hogere beknopte infinitieffrase met te gaen.
52ab Alsoe den hoppenexcijs binnen deser stede dagelijcx soe lancx soe meer vermindert worde, ende noch meer gescapen is te declineren ende verminderen, en wordde daer inne nyet voersien, soe hebben die heere ende gerechte mits desen gekuert ende geordonneert,
1. Dat nyemant voortan, wie hij zij, hem en sal mogen vervorderen, eenighe hoppe inne te doen, te meeten off doen meeten dan bij den gesworen meter daer toe geordoneert off den pachter van den voorscreven hoppenexcijs [Q1], mits hem betalende voer excijs ende meten tsamen een stuyver van thoet [mits.pp P1], op die boete van drie ponden heeren gelts, te gaen een derdendeel tot sheeren behouf, een derdendeel tot der stede behouff ende een derdendeel tot behouff van den anbrenger ofte pachter voerscreven. [...]
2. Item soe en sal nyemant, eenigen hoppe bij hem vercoft, innegedaen ende gemeeten als voren, denselven hoppe bij de broute off anders mogen doen meeten, uuytmeten off vercoopen dan [Q2] mits betalende denselven bewaerder oft pachter een grote Vlaems van thoet [mits.pp P2], op gelijke boete, te gaen als voren. (RechtsbrHaarl 249)
[Haarlem, Holland; 1536-T02] T=T02 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Omdat de door de stad geïnde belasting op hop elke dag minder wordt en nog sterker terug zal gaan als geen maatregelen worden getroffen, hebben de heer en het gerecht met deze keur bepaald en verordonneerd
1. Dat niemand voortaan, wie hij ook zij, zich zal mogen verstouten enige hop op te slaan, te wegen of te doen wegen dan door de ingezworen meetambtenaar die daartoe bevoegd is of door de pachter van de genoemde hopaccijns, waarbij hij de verplichting heeft de meetambtenaar voor het wegen inclusief de belasting te betalen met één stuiver per hoed hop, met als sanctie een boete van drie pond herengeld, waarvan een derde deel bestemd is voor de heer, een ander derde deel voor de stad en een laatste derde deel voor de informant of de voornoemde pachter. [...]
2. Ook zal niemand enige hop die door hem ?verkocht [gekocht], opgeslagen en gewogen is als hiervoor geschetst mogen doen wegen, uitmeten of verkopen als brouwsel of op andere wijze dan tegen betaling van een Vlaamse groot per hoed aan de administrateur of pachter, waarbij eenzelfde boete geldt met verdeling als hiervoor geschetst.’
    Dit is een fragment van een op 29 april 1536 in Haarlem uitgevaardigde keur op de hopaccijns (tekstcat. A2). Woorden: die heere ende gerechte: de heer (vertegenwoordiger van de graaf) en het gerecht (schepenen) vaardigden in Haarlem vaak keuren uit; de 17e-eeuwse afschrijver had hier abusievelijk, aldus editeur Huiziga, het meervoud genoteerd: heeren ende gerechte; meeten, uuytmeten: WNT uitmeten betek. 1 (‘De lengte-, inhouds-, oppervlaktemaat e.d. bepalen van - aanvankelijk alleen in toep. op het meten bij verkoop of aflevering van goederen, bier, stoffen e.d.; afmeten. (...) - in verb. met zinverwante woorden: in- en uitmeten, uitmeten en -wegen.’); met ‘inmeten’ wordt meer gedoeld op de handeling van het meten of wegen bij inkoop, bij ‘uitmeten’ op die bij verkoop, maar de termen komen tezamen voor; hoed, hoet: inhoudsmaat voor droge waren, bijv. steenkool, kalk en in de middeleeuwen ook koren; heerengelt is techn. term voor bepaalde belasting, zie WNT heerengeld betek. 1 (‘naam voor eene aan den eigenaar van den grond verschuldigde belasting’). Dit fragment is digitaal toegankelijk, echter zonder interpunctie, via Compilatiecorpus Haarlem 1536 nr. 1.
    ad 1. Men heeft alleen toestemming hop te laten wegen als dat door de gezworen meetambtenaar gebeurt (Q1), waarbij men de betreffende meetambtenaar één stuiver per hoed moet betalen (P1). P1 heeft een comitatieve rol. De mits.pp-frase vermeldt nl. dat iemand die hop laat wegen een betalingsverplichting heeft, die als noodzakelijk element nog eens komt bíj het voldoen door die persoon aan de (niet door mits ingeleide) voorwaarde van inschakeling van een gezworen meetambtenaar.
ad 2. Men mag hop als brouwsel alleen uitmeten of verkopen (Q2) op voorwaarde van betaling aan de pachter (P2). P2 heeft een voorwaardelijke rol.
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
53 [...] hebben dairomme deselve M. H., gehoort den eysch van Mynen Heere den Schout, mit zekeren getugen, by hem geproduceert, ende de deffensie mit de confessie van den voors. Wessel Claesz., denzelven Wessel Claesz. overgeseyt voir correctie ende seggen over by desen, dat hy, in beteringe van alle de voors. misbruycken, eerst geven sal den Heere thien ponden ’s heeren gelt navolgende de willekeuren deser stede ende voorts by dage sonnenschijn gaen uuyt deser stede ende hoeren vryheyt, daeruuyt blyvende den tijt van drie jaeren [Q1], behoudelycken dat hy tselve redimeren sall moegen [Q2], mits gevende boven de voors. thien ponden noch 10.000 Leytsche steens tot behouf van der fabrycke deser stede [mits.pp P2] [behoudelycken dat + Vf P1], interdicerende ende verbiedende hem voorts van nu voortaen te houden de voors. stoven, op de correctie van der stede. (BronnenAmst dl. 1: 119)
[Amsterdam, Holland; 1537-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Verord TS=c SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] daarom hebben mijne heren [van het gerecht], gehoord de eis van mijnheer de schout waarbij zekere door hem opgeroepen getuigen aanwezig waren, en gehoord de verdediging met de bekentenis van genoemde Wessel Claesz., de laatste strafbaar verklaard en zeggen hem bij deze dat hij, als boete voor genoemde euveldaden, in overeenstemming met de bepalingen van deze stad allereerst de landsheer tien ponden herengeld dient te geven en dat hij verder vóór de avond de stad en haar vrijheid dient te verlaten en daaruit drie jaar lang moet wegblijven - behoudens dat hij deze straf zal kunnen afkopen door bovenop de genoemde tien pond nog 10.000 stuks Leidse stenen te leveren ten behoeve van de industrie in deze stad -, waarbij hem voorts vanaf nu verboden wordt het genoemde badhuis te exploiteren, op straffe van correctie door de stad.’
    Dit citaat maakt deel uit van de optekening van een zgn. correctie (straf; tekstcat. A1) vastgesteld door schout en schepenen van Amsterdam na een procedure tegen badhuishouder Wessel Claesz., in wiens bedrijf wantoestanden zijn geconstateerd. Deze correctie is opgenomen in een zgn. Keurboek. Woorden: vryheit: grondgebied buiten de stadspoorten waarop nog de privileges en rechtspraak van de stad gelden; Leidse steen: waarschijnlijk zijn bakstenen bedoeld. De graaf van Holland is waarschijnlijk, vanuit de regio Leiden, de drijvende kracht geweest achter de vervanging van natuursteen door baksteen.
    Het mits.pp-voorkomen in deze strafomschrijving is ingebed in een langere frase ingeleid door behoudelyken dat-frase. Wegens zijn wanpraktijken krijgt badhuishouder Claesz. een geldboete en verbanning uit de stad voor drie jaar opgelegd (Q1), hem wordt verder voor altijd verboden het badhuis te exploiteren. Bij de verbanning bepalen schout en schepenen als uitzondering, dat de badhuishouder die zou kunnen afkopen (P1). De afkoop dan is beschreven als mogelijk doel van Claesz. (Q2), het middel dat hij daarbij zou moeten gebruiken is de levering van 10.000 stuks Leidse steen (P2). P2 is instrumenteel.
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is Wessel Claesz, de gestrafte badhuishouder, die ook fungeert als subject van de direct hogere frase, aangeduid met hij. De aansluiting is dus conjunct subject-subject.
54 [...] seggende, dat dese stede tmeestedeel van de andere steden ende landen wel behoerden ende moeten volgen, niettemin presenteerden deser stede gracie te doen hebben in de ordinaris ende extraordinaris beede, gelijck zij laestmael in de voorsz. beijde beeden gebruijckt heeft gehadt ende hoger niet [Q1], mits dat zij die vier hondert gulden tot maeckinge van de nieuwe sluijs achter slot, bij die Keij. Mat. deser stede toegeseijt, sal mogen corten upte extraordinaris beede ende soude mede dese stede in heure articulen assisteren alldaer redenen toe dienen zoude [mits dat + Vf P1] [...]. Waerop es gesloten bij die meeste stemmen, dat men twe uuijt die vroetscap met die burgemeesters scicken soude in den Haige an die grave van Hoochstraten omme hem te vertoenen die grote armoede, laste ende declinacie van deser stede neringe ende incoempste van dien, consenterende mede in een ordinarius beede van tachtentich dusent £ ten prise voorsz. [Q2], mits genietende alle alsulcke ofte meerder gracie als die stede in de voirgaende ordinarius beede gehadt heeft [mits.pp P2]. (ResolVroeGouII 223)
[Gouda, Holland; 1537-T02] T=T02 P=Gouda R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] [de stadhouder] had gezegd dat deze stad [Gouda] zich geheel aan de meerderheid van de andere steden en gewesten behoorde te conformeren, maar dat hij deze stad niettemin een vermindering aanbood van de speciale en de reguliere bede gelijk aan die welke zij de vorige keer voor de twee genoemde beden had genoten; maar geen grotere, omdat ze de vierhonderd gulden voor de aanleg van de nieuwe sluis achter het fort, door de keizerlijke majesteit aan deze stad toegezegd, zal mogen korten op de speciale bede, naast het feit dat hij [de stadhouder] ook déze stad inzake haar punten [in verband met de bestaande privileges] zou ondersteunen voor zover daarvoor redenen zouden zijn [...]. Daarop is bij meerderheid van stemmen besloten dat men twee raden uit de vroedschap samen met de burgemeesteren naar de graaf van Hoogstraten [de stadhouder] in Den Haag zal zenden om hem te informeren over het aanzienlijke geldgebrek, de lasten en het verval van de stedelijke bedrijvigheid en de bijbehorende inkomsten, terwijl men eveneens zal instemmen met een reguliere bede van tachtigduizend pond van de eerdergenoemde waarde, op voorwaarde dat men een zelfde vermindering zal genieten als de stad bij de vorige reguliere bede genoten heeft, of een grotere.’
    Dit citaat komt uit de notulen van de vergadering van de Goudse vroedschap van 25 februari 1537. Tekstcat. is B. Ter vergadering brengt de burgemeester samen met de Goudse gedeputeerde verslag uit van een dagvaart van de Staten van Holland in Den Haag, waar ze aanwezig waren geweest. Net als sommige andere stedelijke vertegenwoordigers hadden de Goudenaren daar de in vorige vroedschapsvergaderingen vastgestelde terughoudende reactie gegeven op het verzoek om in te stemmen met een voorgestelde reguliere en bijzondere bede van vorst Karel V. Stadhouder Antoon I van Lalaing had zich daarmee echter niet tevreden getoond. Met de inhoud van zijn woorden opent het citaat.
Woorden, namen, kwesties: die stadthouder: Antoon I van Lalaing, graaf van Hoogstraten (1480-1540). Hij was vanaf 1522 stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, ingezet door Karel V; articulen: MNW articule betek. 1 (‘punt, zaak’); declinacie van deser stede neringe: veel ambachten en andere vormen van bedrijvigheid worden in de dorpen en op het platteland buiten Gouda uitgeoefend, waardoor die in de stad wegkwijnen; ten prise voorsz.: waarbij elk pond de waarde van veertig groten heeft.
    Q1, mits dat + Vf P1: redengevend. Stadhouder Antoon I van Lalaing had geconcludeerd dat de stad Gouda geen grotere vrijstelling op de bede zou krijgen dan de vorige keer bij de reguliere en bijzondere bede (Q1), omdat de stad naar een toezegging van de keizer al de 400 gulden voor een nieuwe sluis zou mogen korten op de bede en hijzelf zijn best zou doen in de zaak van de privileges (P1).
Gouda stemt vervolgens inderdaad toe in een door Holland op te brengen reguliere bede van tachtigduizend pond (Q2), op voorwaarde dat men van het stadsaandeel daarin een vermindering krijgt met een bedrag dat minimaal zo hoog is als bij de vorige bede (P2). Q2 betreft de wens van Karel V dat de Staten van Holland hem zijn bede toestaan. Natuurlijk is het goed denkbaar, dat de Staten al een conceptvoorstel op tafel hebben liggen om akkoord te gaan met het bedeverzoek, waarin zij dus de wens van de vorst overnemen, maar dit wordt in de vroedschapstekst niet aangeduid; daarom blijft de instemming met Q2 er één met Karels wens. De voorwaarde van Gouda voor een ‘ja’ tegen deze wens, is eenvoudig genotuleerd in termen van het resultaat: korting krijgen op het Goudse aandeel in de bede. Maar als iemand een voorwaarde stelt, is er altijd een gedachte verantwoordelijke voor de realisering daarvan; wie is dat hier? Karel V, degene aan wiens wens tegemoetgekomen wordt, en die beslissingen over wie welk deel betaalde met eventueel welke korting in laatste instantie altijd kon wijzigen? Of zijn het eerder de Staten, die in principe de quotering bepalen en de voorwaarde van Gouda zouden moeten realiseren? De verantwoordelijke is dus in dit geval niet eenduidig vast te stellen.
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is de Goudse vroedschap, die ook het niet uitgedrukte subject is van de direct hogere frase (aangeduid met men). De mits.pp-frase is dus conjunct subject-subject.
55 [...] eyschers ter eenre ende die gemeen lants waren van Diemerdijck ter andere, seggende dieselve eyschers dat in den jare 1508, 9 en 14 zeekere open ende deurgaende grontwalen bij storm ende tempeeste van winde gebroken zijn geweest in den voirseyden Diemerdijck ende omme dieselve walen te vervangen ende te stoppen, die voersaten van den voerseyden verwerers hem vervordert hadden die airde die zij omme dat te doene behoufden te halen uuyt die eyschers landen neffens den voerseyden dijck gelegen, sonder dat die voerders van den voerseyden verwerers noch oick die verwerers den voernoemen eyschers die aerde tot stoppinge van deselve walen gegaen, betaelt hadden ende dat meer es niet betalen en wilden wat duechdelick vermaen deselve te meer stonden daervan gedaen es geweest; concluderende daeromme die voerseyde eyschers dat die verwerers gecondempneert souden zijn dieselve eyschers die voernoemde aerde te betalen an haer gemoede of tot tacxatie ende moderacie van sceepenen van Diemen, volgende zeekere previlege ’t gemeen lant verleent in ’t jaer van 1485, dat onder andere verclaert dat d’ondersaeten, die gehouden zijn den voerseyden dijck te maicken, d’aerde die zij totten maicken van denselven dijck van voirtan behouven souden overal in Aemsterlant zouden mogen halen zoe wel binnen als buyten sdijcx daer hem die nutste ende gelegenste ware [Q], mets de selve aerde betalende tot seggen van sceepenen van voirseyd Diemen, maeckende eysch van costen [mets.pp P]. (Archief Hoogheemraadschap Rijnland toeg.nr. 1.1.1, inv.nr. 513: fol. 30 rechts)
[Hoogheemraadschap Rijnland +Diemerdijk, Holland; 1537-T02] T=T02 P=Hoogheemraadschap P=Diemerdijk R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[voor de dijkgraaf en de hoge heemraden van Rijnland was een zaak begonnen tussen] eisers aan de ene en ingelanden van het waterschap Diemerdijk aan de andere kant, waarbij de eisers meedeelden dat in de jaren 1508, 1509 en 1514 enkele diepe doorbraken in de genoemde Diemerdijk waren ontstaan door stormachtige winden, en dat om deze walen onder controle te krijgen en te dichten de voorgangers van voornoemde verweerders zich verstout hadden om de daarvoor nodige aarde weg te halen van het land van de eisers dat naast de genoemde dijk gelegen was, waarbij deze voorgangers van voornoemde verweerders en de verweerders zelf de aarde voor het dichten van deze gaten niet vergoed hadden en, wat meer is, niet bereid waren die te betalen, welke formele aanmaning aan hen ook maar gericht werd, en dat meerdere malen. Daaruit concludeerden voornoemde eisers dat de verweerders veroordeeld zouden moeten worden tot betaling van de genoemde aarde aan de eisers, voor een bedrag tot hun genoegen of dat vastgesteld en beschikt zou worden door schepenen van Diemen, overeenkomstig een privilege in het jaar 1485 aan het gemeneland verleend, dat onder andere bepaalt dat de bewoners die de plicht hebben de genoemde dijk te onderhouden, de aarde die zij voor het onderhoud van die dijk nodig hebben voortaan overal in Amstelland zouden mogen wegnemen, zowel binnendijks als buitendijks, waar het voor hen maar het beste was, op voorwaarde dat zij die aarde zouden betalen na een aanzegging door schepenen van Diemen met vordering van de kosten.’
    Dit citaat komt uit een vonnis d.d. 5 september 1537 van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, en valt dus in tekstcat. A1. Woorden: die gemeenlants waren van den Diemerdijck: het hoogheemraadschap (Zeeburg en) Diemerdijk was een bestuurseenheid ten zuidoosten van Amsterdam van 1438 tot 1970. De autoriteiten besloten na de Sint-Elizabethsvloed van 1421 de Zuiderzeedijk op te hogen en te versterken; de Diemerdijk werd aangelegd. Het waterschap werd opgericht om deze dijk en het aangrenzende land te beheren. Diemen als dorp zelf bestond in die tijd al een paar honderd jaar; het lag bij de veenweiden langs de rivier de Diem, die door de Diemerdijk zou worden afgedamd; voersaten: WNT voorzaat I, bet. 2 ‘voorganger in een recht, eigendom of pacht’; gemoede: MNW betek.1; tacxatie: MNW taxatie; ’t gemeen lant: WNT gemeen I, vierde aanv., gemeen(e)land, al het land dat tot een bep. waterschap behoort; vervaen MNW bet. 1; ondersaeten: MNW ondersate I betek. 1 (“Hij of zij die onder iemands gezag staat, iemand tot wiens bescherming men verplicht is; ook in het alg., als nog heden, onderdaan. (...)” ); duechdelick: MNW duechdelijc > dogedelijc betek. 3; Aemsterlant: het land behorend tot het hoogheemraadschap Amstelland (opgericht in 1525) dat in die tijd gescheiden was van het hoogheemraadschap (Zeeburg en) Diemerdijk; van voirtan: MNW vortaen betek. 2.c. De kritisch-normaliserende transcriptie is ontleend aan Van der Gouw (1980: oef. 14, met foto van handschrift).
    Ingelanden van het waterschap Diemerdijk, die inzake de Diemerdijk onderhoudsplichtig zijn, hebben volgens een privilege uit 1485 toestemming om aarde, nodig voor het dichten van gaten in de dijk, overal in Amstelland vandaan te halen (Q), maar daaraan is volgens datzelfde privilege de voorwaarde verbonden dat ze de door de Diemer schepenen vastgestelde prijs van die aarde vergoeden aan de betreffende landeigenaren (P). De rol van P is conditioneel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de onderhoudsplichtige ingelanden van het waterschap, die ook als subject optreden van de direct hogere frase.
56 [...] hebben geaccordeert, dat men den voors. regenten gunnen zall de voors. craen te stellen op den Lastaige, daertoe hen de stede zoude moegen gunnen den toorn van Montelbaen [...]. Welverstaende, dat de voors. regenten de costen van de voors. craen te maicken ende stellen zullen doen ende verschieten, ontfangende den proufiten daeraff comende tot behouff van den armen voors. [Q1] Behoudelicken, dat de burgermeesters in der tijt den voors. craen wederom zullen moegen an hen nemen, omme te gunnen deen collegie oft dander van den armen binnen deser stede, zoe alst hen gelieven ende goetduncen zall [Q2], mits restituerende den voors. regenten den penningen, die zij ter cause van de voors. craen te maicken ende te stellen verscooten zullen hebben, daeraff dezelve regenten schuldich zullen zijn den burghermeesteren in den voors. gevalle goede rekeninge te doen [mits.pp P2] [behoudelicken dat + Vf P1]. (ResolVroeAmstI 48)
[Amsterdam, Holland; 1537-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[de 36 vroedschapsleden] hebben erin bewilligd, dat men [burgemeesteren] de genoemde regenten zal toestaan de genoemde kraan op de Lastage te plaatsen, waartoe de stad hun de Montelbaanstoren zou kunnen toewijzen [...]. Met dien verstande dat de genoemde regenten [van het Sint-Pietersgasthuis] de kosten voor het bouwen en plaatsen van deze kraan op zich zullen nemen en betalen, waarvan zij de baten zullen incasseren ten behoeve van genoemde armen. De vroedschapsleden maken het voorbehoud, dat toekomstige burgemeesteren voornoemde kraan op hun beurt in beheer zullen mogen nemen om die naar hun goeddunken aan enigerlei organisatie voor armenzorg in deze stad toe te wijzen, waarbij ze de voornoemde regenten de gelden dienen te vergoeden die deze zullen hebben uitgegeven om de kraan te construeren en op te stellen, gelden waarvan deze regenten in het genoemde geval verplicht zullen zijn een correcte berekening voor te leggen aan de burgemeesters.’
    Het fragment maakt deel uit van een resolutie van de Amsterdamse vroedschap d.d. 1 december 1537 (tekstcat. B). In het direct voorafgaande staat dat burgemeesteren met de 36 raden van de vroedschap overleg gepleegd hebben over een verzoek van de regenten van het Sint-Petersgasthuis om op de Lastage een kraan in bedrijf te mogen stellen om scheepsmasten op hun plaats te zetten; de baten van de exploitatie zouden, zo luidde de motivering van het verzoek, ten goede komen aan de ‘huisarmen’ die de zorg van het gasthuis genoten. Woorden: craen: MNW crane (‘kraan, een werktuig dat dient om lasten op te lichten en gebruikt wordt bij het lossen en laden van schepen’) - hier: een kraan om scheepsmasten op hun plaats te zetten; in der tijt: ook wel: in der tijd wesende, de dan fungerende, toekomstige (WNT tijd betek. 3, derde streepje).
    De vroedschap bewilligt erin dat burgemeesteren de regenten van het Sint-Petersgasthuis toestemming geven tot het in bedrijf nemen van zo’n speciale kraan op de Montelbaanstoren, waarvan de baten zullen vloeien naar hun armenzorg, en preciseert dat de gasthuisbestuurders de kosten zullen betalen voor bouw en plaatsing van de kraan (Q1). Daarna volgt in een lange frase (ingeleid door behoudelicken, dat) een voorbehoud P1 bij de gunning, inhoudend dat toekomstige burgemeesteren deze kraan zullen mogen overdragen aan een andere organisatie voor hulp aan armen naar hun keuze (Q2), waarbij de burgemeesters dan het (correct berekende) bedrag van de investering dienen te vergoeden aan de regenten (P2). P2 heeft een comitatieve rol ten opzichte van Q2.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de dan in het ambt zijnde burgemeesteren, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
57 Omme dat vele ende diversche persoinen gaende directelic jeghens tghebodt Godts ende de welvaert van huerlieder evenkersten daeghelicx hemlieden vervoorderen den goeden lieden fynanchen te doene ende onder tdexele van coomescepe te userene van wouckere ende andere ongheoorloofde winninghe twelcke causeert een groot quats lezie ende schaede onder tghemeente niet ghedooghelic so eyst omme daer inne te voorsiene bailliu proossten ende scepenen van der stede van Curtricke ghestatueert verboden ende gheinterdiceert hebben alle manieren van lyeden van wat state ofte condicie die zyn eenighe penninghen by voorme van fynanchen te leenen eenich goet hoe daenich dat zy te vercoopene ten hooghen prouse [prize] by paymente ofte atterminacie van tyde an eenighe personen niet wesende van der zelver neringhe ofte userende van der coopmanschepe van zulcke goeden tzy wullen zyden laeckene schoonlakenen ofte andersseins niet uutghesteken ende generaelic alle contracten usuraire te maeckene met huerlierder evenkersten meinsche up peyne van zulcke fynanchen vercoopinghen ende contracten usurair verclaerst te zyne by justicien nul negheen ende van onwerden ende zulcke debiteurs ende huerlieder borghen te ghestaene [Q] mits restituerende de penninghen hemlieden gheleent ofte betaelen de juuste werde ende estimacie van den goede hemlieden zo vercocht naer tbevindt dat ghemeenlic galt ter date vander leveringhe zonder eenich croisen daervan te gheldene [mits.pp Pa ofte Inf Pb] niet jeghenstaende dat de lettren ende obligatien van dien ghemaect ende ghepasseert voor wette alse andersseins ter contrarie verclaerssen ende boven desen sulcke fynanchiers vercooperen ende usuriers ter causen van dien arbitraerlic ghecorrigiert ende ghepugniert te wesene ter discretie (Compilatiecorpus Kortrijk 1537 nr. 1)
[Kortrijk, Vlaanderen; 1538-T02] T=T02 P=Kortrijk R=Vlaanderen TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Omdat elke dag allerlei personen - rechtstreeks tegen Gods gebod en het welzijn van hun medemens in - de brutaliteit hebben om aan goede burgers geldleningen met hoge rente te verhandelen en om onder de dekmantel van handel te profiteren van woekerrente en ander ongeoorloofd gewin, hetgeen onacceptabel hoge schade en veel nadelen berokkent aan de burgers van de stad, daarom hebben baljuw, proosten en schepenen van de stad Kortrijk een regeling getroffen en een verbod uitgevaardigd op elke handelwijze waarbij mensen - welke status zij ook bekleden of in welke situatie zij ook zijn - penningen uitlenen in de vorm van voorschieten met woekerrente, enig goed - hoe of wat het ook is - verkopen voor een hoge, lucratieve prijs met uitstel van betaling tot enig tijdstip in de toekomst aan personen buiten de beroepsgroep of die zich gewoonlijk niet bezighouden met de handel in de betreffende goederen - of het nu wol, zijde, lakense stof, tafellinnen betreft of andere goederen, niets uitgezonderd - en [op elke handelwijze waarbij mensen] in algemene zin woekercontracten sluiten met hun medemensen. Bij overtreding van dit verbod worden de betreffende geldleningen, verkooptransacties en woekercontracten rechtens nietig verklaard, en kunnen de schuldenaars en hun borgen ermee volstaan de penningen die hun geleend zijn terug te geven of van de goederen die hun verkocht zijn de juiste waarde of schatting te betalen zoals die op het moment van levering naar algemene maatstaven gold zonder dat enige rente daarbij verschuldigd is, ook al stipuleren de contracten en obligatiepapieren die met betrekking tot de betreffende transactie opgesteld en wettig bekrachtigd zijn alles juist op tegenovergestelde wijze; en worden bovendien de financiers, handelaren en woekeraars om hun daden ter discretie van de rechter gestraft’
    Dit citaat behelst een verordening (tekstcat. A2) die op 15 maart 1538 gepubliceerd (opgehangen) is voor het stadhuis van Kortrijk. Anders dan Compilatiecorpus dateer ik volgens de nieuwe jaarstijl: 1538; 1537 is het jaartal volgens de paasstijl, zie CoutumeCourtrai 380v. Het citaat beschrijft wat baljuw, proosten en schepenen van Kortrijk decreteren ter indamming van de welig tierende verkoop van leningen met woekerrenten. Woorden: croisen: MNW croos III (betek. ‘aanwas, vermeerdering, bepaaldelijk interest, rente’); alse: samengetrokken vorm van ‘alles’; ‘ te corrigerende’ etc. nevengeschikt aan ‘verclaerst te zyne’ en ’te gestane’, alles beheerst door ‘op straffe van’. Anders dan Compilatiecorpus dateer ik volgens de nieuwe stijl: 1538. Het jaartal volgens de paasstijl is 1537 (zie CoutumeCourtrai 380v).
    Degenen die een schuld hebben bij malafide geldverstrekkers, handelaars in woekerrenten of dito verkopers van goederen e.d. voldoen aan hun verplichtingen (Q) door het geleende geld terug te geven (Pa) dan wel van de aan hen verkochte goederen de courante waarde te betalen, niet verhoogd met enige rente (Pb). De mits-frase duidt hier een tweeledig middel aan. Opgemerkt zij, dat mits eerst gecomplementeerd wordt door een frase met als kern restituerende (Pa) en vervolgens door een frase met als kern de infinitief betaelen (Pb), zonder dat er betekenisverschil tussen pp en infinitief in combinatie met mits lijkt te zijn.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
58 Upten XIden augusti anno XXXVIII zijn vergadert geweest de XXXVI raiden deser stede, hebbende zwaricheyt van te thoenen den registren van der tresorie ende vant excijshuys deser stede, die mr. Vincent ende dandere commissarissen hier ter stede wesende an den burghermeesteren versocht hebben te visiteren etc. Ende es eyntelicken, nae lange communicatie, bij tmeerdendeel van opinien geslooten, dat men den voors. registren den commissarissen voors. gehengen zal te visiteren [Q], mits henluden alvoeren presenterende ende van hen begerende zij enighen van den raiden deser stede zouden willen committeren omme de voors. registren te visiteren ende henluden daeraff rapport te doen, zoeverre men tzelve an den commissarien zoude moegen verwerfven [mits.pp P]. (ResolVroeAmstI 48)
[Amsterdam, Holland; 1538-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Op 11 augustus in het jaar [15]38 zijn de 36 raadsleden van deze stad bijeengekomen. Zij hadden er bezwaar tegen dat het register van de schatkist en het belastingkantoor van deze stad gecontroleerd zou worden door registermeester Vincent en de andere in de stad aanwezige gecommitteerden [van de Raad van Financiën], die aan burgemeesteren daarom verzocht hadden. Na langdurig beraad is ten slotte op basis van de opinie van de meerderheid besloten dat men [burgemeesters] genoemde gecommitteerden een controle van genoemd register zal toestaan, onder de voorwaarde dat men [de burgemeesters] hun [de gecommitteerden] voorafgaand vraagt in te stemmen met het voorstel dat zij [de gecommitteerden] enkele raadsleden van deze stad zouden willen aanwijzen om genoemd register te controleren en hun [de gecommitteerden] daarvan verslag te doen, voor zover zij dat aan de gecommitteerden zouden mogen verschaffen.’
    Dit citaat behelst het verslag van de vroedschapsvergadering van Amsterdam, gehouden op 11 augustus 1538. Tekstcat. is B. In 1531 was door Karel V de Raad van Financiën opgericht. Deze Raad, waarin o.a. de thesaurier-generaal, enkele hoge edelen en een handvol gecommitteerden zitting hadden, beheerde de grafelijke domeinen, regelde de inning van de toegezegde bedegelden en controleerde het financiële beleid van o.a. de steden; de in het citaat genoemde mr. Vincent (Vincent Cornelisz. van Mierop, zie ResolVroeAmstI 140 nt. 81) was vanaf de oprichting gecommitteerde in de Raad, was opgeklommen tot rekenmeester in de Haagse Rekenkamer en registermeester van Holland. Woorden: zwaricheyt: MNW swaricheit betek. 4 (‘moeilijkheid, last, bezwaar’ _ (enige) streepje: swaricheit maken, zwarigheid of bezwaar maken, moeilijkheden of bezwaren opwerpen’); registren: MNW register (‘register, een boek waarin ambtshalve verschillende zaken, akten, overeenkomsten, namen enz. worden overgebracht of opgeteekend’); visteren: WNT visiteeren betek. II. (‘onderzoeken, inspecteeren’), in het bijz. betek. II. 6 (‘controleeren (van rekeningen, boeken, een kas enz.’) in combinatie met betek. II.7 (‘als geestelijke of ambtelijke overheid inspecteeren; visitatie doen in of bij’); gehengen: MNW gehengen betek. 1 (‘gedoogen, toestaan.’), in het bijz. betek. 1.b (‘met een persoon in den 3den nv. (...) hem toelaten, toestaan, veroorloven’); begerende: MNW begeren betek. 4 (‘(...) iets opeischen (....)’); verwerfven: MNW verwerven I betek. I.3 (‘bezorgen, verschaffen’), en eveneens WNT verwerven I: betek. I.5 (‘bezorgen, verschaffen, verleenen’). Editiewijze: de bron waarin de editeuren het verslag van 11 augustus 1538 hebben gevonden is een pakket van zeventig foliovellen met het opschrift: Conclusien van de XXXVI raiden, genomen en geregistreert zedert den XVIden in januario anno XVc zes ende dertich (door editeuren verder verkort aangeduid met ‘Vroedschapsresoluties’ dl. I).Dit citaat staat op Fol. 3. Het betreft een net-afschrift van de oorspronkelijke minuut voor de stedelijke administratie; de editeuren hebben dit getranscribeerd, waarbij zij twee bijzonderheden van het handschrift hebben verantwoord (vóór het woord thoenen is ‘kennen’ doorgehaald, en vóór de titel mr. (mr. Vincent) is het woord ‘mijnen’ doorgehaald).
    De vroedschap, in vergadering bijeen, is ermee akkoord gegaan dat burgemeesters bewilligen in het verzoek van registermeester Vincent en andere gecommitteerden van de landelijke Raad van Financiën om een controle te mogen uitvoeren van het register van schatkist en accijnshuis van de stad Amsterdam (Q), onder de voorwaarde dat burgemeesters de gecommitteerden verzoeken in te stemmen met het voorstel dat zij enkele raadsleden uit de Amsterdamse vroedschap machtigen tot de controle, waarna die personen voor zover mogelijk verslag zullen uitbrengen aan de gecommitteerden (P). De controle werd derhalve toegestaan op een conditie die vrijwel betekende: controle niet laten plaatsvinden, maar iemand van de eigen raad een rapport laten opstellen!
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject zijn de burgemeesters, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
59 [...] bij desen onsen brieven gunnen, geven, verleenen, ottroijeren ende willecoren onsen voors ondersaten ende Inwoenders van onse Lande van Westerwoldingelandt [...] datmen hem setten ende gheven zal Richters binnen den voors Lande geervet ende geguedet sijnde, navolgende hoere olde privilegien ofte usantien, ende dat sie voortan bij onsen Drossaten ende amptluijden off anderen de wij binnen onsen voors Lande setten ende stellen zullen, nijet vorder belast noch bezwaert sullen worden met huijsdienst, dan dat elck huijsman alle Jaren eenen dach schuldich sal sijn onsen drossart off Amptman toe Wedde te dienen met wagen ende peerden binnen Landes, soe veere sie wagen ende peerden hebben, ende die geene wagen ende peerden hebben, sullen gestaen [Q], mits dienende eenen dach mitten Lijve, ende nijet meer, ende dit tot sulcken tijden van Jaer als bequamelix te wesen zal [mits.pp P] Ingelijcx dat sie voort an vrij ende onbelast sullen sijn van te moeten hoere koeren ende graen brengen op eenige moelen ofte latsela van onsen stande, meer sullen hoeren koren moeghen binnen hoeren huijse met quernen ende anders gelijck hem dat goetduncken zal, sunder enige moetsele ofte latsela van onsen drossaten ende Amptluijden (Groninger Archieven toeg.nr. 547, inv.nr. 0124: fol. 21 recto, regest 86)
[Westwoldingerland (+Brussel), Noordoost-Nederland; 1538-T02] T=T02 P=Westwoldingerland P=Brussel R=Noordoost-Nederland TC=B TG=Verkl TS=g SM=Instr CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘[...] door deze door ons uitgevaardigde akte vergunnen en bewilligen [wij] onze eerdergenoemde onderdanen, de inwoners van onze landstreek Westerwoldingeland [...], dat wij daar rechters zullen benoemen die volgens hun oude privileges of rechtsgebruiken in genoemde landstreek erf en goederen hebben, en dat zij vanaf heden door onze drosten en ambtenaren of anderen die wij binnen onze voornoemde landstreek zullen aanstellen, niet zwaarder belast zullen worden met huisdienst dan dat iedere vrije boer verplicht zal zijn elk jaar één dag voor onze drost of ambtenaar in Huize te Wedde met paard en wagen diensten te verrichten binnen de landstreek, voor zover zij paard en wagen bezitten. En degenen die geen paard en wagen hebben, zullen aan hun verplichtingen voldoen door één dag diensten te verrichten met lichamelijke arbeid, en niet méér, en in een passende tijd van het jaar. Tevens [vergunnen wij hun] dat zij voortaan vrij zullen zijn van de verplichting om hun koren naar een bepaalde molen te brengen of ook van enige andere belemmerende regel die door ons is ingesteld. Zij mogen daarentegen hun graan binnenshuis [verwerken] door het met de hand te malen, of op andere wijze zoals die hun goed zal dunken, zonder dat zij enige belemmering of last ondervinden van onze drosten en ambtenaren’
    Dit citaat stamt uit een octrooi bestemd voor de inwoners van Westwoldingerland (tekstcat. B). Dit blijkt uit een aantekening aan het eind van het document: Copia Die Privilegien van Keyser Carell die Vijffde gegheven aan die Ingesetenen van Westerwoldingerlandt. Volgens informatie, door het archief in potlood op het document genoteerd, is deze aantekening van de hand van ene John Lewe (eind 16e eeuw; zie hierover Alma 2020). Het octrooi is gedagtekend 12 augustus 1538 te Brussel, uitgevaardigd door Karel V, en het dateert uit de beginjaren van zijn landsheerlijk gezag over Westerwolde. Westerwoldingerland (vroeger: ‘de heerlijkheid Wedde en Westerwoldingerland, Bellingwolde en Blijham’) is de naam voor de huidige streek Westerwolde in het zuidoosten van Groningen, grenzend aan Duitsland. De inwoners hadden zich uit onvrede met het bewind van Karel van Gelre in 1536 tot Karel V gewend, toegezegd belasting (hoendergeld, jaartienden) aan zijn ambtenaren te betalen, en hem een rekest aangeboden met het verzoek om erkenning van hun aloude landrecht en tevens om vrijstelling van het verplicht gebruik van de banmolen (het zgn. molenrecht) en verlichting van de verplichte werkzaamheden voor de landsheer of zijn ambtenaren (de zgn. huisdiensten)). In het direct voorafgaande stelt Karel V dat hij, na overleg met regentes Maria van Hongarije en de leden van zijn Raden, het landrecht van Westerwolde erkent en dat Karels stadhouder in Groningen onder wie zij voortaan ressorteren dat eveneens doet. In dit citaat gaat hij in op de verzoeken inzake huisdienst en molenrecht. Woorden, namen: brieven: MNW brief betek. 4; willecoren: MNW betek. I.3 (‘met den datief van den persoon. Iemand iets bewilligen, toestaan’); geervet ende geguedet: WNT gegoed betek. 1 (‘(...) zegswijze ergens gegoed zijn, er vaste goederen bezitten (...)_ (...) verbonden met het bnw. geërfd, een erf bezittende (...)’); usantien: WNT usantie > usance betek. 2.a; drossaten ende amptluijden: duiden in sommige gevallen op dezelfde, door de landsheer aangestelde functionarissen _ WNT drost (soms drossaat, drossaard): betek. ‘titel van een (...) rechterlijk en bestuursambtenaar ten platten lande’, en MNW ambtman > amtman: betek. ‘ambtenaar in ’t alg., maar bepaaldelijk gebezigd in Noord-Nederland (...) als benaming van den landsheerlijken ambtenaar, die elders scouthete of scout (...) genoemd wordt’; toe Wedde: Huis te Wedde (of Wedderborg) is de borg in het dorp Wedde waar eeuwenlang de Heren van Westerwolde zetelden en sinds 1538 de drosten, rechters etc. aangesteld door Karel V; huijsman: VMNWen MNW huusman betek. 1, WNT huisman betek. A; bezwaert: WNT bezwaren betek. 5 (‘iemand (zich zelf) lasten, verplichtingen opleggen’); dienen: VMNW betek. I.5, MNW betek. I.1.b; latsela: MNW letsel(e ) (‘belemmering, hindernis, letsel’); stande: WNT stand betek II.B.2, 14de en 15de streepje (‘van instellingen: het aanzijn schenken, ”oprichten” ’, resp. ‘van wetten en regelingen, bepalingen en besluiten, en derg.: het aanzijn schenken, in het leven roepen’); quernen: MNW quernen: betek. ‘(...) met een handmolen malen’); moetsele: MNW moeysel betek. 1 (‘moeite, verdrietelijkheid, last, gedacht als bejegening en als toestand’). De tekst is een afschrift van een contemporain afschrift uit de tweede helft van de 16e eeuw. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Boeren die geen paard en wagen bezitten om daarmee een dag lang huisdienst uit te voeren, kwijten zich van die verplichting (Q) door hun diensten te verrichten als fysieke arbeid (P). De mits.pp-frase is instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de boeren die geen paard en wagen bezitten; dezen zijn ook subject van de direct hogere frase.
60 Item, dat alle wollenaysters, die winckell houden oft winckel opstellen zullen willen, schuldich sullen wesen haren proeff voor den voors. drie proefvrouwen te doen tot twee stucx, als een tabbert ende een keur, aleer zy toegelaten sullen werdden winckel op te houden [Q], mits betalende voir elck stuck zes st tot behoeff van denselven proefvrouwen, die tselve sallarys tot onderhoudenisse van den dienste Goods oft van hoeren arme ghildesusters oft ghildebroeders employeren sullen moegen, indien ’t huer belieft [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 123)
[Amsterdam, Holland; 1539-T02] T=T02 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Tevens, dat alle wollenaaisters die nering willen drijven in een winkel of kraam, verplicht zijn voorafgaande aan hun toelating als winkelierster hun proeve van bekwaamheid af te leggen voor de genoemde drie beoordelaarsters in de vorm van twee stuks werk, namelijk een overkleed en een keurslijf, waarbij ze voor elk stuk zes stuivers dienen te betalen bestemd voor die beoordelaarsters, die dit loon, als ze dat wensen, kunnen gebruiken ten behoeve van de eredienst of hun arme gildezusters of gildebroeders.’
    Dit citaat omvat artikel 3 van een ordonnantie, uitgevaardigd door het stadsbestuur van Amsterdam op 18 januari 1539, tekstcat. A2. Het gaat hier om de proef die de wollenaaisters moeten doen om winkel te mogen houden.
    Wollenaaisters die nering willen drijven in een winkel of stalletje, zijn verplicht om voorafgaande aan toelating hun proeve van bekwaamheid af te leggen met twee werkstukken (Q), waarbij ze voor elk proefkledingstuk zes stuivers aan de beoordelaarsters dienen te betalen, die dit geld, als ze dat willen, kunnen geven aan kerkelijke doelen of aan armlastige broeders of zusters van het gilde (P). P heeft hier een comitatieve rol.
 De aansluiting is conjunct subject-subject: de wollenaaister zijn begrepen subject van de mits.pp-frase, en zij zijn eveneens subject van de direct hogere frase die hun verplichting tot het afleggen van een examen noemt.
61 Item aangaende tstaelloet ende van den grooten zegelen van den draperie, dat men tzelve tegens meye eerstcomende nyet verhuyren, maer donfanck van dien committeren zall den gezwoeren wardeijns [Q], mits henluyden voer hoeren moyten doende een redelicke gratuiteyt [mits.pp P] (ResolVroeAmstI 50)
[Amsterdam, Holland; 1540-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voorts is inzake het staallood en het grootzegel van de lakennering besloten dat men deze leges per mei aanstaande niet zal verpachten, maar de inning zal opdragen aan de gezworen keurmeesters, waarbij men hun voor hun inspanningen zoals dat hoort een fatsoenlijke som betaalt’
    Vergadering 24 april 1540 van de 36 raden en burgemeesteren van Amsterdam. Tekstcat. is B.
De raden geven hun akkoord aan een andere inning van de stedelijke belastingen voor de lakennijverheid.
Woorden: zegel, MNW het grootzegel was meestal het stadszegel; waardijn WNT: bet. 2.b ‘stedelijk keurmeester’; committeren WNT: ‘Met eene opdracht of volmacht voorzien, afvaardigen of zenden.’ Of: aanwijzen, in een ambt benoemen, aanstellen.’
    De raad besluit dat burgemeesteren de inning van de lood- en zegelleges in de lakennijverheid niet meer zullen verpachten aan particulieren maar opdragen aan de stedelijke keurmeesters (Q). De raad stelt dat burgemeesteren deze opdracht aan genoemde functionarissen uiteraard gepaard moeten laten gaan met de toekenning van een redelijke gratificatie (P). P heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de burgemeesteren als uitvoerders van het besluit (men), en zij zijn ook subject van de direct hogere frase.
62 [...] waerop wy den voirsz geschickte, voer ein antworde deden geven, dat onsen wille en meinongh es, onse Landtschap van Overyssell in heure Rechten ende privilegien te houden [...], en dat wij uth dier oirssaeke den voirsz Bourmania, mitten selven Castelleinschap ende Drostampt nyet en hadden willen simpelick versiehn, dan alleenlyck bij maniere van provisie ende tot der tyd to anders daerinne geordiniert soude wesen, Begerende niettemin an onse vursz drie steden, dat dieselve in anmerckinghe van die goede getrouwe diensten by den voirn Bourmania gedaen ende bewesen int bewachten van den voirn huyse van Coverden, en dat wij hem totten voirn ampte nut en bequaem hielden, onsz overschrijven wylden, oft zy hem oick nut en bequaem hilden, om mitten selven Castelleinschap en Drostampt gecontinuirt, ende versiehn tblyvene [Q], Mitz by hem stellende guede versekertheit en cautie navolgende heure voirsz privilegien [mitz.pp P], Ende alsoe die voersz drie steden, als Deventer Campen ende Swoll, by heure Brieven van den derden van Meye lestleden ons sulx dienstelykenn beliefft eñ geconsentiert hebben [...], doen the wetene, dat wij [...] verclaeren by desen, dat onse verstandt, meynongh, noch wille niet en es gewest [...], Dat desz voirn. Reynoltz van Bourmania [...] continuatie, tot infractie van van heure privilegien geusurpiert, noch tot enige quade consequentie getogen sall worden [...] (Gratama 1841: 119v)
[Deventer +Kampen +Zwolle (+Gent), Noordoost-Nederland; 1540-T03] T=T03 P=Deventer P=Kampen P=Zwolle P=Gent R=Noordoost-Nederland TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[De vorst schrijft aan Deventer, Kampen en Zwolle: wij brengen in herinnering dat de Overijsselse steden ons bij gelegenheid van het laatste oogstfeest hebben verzocht te willen zorgen voor een geboren Overijsselaar voor het ambt van bevelhebber en drost, en de niet-Overijsselaar Bourmania uit zijn functies te willen ontheffen], waarop wij de genoemde afgevaardigden als antwoord hebben laten geven dat het ons vaste voornemen is om de rechten en privileges van ons gewest Overijssel in stand te houden [...], en dat wij daarom genoemde Bourmania niet zonder meer hebben willen bekleden met de ambten van bevelhebber en drost, maar alleen bij wijze van voorlopige voorziening en tot het moment dat daarvoor een andere verordening getroffen zou zijn. Wij deden niettemin onze genoemde drie steden het verzoek om de goede en trouwe diensten die voornoemde Bourmania bewezen heeft inzake de bescherming van voornoemd huis Coevorden in aanmerking te nemen, samen met het feit dat wij hem voor genoemd ambt als goed en capabel beschouwden, en ons te willen schrijven of zij hem op overeenkomstige wijze goed en capabel achtten om verlenging te krijgen van zijn benoeming als bevelhebber en drost, onder de voorwaarde dat hij zich persoonlijk garant zou stellen voor het behoud van hun genoemde voorrechten. En nu de genoemde drie steden Deventer, Kampen en Zwolle ons in hun brieven van 3 mei j.l. dienstwillig positief geantwoord hebben [...], verzekeren wij bij deze dat het onze opvatting en bedoeling niet is geweest [...] dat de continuering van voornoemde Reynoltz van Bourmania aangegrepen zal worden om hun privileges aan te tasten of ten nadele daarvan aangevoerd zal worden als precedent’
    Dit is een fragment van een antwoordbrief, door de secretaris van Karel V (Verreycken, secretaris en audiencier) geschreven en door Karel zelf getekend op 24 juni 1540 in Gent. De brief valt in tekstcat. B. De vorst resumeert eerdere correspondentie met Deventer, Kampen en Zwolle over de aanstelling van de Fries Bourmania als nieuwe bevelhebber en drost van Coevorden en Drente, waartegen de steden aanvankelijk bezwaren hadden geuit met beroep op hun oude privileges inzake de benoeming van ambtenaren, en stelt hen nogmaals gerust inzake deze privileges. Woorden: reverssz brieff: MNW reversbrief: ‘Een schriftelijk antwoord, renversaal, schriftelijke tegenbelofte of tegenverzekering’ en WNT reversbrief, (“Verbastering en gedeelt. leenvertaling van mlat. Reversales litterae, of fr. Lettres réversales.(...)”) betek. 1 (‘Geschrift, waarin men iets toezegt, belooft, verzekert of bevestigt; (meer bepaaldelijk) akte, waarin men een gesloten overeenkomst of het bestaan van een andere akte en de daaruit voortspruitende rechten en verplichtingen tegenover zijn wederpartij erkent.’). De tekst is een transcriptie door Gratama van een door Johan van Coevorden goedgekeurd woordelijk afschrift van het originele document. Aan het eind van de door Gratama overgenomen brief staat nl. na de ondertekening By den Keyser met daaronder Verreycken: Gecollationirt und auscultirt Is tegenwoirdige copie, tegens und mith oiren ongeradierden und ungecancellierden besegelden francynen brieff, Concordierende mith densulvigen van woirde tot worden by my Bernardo Lunynck apenbaer Notario und der stadt Deventer Secret. Tegen syn onderteyckende copia gecollationirt is daermede bevonden accorderende by my Johan Muss van Covorden. Onbekend is van welke datum dit afschrift is.
    In zijn brief aan Deventer, Kampen en Zwolle memoreert Karel V o.a. dat hij deze steden gevraagd had te beoordelen of zij de voorlopig aangestelde drost Burmania geschikt vonden om een verlenging van zijn aanstelling als drost te krijgen (Q) onder de voorwaarde (die mogelijk in de brief van de Overijsselse steden al zo gestipuleerd is) dat Bourmania persoonlijk garant zou staan voor het behoud van de bestaande voorrechten van het gewest (P).
 De mitz.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw: als subject wordt begrepen Bourmania, die optreedt als lijdend voorwerp van de direct hogere frase oft zy hem oick nut en bequaem hilden, om (...). Dit subject wordt in de mitz.pp-frase extra uitgedrukt door een Agentieve by-bepaling by hem, vermoedelijk ter indicatie dat Bourmania persóónlijk garant zou moeten staan voor de instandhouding van de voorrechten; dit zou nl. helemaal nog niet vallen onder zijn ambtseed als bevelhebber en drost van Coevorden.
63 Op huyden hebben mijne heeren de burgemeesteren den XXXVI raeden deser stede voorgehouden de zwaricheyt van den versoucke, gedaen bij Jacob van Grammaye, gecommitteert ten ontfanghe van den imposte geordonneert op den vreemden greynen, ende hoe men hem best zoude antwoerden; ende oft antwoort, bij mijnen heeren in gescrifte geconcipieert, den XXXVI voergehouden ende voergelesen, den voors. gecommitteerde bij monde ofte bij gescrifte zoude gegeven wordden, dan oft men eerst tvoors. antwoort mitten grooten steden zal communiceeren.
Ende eyntelicken heeft den XXXVI raiden geraeden geducht, dat men tvoors. antwoort den voorg. gecommitteerde zal leveren bij gescrifte [Q], mits tzelve alvoeren communicerende mitten watersteeden [mits.pp P]; ende dat men daerna denzelven watersteeden voerhouden zal omme de lasten, die der stede bij tweygeren van den executie van den voors. imposte zoude moegen opcommen, te helpen dragen. (ResolVroeAmstI 53)
[Amsterdam, Holland; 1541-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Heden hebben mijne heren burgemeesteren de 36 vroedschapsleden van deze stad de moeilijkheid geschetst die verbonden is aan het verzoek zoals gedaan door Jacob van Grammaye, gemachtigde voor de inning van belasting die vastgesteld is voor van elders afkomstig graan, en hun de vraag voorgelegd wat de verstandigste reactie zou zijn; en of de reactie, door mijne heren schriftelijk geconcipieerd en aan de 36 vroedschapsleden getoond en voorgelezen, de genoemde gemachtigde mondeling of schriftelijk doorgegeven zou moeten worden, en ook nog of men het genoemde antwoord vooraf zal meedelen aan de grote steden.
Uiteindelijk hebben de 36 raadsleden het nuttig geoordeeld dat men [burgemeesteren] de genoemde reactie schriftelijk aan de genoemde gemachtigde zal doen toekomen, met dien verstande dat men deze reactie eerst aan de watersteden dient mee te delen; en dat men daarna de genoemde watersteden zal voorstellen om een bijdrage te leveren aan de kosten die de stad zou moeten dragen ingeval van een weigering om de genoemde belasting op te leggen.’
    Dit is een citaat uit het vergaderverslag van de Amsterdamse vroedschap van 13 augustus 1541. Tekstcat. is B. In het direct voorafgaande wordt de voorgeschiedenis van het verzoek van belastinginner Van Grammaye geschetst (ResolVroeAmstI 52v). Een paar maanden eerder was door door de baljuw van Goes, tevens controleur van uit Zeeland uitgevoerd graan, aan burgemeesteren een brief overhandigd van de hand van de Spaanse koningin met een bijgevoegd document van Karel V. Dat omvatte het bevel om een aparte heffing op te leggen voor graan dat van elders ingevoerd, verkocht en weer uitgevoerd was, de zgn. congie op vreemden greynen. De Zeeuwse controleur van graanuitvoer was verantwoordelijk voor de inning, die concreet was opgedragen aan Van Grammaye. De brief en het document kwamen op de junivergadering van de vroedschap ter tafel. Zij was toen van oordeel dat de heffing de handel van Amsterdam en van het hele gewest zou schaden. Nu, twee maanden later, hebben burgemeesteren een schriftelijke reactie geformuleerd. Woorden: congie MNW: ‘congégeld, congiegeld, ben. voor een in- of uitvoerheffing op graan en mog. Ook andere producten in de 16de e.’; (mitten) grooten steden: de zes grootste steden waren Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda; waterstad WNT betek 1: ‘stad, gelegen aan het water, inz. de zee; in specifieken zin als ben. voor de noordholl. steden, in het Noorderkwartier, aan den rand van het Ijsselmeer gelegen.’_ bedoeld zullen zijn Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Monnikendam, Edam; opcomen: MNW betek 3. Overgankelijk communiceeren is niet meer dan: kennis geven (WNT)
    De vroedschap oordeelt dat de door burgemeesteren voorbereide schriftelijke reactie aan Van Grammaye gezonden kan worden (Q), waarbij burgemeesteren de Hollandse watersteden van tevoren van dat antwoord op de hoogte dienen te stellen (P). De comitatieve toevoeging hangt samen met het feit dat de zgn. watersteden ook gevraagd zullen worden te participeren in de financiële consequenties van het bewuste (afwijzende) antwoord.
 De aansluiting is conjunct subject-subject, want het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase zijn de burgemeesteren (aangeduid met men).
64 Ende ist, dat de voorscreven proufknecht meester gepromoveert ende verclaert werdt wel expert ende bequaem, sal men hem nae zijne const ende weetenheyt in den voorscreven ghilde als meester ontfangen ende innescrijven [Q], mets betaelende ende voldoende trecht vanden inganck naer uuytwijsen der voorscreven kueren [mets.pp P], ende sal de geproufde optie groote prouf alsdan gehouden weesen, den voorscreven proufmeesteren te geven een eerlijcke maeltijt off vijff scellingen groten Vlaems daer vooren. (RechtsbrHaarl 269v)
[Haarlem, Holland; 1542-T03] T=T03 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=TempMom CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En als genoemde examenkandidaat tot meester bevorderd en deskundig verklaard wordt, zal men hem op grond van zijn kunde en kennis als meester in het genoemde gilde ontvangen en inschrijven, zodra hij het intreegeld voldoet zoals bepaald in de genoemde keur, en dan zal de geëxamineerde die de grote proef heeft afgelegd verplicht zijn de genoemde proefmeesters een luisterrijk maal aan te biedene kar, of vijf schellingen in Vlaamse groten in plaats daarvan.’
    Dit citaat is deel van artikel 22 van de door de schout en het gerecht van Haarlem uitgevaardigde keur (tekstcat. A2) voor het gilde van metselaars, tegeldekkers en kalkbranders. De uitvaardiging vond plaats in januari 1542. Het bewuste artikel beschrijft de vaardigheden en kennis die metselaars, ook als zij in de praktijk al lang dit werk doen, op het examen moeten kunnen tonen voordat zij toegelaten worden tot het gilde.
    De inschrijving van een geslaagde examenkandidaat als meester in het gilde vindt plaats (Q) als het intreegeld betaald is (P). P heeft een temporeel-momentale rol: Q volgt in de tijd snel op P. Maar omdat de keur het zo voorstelt, dat de betaling als het ware vanzelf resulteert in inschrijving, kunnen we P hier ook zien als quasi-oorzakelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw.
65 [...] dat U. Ed. off de voors. supplianten onser nyet en hebben beclagen maer te bedancken, mits zy alhier nyet min ghenyeten dan onsen selfs poorteren, ende zoeveel meer, dat de visch, vaerende naer Utrecht, - als de benautheyt tzelve nyet en belet - gemeenlicken duergelaeten wordt tot geryff ende ten welgevalle van U. Ed. [Q], mits alleenlick betaelende een deut van den benne [mits.pp P], hoewel in strictitée der voors. ordonnantie dezelve visch alhier eerst zoude moeten offgeslagen werdden. (BronnenAmst dl. 1: 158)
[Amsterdam, Holland; 1543-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] dat u of de voornoemde indieners van klachten zich niet over ons moeten beklagen maar ons erkentelijk moeten zijn, omdat zij hier geen geringere rechten genieten dan onze eigen poorters, en des te meer omdat de vis die naar Utrecht gaat - als de aanvoer op peil is - gewoonlijk te uwen gerieve en voordele doorgelaten wordt tegen betaling van niet meer dan een duit per ben, hoewel deze vis volgens de letter van de ordonnantie hier eerst afgeslagen zou moeten worden.’
    Dit fragment komt uit een missive (tekstcat. B) van het stadsbestuur van Amsterdam aan dat van Utrecht ter weerlegging van de klachten van de Utrechtse viskopers, de supplianten genoemd in het citaat. Woord: ben ‘mand’.
    Het Amsterdamse stadsbestuur schrijft aan de Utrechtse collega-bestuurders dat zij er dankbaar voor zouden moeten zijn dat de vis op een voor hen - in casu voor de Utrechtse viskopers die zij bestuurlijk vertegenwoordigen - gunstige wijze mag passeren; deze goedkope passage geschiedt doorgaans (Q) tegen betaling van slechts een duit per mand (P). P duidt op een in de ogen van de opstellers van de missive lichte voorwaarde [die ooit door Amsterdam gesteld is] waaronder de Utrechtse viskopers profiteren van een lage prijs voor het recht van doorgang.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als onderwerp worden begrepen de Utrechtse viskopers, die geen rol als onderwerp of voorwerp hebben in de direct hogere frase maar wel eerder in de tekst voorkomen.
66 men ordonneren dese tegenwoordige tresoriers te betaelen in handen van pieter claessoon kannemaker de somme van vier gulden vijftien stuvers ende een halve stuver ter cause van seecker loot dat ghysbrecht die leydecker tot den voornoemde pieter claessoon gehaelt heeft omme daer mede te repareren tstedehuys van deser stede van alcmaer | midsgaeders dat hij gelevert heeft een halff hoede calcx altemael blijckende bij zijn cedulle hier angehecht ende mids alleenlicken dese cedulle overleverende sonder mer [mids.pp P] | men selt het passeren int vuytgeven van u luyder rekenynck daert behooren sal [Q] actum onder onse namen hieronder geset upten ixen dach van novembri anno XVC drye ende veerthich
Symon Janzoon
Somma iiii libre xv stuivers vi denariën
(Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 584: p. 20)
[Alkmaar, Holland; 1543-T03] T=T03 P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=P-Q
           
    ‘Men gelast de hier aanwezige schatkistbewaarders om Pieter Claeszoon, kannenmaker, het bedrag van vier gulden en vijftieneenhalve stuiver in handen te geven vanwege een bepaalde hoeveelheid lood die Gijsbrecht de leidekker bij de genoemde Pieter Claeszoon opgehaald heeft om daarmee het stadhuis van deze stad Alkmaar te herstellen, waarenboven hij [Pieter Claeszoon] ook een half hoed kalk geleverd heeft; dit alles blijkend uit zijn schriftelijke verklaring die aangehecht is. En als u deze verklaring inlevert, zal men dat goedkeuren in uw rekening waarvan het onderdeel zal uitmaken. Opgemaakt met onze namen hieronder geplaatst op de 9de dag van november 1500 drieënveertig.
Symon Janszoon
Somma 4 pond, 15 stuivers, 6 denarii.’
    Dit citaat behelst een betaalopdracht van de burgemeester van Alkmaar aan de aanwezige thesauriers en is te rekenen tot tekstcat. B. Ter informatie: Symon Janszoon was burgemeester van Alkmaar. Direct volgend op dit citaat staat de verklaring van kannenmaker Pieter Claesz. dat hij het vermelde bedrag ontvangen heeft. Woorden: kannemaker: MNW cannemaker; cedulle: MNW cedule > cedele betek. 2 (‘eene akte, eene schriftelijke verklaring. Vgl. (...) doopceel, huurceel e.a’); gehaeld: MNW halen betek. 7; angehecht: MNW aenheften betek. ‘vasthechten (...)’; hoede: MNW hoet II (‘ eene inhoudsmaat voor droge waren, vooral voor steenkolen en kalk, in de middeleeuwen ook voor koren en andere zaken, in gebruik. Hoed. Het hoed hield in, voor steenkolen 11, 7 mud; voor kalk 9, 7 mud (...)._ vgl. WNT hoed II: ‘(...) 970 liter (...)’); ’t uuytgeven van uluyder rekenynck: VMNW rekeninghe betek.1, waaronder de verbinding rekeninghe doen/gheven, ‘rekenschap afleggen over beheerde gelden’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift heb ik, met enkele wijzigingen, overgenomen van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar, bijlage stadsrekeningen.
    De burgemeester stelt dat de uitbetaling van vier gulden en vijftieneenhalve stuiver aan kannenmaker Pieter Claeszoon, waartoe hij de stedelijke schatbewaarders opdracht gegeven heeft, in hun boekhouding zal worden geaccordeerd (Q) zodra zij de verklaring van de kannenmaker daaromtrent overleggen (P). De rol van P is temporeel-momentaan, en de volgorde is P-Q. Maar P kan ook betiteld worden als quasi-oorzakelijk, want de voorstelling van zaken is, dat de overlegging door de thesaurier van het document van de ambachtsman de goedkeuring van hun boeken als het ware tot gevolg zal hebben. Opvallend is dat het subject men in de direct hogere frase voorop staat, waardoor deze frase de rechte orde heeft.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject van overleverende worden de schatkistbewaarders begrepen, die in de direct hogere frase slechts aangeduid worden door het bezittelijk voornaamwoord u luyder.
67 Claes Rutgerss ende Rutger Jan Steyns Kathelyne ende Hilleken mit honnen gecoiren momboir Jan peterss als man ende momboir mechtelt zynre huysvrouwe ende matthys biekens als man ende momboir Oeyken zynre huysvrouwe tsamen wittige kindeline claes Rutgerss voirss ende wylen yken zynre huysvrouwe hebben vercoft ende opgedraghen Lammert marceliszoon twee hondt lants of 90 omtrent gelrsche inde prochie van Littoeyen opten hoevel genoempt tusschen erffenissen claes Rutgerss voirss aen deen zijde ende Lambert marceliss voirss ter andr zyde streckende met beyde den eynden opte gemeinen straet Met conditien toegedaen dat den graeff liggende tusschen erffenisse claes Rutgerss met zynen kindeline ende die voirss twee hont lants sal behoiren half ende halff|ende dat die voirss Lambert sal moighen thuynen over den grave op erffenisse claes voirss zoe verre als den bogairt streckt [Q] Mits helmelinge dair op verthyende als dat gewoinlyc is Mede gelovende op hen etc. die voirss 2 hont lants te weeren alle commer ende aentail daer inne af te doene vuijtgenomen scauwen binnen lants gelegen [mits.pp P] (Brabants Historisch Informatie Centrum toeg.nr. 7324, inv.nr. 23: p. 14)
[Lithoijen, Brabant; 1544-T03] T=T03 P=Lithoijen R=Brabant TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Claes Rutgersz. en Rutger Jan Steyns en Kathelyne en Hilleken met hun aangewezen voogd, Jan Petersz. als man en voogd, Mechtelt, zijn echtgenote, en Matthijs Biekens als man en voogd, Oeyken, zijn echtgenote, tezamen vormend de wettige kinderen van genoemde Claes Rutgersz. En wijlen Yken, zijn echtgenote, hebben aan Lambert Marcelisz. verkocht en in eigendom overgedragen twee hond land of ongeveer 90 vierkante Gelderse roeden in de parochie van Lithoijen genoemd ‘op de heuvel’. Het land ligt tussen [land van] de genoemde Claes Rutgersz. aan de ene zijde en van de genoemde Lambert Mercelisz. aan de andere zijde en komt met beide uiteinden tot aan de openbare weg. Als bepalingen worden toegevoegd dat de sloot gelegen tussen het erf van Claes Rutgersz. met zijn kinderen en de genoemde twee hond land in tweeën wordt gedeeld en dat genoemde Lambert aan de overkant van de sloot een omheining zal mogen maken op het erf van genoemde Claes, zover als de boomgaard zich uitstrekt. Als verplichte handeling doen zij [Claes Rutgersz. en familie] daarbij met halmslag afstand van elke aanspraak [op het verkochte], zoals dat gebruikelijk is, en beloven tevens de genoemde 2 hond land voor hen te beschermen tegen formele belemmeringen en aanspraken erop te zullen ontkrachten, uitgezonderd waar het gaat om het schouwen binnen de begrenzing van het land’
    Dit is een fragment van een akte betreffende de verkoop van een stuk land met aanvullende bepalingen door Claes Rutgersz. en de zijnen aan Lambert Marcelisz. Op de akte staat de datum waarop deze in aanwezigheid van twee getuigen passeerde bij schepenen: ‘actum den xiiij-en dach februarij anno xliij’ oftewel 14 februari 1544. De akte valt in tekstcat. A1. Woorden: Littoeijen: Lithoijen, dorp in de gemeente Oss, ‘klein Lith’, door een bos gescheiden van (groot) Lith; kindeline: MNW kindelijn, kindelkijn, kindekijn (betek. ‘(...) kindeken, kindeke, kindje. Het gewone verklw. in het Mhd. is kindelîn, kindel. Dit komt in dezen vorm ook eene enkele maal in het Mnl. voor (...)’); opgedraghen: MNW opdragen I betek. 6 (‘aan iemand overdragen, eene zaak (bepaaldelijk een vast goed) aan iemand gerechtelijk in eigendom overdragen. Zie Ndl. Wdb. (...): “zoowel van zaken, waarvan men vrijwillig (door schenking enz.) afstand doet als van datgene wat men verkocht heeft” ’); hond: WNT hond II betek. (‘(...) gemeenlijk de naam voor (het zesde deel van een Rijnlandsch morgen): honderd vierkante roeden (...)’) in combinatie met MNW hont I betek. 1 (‘als benaming van eene lantmaat (...). Het hont is een onderdeel van het morgen, doch de grootte is op verschillende plaatsen niet dezelfde. In het Mnd. is het hont gelijk aan 1/6 morgen; in het Mnl. is een hont nu eens 1/4, dan eens 1/5, elders 1/6 morgen groot. (...) De benaming zal wel oorspronkelijk beteekend hebben: honderd van eene zekere maat (...)’); graeff, grave: MNW grave III betek. 1 (‘gracht, sloot, wetering’); erffenisse: MNW erfnesse betek. 2 (‘hetzelfde als erve (....) vast goed, vooral van landeigendom of grondbezit (...)’; toegedaen: MNW toedoen betek. 1 (‘bijvoegen toevoegen (...)’, waarbij één van de voorbeelden is: met voorwerden togedaen (‘met bijvoeging van deze voorwaarde’); half ende halff|: de streep na halff staat in het handschrift; thuijnen: MNW tunen betek. I (‘eene omheining maken’), in combinatie met: WNT tuinen betek. I. 2 (‘die handelingen verrichten welke noodig zijn voor het plaatsen of het herstellen van een omheining; een omheining maken. Reeds in het mnl.; thans alleen nog gewest., t.w. op Texel, in het O., op de Veluwe, tusschen de groote rivieren, in N.-Br. en Limb., in W.-Zeeuwsch Vl, en in Vl.-België (...)’); verthijende: WNT vertijgen II betek. 2.a (‘(....) in juridischen, politieken zin: het recht, het bezit, de aanspraak opgeven (van). Uitsluitend met een af- (later van-) of op-bep. (...). M. betr. t. onroerende goederen (...)’)_ bij het eerste streepje staat de combinatie ‘met hand, halm en mond resp. halmelijk vertijgen op resp. van’, met de betek. ‘op officieele, plechtige wijze, mondeling, met handslag overdragen’; helmelinge: MNW halmelinge, lokale variant van halmelike, bijw., betek. ‘door middel van den halm, door “effestucatio”’_ Volgens het MNW is de variant helmelinge alleen in de Oorkonden van Helmond aangetroffen; commer: MNW commer betek. 2 (‘belemmering, in rechte op een persoon of eene zaak toegepast’); aentail: MNW aentale (betek. ‘aanspraak in rechten, eisch (...)’); af te doene: MNW afdoen betek. I.4 (‘uit den weg ruimen, doen ophouden, een einde maken aan, van schulden, moeilijkheden, twisten enz.’). Het fragment is een diplomatische transcriptie door Saskia Daalder en mij van het handschrift.
    Claes Rutgersz. en de kinderen die hij bij zijn overleden vrouw heeft gekregen, hebben een stuk land aan Lambert Marcelisz. verkocht en komen in de transportakte met hem overeen, dat zij allebei voor de helft eigenaar van de tussenliggende sloot zullen zijn en dat Lambert een bepaald gedeelte van de grond van Claes mag omheinen (wellicht ter bescherming van Claes’ boomgaard tegen vee van Lambert) (Q). Zij doen volgens de akte bij halmslag de bijbehorende verplichte afstandsverklaring van alle aanspraken, en de belofte het land te zullen beschermen tegen formele belemmeringen en aanspraken van derden (P). De mits.pp-frase met comitatieve functie drukt uit dat de afstandsverklaring met halmslag een handeling was die verplicht hoorde bij de juridische overdracht, die zonder die verklaring niet rechtsgeldig zou zijn.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject. Als subject van de mits.pp-frase wordt nl. de familie Rutgersz. begrepen, die ook het subject is van de allereerste frase van het citaat, die opgevat kan worden als de direct hogere omvattende frase, waar de ingevoegde lange bepaling met conditien toegedaen dat... streckt onafhankelijk ook deel van uitmaakt.
68 [...] die ingelanden ende ingeerfden contribuerende in de onderhoudenisse van duynen van Petten ende Hontbossche [hebben] ons dicwils te kennen [...] doen geven dat die materiaelen die men tot reparatie ende onderhoudenisse van de voirs. wercken behoefft, zoe jaerlijcx zoe meer costen ter plaetsen daer men die behoefft te brengen, bovendien dat mitz d’ombequaemheyt ende gelegentheyt althans wesende veel materialen verloren worden ende achterblijven, tot grooten interest van de voors. ingelanden, dairinne zij sustineerden dat men lichtelijck soude mogen versien [Q], mitz groot ende bequaem makende de sluysen van Sardam [mitz.pp P], waerdoer men dieselve materialen mit ongelijck minder coste zoude mogen voeren, welcke sluyse althans caduyck ende van ouderdom vergaen soude wesen in zulcken schijn dat men daer een nyeuwe sluyse soude moeten leggen [...] (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 38: p. 10 links)
[Hoogheemraadschap De Hondsbossche etc. (+Gent +Alkmaar), Holland; 1544-T03] T=T03 P=Hoogheemraadschap P=Gent P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Verkl TS=i SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[...] de ingelanden en eigenaren die bijdragen aan het onderhoud van de duinen van Petten en Hondsbossche hebben ons meermalen gemeld dat de materialen die men voor het herstel en onderhoud van genoemde werken nodig heeft en het transport naar de plaats waar zij gebruikt gaan worden, ieder jaar duurder worden, en bovendien dat vanwege de huidige slechte toestand [van de sluis] veel materiaal verloren gaat en achterblijft, tot grote schade voor de genoemde ingelanden. Men [het hoogheemraadschap] zou dit, naar zij betoogden, gemakkelijk kunnen oplossen door de sluis van Zaandam groot en adequaat te maken. Daardoor zou men de materialen tegen onvergelijkbaar geringere kosten kunnen vervoeren; de sluis is volgens hen thans zodanig beschadigd en door ouderdom vervallen, dat men daar een nieuwe sluis zou moeten bouwen [...]’
    Dit citaat komt uit het begin van een afschrift van het ‘Octroy van de nyeuwe steenen sluys up Saerdam’, dat door Karel V op 17 december 1544 in Gent werd uitgevaardigd. Het octrooi machtigde het hoogheemraadschap De Hondsbossche en Duinen tot Petten tot de aanleg van een nieuwe sluis in de Zaan om het onderhoud van de Hondsbossche zeewering te vergemakkelijken. Alkmaar zou een deel van de bouwkosten betalen (tegen vrijdom van sluisgeld), en het zal daarom zijn dat deze tekst opgenomen is in het register van resoluties van de vroedschap van Alkmaar. Het octrooi valt in tekstcat. B. Informatie over het octrooi van 1544 en over de activiteiten van ‘Uitwaterende sluizen’ is te vinden in het boek Binnewaeters gewelt (Borger & Bruines 1994). Het fragment schetst één van de aanleidingen tot het octrooi, nl. de problemen die de verouderde sluis in de dam in Zaandam veroorzaakte. Het voor de zeewering noodzakelijke, veelal uit Noorwegen of Frankrijk afkomstige hout en steen moest nl. via de Zaan aangevoerd worden, en de Zaan liep tot het Alkmaardermeer, dat vanaf 1531 door de Nieuwe Vaart verbonden werd met Petten (zie Aten 1995: 23). Direct volgend op het citaat komen de technische eisen aan de nieuwe sluis aan de orde alsmede de verlangde betrokkenheid van omliggende plaatsen bij de aanleg. Het betreft de zgn. Groote Sluis, ook wel Hondsbossche Sluis genoemd, te Zaandam. Woorden, kwesties: octroy: MNW otroy betek. 1 (‘(...) machtiging of bewilliging tot eene handeling, gegeven door eene bevoegde macht (...)’); die ingelanden: onderstreping volgens de gebruikte transcriptie; ingelanden ende ingeerfden: van het aloude heemraadschap; de onderhoudenisse van duynen van Petten ende Hontbossche: in de eerste helft van de zestiende eeuw lag er bij Petten en Hondsbossche nog een duinreep, maar de zee kalfde de duinen steeds verder af, wat men vanouds compenseerde door zandsuppletie aan landzijde, maar na een besluit van het Hof van Holland daaromtrent in 1506 ook door de aanleg van strandhoofden met verbindende paalwerken, voor de aanleg waarvan hout en steen nodig waren; gelegentheyt: MNW gelegenheit betek. 1 (‘toestand, stand van zaken’); sustineerden: WNT sustineeren betek. 1; en schijn: WNT schijn I betek. 12.e (in zulken schijn. ‘op die wijze, in dier voege’). Het afschrift waaraan dit citaat is ontleend, is ontstaan tussen 1551 en 1572. Aan het eind van het document staat namelijk: Aldus stondt op die ploye gescreven: Bij den keyser in zijnen rade ende geteyckent Verreyken. Gecollacionneert tegens zijn originael ende van woorde tot woorde bevonden, accorderende bij mij Teylingen.’ Dat betreft Frans van Teylingen, stadssecretaris van Alkmaar 1551-1572. Pierre Vereycken was in 1544 audiëncier (hoofd kanselarij) van het Bourgondische Hof in Vlaanderen. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift is die van de Transcriptiewerkgroep Regionaal Archief Alkmaar.
    Ingelanden en eigenaren van het heemraadschap ‘De Hondsbossche.. etc’ hebben, zo vermeldt het octrooi, als probleem aan de orde gesteld dat de huidige sluis in Zaandam niet op zijn taak berekend is, zodat de toevoer van materialen ten behoeve van het onderhoud van de zeewering bij Petten en Hondsbossche steeds duurder wordt; een probleem dat naar hun zeggen makkelijk opgelost kan worden (Q) door de sluis van Zaandam groter en efficiënter te maken (P). Q duidt op een door de ingelanden voorgestelde handeling van het hoogheemraadschap, nl. de oplossing van de problemen veroorzaakt door de slecht werkende sluis in Zaandam, P op het middel daartoe.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: als subject van makende wordt begrepen het hoogheemraadschap, dat ook subject is van de direct hogere frase.
69 [...] ende dien inventaris gemaect zynde, moeghen de huysvrouwen (oft andere vrienden, maghen, oft medegesellen in societeyte van den selven gevangenen) die inventarieerde goeden verborghen [Q], mids sufficiente cautie daer voere stellende [mids.pp P]; ende die cautie gestelt synde, moet de heere oft officier, midsgaders heure dieneers, cnuvers ende andere bewaerders vuyt desselfs gevangenen huyse gaen, ende bliven daer vuyte ten eynde toe vander saken. (CoutumesAnvers 116)
[Antwerpen, Brabant; 1545-T03] T=T03 P=Antwerpen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] en als die inventaris opgemaakt is, kunnen de vrouwen of andere familieleden of zakelijke partners van deze gevangenen de geïnventariseerde goederen vrijwaren van inbeslagneming, waarbij zij tevoren voldoende borg dienen te stellen; en als de borg gesteld is, moeten de heer of de officier, alsmede hun ondergeschikten, gerechtsdienaren en andere opzichters het huis van deze gevangene verlaten en mogen ze daar tot aan het eind van het proces niet meer komen.’
    Deze tekst is afkomstig uit Coutumes de la ville d’Anvers, een optekening van het Antwerpse gewoonterecht die in 1545 in opdracht van Karel V onder verantwoordelijkheid van de Antwerpse magistraat tot stand kwam. Tekstcat. is A2. Het citaat komt uit art. 19 in het hoofdstuk ‘Jurisdictie ende administratie van justicien ter hoogher vierscharen ende int criem.’ Datering: dit document wordt afgesloten met de mededeling dat de tekst in 1545 naar de Raad van Brabant is gezonden (CoutumesAnvers 374). Daarom houd ik het jaar 1545 aan als datering; dit, hoewel enkele in de bronnenuitgave bijgevoegde brieven van Karel V met een aanmaning om de door hem gevraagde ‘Costumen’ nu toch eens onverwijld bij de Raad in te dienen, de jaartallen 1546, 1547 en zelfs 1548 dragen! Het zou dus kunnen zijn, dat de tekst een paar jaar jonger is dan 1545. Via Compilatiecorpus Antwerpen 1545 nr. 1 is het fragment ook toegankelijk: uitsluitend digitaal, en zonder interpunctie.
    Familieleden of zakenpartners van een gevangene kunnen volgens oude Antwerpse rechtsregels de goederen van de gevangene vrijwaren van inbeslagname (Q), waarbij bepaald is dat zij voldoende borg dienen te stellen (P). Een wens van de familieleden of zakenpartners tot een dergelijke vrijwaring duidt de keur niet aan, noch hun mogelijke wens in de toekomst, zodat P geen voorwaarde kan zijn voor de realisering van een dergelijke wens. P is een verplichting, waar van het volgens de rechtsregels juist is als die aan de in Q genoemde bepaling toegevoegd wordt, en heeft derhalve een comitatieve rol. De pp-frase die op de mids.pp-frase volgt (die cautie gestelt synde) heeft alleen natijdige betekenis.
 De aansluiting van de mids.pp-frase is conjunct subject-subject.
70 Item, wanneer yemant eenighe erffelycke renten vercoopt op eenighe panden geleghen binnen der stadt oft vriheyt, soe moeghen de vrienden oft maeghen vanden vercoopere de naeste van dier renten syn, in dient hen oft eenich heurer belieft [Q], mids opleggende den coopere de capitale penningen metten verloope daer aff nae advenant vanden tyde [mids.pp P]; ende dat doende moetmen die rente hen van nairderscapen transporteren. (CoutumesAnvers 240)
[Antwerpen, Brabant; 1545-T03] T=T03 P=Antwerpen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, als iemand erfelijke renten verkoopt op één of meer van zijn binnen de stad en haar vrijheid gelegen panden, dan mogen de familieleden of verwanten van de verkoper die renten naasten als een of meer van hen dat wensen, onder de voorwaarde dat zij de koper zijn hoofdsom terugbetalen samen met de interest daarvan naar gelang van de tijdsduur; en als ze dat daadwerkelijk doen, moet men de genaaste renten op hun naam zetten.’
    Dit fragment omvat art. 28 uit Hfdst. VII (regels inzake naasting) van Coutumes de la ville d’Anvers (tekstcat. A2). De tekst handelt over de situatie waarin het erfelijk recht op huurinkomsten verkocht is. Dat recht kan volgens het citaat dan genaast worden door familieleden. Woorden: rente: recht op een periodieke uitkering. Hier dus: rechten op het verkrijgen van huurinkomsten; pand: moderne betekenis ‘huis, gebouw’. Datering: 1545, maar misschien enkele jaren jonger. Via Compilatiecorpus Antwerpen 1545 nr. 1 is het fragment ook toegankelijk: uitsluitend digitaal, en zonder interpunctie.
    Een erfelijk recht op periodieke huurinkomsten mag volgens de oudste Antwerpse keuren genaast worden door familieleden als zij dat willen (Q) op voorwaarde dat zij de hoofdsom en, naar rato van de tijd, de rente aan de eerste koper vergoeden (P). Hier duidt de keur duidt expliciet een eventuele wens van familieleden aan tot naasting van een erfelijk recht op periodiek huurinkomsten. De mids.pp-frase heeft de rol van voorwaarde voor de vervulling van een dergelijke wens.
 De aansluiting van de mids.pp-frase is conjunct subject-subject.
71 [...] wysen burgermeester ende scepenen dat die poortere synen sone wel mach emanciperen ende vuyt synder plicht doen [Q], mids hem bewysende op sekere goeden panden twee oude grooten erflick [mids.pp P] (CoutumesAnvers 288)
[Antwerpen, Brabant; 1545-T03] T=T03 P=Antwerpen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] vonnissen burgemeesters en schepenen dat de poorter zijn zoon inderdaad mag vrijstellen van het vaderlijk gezag en ontslaan uit zijn zorgplicht, onder de voorwaarde dat hij hem een erfelijk recht op twee oude groten toekent, gevestigd op waardevaste panden’
    Dit citaat is ontleend aan art. 32 van Hfdst. IX van Coutumes de la ville d’Anvers, dat handelt over de rechten van ingezetenen (poorters). Tekstcat. is A2. Woorden: emanciperen: WNT betek. 1; plicht: WNT plicht betek. II, tweede streepje. Datering: 1545, maar misschien enkele jaren jonger. Via Compilatiecorpus Antwerpen 1545 nr. 1 is het fragment ook toegankelijk: uitsluitend digitaal, en zonder interpunctie.
    Als een burger van Antwerpen zijn zoon uit zijn zorgplicht wil ontslaan, aldus de Antwerpse rechtsregels, moet hij over die wens een uitspraak laten doen door de rechtbank. Schepenen en burgemeesters kunnen dat dan toestaan (Q) op voorwaarde dat de vader voor de zoon een erfelijk recht op waardevaste panden vestigt dat twee oude groten (per jaar) oplevert (P). De keur noemt expliciet de wens van de Antwerpse vader, die de rechtbank volgens de keur kan inwilligen op een bepaalde voorwaarde.
 De aansluiting van de mids.pp-frase is conjunct subject-subject.
72 Soe wanneer yemant eenighe leengoeden oft andere erfgoeden van bloetsweghen calengiert, die calengierdere behoort te gestane betalende ende namptiserende (binnen sonneschyne nae dat den coop duechdelyck by coopere ende vercoopere vercleert is ende dat de calengieringe hem wettelick bekent heeft geweest) de principale hoodtpenningen, goidspenningen ende lyfcoop, sonder eenichsins gehouden te syne (op versteken van synen rechte van calengieringen) binnen dien tyde te moeten namptiseren oft betaelen de andere oncosten die [door] de [den] coopere oft vercoopere, nae date vander calengieringen, oft duerende der litis pendencien vander materien in cas van calengieringen, ter saken van den processe, ontfanghe oft erffenisse, aenden heere ende wetten (daer onder tselve resorteert) mach oft moeghen gedaen syn; maer die naecosten mach de yerste coopere naederhandt eyschen ende begheeren, ende de calengierdere gestaet [Q] mids namaels daer af betalende tgene dat bevonden wordt dat hy daer aff schuldich is te restituerene [mids.pp P]. (CoutumesAnvers 372)
[Antwerpen, Brabant; 1545-T03] T=T03 P=Antwerpen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Wanneer iemand leengoederen of andere erfgoederen met een beroep op bloedbanden naast, moet de eiser-in-rechte zijn vordering bekrachtigen door nadat de koop door koper en verkoper op correcte wijze is meegedeeld en de naasting hun wettelijk bekend is geworden, vóór zonsondergang de hoofdsom, het handgeld en het drinkgeld te betalen c.q. formeel toe te zeggen, zonder dat hij om zijn naastingsrecht te behouden enige verplichting heeft om binnen dat tijdsbestek formeel of feitelijk de andere onkosten te betalen die door de koper of verkoper na het tijdstip van opeisen of gedurende de duur van het proces gemaakt kunnen zijn, onkosten voor hen ontstaan in verband met het naastingsproces zelf of in verband met overdrachtsbelasting verschuldigd aan de heer en op grond van wetten waaronder de betreffende goederen vallen. Die latere kosten kan de eerste koper echter naderhand terugvorderen, en de eiser-in-rechte kan ermee volstaan daarvan later dat deel te betalen waarvan vastgesteld wordt dat hij het moet vergoeden.’
    Dit citaat omvat art. 1 van Hfdst. XVI in Coutumes de la ville d’Anvers, dat handelt over naasting in het buitengebied van het district Antwerpen. Tekstcat. is A2. Datering: 1545, maar misschien enkele jaren jonger. Via Compilatiecorpus Antwerpen 1545 nr. 1 is het fragment ook toegankelijk: uitsluitend digitaal, en zonder interpunctie.
    Onkosten die door de aanvankelijke koper na het tijdstip van opeisen gemaakt zijn bij het naastingsproces of in verband met overdrachtsbelastingen, kan de aanvankelijke koper later terugvorderen van de calengierder (eiser-in-rechte). In dat geval, aldus de Antwerpse rechtsregels, voldoet de laatste aan zijn verplichtingen (Q) door daarvan het bedrag te betalen waarvan (later) vastgesteld wordt dat hij het verschuldigd is (P). P is dus instrumenteel.
De aansluiting van de mids.pp-frase is conjunct subject-subject; als subject wordt de naaster begrepen, die ook subject is van de direct hogere frase.
73 Bekent noch dat geleden omtrent vyftien of zestien weken hy gestolen heeft te grypskercke uut eenen vliet twee stucken lynwaet d’een lanck wesende XIII ellen ende dandere vyftien oft XVI ellen // Dewelcke hy heymelick int cooren droochde ende brochtse thuys te weten te soutelande tot zyn moeders huys ende sloot se daer in zyn kiste // mar en gaft zyn moeder niet te kennen, mar heeftet haer te kennen gegeven sichtent dat hy hier ter Vere in de vangenisse es geweest //
Bekent noch dat geleden omtrent [...] hy comende van bergen na arremue in een scip hebbende by hem een paer slechte roode coussen heeft daer gevonden in een [...] liggende een paer beter roode coussen die al met taftaf waren duertogen welcke hy stal [Q] mits leggende in de plaetse van dien zyn voorsz slechte roode cousen [mits.pp P]. (Zeeuws Archief toeg.nr. 10, inv.nr. 277a)
[Veere, Zeeland; 1545-T03] T=T03 P=Veere R=Zeeland TC=A1 TG=Vonnis TS=d SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Hij bekent ook dat hij omstreeks vijftien of zestien weken geleden te Grijpskerke uit een beek twee stukken linnen gestolen heeft, het ene met een lengte van 13 el en het andere 15 of 16 el, die hij heimelijk in het koren droogde en naar huis bracht, dat wil zeggen naar zijn moeders huis in Zoutelande, waar hij ze in zijn kist opborg zonder zijn moeder ervan op de hoogte te stellen; hij vertelde het haar toen hij eenmaal hier in Veere in de gevangenis zat. Hij bekent ook dat hij omstreeks [...] geleden, toen hij per schip op weg was van Bergen naar Arnemuiden en een paar eenvoudige kousen bij zich had, daar in een [...] een paar betere rode kousen vond, die helemaal met zijde doorwerkt waren. Hij stal die door op hun plaats zijn genoemde slechte rode kousen neer te leggen.’
    Dit is een citaat uit de bekentenis (‘confessie ende beken’), op 3 november 1545 gedaan door de negentienjarige Quyryn Arentssen uit Zoutelande, in aanwezigheid van baljuw, burgemeesteren en schepenen van de stad Veere. Aan het begin van proces-verbaal staat dat aan de bekentenis geen marteling voorafgegaan is (ze is gedaan buten alle banden ende pyne van ysere oft anderssins). Als onderdeel van een confessie voor de rechtbank valt dit citaat in tekstcat. A1. In het direct voorafgaande staat een opsomming van kleinere en grotere diefstallen in de omgeving van Zoutelande van vooral linnen en schapen, gepleegd in juli 1545 en eerder. Twee bekentenissen van wat Quyryn daarna deed, staan in het citaat. Woorden: geleden omtrent [...]: het handschrift heeft hier een lege ruimte, waar een tijdspanne bedoeld zal zijn; in een [...]: het handschrift heeft hier een lege ruimte, waar een bergplaats bedoeld zal zijn; slechte: MNW slecht I betek. A.8 (‘gering, waardeloos, weinig waard’); taftaf: MNW betek. ‘naam van eene zijden stof, taf’; duertogh...: doortiegen II betek. 2 (‘(...) doortrekken van, doorwerken met. Voornamelijk in den vorm van het verl. deelw. (...)’_ één van de voorbeelden luidt: ‘Doecken..., met Goudt ende Silverdraet deurtooghen’); lynwaet: WNT lijnwaad betek.1 (‘als collectivum, voor het linnen (of een derg. stof) als handelsartikel, voor een zekere hoeveelheid linnen (...)’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. Het fragment toont mijn eigen diplomatische transcriptie van een foto van het handschrift - inclusief de dubbele schuine strepen (//) ter aanduiding van een nieuwe regel - die mij door dhr. P. Feij van het Zeeuws Archief ter beschikking is gesteld.
    De negentienjarige Quyryn bekent dat hij goede rode, met zijde bewerkte kousen gestolen heeft (Q) door zijn eigen eenvoudige rode kousen neer te leggen op de plek waar hij de mooie kousen had gevonden (P). Het verwisselen van de kousen is middel voor de diefstal.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen Quyryn, die in de direct hogere frase ook als subject fungeert.
74 [...] [ghij] zullen binnen een maent daernae als voorscreven is hemlieder daertoe bedwingende bij alle behoirlicke wegen ende maenieren van bedwanck redelicke ende tamelicke ende in gevalle van oppositie, weygheringhe ofte vertreck die voorscreven bevelen op peynen stadt gripende, zoewel van ’t voorscreven inventarys te leveren als van den voorscreven rechte van den yssue binnen eenre maent nae de voorscreven waerderinge te betaelen, den onwillygen daertoe bedwingen bij ghijselinghe van heurluyden persoon zonder diezelve ’t ontslaen, tenzij [Q 1e deel] mits namptiserende ’t voorscreven recht [mits.pp P], nyetjegenstaende oppositie off appellatie gedaen ofte doen ende sonder prejuditie vandier, ter tijdt toe pertijen gehoirt anders daerinne geordonneert sal wesen [Q 2e deel] (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 38: p. 13 rechts)
[Utrecht (+Alkmaar), Holland; 1545-T03] T=T03 P=Utrecht P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=Cond CV=W3 VO=QPQ
           
    ‘[...] [u] dient hen daartoe zoals voorgeschreven binnen de termijn van een maand [na hun vertrek uit de stad] te dwingen op alle passende wijzen en met alle op redelijkheid en betamelijkheid gebaseerde dwangmiddelen, waarbij in geval van verzet, weigering of uitstel, de genoemde bevelen onder dreiging van sancties in kracht treden, zowel om de genoemde inventaris te overhandigen als om een maand na de genoemde taxatie het genoemde exue-recht te betalen, en u dient dit van de onwilligen af te dwingen door gijzeling van hun persoon, waarbij u hen niet in vrijheid mag stellen dan op voorwaarde dat zij de genoemde heffing voldoen, ook al hebben ze verzet of beroep aangetekend of gaan ze dat doen, en zonder op toekenning daarvan te anticiperen, tot het tijdstip waarop na het horen van partijen anders bevolen zal zijn’
    Dit is een fragment van een afschrift getiteld ‘Copie van ’t octroy van de exue’. Het bewuste octrooi is uitgegeven door Karel V op 23 december 1545 en getekend te Utrecht. Als instructie voor de gerechtsdeurwaarder, de zgn. eerste deurwaarder van het Hof van Holland, valt dit fragment in tekstcat. B. In de aan dit fragment voorafgaande tekst staat dat burgemeesteren, vroedschap en schepenen van Alkmaar de landsheer om een beschikking hebben gevraagd voor het afdwingen van de betaling van het zgn. exue-recht (een belasting op vermogenswaarden die uit de stad verdwijnen), aangezien men nogal eens te maken krijgt met agressie en bedrog. De landsheer wijst de gerechtsdeurwaarder aan om, als het stadsbestuur daarom verzoekt, dwangacties uit te voeren om dit recht voor de stad te innen. Woorden in het voorafgaande: exue, yssue: MNW betek. 1 (‘het recht dat geheven wordt door een stedelijk bestuur van erfenissen in de stad, die aan personen daarbuiten toevallen en (toevoeging WNT exue) van goederen die met hun eigenaar de stad verlaten’)_MNW vermeldt mogelijk verband met Lat. Exeunt, WNT vermeldt: ‘ontleend aan Fr. Issue’; in één van de voorbeelden in het MNW betreft het een heffing van een zesde deel van het vermogen van vertrekkende personen en hun goederen; sergeant van wapenen: WNT sergeant betek. 3, de verbinding sergeant van wapenen, ‘titel van den eersten deurwaarder van het hof van Holland’. Woorden in het citaat: daertoe bedwingende: daertoe verwijst naar het gerechtelijk bevel, in het voorafgaande omschreven: het inleveren van een inventaris, het laten taxeren van de desbetreffende goederen en erfenissen en de betaling van een heffing zoals in andere steden gebruikelijk, en bedwingende: MNW bedwingen: betek. 1 (‘dwingen, noodzaken’_ in veel voorbeelden in het MNW staat bedwingen in de context van betaalplicht; vertrec: MNW betek. 1; stadt gripende: WNT grijpen betek. 7c, de verbinding ‘stad, stede, stand, plaats grijpen: α. Vastheid, kracht krijgen’, bijv. ‘van overeenkomsten (...) in rechten: (...) in werking treden’ en van een handeling ‘(haar) beslag krijgen’; namptiserende: MNWnamptiseren, nampteren betek. 1 (‘een eischer voorloopig bevredigen’); ghijselinghe: MNW giselinge betek. 1 (‘het “inliggen,” het verblijf moeten houden op eene bepaald aangewezen plaats in afwachting van een vonnis (...)) en WNT gijzeling betek. 1 (‘gevangenzetting, vrnl. Ter zake van schulden’). Het document is een afschrift, wellicht niet lang na de uitgifte van het octrooi vervaardigd. Aan het eind van de tekst staat namelijk het volgende. Onder stondt gescreven: Bij den keyser in zijnen raede, noch stondt onder gescreven J. Delatorre. Gecollationneert tegens d’ originael ’t welck was in franschijn gescreven ende beneden met een grote zegel in roede was beneden offhangende ende is bevonden accorderende metten zelve van woort tot woordt bij mij Andries Pieterz. Zel. Jacques de la Torre was secretaris o. a. van de Geheime Raad van Karel V. Andries Zel was vanaf 1544 stadssecretaris van Alkmaar. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift is die van de Transcriptiewerkgroep Regionaal Archief Alkmaar.
    De gerechtsdeurwaarder gemachtigd tot de inning van het exue-recht voor de stad Alkmaar mag, zo luidt de instructie van de landsheer, een gegijzelde alléén vrijlaten - ook al heeft deze beroep aangetekend of gaat hij dat doen - (Q) op voorwaarde dat de gijzelaar het geëiste recht betaalt (P). De wens van een gegijzelde is hier nadrukkelijk in focus bij de landsheer, in die zin dat deze wens in principe niet ingewilligd wordt, tenzij de gegijzelde aan de conditie voldoet. P is een conditie.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw, want als subject worden begrepen de gegijzelde personen, die ook als lijdend voorwerp (diezelve) fungeren in de direct hogere infinitieffrase.
75 [...] de prelaet, edelen, midtsgaders de gedeputeerde van de steden van Middelburch, Ziericzee, Reymerswale, Goes ende der Tholen, als representerende de drie Staten van den lande van Zeelandt, bedanckende deselve hare Majesteyt van heure visitatie midtsgaders van de affectie, hulpe ende gunstighe recommandatie die hare Majesteyt altijts ghehadt ende ghedaen heeft tot onderstant van deselve landen, hebben tsamen eendrachtelijck hare Majesteyt tharer blyde inkomste van denselven deser landen van Zeelandt ghepresenteert liberalijck de somme van thienduysent Carolusguldens, te lichten binnen twee toekomende jaren [Q], midts schietende jaerlijcks twee grooten op elck ghemet landts, schotsghewijse bij der breedte [midts.pp P], waeraf de judicature ende rekeninghe ghedaen soude werden voor de drie Staten desselfs landts naer ouder costume (BronnenDagvrtenZl dl. 3: 991v)
[Middelburg, Zeeland; 1547-T03] T=T03 P=Middelburg R=Zeeland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] de prelaat, edelen alsmede de gedeputeerden van de steden Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal, Goes en Tholen, die de drie standen [Staten] van Zeeland vertegenwoordigen, hebben als dank aan Hare Majesteit voor haar bezoek alsmede voor de genegenheid, hulp en aanbevelingen die Hare Majesteit altijd heeft betoond respectievelijk gedaan ter ondersteuning van deze gewesten, Hare Majesteit bij haar blijde intocht uit naam van de Zeeuwse gewesten eendrachtig en op royale wijze de som van tienduizend carolusguldens aangeboden, in de komende twee jaar op te halen door een jaarlijkse heffing van twee groten per gemet land gemeten naar het volle oppervlak (bij der brede/breedte), gelden die ouder gewoonte ten overstaan van de drie standen verantwoord zullen worden’
    Dit citaat komt uit een verslag van een bijeenkomst van de Zeeuwse Staten (tekstcat. B) in aanwezigheid van de nieuwe landvoogdes Maria van Hongarije, 26 maart 1547 (Paasstijl: 1546). Gerapporteerd worden het geldelijk bedrag dat de Staten haar aanbieden en de dankwoorden waarmee zij het aanneemt. In het opschrift van het in het archief bewaarde exemplaar wordt het document acte genoemd; beide partijen zetten hun handtekening (zie BronnenDagvrtenZl dl. 3: 992). Woorden: gemet grond: meestal staat een gemet gelijk aan een halve morgen, 300 vierkante roeden, ongeveer een halve bunder/hectare; bij der brede: een wijze van vaststelling van het grondoppervlak waarover belasting betaald moet worden. Onderscheiden werden bij der brede en steenschietens. Deze verschilden als volgt: in de vroege Middeleeuwen was op ’s-Graven Steen (het grafelijk kasteel) in Middelburg de oppervlakte van alle Zeeuwse ambachten en percelen geregistreerd ter vaststelling van de belasting, die men dan betaalde (oftewel schoot) zoals dat heette: steenschietens (dus met betaling naar de oppervlakte geregistreerd op het Steen). Later werden de oppervlakten met nieuwe lokale metingen zgn. bij der brede bepaald: naar de werkelijke breedtes/oppervlakken, met in het algemeen hogere uitkomsten; schieten: MNW betek. II. 8, onder de tweede bijzondere gebruiksmogelijkheid wordt vermeld: ‘ook vindt men schieten herhaaldelijk in de bet. omslaan in eene belasting; aanslaan in de kosten van iets.’, d.w.z. ‘heffen’.
    Het verslag van de vergadering van de Zeeuwse Staten van Zeeland vermeldt dat zij aan de landvoogdes bij haar blijde intocht een bedrag van tienduizend carolusguldens aangeboden hebben, een bedrag dat ze de aankomende twee jaren beschikbaar willen krijgen (Q) door middel van een jaarlijkse heffing van twee groten per gemet, gerekend naar reële volle oppervlaktes (P). P is instrumenteel.
 Als subject van de mids.pp-frase worden begrepen de Zeeuwse Staten: zij zullen per gemet het bewuste bedrag heffen (schieten) (P) als middel tot het ophalen (lichten) van de beloofde tienduizend carolusguldens (Q), waarvan zij zelf eveneens het subject zijn. De aansluiting van de mits.pp-frase is dus conjunct subject-subject.
76 [...] Ten derden, dat de schippers ghehouden zullen zijn den coopman ofte reysende man te gerieven voor ofte nae tghetyde, als boven ghewassen ofte gevallen, evenverre dattet doenlicken es [Q], midts by denzelven, die soe grooten haeste heeft, betalende ende opleggende de sommen van vijf sc. gr. Vl. ofte alsoeveel min, als zyluyden onderlinge zullen accorderen, maer niet meer [midts.pp P]. Des, zoe zullen de schippers in dien gevalle gehouden zijn van stonden aen zonder yemandt meer te verwachten, wech te vairen, ende dat opte boete voorscr. ende te converteeren als boven. (BronnenMiddelb dl. 3: 561)
[Bergen op Zoom (+Arnemuiden), Brabant; 1547-T03] T=T03 P=Bergen op Zoom P=Arnemuiden R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] Ten derde, dat de schippers gehouden zullen zijn de koopman of reiziger van dienst te zijn voor of na vloed en eb voor zover dat doenlijk is, [en dat mag] op voorwaarde dat iemand die zo veel haast heeft, de som van vijf schelling in Vlaamse groten betaalt of zoveel minder als ze onderling overeenkomen maar niet meer. In zo’n geval zullen de schippers derhalve gehouden zijn direct uit te varen, zonder nog op anderen te wachten, op straffe van de voornoemde boete en eventueel om te rekenen als boven.’
    Dit citaat behelst artikel 3 van een ordonnantie die door de zgn. Brede Raad van Bergen op Zoom vastgesteld werd inzake het veer tussen Bergen op Zoom en Arnemuiden. Tekstcat. is A2.
De bedoelde boete was een boete van zes carolusguldens, waarvan een derde naar de landsheer zou gaan, een derde naar de stad en een derde naar de kerk of naar de armen.
    De veerman is verplicht een onmiddellijke extra afvaart te bieden aan een koopman of reiziger met veel haast (Q), op voorwaarde dat de laatste 5 schellingen in Vlaamse groten betaalt (of in overleg minder) (P). De mogelijke wens van de in aanmerking komende kooplieden of reizigers tot een onmiddellijke afvaart van het veer is nadrukkelijk in focus met de aanduiding van hun zo grote haast; de wens kan vervuld worden op voorwaarde P. Dit is een bijzonder geval, want de voorwaardelijke relatie is ingebed in een ruimer geheel (geïndiceerd door dat de schippers ghehouden zullen zijn) met betekenisaspect ‘verplicht’, waardoor het impliciete ‘dat is toegestaan’ ingevoegd moet worden om de voorwaardelijke betekenis kloppend te krijgen: de veerman is verplicht een onmiddellijke extra afvaart te bieden aan een koopman of reiziger met veel haast, en dat mag hij doen op voorwaarde dat de betreffende kooplieden of reizigers 5 schellingen betalen - en de veerman geen hoger bedrag eist.
 De midts.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen de koopman of reiziger, die geen functie van onderwerp of voorwerp vervult in de direct hogere frase met de verplichting van de schippers, maar die enkel optreedt in een frase die daarin is ingebed. De betreffende midts.pp-frase bevat extra, ter verduidelijking, een Agentieve by-bepaling: by denzelven, die soe grooten haeste heeft, een bepaling die tegelijkertijd toelicht waarom een reiziger meer zou willen betalen.
77 [...] de heere ende gerechte [...] ordonneren, kueren ende statueren mets desen,
Dat alle brouwers van nu voirtaen hem sullen reguleren ende brouwen opten peyl ende kuere van tweendertich tonne, daer innegereeckent huere drynckebyer, ende daervan betaelen in handen van den croongaerders een croon van vierentwintich stuvers, soe men tot haertoe [hertoe] gedaen heeft. Ende soe wes brouwers langer willen brouwen dan tbroute te XXXII tonnen, zullen tselve mogen doen ende brouwen, soelange sij willen [Q], mits gevende tot profijt der voorscreven stede van elcke tonne daer over gebrouwen een blanck ende van alle halve vaten ende vierendeelen naer advenant [mits.pp P], daeraf de brouwers gehouden sullen sijn, den ontfangers van den voorscreven croongelt te doen aenbreng ende [ene?] verclaeringe, voir ende alleer zij uutleveren sullen, hoe veele zij overgebrouwen hebben. (RechtsbrHaarl 278v)
[Haarlem, Holland; 1548-T03] T=T03 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] de heer en het gerecht bevelen bij deze en stellen bij keur vast dat alle brouwers er zich vanaf heden aan zullen houden te brouwen tot het vastgestelde maximum van tweeëndertig tonnen, inclusief het bier voor eigen consumptie, en daarvoor in handen van de inners van de bieraccijns een kroonbelasting van vierentwintig stuivers zullen betalen, zoals tot nu toe gebruikelijk. En al wat brouwers meer willen brouwen dan het brouwsel van 32 tonnen, zullen zij desgewenst mogen brouwen, op voorwaarde dat zij voor elke ton die zij extra gebrouwen hebben, één blank betalen ten behoeve van de genoemde stad en voor elk half of kwart vat naar rato. Over deze productie zullen de brouwers verplicht zijn de inners van het genoemde kroongeld voordat zij tot verkoop overgaan een verklaring te overhandigen hoeveel zij extra gebrouwen hebben.’
    Het citaat is een keur op het bieraccijns, uitgevaardigd 3 november 1548, geldend voor Haarlem. Tekstcat. is A2. Woord: croongelt: ‘Eene belasting, die in kronen berekend wordt’ (MNW); wes: VMNW II.1. ‘In de verbinding wes so “Wat ook, al wat”.’
    Bierbrouwers die het voorgeschreven maximum aantal te brouwen tonnen bier wensen te overschrijden, krijgen daarvoor toestemming (Q). De wens van de brouwers wordt hier expliciet genoemd. De voorwaarde voor realisering van de wens is een belastingafdracht van één blank per extra vat gebrouwen bier (P).
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
78 Op den VIIden dach in septembri anno XVCXLIX heeft Joost Buyck Zijbrandtsz., burgermeestere, [...] communicatie gehouden mitten ouden burgemeesteren noopende dantwoort bij de Co. W. van Denemarcken [...] in der saicke beruerende dexactien gebuerende in den tolle van den Sondt, etc. Welcken antwoordt [...], den voors. burgemeesteren gelesen zijnde, hebben deselve geadviseert, dat men dinhouden vant voers. antwoort zoude accepteren [...]. Welverstaende dat men [...] zoude moegen bedingen, dat de scipperen, ondersaeten K[eizerlijke] M[ajestei]T voer den gewichtigen gouden gulden (mits die altijts niet te gecrigen zullen zijn) zouden moegen volstaen [Q] mits ghevende ander payment ofte penningen bedragende de waerde indertijt van een gouden gulden, tzij mit daelers oft andere penningen [mits.pp P]. (ResolVroeAmstI 88)
[Amsterdam, Holland; 1549-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Op de 7e dag van september van het jaar 1549 heeft Joost Buyck Zijbrandtsz., burgemeester, overleg gepleegd met de oud-burgemeesters inzake het antwoord gegeven door de Koninklijke Waardigheid van Denemarken over de kwestie van de heffingen die nu speelt bij de tol van de Sont, etc. Nadat genoemd antwoord aan de burgemeesteren voorgelezen was, hebben zij het advies gegeven om met de inhoud van dat antwoord akkoord te gaan, met dien verstande dat men zou kunnen bedingen, dat de schippers die onderdanen zijn van de Keizerlijke Majesteit, in plaats van de goudguldens van goed gewicht, die immers niet altijd te krijgen zijn, zouden moeten kunnen volstaan met betaling in andere valuta, dat wil zeggen met munten die de dagwaarde hebben van een goudgulden, hetzij daalders of andere munten.’
    Dit is een fragment van een verslag van overleg burgemeester met oud-burgemeesters Amsterdam over een probleem met tolbetaling in de Sont (tekstcat. B). De achtergrond van de kwestie is deze: de tolgaarder in de Sont maakte al in januari (o.a. Amsterdamse) schippers ongerust met de mededeling dat de tolheffingen ten behoeve van de Deense kroon met ingang van de zomer alleen betaald zouden kunnen worden met zgn. rozenobels (een nobel is een gouden munt meestal met een waarde van 50 stuivers (WNT nobel I); een rozenobel draagt de afbeelding van een roos). De pensionaris van Amsterdam had toen, samen met enkele dorpen en steden in Noord-Holland, het verzoek bij landvoogdes Maria van Hongarije neergelegd om deze maatregel ongedaan te doen maken (ResolVroeI 81). Naar aanleiding van dit verzoek heeft Amsterdam nu een reactie gekregen van de Deense koning. De oud-burgemeesters adviseren, ook om de vaart op de Sont gaande te houden, om met de inhoud van dit antwoord in te stemmen, maar voegen wel een mogelijk beding toe. Het citaat beschrijft dat beding. Woorden: gebuerende: MNW gebueren betek. 1 (‘geschieden, voorvallen [...]’); payment: gangbare munt; of, ofte: verklarend voegwoord, zie WNT of II.; gulden: kan ook mv zijn, zie WNT gulden II, 3 Aanm.
    ‘Met betaling in andere valuta, dat wil zeggen met munten die de dagwaarde hebben van een goudgulden, hetzij daalders of andere munten’ is middel voor het volstaan.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
79 [...] Ende angaende de schipperen, residerende in dorpen benoerden Haerlem, als Sparendamme, uuytgheseyt Ackersloet ende anderen dierghelycke, dat dezelve schipperen hier ter stede gheen poorters oft innewoonders goeden zullen moegen laeden, zooverre yemandt van den binnenlantsvaerders deser stede dezelve goeden begheert te vueren omme zulcken vracht ende loen, als de vreemde schipper bedongen zal hebben. Des zal de coopman zijn kuere hebben wat schip, onbevracht wesende, hy begheeren zal van deser stede poorteren, welverstaende, indien de coopman zynen goeden by den vreemde schipperen gevuert wilde hebben, dat dezelve vreemde de vrachte zal behouden [Q], mits alsdan betaelende tot behouff van ’t binnenlants ghilde thien stuvers [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 213v)
[Amsterdam, Holland; 1551-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] En wat de schippers betreft gevestigd in dorpen ten noorden van Haarlem, zoals Spaarndam - uitgezonderd Akersloot en dergelijke dorpen -, dat deze schippers hier in de stad geen goederen van burgers of inwoners zullen mogen laden, voor zover een van de binnenvaartschippers van deze stad deze goederen wenst te vervoeren voor een gelijke vrachtprijs als de schipper van elders bedongen heeft. In dat geval heeft de koopman de keuze welk nog onbevracht schip van burgers van deze stad hij zal wensen, met dien verstande dat als de koopman zijn goederen door de schipper van elders wil laten vervoeren, deze laatste de vrachtopdracht zal behouden, op voorwaarde dat hij dan tien stuivers betaalt ten behoeve van het gilde van binnenvaartschippers.’
    Dit corpusfragment omvat art. 3 van een keur betreffende de binnenvaartschippers van 16 oktober 1551.
Mijne Heren van het Gerecht hebben, zo stellen zij ter toelichting, klachten ontvangen van het gilde van binnenvaartschippers dat er bij het laden en lossen ‘zekere ongeregeldheid’ heeft plaatsgevonden tussen niet-lokale schippers en schippers van binnen de stad. Er moet duidelijkheid komen over wat toegestaan is, waarbij in principe de regel geldt dat wat voor een schipper uit een bepaalde andere stad toegestaan is in Amsterdam, ook toegestaan moet zijn voor de Amsterdamse schipper in die andere stad.
    Een schipper van benoorden Haarlem die door een koopman als vervoerder wordt geprefereerd boven Amsterdamse schippers die een gelijke prijs vragen, kan de opdracht uitvoeren (Q), zo bepaalt de keur, maar hij moet dan wel tien stuivers betalen aan het Amsterdams schippersgilde (P). De mits.pp-frase is comitatief: aan de bepaling dat, indien de klant dat wenst, een niet-lokale schipper een vervoersopdracht mag uitvoeren, knopen de opstellers van de keur een in hun ogen rechtvaardige betalingsverplichting vast waardoor het Amsterdams schippersgilde financieel geen nadeel lijdt.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen onderwerp van de mits.pp-frase zijn de schippers van benoorden Haarlem.
80 Des sullen deselve verwers dat eerst en alvoorn den waerdeyns te kennen geven, ende oick de voorscreven geblaeude laickenen denselven waerdeyns verthoonen, die denselven laickenen dan geven sullen een teycken [Q], mits ontfangende alsu[l]ck recht ende loon voir hueren moeysel, als zij gewoenlijck sijn te hebben van staelen [mits.pp P] (RechtsbrHaarl 305v)
[Haarlem, Holland; 1554-T03] T=T03 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[Over het verven van lakense stoffen die niet in Haarlem geweven zijn.] Daarvan moeten deze lakenververs van tevoren de stedelijk keurmeestersin kennis stellen en zij moeten de bedoelde geblauwde lakense stoffen ook aan de keurmeesters laten zien; dezen moeten deze stoffen dan merken, waarbij zij voor hun werk uiteraard de normale leges en het normale loon voor het merken van stalen ontvangen’
    Het citaat staat in een keur op het verven van uitheemse lakense stoffen, uitgevaardigd door de heer en het gerecht in Haarlem op 26 mei 1554. Tekstcat. is A2. In het aan het citaat voorafgaande tekstgedeelte wordt gesteld, dat wie lakense stoffen die niet in Haarlem vervaardigd zijn, wil blauwen en verven, dat moet doen in een aparte kuip; ze mogen niet vermengd raken met de Haarlemse stoffen. De lakenververs hebben meldplicht. Het citaat gaat in op de verplichting die de keurmeesters in deze situatie hebben.
    De stedelijke keurmeesters moeten na inspectie de niet in Haarlem vervaardigde maar daar wel geverfde lakense stoffen merken en als Haarlems certificeren (Q), en zij ontvangen daarvoor vanzelfsprekend dezelfde leges en hetzelfde loon als zij voor stalen van in Haarlem gemaakte stoffen krijgen (P). De heren van het gerecht formuleren in deze keur de gelijke betaling voor het merken van niet in Haarlem vervaardigde maar daar wel geverfde stoffen als een vanzelfsprekend aspect van het aan de keurmeesters opgedragen certificeren. De gelijke financiële behandeling is comitatief ten opzichte van de normale wijze van certificeren. De heren van het gerecht, d.w.z. het stadsbestuur, bepalen hier dus iets over de betaling van eigen ambtenaren.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject. Begrepen onderwerp zijn de keurmeesters.
81 Roerende zekeren gescutte de K.Mt. te leenen.
Up huyden hebben mijne heeren de burgermeesteren communicatie gehouden mitten ouden raidt noopende tversouck gedaen bij den hoofmeester van mijnen heere van Crueningen, die uuyt crachte van zijnen laste ende [Q1 1e deel] mits thoenenden briefven van recommmandatie van der Coninginne ende briefven van credentie, hem medegegegeven bij mijnen heere den stadthouder de heere van Beveren etc. [mits.pp P1], begeert heeft te besichtigen deser stede geschutte ende Q2 daaruyt te moegen lichten ende doen wechvueren in dienste Key.Mt. alzulcke stucken als den hoofmeester voors. zoude geraeden duncken te besigen in de reyse K.Mt. nae Spaengen [Q2], mits tzelve geschudde deser stede gerestitueert [werdde], ende off daeraff yet verloeren werdde, dat men tzelve der stede zoude betalen tot zulcken prijse als tzelve geschut bij luden, hen dies verstaende, getaxeert zoude wesen [mits + Vf P2a ende dat + Vf P2b] [Q1 2e deel] (ResolVroeAmstII 98v)
[Amsterdam, Holland; 1555-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Instr CV=W4 VO=QPQ
           
    ‘Over het uitlenen van geschut aan de Keizerlijke Majesteit.
Heden hebben mijne heren burgemeesteren overlegd met de oud-raad over het verzoek gedaan door de hofmeester van mijnheer van Cruijningen, die krachtens zijn lastgeving en met het tonen van aanbevelingsbrieven van de Koningin en van geloofsbrieven die hem meegegeven waren door mijnheer de stadhouder de heer van Beveren enz., de wens heeft geuit het geschut van deze stad te inspecteren en daaruit ten dienste van de Keizerlijke Majesteit díe stukken geschut te mogen lichten en te laten transporteren die genoemde hofmeester zou adviseren te gebruiken op de reis van de Keizerlijke Majesteit naar Spanje, onder de voorwaarde dat dat geschut aan de stad teruggegeven zou worden en dat men, als daarvan iets verloren zou gaan, dat aan de stad zou vergoeden voor een zodanige som als waarvoor dat geschut getaxeerd zou worden door ter zake deskundigen’
    Het citaat is ontleend aan het verslag van de zitting van de oud-raad in Amsterdam d.d. 7 november 1555. De oud-raad was ‘het college van regerende en oud-burgemeesters, dat de vier regerende burgemeesters van advies diende’ (ResolVroeAmstII 10). Tekstcat. is B. Woorden, namen: mitten ouden raidt: WNT oud-raad: na de algemene betekenis volgt een verbijzondering voor Amsterdam: ‘Te Amsterdam komt oudraad sedert de 16de eeuw in twee opvattingen voor, als naam voor de vergadering van burgemeesteren en oud-burgemeesteren (reeds in 1546), en als naam voor het kiescollege van burgemeesteren, t.w. burgemeesteren, schepenen, oud-burgemeesteren en oud-schepenen.’_ in het citaat betreft het de eerste betekenis; mijnen heere van Crueningen: Jan VI van Cruijningen, heer van Cruijningen, Heenvliet enz., sinds 1547 tevens burggraaf van Zeeland (ResolVroeAmstII 301 nt. 242); de heere van Beveren etc.: bedoeld is Maximiliaan II van Bourgondië-Beveren, die in 1555 heer van Beveren, markgraaf of heer van Veere, stadhouder van Holland enz. was; K.Mt.: gedoeld wordt op Karel V (ResolVroeAmstII 301 nt. 241); verstaende: MNW verstaen betek. III.4.
    Het citaat is complex. In de woorden van de verslagschrijvende stadssecretaris heeft de hofmeester op grond van zijn lastgeving door Van Cruijningen een bepaald verzoek bij burgemeesteren neergelegd (Q1) waarbij hij als middel om zijn verzoek gehonoreerd te krijgen brieven van de koningin en van de stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland heeft laten zien (waarschijnlijk over de gevaren van de voorgenomen zeereis van de keizer naar Spanje) (P1). Het verzoek Q1 betreft toestemming voor een inspectie van het Amsterdamse geschut en in het verlengde daarvan de toestemming om daaruit geschikte stukken te mogen lenen ten behoeve van de zeereis van de keizer. Binnen het geheel van het verzoek Q1 wordt aan het belangrijkste element hiervan, de wens om geschut voor dat doel te mogen lenen (deze wens noemen we Q2), de belofte gekoppeld om te zijner tijd een tweeledige voorwaarde te vervullen: het geschut zou na de genoemde inzet teruggegeven worden (P2a), en als er iets van verloren zou zijn gegaan, zou de waarde van het verlorene adequaat vergoed worden (P2b, met andere grammaticale vorm). In dit citaat is derhalve een zelf al complexe conditionele constructie van de vorm Q2 - mits + Vf P2a ende dat + Vf P2b ingebed in het belangrijkste deel van onderdeel Q1 van de instrumentele mits.pp-constructie.
Het is hier in de relatie tussen Q2 en P2 zo dat de keizer, aan wie gunst Q2 zou toevallen, geacht moet worden degene te zijn die de wellicht door de stad te stellen voorwaarden P2a en P2b (het geschut terugbezorgen en gevallen van verlies vergoeden) eventueel zal moeten realiseren. Maar zijn actieve rol blijft in P2a onder de oppervlakte omdat P2a in passieve vorm wordt uitgedrukt, terwijl P2b slechts een actieve rol van een men noemt. Met deze vaagheid correspondeert het gegeven dat er geen uiterste termijn genoemd wordt, waarbinnen van teruggeven en eventuele schadevergoeding sprake zou zijn.
 De aansluiting van de mits.pp-frase met P1 is conjunct subject-subject. Als subject wordt begrepen de hofmeester van heer Van Cruijningen, die ook optreedt als subject van de direct hogere frase met predicaat begeert heeft.
82 Van drie getouwen te moeten bevryen die int ambocht compt.
Item, zoe en sal van nu voortaen nyemant int voorscr. ambocht commen, hy en zal bevryen drie getouwen ende nyet meer, op de boete van vyff sc. Gr. Vl. [Q], mits betalende tot behouff van den outaer voor zijn vrydom 10 sc. gr. Vl. [mits.pp P] Ende waert saeeke, dat eenich vrymeester uiter stede ruimde by nachte ofte by [an]dere subtile vonden ende die luyden thuer ontvoerde, die zal verbueren zynen vrydom van den voorscr. ambochte. (BronnenMiddelb dl. 3: 685)
[Middelburg, Zeeland; 1555-T03] T=T03 P=Middelburg R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Over de plicht van inkomende gildeleden om drie getouwen in gebruik te nemen.
Voorts: ieder die van nu af aan in het genoemde gilde intreedt, moet gaan werken met drie getouwen en niet meer dan drie (op straffe van een boete van vijf schellingen in Vlaamse groten), en voor hem geldt uiteraard de verplichting dat hij ten behoeve van het gilde-altaar voor de autorisatie van zijn vrije beroepsuitoefening 10 schellingen in Vlaamse groten dient te betalen. En mocht het gebeuren dat een erkende meester bij nacht of met andere sluwe trucs de stad verlaat en het loon van de knechts meeneemt, dan zal die persoon zijn gildelidmaatschap verliezen.’
    Dit citaat behelst art. 2 van een keur, uitgevaardigd op 23 nov. 1555 door het Middelburgse stadsbestuur (baljuw, burgemeesteren, schepenen, raadsleden) inzake het linnenweversgilde. Tekstcat. is dus A2. Woord: bevrijden: WNT bet. 3.
    De titel van het artikel is helder en helpt om de strekking van de eerste zin daarna met zijn drie negatieve elementen te reconstrueren. Deze zin wil allereerst een plicht uitdrukken bij toetreding tot het gilde: men dient te gaan werken op drie getouwen, en niet meer (Q); door mits.pp P wordt een verdere bepaling genoemd: men moet voor zijn autorisatie betalen ten behoeve van het gilde-altaar (P). Maar op geen enkele manier kan P als een voorwaarde gezien worden voor Q, het is natuurlijk niet de bedoeling dat iemand niet aan P voldoet (door niet te betalen voor het altaar) en dan Q zou kunnen negeren (een ander aantal getouwen gaan gebruiken). P moet opgevat worden als volgens het verantwoordelijke stadsbestuur verplicht komend bij Q, dat de aanleiding is voor het opstellen van de nieuwe keur, dus als een comitatieve bepaling. P zou wél als conditie (of eventueel instrument) opgevat worden bij ombouw van het voorafgaande deel van de zin tot een positieve uitdrukking in de trant van ‘men kan lid worden van het gilde’, maar door de overstemmende voorwaardelijke betekenis van ‘als iemand lid wil worden moet hij drie getouwen gaan gebruiken’ is die mogelijkheid voor deze tekst niet aanwezig.
 De mits.pp-frase is conjunct, want als onderwerp wordt begrepen elke linnenwever die lid wil worden van het gilde, en deze uis ook het onderwerp van de bovengeschikte frase met het predicaat sal bevryen.
83 Dynxdach ultima Decembris 1555. Szo Hueghe Tyelmans sijn schuldt ende versumenisse bekandt gestaen ende daerup van den erbaren heren vertichtenisse myt oedtmoedt begheert hefft, na vermeldt sijn overghegeven supplicatie ende insunderheyt, ummedat he sich hoechlyken beclagende ys, woe he anders gheschapen solde sijn, durch szodane sijne overtredinghe ende versumenisse van sijn officie gestalt ende priveert twordende ende vermydts dien tot miserie ende armode te komende etc., schelden daerumme B. ende R. sampt T. ende B., hiir tegenwoerdich, gedachten Hughe Thielmans szodane overtredinghe, versumenisse ende misbrueck, als he tegens de hoecheyt deser stadt voer dyt mael gedaen ende gecommitteert hefft, quijdt ende tho goede [Q], myts stellende den ghevangen wederumme in sijnen handen ende bewaersamheyt [myts.pp P], gunnen hem oeck in favoer der justicie ende gerechticheyt, dat he sijne commissie ende bevell voerten sal moegen achtervolgen ende nagaen, als sich des na rechte ende gewoenheyt eghen ende behoeren sall. (DiarAlting 48v)
[Groningen, Noordoost-Nederland; 1555-T03] T=T03 P=Groningen R=Noordoost-Nederland TC=C TG=Versl TS=p SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Dinsdag, de laatste dag van december 1555. Omdat Hughe Thielmans zijn schuld en verzuim bekend heeft en daarna aan de geachte heren [van het stadsbestuur] ootmoedig vergiffenis gevraagd heeft blijkens het door hem overhandigde smeekschrift, en in het bijzonder omdat hij in hoge mate opziet tegen een situatie waarin hij vanwege de betreffende overtreding uit zijn ambt ontheven zou worden en daardoor tot ellende en armoede zou vervallen etc., daarom verklaren Burgemeesters en Raad tezamen met Taalmannen en Bouwmeesters hier aanwezig, vanuit hun goede wil genoemde overtreding, fout en misstap die Hughe Thielmans in dit geval tegen het recht van deze stad begaan heeft en waarvoor hij verantwoordelijkheid genomen heeft, te zullen beschouwen als niet hebbende plaatsgevonden door de gevangene opnieuw bij hem persoonlijk in bewaring te geven, en zij staan hem ter bevordering van de rechtspleging ook toe, zijn taak en bevelvoering van nu af aan verder uit te voeren zoals dat steeds volgens het recht en het gangbaar gebruik passend is.’
    Dit citaat behelst de aantekening bij dinsdag 31 december in het dagboek van Egbert Alting. Als dagboekaantekening valt de tekst in categorie C. Alting was van 1549 tot 1594 secretaris van de stad Groningen, tot 1558 als tweede secretaris, daarna als eerste. Het door hem ambtshalve bijgehouden protocol noemde hij zelf ‘diarium’; het bevat de vermelding van resoluties van burgemeesters en raad en van het stadsbestuur in ruimere zin, maar ook van wederwaardigheden in Groningen en persoonlijke en familiegerelateerde kwesties; akten, plakkaten, brieven, resoluties en sententies heeft hij vollediger en netter bijgehouden in aparte protocollen (DiarAlting XIV, XV). De stedelijke raad waarvan Alting secretaris was, bestond in de tweede helft der 16e eeuw uit zestien leden, waarvan vier burgemeesters. Zij bestuurden de stad en spraken recht in civiele, criminele en voluntaire zaken (DiarAlting IX). In de direct voorafgaande aantekening (bij de gedenkdag van de helilige Stefanus, 26 dec) komt aan de orde dat gerechtsfunctionaris Thielmans zonder toestemming van burgemeesteren een gevangene de stadspoorten binnengeleid en naar een herberg gebracht heeft. De raad vond dat onjuist en liet de gevangene in de stadsgevangenis zetten. Woorden, informatie, afkorting: vermeldt: MNW vermelt betek. (‘mondelinge of schriftelijke bekendmaking. (...) Ook van een geschreven stuk, inhoud’); beclagende: MNW beclagen betek. III (‘zich over iemand of iets beklagen’); szodane: MNW sodaen (betek. Zodanig, zulk’); gescapen: MNW gescapen betek. 3, eerste streepje (‘(...) vooral met het als ondw. In de uitdr. Het is of staet gescapen (gescepen) met een bijw. Van wijze en met of zonder 3den nv., het staat geschapen, het staat (met iemand), het is gesteld (met iemand), of met veranderd onderwerp iemand is in een zekeren toestand. Meestal van een ongunstigen of onaangenamen toestand’); B. ende R. sampt T. ende B.: ‘Borgemeesteren ende Raedt en Sworen Meente [zijn] veelal afgekort tot B. ende R. en S. M. en deze colleges, aangevuld met de oude Raedt, taalmannen en bouwmeesters van de gilden, met B. ende R., oldt ende nije, sampt T., S. M. ende B. V. d. g.’ (DiarAlting XVIII); taalman: MNW taelman betek. 5 (‘raadsman’)); hoecheyt: MNW hoocheit betek. 3 (‘de aan eene vorstelijke of hooge waardigheid verbonden rechten; lat. Jura majestatica of regalia’); tho goede: MNW goede I betek. Onder tweede streepje (‘(...) goede vrede, goede verstandhouding’ _ het eerste voorbeeld bevat de combinatie inder gueden (‘in der minne (...)’); quijdtschelden: WNT kwijtschelden bet. I.4 (‘van straffen en in ‘t algemeen van wat iemand bedreigt. Verklaren dat hij er niet door getroffen zal worden, opheffen enz.’); nagaen: MNW nagaen II betek. 3; voerten sal moegen achtervolgen ende nagaen: de continuering van Thielmans’ bewaarderschap is relevant omdat hij pas elf dagen in functie was (‘De commissie van de deurwaarder was namens de graaf van Aremberg door het Hof van Friesland 20 december 1555 afgegeven’ (DiarAlting 49 nt 2); eghen: woordenlijst in DiarAlting: egen, eigen: ‘behoren, passen’.
    Volgens Altings notities besluit het stadsbestuur om een pas aangetreden gerechtsfunctionaris die Gronings recht overtreden had door een gevangene naar elders in de stad te brengen, zijn misstap niet aan te rekenen en een streep te zetten door de overtreding (Q). Men wil dit bereiken door de gevangene opnieuw toe te vertrouwen aan de bewaking door de functionaris opdat die dan in tweede instantie de juiste procedure kan bewandelen (P). P is dus middel.
 De myts.pp-frase is conjunct, want als onderwerp worden begrepen Burgemeesters en Raad, die ook onderwerp zijn van de direct hogere frase.
84 Item, sullen de voirnoemde brouwers, wesende omtrent die haevene van Arnemuyden, gheen bier moegen zenden om te watere ofte te lande te gebruycken aen eenige persoenen, dairomtrent geseten, dan in handen van hueren biersteker.
Welck voorscr. contract die voornoemde parthyen hinc inde belooft hebben ende beloven mits desen in handen van my, notaris publijck, hyeronder gescreven by wettige stipulatie, in alle zijn poincten ende articulen voeren verhaelt wel ende getrouwelicken te onderhouden sonder eenige simulatie ofte bedroch, welverstaende zal dit voirscr. contract wesen by provisie, dat beyde de voorscr. partyen sullen tzelffde moegen elckanderen opzeggen tot allen tyden, als zy hemluyden by dit contract bezwaert vinden [Q], mits hemluyden betaelende gelijck alsvoeren verhaelt staet [mits.pp P]. (BronnenMiddelb dl. 3: 695)
[Middelburg (+Delft +Den Haag), Zeeland; 1556-T03] T=T03 P=Middelburg P=Delft P=Den Haag R=Zeeland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts zullen voornoemde brouwers, als zij in de haven van Arnemuiden liggen, geen bier mogen leveren dan alleen via hun biersteker aan personen die zich daar bevinden om ter zee of te land te gebruiken.
Dit contract hebben genoemde partijen vanaf heden gesloten en toevertrouwd in handen van mij, publiek notaris, die hieronder heeft getekend volgens de wet. Zij beloven het in al zijn punten en eerder opgesomde artikelen goed en getrouw te onderhouden zonder enig veinzen of bedrog; met dien verstande dat dit contract een voorlopige regeling is, zodat beide genoemde partijen het te allen tijde mogen opzeggen als zij menen door dit contract benadeeld te worden, op voorwaarde dat zij de andere partij betalen zoals eerder vermeld.’
    Deze passage staat in een notariële overeenkomst (datering 22 okt. 1556) tussen het stadsbestuur van Middelburg en enkele bierbrouwers uit Delft betreffende de doorlopende aanvoer van Delfts bier in Arnemuiden. Tekstcat. is A1 want de tekst is een fragment van een overeenkomst opgemaakt bij notaris Proost, Den Haag, in aanwezigheid van getuigen.
    De beide contractpartijen zijn te allen tijde gerechtigd tot opzegging van het contract als ze menen erdoor benadeeld te worden (Q), op voorwaarde dat ze de andere partij schadeloos stellen zoals in het contract vermeld (P). Een eventueel verlangen van een partij om het contract te ontbinden (nader gespecificeerd door de beoordeling van het contract als nadelig) wordt in beschouwing genomen: P heeft een conditionele rol.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
85 Item soe wanneer een poorter eenen gast heeft doen bestellen, sal uptenselven gast zijn recht hebben des Saterdaechs nae die bestellinghe eerstcommende. Ende een gast, bestelt zijnde van eenen anderen gast, mach, indient hem belieft, een onvertoeghen recht beegheeren [Q], mits elckx inleggende vier stuvers [mits.pp P], ende dyen sullen scepenen teynde gheven over sijn dwersnachten. Ende indien zy daarentusschen met malcanderen dyes composeerden, zoe sal van elcke partye zijn ingheleyde ghelt blyven onder den gherechte, van elcx twee stuvers. (RechtsbrSchied 93)
[Schiedam, Holland; 1556-T03] T=T03 P=Schiedam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voorts: als een poorter een vreemdeling heeft laten arresteren, zal de laatste zijn proces hebben de eerste zaterdag na de arrestatie. En een vreemdeling die gearresteerd is op verzoek van een andere vreemdeling, mag, als zij dat willen, een onmiddellijk proces vragen, op voorwaarde dat zij beiden vier stuivers deponeren, die zij na afloop aan schepenen zullen afstaan voor het proces binnen een dag. En als zij tussentijds met elkaar tot een schikking zouden komen, dan zullen van het ingelegde geld van elke partij twee stuivers bij het gerecht blijven.’
    Dit citaat omvat artikel 1 van een Schiedamse keur uit 1556 (tekstcat. A2) betreffende zgn. gastdingen: gedingen waarbij ten minste één van de partijen iemand van buiten Schiedam is. Woorden: gast: MNW gast I betek. 1 (‘vreemdeling. Tegenover poorter); bestellen: MNW betek. 9 (‘met den 4den nv. van den pers. Beslag leggen op, arresteeren’ _ één van de voorbeelden in het MNW houdt ook verband met het gastding: ‘So mach een poorter enen gast van buten... becommeren ende bestellen bynnen der vryheit van onser stede..’); bestellinghe: MNW bestellinge betek. ‘arrest, beslag’; onverthoegen: MNW onvertogen betek. 1 (‘(...) niet uitgesteld, niet verschoven, niet op de lange baan geschoven’); recht: MNW recht I betek. 10 (‘eene bepaalde rechtspraak, een proces of geding’); begeren: MNW begeren betek. 1 (‘(...) ook in de ruimere opvatting van vragen, verzoeken, het verlangen uitdrukken of te kennen geven.’) en WNT begeeren ( ‘verlangen hebben naar iets (of iemand); in de oudere taal vaak met het bijdenkbeeld dat het verlangen ook wordt uitgesproken (...).’), betek. 1.a; dwersnachten: MNW dwarsnacht betek. ‘eigenlijk de tusschenin liggende nacht, de nacht die eene bepaalde tijdruimte scheidt, een termijn van één dag ; als bijw. ook overdwersnacht (...), zóó dat slechts ééne nacht verloopt vóór het volbrengen van eene handeling, binnen 24 uren, den volgenden dag. Duidelijk blijkt deze bet. in de uitdr. over dwersnacht recht doen, d. i. kort recht doen, nl. binnen 24 uren.’
    Vreemdelingen van wie de een de ander laat arresteren, mogen om een snelle rechtsgang vragen (Q) op voorwaarde dat beide partijen vier stuivers storten (P), die zij na afloop van de rechtsgang aan schepenen laten voor het ‘kort geding’. Q duidt op het recht dat partijen hebben om een proces binnen een dag te verlangen. P noemt de voorwaarde verbonden aan gebruikmaking van dit recht.
 De mits.pp-frase is conjunct, want als subject worden begrepen beide vreemdelingen, die ook subject zijn van de hogere frase.
86 Item soe wat persoenen met malcanderen part ende deel aen een schip hebben, ende dye nyet accorderen noch oevereendraeghen en konnen, hetzij ofte zij met malcanderen ghereet hebben ofte nyet, alsoe dat den eenen van den anderen wesen wil, soe sal di^heene’ [diegheene], tzij schipper, stierman ofte reeder, die wil ghescheyden wezen, comen voor den schout ende twee schepenen, ende maicken zijn recht met twee stuvers [Q], mits overleverende op ghescrifte die voirwairden van den settinghe [mits.pp P], dairaff hebben sal die schoudt een brieffken, den secretaris een briefken ende dengheene, dietselve schip gheset wordt, een briefken, diewelcke by der steede boede ghebracht zullen worden in handen van dengheenen, aen wyen die settinghe ghescyet (RechtsbrSchied 113)
[Schiedam, Holland; 1556-T03] T=T03 P=Schiedam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, als personen deelgenoot zijn in een schip en al of niet na gemeenschappelijke voorbespreking niet tot overeenstemming kunnen komen over [de financiële gevolgen van] het feit dat de een zich wil losmaken van de ander, dan moet diegene die wil uittreden - schipper, stuurman of reder - voor de schout en twee schepenen verschijnen en tegen betaling van twee stuivers [de waarde van] zijn aandeel bepleiten door de berekening van de overnamesom zwart op wit te overhandigen. Daarvan krijgt zowel de schout, de secretaris als degene voor wie het schip getaxeerd wordt een kopie, die door de bode van de stad in handen van diegenen zal worden gesteld die de overnamesom zouden moeten opbrengen’
    Dit citaat komt uit een keur van de stad Schiedam. Tekstcat. is A2. Dit artikel is het eerste van een keur over ‘denghenen die metten anderen ghesceept zijn’, d.w.z. over burgers die deelnemen in een gezamenlijk schippersbedrijf. Woorden: scheiden II VMNW betek. ‘zich verwijderen; uit elkaar gaan’; ghereet: VMNW ghereiden betek. III. 1 (‘zich voorbereiden’); maicken (zijn recht): VMNW betek. I.2 (‘ (jur.) vaststellen, bepalen, overeenkomen); settinghe: settinge: MNW betek. 4.b (‘het bepalen door een der beide rechthebbenden van de som waarvoor een deel van een gemeenschappelijk eigendom door den ander kan worden overgenomen’), WNT zetten B II 34 b alfa 4e.
    Wie wil uittreden uit een gezamenlijke scheepvaartonderneming, moet voor schout en twee schepenen tegen betaling van twee stuivers de overnamesom van zijn aandeel bepleiten (Q) door middel van een overhandigde berekening die ten grondslag ligt aan een taxatie van zijn deel (P). P duidt een instrument aan.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen de persoon (schipper, stuurman of reder) die wil uittreden; deze persoon is ook het subject van de bovengeschikte frase, uitgedrukt door diegheene [...] die wil ghescheyden wezen.
87 92. [...] die heere ende gerechte deser stadt Haerlem [...] ordonneren [...] dat alle moeble goeden, imboel ende huysraet, eenige weeskinden in vrijen eygendomme aenbestorven ofte hemluyden gelegateert, van nu voortaen bij den gesworen clercken ende boden deser voorscreven stadt int openbaer vercoft zullen worden, ten meesten oirbaer ende proffijte van dezelve weeskinderen, binnen deerste zesse weecken, naerdat die voorscreven goeden henluyden eygentlijcken opgecomen ofte aenbestorven sullen wesen [Q1], mits den voorscreven clercken ende boden daervan betalende den XXen penninck [mits.pp P1], waervooren zijluyden gehouden zullen wesen, die penningen van de voorscreven moeble goeden gecomen te samen op te brengen, ende daervooren te responderen, opte boete van thien ponden heeren gelts, bij den voochden ofte naeste vrunden van de voorscreven kinderen te verbeuren, ende te gaen aen drien, den heere, de stede ende den aenbrenger elcx een derdendeel, ten waere den burgemeesteren ende schepenen deser voorscreven stad uuyt merckelicke oirsaecken anders dochte geraeden te zijn.
93. Die heer ende gerechte gebieden allen poorteren ende inwoonderen deser stede, die imboel, huysraet ende roerende goeden aen eenige uuytdragers ofte uuytdraechsters vercopen willen, dat se dat laeten veylen, vercopen ende bescrijven bij den clercken ende boden deser stede, daeraff gevende den twintichsten penninck [Q2], mits dat se die penningen te samen sullen opleveren nae ouder gewoonten als vooren [mits dat + Vf P2], ende dit opte boete van zesse ponden heeren gelts, den heer, de stede, die clercken ende boden te samen elcxs een derdendeel. (RechtsbrHaarl 335)
[Haarlem, Holland; 1557-T03] T=T03 P=Haarlem R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Art. 92. [...] heer en gerecht van deze stad Haarlem kondigen af dat alle roerende goederen, inboedel en huisraad, die weeskinderen in vrij eigendom geërfd hebben of die hun is gelegateerd, van nu af aan door de ingezworen klerken en boden van de genoemde stad in het openbaar verkocht moeten worden tot maximaal nut en profijt voor de betreffende weeskinderen, binnen zes weken nadat de genoemde goederen hun concreet ten deel gevallen of nagelaten zullen zijn, waarbij daarvan aan de genoemde klerken en boden de twintigste penning uitbetaald dient te worden - voorafgaand zullen dezen gehouden zijn het totaal van de door de genoemde roerende goederen opgeleverde gelden in één keer op tafel te leggen en daarover verantwoording af te leggen. [Deze bepaling geldt] op straffe van een boete van tien ponden herengeld, die de voogden of naaste familie van de genoemde kinderen verbeuren, en die ten goede komt aan drie partijen: de heer, de stad en de de aanbrengende ambtenaar elk voor een derde deel, tenzij de burgemeesteren en de schepenen van deze stad op grond van bijzondere gronden anderszins geraden achten.
Art. 93. De heer en het gerecht bevelen alle burgers en inwoners van deze stad die inboedel, huisraad en roerende goederen aan uitdragers of uitdraagsters willen verkopen, dat ze de betreffende objecten laten veilen, verkopen en beschrijven door de klerken en boden van deze stad; zij dragen aan deze ambtenaren de twintigste penning af, waarbij dezen het totaal van de opbrengsten op tafel dienen te leggen volgens de oude gewoonte zoals hiervoor genoemd. [Deze bepaling geldt] op straffe van een boete van zes ponden herengeld, voor de heer, voor de stad en voor de klerken en boden samen elk een derde deel.’
    Dit lange citaat betreft twee artikelen uit paragraaf XV ‘Van den clercken ende boden’ van het Haarlemse Keurboek van 1557. Tekstcat. is A2. Dit Keurboek is de voor de aflezing op 19 maart 1557 geactualiseerde versie van de in 1553 door schepen Jan Conincsz. afgeronde systematische codificatie van bruikbaar geachte Haarlemse keuren. Conincsz. kreeg in 1551 hiertoe de opdracht van het stadsbestuur; de opdracht kwam dus niet, zoals eerder (ook in andere steden) van de landsheer. Veel keuren in de editie-1557 gaan terug op oudere keuren; zo wordt de inhoud van art. 93 genoemd in een register van 1517 (RechtsbrHaarl 335 nt. 2). Woorden: die heer ende gerechte: de heer duidde in Haarlem in deze tijd vermoedelijk op de schout of een andere vertegenwoordiger van de landsheer, en tot het gerecht in Haarlem behoorden burgemeesters en schepenen; opgecomen: MNW opkomen betek. 10, met verwijzing naar aencomen betek. II.6.
    Ad art. 92: de heer en het gerecht bepalen dat de klerken en boden van de stad de taak hebben om geërfd bezit van weeskinderen binnen een vastgestelde termijn in het openbaar te veilen en om de opbrengst ten goede te laten komen aan deze kinderen (Q1), waarbij een twintigste deel van de hun toekomende opbrengst aan de klerken en boden dient te worden uitbetaald (P1). Enigerlei wens of belang van de weeskinderen is hierbij niet in het spel, en van een hun op te leggen voorwaarde om dat belang te dienen is dan ook geen sprake; P1 heeft een comitatieve rol. Ad art. 93: het gaat hier om een overeenkomstige plicht van de klerken en boden. De magistraat past hier een constructie mits dat + Vf toe. Bepaald wordt dat de verkoop van roerende goederen door gewone burgers plaats moet vinden via de veiling en dat ook zij een twintigste deel van de opbrengst moeten afstaan aan de klerken en boden (Q2), waarbij deze laatsten eérst de totale opbrengst daadwerkelijk op tafel dienen te leggen (P2). P2 heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase (in art. 92) is semi-conjunct, want als onderwerp worden begrepen de weeskinderen (uit wier verkoop opbrengsten betaald wordt, ook al voeren zij de betaling niet zelf uit), die niet in de rol van onderwerp of voorwerp in de direct hogere frase optreden maar alleen in een possessieve bijvoeglijke bepaling bij proffijte. De klerken en boden hebben daarbij de plicht om tevoren bewijs te leveren van de totale veilingopbrengst, maar dat wordt niet met een mits-constructie uitgedrukt.
88 Es bij den voors. raiden geresolveert dat de coopluden van Ghent zoude werdden geaccordeert volgende tvoors. privilegie hoere goeden te laeden op de nyewe vaert voors. in zulcken scepen als zijluden hier vrachten willen [Q1], mits stellende cautie om te brengen binnen den tijt van zes weken ofte twe maenten certificatie dat hoerluder goet op de nyewe vaert es gevuert ende gelost [mits.pp P1], ende daermede [metmede P2] zouden volstaen, ende dit zoe wanneer den overluden van den binnenlantsvaerders nyet kennelick es tvoors. guet gevuert te werdden op de nyewe vaert voors. [Q2] (ResolVroeAmstII 145)
[Amsterdam, Holland; 1557-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voornoemde raden hebben bepaald dat het de Gentse kooplieden op grond van genoemd privilege toegestaan zou moeten worden om hun goederen naar de voornoemde Nieuwe Vaart [verbinding van de Westerschelde met Gent] te vervoeren met de schepen die zij hier willen bevrachten, op voorwaarde dat zij een borg stellen om binnen zes weken dan wel twee maanden het bewijs te leveren dat hun goederen naar de Nieuwe Vaart zijn vervoerd en daar gelost; daarmee zouden ze aan hun verplichtingen voldoen, ook wanneer het de oversten van het binnenschippersgilde niet bekend is dat het genoemde goed naar de genoemde Nieuwe Vaart vervoerd zal worden.’
    Besluit van de oud-raad Amsterdam, juni 1557. Tekstcat. is B. Bij Amsterdamse binnenschippers bestond nog het idee dat Gentse kooplieden hun in Amsterdam aangeschafte waren alleen door Amsterdamse schippers mochten laten vervoeren naar Gent, zoals Amsterdamse kooplieden analoog voor hun transporten terug naar Amsterdam lange tijd alleen Gentse schippers mochten inhuren. Naar aanleiding van onenigheid die hierbij was ontstaan, stelt de vroedschap vast, dat de beperkingen in Gent niet meer bestaan sinds de toekenning van een keizerlijk privilege van enkele jaren eerder, waardoor de Amsterdamse kooplieden daar intussen de vrijheid hebben om Amsterdamse schippers vrachtopdrachten te geven. Woorden: raad WNT B, 1, c, streepje: vanaf 16e eeuw: pesoon in college enz.; raad B, 2, c raad als hele college; één vb uit 1568, verder latere vbb; nyewe vaert: in 1547 gaf Karel V aan Gent het octrooi voor de aanleg van de Sassevaart (ook Gentse of Nieuwe Vaart genoemd) als waterweg naar de Westerschelde; bij de sluis naar de Westerschelde ontstond de nederzetting Sas van Gent.
    De leden van de oud-raad besluiten dat Gentse kooplui, actief in Amsterdam, voor het vervoer van hun koopwaar naar de Gentse Nieuwe Vaart de schepen mogen kiezen die zij willen (Q1), op voorwaarde dat de Gentenaren een borg afgeven om binnen twee maanden bewijs van lossing aldaar te verstrekken (P1). Het besluit wordt nog gespecificeerd met een parallelle en inhoudelijk behoorlijk identieke constructie met instrumenteel Q2 met/mit/mits P2, waarin de borg (hernomen in daermede) nl. geen voorwaarde genoemd kan worden, maar zelf een middel is: daermede [met P2] zouden [de Gentse kooplui] volstaen, ende dit zoe wanneer... op de nyewe vaert voors. [Q2], waarin Q2 verwijst naar een voldoende-zijn voor een situatie dat de toezichthouders van het Amsterdamse gilde niet op de hoogte zijn van de Gentse bestemming van de bewuste goederen, dan hebben de Gentse kooplieden de genoemde vrijheid evenzeer. Het citaat demonstreert de vergaande verwantschap van de conditionele en de instrumentele constructies.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject aangesloten. Begrepen subject zijn de Gentse kooplieden.
89 Ten zelven dage hebben mijn heeren de burgemeesteren communicatie gehouden mitten voors. raiden aengaende de peticie bij de Mat. ofte mijnen heere mr. Joachim van Honsocht in Zijne Mts. naeme gedaen omme te starcken tgeloove van den Coninck, onsen G.H., mitter stede obligatie ende verzegelinge ter somme van Lm gulden binnensjaers betaelt te werdden, etc. Daerop diversse communicatiën in voertijden gehouden zijn geweest ende daerinne de Mt. noch insisteert [Q], mits der stede indemnerende, etc. [mits.pp P] (ResolVroeAmstII 173)
[Amsterdam, Holland; 1558-T03] T=T03 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Op dezelfde dag hebben mijne heren burgemeesteren beraad gehouden met de genoemde raadsleden [de 36 vroedschapsleden] over het verzoek gedaan door de Majesteit, dat wil zeggen door mijnheer mr. Joachim van Honsocht uit naam van Zijne Majesteit, om het vertrouwen in de koning, onze genadige heer, te bevestigen met de bindende toezegging van een lening ten bedrage van 50.000 gulden, binnen één jaar terug te betalen, enz. Hierover zijn in het verleden verschillende beraadslagingen gehouden en de majesteit dringt er nogmaals sterk op aan [op een toezegging], waarbij hij de stad vanzelfsprekend zal terugbetalen, enz.’
    Dit citaat komt uit het verslag van de bijeenkomst van burgemeesteren met de 36 vroedschapsleden in Amsterdam d.d. 27 maart 1558, waarin burgemeesteren de 36 om advies vragen inzake hun reactie op een verzoek van Filips II. Tekstcat. is B. Woorden: coninck: Filips II; obligatie: uitlening, lening die men geeft; verzegeling: WNT betek. 2 ‘lening, geldopname’; betek. 4 ‘bekrachtiging’.
    De majesteit dringt er nogmaals op aan te voldoen aan zijn verlangen dat hij een bindende toezegging krijgt voor de gevraagde lening (Q), waarbij hij verzekert dat hij de stad uiteraard schadeloos zal stellen (P). De koning drukt uit dat hij bij de verhoopte toezegging Q de lening uiteraard (te zijner tijd) aan de stad zal terugbetalen (P): de rol van P is comitatief.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
90 16. Dat nyemant onder hem eenyge kinderen sal moegen houden om Latijn te leeren dan alleen die yemandt zelffs in zijn cost heeft [Q1], mids ghevende den rectoor alle vyerendeel jaers van een ygelijck vijff stuvers [mids.pp P1]. [...]
20. Item zoe is noch voerwaerde dat dese voirs. rectoor ons nyet en zal verlaten voordat hij sal sesse jaeren gedient hebben ende dat wij hem mogen verlaten bij faulte van misdienen [Q2], mids hem een jaer tevoren te waerschouwen [mids.te.Inf P2]. (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 38: p. 72 links)
[Alkmaar, Holland; 1559-T03] T=T03 P=Alkmaar R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘16. Dat een burger alleen kinderen mag ontvangen om ze Latijn te leren als hij ze zelf in de kost heeft, waarbij de verplichting bestaat om de rector elk kwartaal per leerling vijf stuivers te geven. [...]
20. Voorts is er nog de bepaling dat de genoemde rector ons niet zal verlaten voordat hij zes jaar de functie vervuld heeft, en dat wij hem mogen ontslaan bij slecht functioneren, op voorwaarde dat wij hem een jaar tevoren een waarschuwing gegeven hebben.’
    Dit citaat omvat twee bepalingen van de ‘Contracten ofte voerwaerden aengaende der scholen ende der stede van Alckmaer’, gedateerd mei 1559. Deze tekst bevat de algemene regels waaraan het onderwijs volgens het stadsbestuur moet voldoen; het citaat valt daarom in tekstcat. A2. Het begin van de regeling beschrijft de taak van de leerkrachten zo: dat dye meesters met alder diligentie elcx in ’t zijne dye scholiers zullen leeren die vreese Gods, goede zeden ende manieren, wel lesen ende scrijven ende haer fondament grammaticael etc. (ibid 71 links). Dit betrof de zgn. Latijnse school, waarvan de rector en de meesters in deze periode niet meer door de kerk maar door het stadsbestuur aangenomen werden. Maar naast de Latijnse school waren er veel onofficiële ‘bijscholen’, waarmee burgers probeerden geld te verdienen. De concurrentie door deze bijscholen moest beperkt worden; tegen die achtergrond is bepaling 16 te lezen. Zie voor het onderwijs in de late Middeleeuwen: Boekholt & De Booy (1987) en speciaal voor scholen in Alkmaar: Aten & Drewes (2007: hfdst. 14). Woorden: houden: VMNW houden betek. I.4 betek. ‘bij zich houden, bij zich doen blijven’_ hier moet het zijn: kinderen op vaste basis onder zijn hoede te hebben om (...); in zijn cost heef: buitenleerlingen waren meestal bij burgers in de kost; rectoor: MNW rectoor betek. b (‘hoofd van eene inrichting van hooger onderwijs’_ in geval van de Latijnse school: ‘rector’; waerschouwen: MNW waerschuwen. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift is die van de Transcriptiewerkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar.
    Q1 in artikel 16 thematiseert een beperking die voor burgers geldt om kinderen bij zich thuis les in het Latijn te mogen geven: zij moeten ze zelf in de kost hebben, alleen dan is dat toegestaan. P1 benoemt daarbij een verplichting: de schoolhoudende burger moet voor elke leerling de rector per kwartaal vijf stuivers geven. Deze verplichting ‘komt bij’ de beperking van thuisonderricht tot kinderen die men zelf in de kost heeft. De rol van P1 in de constructie is een comitatieve, P1 ‘komt erbij als verplichting’ in de regelgeving van het stadsbestuur. De mids.pp-frase is conjunct, want als subject ervan worden begrepen de burgers die toestemming hebben om kinderen Latijn te leren omdat ze ze zelf in de kost hebben, en die fungeren ook als subject van de direct hogere frase. Met de tweede helft van artikel 20 bepaalt het stadsbestuur dat het de rector van de Latijnse school in de toekomst zal mogen ontslaan als de rector slecht functioneert (Q2). Hier richt het stadsbestuur de blik op zijn eigen eventuele wens tot ontslag van de rector, die specifiek zou kunnen ontstaan bij slecht functioneren van de rector. De interpretatie van de bijbehorende constructie mits.te.Inf is een conditionele: het stadsbestuur kan zijn wens dan verwerkelijken op voorwaarde dat het de rector een jaar eerder een waarschuwing gegeven heeft (P2). De mits.pp- en de mits.te.Inf-constructies naast elkaar leggend, zien we verschil in semantiek: comitatief resp. conditioneel. Ook de vormelijke kant komt overeen (de volgorde QP, de kortheid).
 De mids.te.Inf-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen het stadsbestuur, dat ook het subject is van de bovengeschikte frase (daar uitgedrukt door wij). Ook de aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
91 [...] begeerende daerinne te voorsien tot meerder ruste ende tranquilliteyt van onse ondersaten ende de ghemeyne welvaert, ende om voor te komen tot alle ’t geene, dat eenichsins ’t ghemeyne volck, ende sonderlinge de simpele ende jonge luyden souden mogen ontstichten. Aenmerckende oock dat niet en betaemt die heylige mysterien te prophaneren, ende van de heylige schriften te misbruycken [Q], midts deselve mengelende met weerlijcke ende belachelijcke dingen [midts.pp P], die welcke behooren in aller reverentien ende weerdigheyt getracteert ende gehandelt te worden, in de plaetsen ende tijde, ende by persoonen daertoe geordonneert. (RetorMemor 14)
[Brussel (+Den Haag), Brabant; 1559-T03] T=T03 P=Brussel P=Den Haag R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[...] Wij willen daartegen [tegen dwalingen en excessen in rederijkerij] optreden ter bevordering van rust en vrede bij onze onderdanen en van het algemeen welzijn, en om alles te voorkomen wat het gewone volk op welke wijze dan ook zedelijk zou kunnen doen wankelen - heel in het bijzonder mensen die jong zijn of simpel van geest. Wij hebben als overweging ook dat het niet fatsoenlijk is om door vermenging met wereldse en spottende activiteiten het mysterie van de sacramenten te ontwijden en de heilige geschriften te misbruiken, aangezien deze met de grootste eerbied en waardigheid tegemoet getreden dienen te worden op de plaatsen en de tijden en door personen die opdracht daartoe hebben.’
    Dit citaat is ontleend aan een plakkaat van Filips II gedateerd 26 januari 1559; het is gericht aan ‘onsen Rade in Hollant’, dat wil zeggen de Staten van Holland. De volledige titel luidt: Placaet, waerby verboden werden de camerspelen, batementen, liedekens, comedien, refereynen, baladen, etc. [...] (RetorMemor 13). De tekst valt in tekstcat. A2. Blijkens datgene wat onderaan het plakkaat staat ([...] by den coninck in sijnen raede. Ende gheteeckent, d’Overloepe.) is de tekst geschreven door ambtenaren van de in Brussel gevestigde Geheime Raad van Filips II en is de handtekening van Pieter van Overloepe, een hoge kanselarijbeambte van de Raad. In het direct voorafgaande schetst de koning dat hem ter ore gekomen is dat veel rederijkers- en andere spelen getuigen van dwalingen. Het citaat schetst de overwegingen van de vorst voor een verbod op sommige uitingen en bestaat grammaticaal uit twee lange participiumconstructies (met als resp. kern begeerende en aenmerckende). Woorden: versien: WNT verzien IV, betek 8; mysterien: MNW misterie (‘geheimenis’(...)_ vermeld wordt als bijzondere betekenis: ‘de hostie, het sacrament (...)’); weerlijcke: MNW wereltlijc betek. ‘wereldsch, wereldschgezind, (...) lichtzinnig; ontstichten: WNT betek. 2.
    Rederijkers schenden doelbewust de heiligheid van de sacramenten en misbruiken de heilige schrift, aldus de vorst (Q); ze doen dat door deze in te bouwen in profane uitvoeringen vol oneerbiedige scherts (P). De rol van P is dus instrumenteel.
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden de rederijkers begrepen, die ook het begrepen subject zijn van de direct hogere frase met de predicaten prophaneren en misbruycken.
92 Ende omme een weynich te vertoonen dat deur ’t laetste poinct van de antwoorde van de voorseyde dijckgrave de Majesteyt egeen occasie en heeft omme den supplianten heur versouck te weygeren, diewelcke genouch in ’t versouck van de supplianten consenteert [Q], mits hebbende offslach van zijnen pacht [mits.pp P], soe es waer dat de hooge heemraden ende nyemant anders macht ende auctoriteyt hebben bij heuren eede te stellen boden en schutters tot ’s lants oorbaer [...], sonder dat ’t selve schutten mittet dijckgraeffschip yet gemeens heeft.’ (Van der Gouw 1987: 176)
[Hoogheemraadschap Delfland, Holland; 1559-T03] T=T03 P=Hoogheemraadschap R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Wij willen kort duidelijk maken dat de majesteit geen reden heeft om de supplianten hun verzoek te weigeren in het laatste punt van het antwoord van de genoemde dijkgraaf, die geheel akkoord gaat met het verzoek van de supplianten, op voorwaarde dat hij een verlaging krijgt van zijn pachtsom. Men moet bedenken dat de hoogheemraden en niemand anders de bevoegdheid hebben om beëdigde heemraadsboden en veeschutters aan te stellen ten dienste van het gemene land, en dat dit schutten geenszins het terrein van de dijkgraaf is.’
    Dit is een fragment van een adviesbrief d.d. 24 april 1559 van de hoogheemraden van Delfland aan het Hof van Holland. Tekstcat. is B. De kwestie was deze: beweiders van de Hoevenzijdwind, de dijk op de scheiding tussen Delfland en Rijnland, hadden aan de koning een rekest gestuurd om dit gebied legaal te mogen beweiden. De koning had het Hof van Holland - behalve rechtbank ook bestuursraad van het gewest - opgedragen te onderzoeken of hij dit verzoekschrift moest honoreren. Het Hof op zijn beurt had weer advies gevraagd aan de hoogheemraden en hun daartoe een kopie van het rekest plus het reeds door de dijkgraaf aan de beweiders gegeven antwoord toegezonden. ‘Ja, honoreren,’ zeggen de hoogheemraden in hun brief aan het Hof. In het tekstgedeelte voorafgaand aan het citaat zetten zij uiteen dat het in een koninklijk plakkaat neergelegde algehele verbod op beweiding van de dijk, op straffe van een boete, huns inziens onjuist is: als er met de beweiders goede afspraken gemaakt zijn over het onderhoud en over momenten waarop de grond van de dijk wel (nl. de eerste keer) en niet (volgende keren) omgeploegd mag worden, houden hun grazende dieren de grond juist stevig. De hoogheemraden refereren vervolgens - zie citaat - aan een brief van de fungerend dijkgraaf aan de koning waarin ook hij positief adviseert inzake het rekest, echter onder de voorwaarde van vermindering van zijn pachtsom als compensatie voor zijn lagere inkomsten uit boetes op illegale beweiding; kennelijk is het deze voorwaarde die de dijkgraaf in zijn brief als laatste punt genoemd heeft. Het citaat beschrijft welke kanttekening de hoogheemraden bij deze eis van de dijkgraaf plaatsen. Direct volgend op het citaat (Van der Gouw 1987: 176v) doen de hoogheemraden nog een boekje open over de pas een jaar werkzame dijkgraaf, die zich al eens illegaal boeten had toegeëigend die in het bewuste gebied door de schutters van het heemraadschap aan beweiders waren opgelegd. Woorden: occasie: MNW occusoen betek. 3 ‘reden’ - maar eveneens betek. 2 ‘aanleiding’ met de opmerking dat betekenissen ‘aanleiding’ en ‘reden’ niet altijd verschillend zijn - evenals WNT occasie I betek. 7 ‘reden’ - maar eveneens betek. 6 ‘aanleiding’, met meer voorbeelden dan precies één zoals bij ‘reden’: ‘reden’ en ‘aanleiding’ zijn even goed hier; zijdwinde: dijk tussen twee polders; genouch WNT genoeg II, II, bet. 1 (al sinds het oud-germaans, zegt men) ‘meer dan voldoende, ten volle of meer dan ten volle’; idem MNW genoech II, betekenis II.2; boden: MNW bode I betek. 1c._ heemraadsboden waren beëdigde vertegenwoordigers van dijkgraaf en hoogheemraden; schutter: MNWschutter II, beambte die vee schut, insluit in het ‘schot’ (tussen hekken etc.); de Majesteyt: Filips II; soe is waer: MNW, WNT ‘men moet weten/bedenken dat’.
    Het citaat bevat een mits.pp-constructie waarvan twee verschillende interpretaties verdedigbaar zijn: de ene met een comitatieve en de andere met een conditionele rol van P. Ze volgen hieronder.
a. conditioneel
De hoogheemraden vermelden dat de dijkgraaf in zijn advies instemt met het rekest van de beweiders (Q), maar daaraan de voorwaarde koppelt dat het grafelijk gezag zijn pachtsom zou moeten verlagen (mits.pp P). P heeft in de door de hoogheemraden verwoorde bewilliging door de dijkgraaf de rol van voorwaarde, maar terwijl de direct begunstigden de beweiders zijn, komt voorwaarde P neer op een nadeel niet voor hen, maar voor het grafelijk gezag, dus voor de koninklijke inkomsten. Deze gedachte is alleen kloppend bij de hypothese dat de dijkgraaf, die feitelijk het grafelijk gezag in het heemraadschap vertegenwoordigt, zich bij zijn instemming heeft voorgesteld dat de koning zijn advies dankbaar overneemt, of, sterker nog, dat de koning in principe de beweiders ter wille wil zijn en dat zijn bewilliging in de wens van de beweiders dus in feite een begunstiging is van de koning, waaraan hij de voorwaarde verbindt dat de koning zijn pachtsom verlaagt als schadeloosstelling voor mogelijk door zijn bewilliging optredende derving van zijn inkomsten uit boeten. De logica samenhangend met de bewilliging door de dijkgraaf wijzen de hoogheemraden als ongegrond af: er zou voor de dijkgraaf géén teruggang in legale inkomsten zijn door een positieve beschikking op het rekest, dus ook geen noodzaak voor de koning om de pachtsom te verlagen.
b. comitatief
Aan zijn instemming met het verzoek van de beweiders (Q) heeft de dijkgraaf in de verwoording door de hoogheemraden een pachtverlaging voor hemzelf vastgeknoopt als iets wat daar logisch mee verbonden is (P in comitatieve rol), omdat hij in dat geval inkomsten uit boetes voor illegale beweiding zou missen en daarvoor schadeloos gesteld zou moeten worden. De hoogheemraden wijzen deze redenering van de dijkgraaf als ongegrond af: er zou voor de dijkgraaf géén teruggang in legale inkomsten zijn, dus ook geen noodzaak om zijn pachtsom te verlagen.
 In beide gevallen is de aansluiting conjunct subject-subject; begrepen subject is steeds de dijkgraaf.
93 Es mede gecondicioneert, dat, indien hem yemandt van de voors. speelluyden quame oneerlijck te dragen, men denzelven tot allen tyden sall mogen licentiëren ende oirloff geven [Q], mits hem betalende naer advenandt van den tijt [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 292)
[Amsterdam, Holland; 1563-T04] T=T04 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Tevens is de bepaling geformuleerd dat als een van de genoemde speellieden zich ooit schandelijk zou gedragen, men hem te allen tijde zal mogen ontslaan, waarbij men de betreffende speelman [uiteraard] dient uit te betalen naar rato van de gewerkte tijd (P).’
    Dit is een citaat uit de taakomschrijving (‘instructie’; tekstcat. B) van de Amstdamse burgemeesters voor de stadsspeellieden die op 6 februari 1563 werden aangenomen: vier mannen uit Zuid-Nederland. Stadsspeellieden waren muzikanten die trompet, schalmei en andere instrumenten speelden op kerkelijke en wereldlijke hoogtijdagen, op vaste uren en dagen in de week en op incidenteel verzoek van burgemeesteren. Per benoeming werd de instructie, die rechten (o.a. het loon, geld voor kleding) en plichten (o.a. het deponeren van een borg voor het zilverwerk) van de leden van de beroepsgroep omschrijft, gepubliceerd, aangepast en aan betrokkenen overhandigd. Het citaat gaat in op een mogelijke vervroegde opzegging van het dienstverband.
    Twee analyses zijn mogelijk, waaruit blijkt dat comitatief en conditioneel soms dicht tegen elkaar aan liggen.
a. comitatief
De uitvaardigende burgemeesters mogen, zo stellen zij, de stadsspeelman ontslaan als die zich misdraagt (Q), waarbij zij de betreffende speelman uiteraard wel dienen uit te betalen naar rato van de gewerkte tijd (P). De rol van P is comitatief ten opzichte van Q. In andere fragmenten met een ontslagbeding (cit.nrs. 166 en 258), rechtstreeks geciteerd uit een contract, is de rol van P ook comitatief. De bevoegdheid van burgemeesters staat in Q centraal. Mogelijk schandelijk gedrag zou voor burgemeesteren een reden kunnen zijn gebruik te willen maken van de bevoegdheid om het ontslag te effectueren. Het gaat hier om de bevoegdheid die burgemeesters principieel hebben - en wat daar als regel voor goed bestuurlijk fatsoen bij hoort: een redelijke betaling -, niet zozeer om een wens van burgemeesters.
b. conditioneel
De rol van P zou ook conditioneel kunnen worden opgevat. In de conditionele opvatting (van dit fragment, cit.nr. 93) zou het accent liggen op een mogelijke wens van burgemeesters, en de voorwaarde die burgemeesters moeten vervullen om deze wens te realiseren.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
94 [...] es bij mijnen heeren voors. geresolveert, dat men tvoors. remboursement zoude doen [Q] op zulcker conditiën ende mits acte hebbende omme den voors. penningen te moegen corten in deerste beede ofte van deerste penningen, die dese stede zal moeten opbrengen van de Co.Mt., onsen G.H. [op zulcker conditiën ende mits.pp P]. Actum den Ven dach in augusto anno XVc LXIII. (ResolVroeAmstII 241)
[Amsterdam, Holland; 1563-T04] T=T04 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] is door mijne heren voornoemd besloten, dat men de genoemde schadeloosstelling zal effectueren op de volgende voorwaarde, die tevens vervat zal moeten zijn in een akte, dat men de genoemde geldsom in mindering zal mogen brengen op de eerste bede of op de eerste penningen, die deze stad zal moeten opbrengen voor de koninklijke majesteit, onze genadige heer.
Opgemaakt de 5e dag van augustus van het jaar 1563.’
    Dit citaat is ontleend aan een besluit van de Amsterdamse burgemeesters na een adviserende bijeenkomst met de oud-burgemeesters. Tekstcat. is B. De vraag was, of Amsterdam Gaspard Schetz, financieel agent van de koning (Filips II), schadeloos moest stellen. Schetz had persoonlijk 600 gulden voorgeschoten om een door de koninklijke majesteit opgedragen diplomatieke reis van Filips Coebel, raadsheer in de Geheime Raad, mogelijk te maken, met o.a. het doel om in Denemarken te bemiddelen inzake het conflict over de nieuwe tolbetalingen in de Sont, die ook Amsterdam zouden benadelen (over Schetz en Coebel zie ResolVroeAmstII (304 nt. 292 resp. 314 nt. 503).
    Burgemeesteren besluiten tactisch om ten gunste van Schetz en indirect van Filips II tot de schadeloosstelling over te gaan (Q), gekoppeld aan de voorwaarde (op zulcker conditiën) dat de stad de som in mindering zal mogen brengen op het aandeel in ’s konings eerstkomende bede, alsmede aan de bijkomende voorwaarde (ende mits.pp P) dat deze toestemming zwart op wit in een akte bevestigd wordt.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject van de mits.pp-frase is het stadsbestuur, dat subject is van de direct hogere frase onder de aanduiding men.
95 Es noch meer geresolveert, dat [...] dese stede den kerckmeesters tot behouff van de voirs. verhoginge vant steenwerck, etc., zall moegen leenen voer den tijt van vijff jaeren de somme van duysent gulden [Q], mits nemende daervoer goede versekeringe [mits.pp P] (ResolVroeAmstII 242v)
[Amsterdam, Holland; 1563-T04] T=T04 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Er is verder besloten, dat deze stad aan de kerkbestuurders ten behoeve van de genoemde verhoging van het stenen gedeelte voor een periode van vijf jaar het bedrag van duizend gulden zal mogen uitlenen, waarbij de stad daarvoor degelijke zekerheid dient te verkrijgen’
    Deze passage maakt deel uit van een resolutie van de zitting van de Amsterdamse vroedschap d.d. 13 augustus 1563 inzake de toren van de Oude Kerk (tekstcat. B). De Vroedschap heeft al besloten dat de kosten voor een nieuwe spits (cappe, zie WNT bij kap) voor rekening van de stad komen. Het kerkbestuur van de Oude Kerk is van plan de vervanging van het onderste deel van de houten kap door steen zelf te bekostigen, maar de Vroedschap wil dat burgemeesteren het kerkbestuur ook daarin tegemoetkomen; over een lening van de stad daarvoor gaat het citaat. Woord: verzekering: WNT: sluit aan bij betek II.4: ‘Het stellen van zekerheid voor iem. of iets d.m.v. een borg, pand, officieele (schriftelijke) verklaring e.d.; ook toestand die daarvan het resultaat is; (concr.) borg, pand, cautie, waarborg’; steenwerck: editeuren van ResolVroeAmstII vermelden als bijzonderheid, dat korte tijd later een contract gesloten is met een leverancier van arduin uit de omgeving van Namen.
    De vroedschap stelt dat de stad aan het kerkbestuur van de Oude Kerk een flink bedrag als lening (looptijd vijf jaar) mag verstrekken voor bouwwerkzaamheden aan de toren (Q). Hieraan is bepaling verbonden, dat burgemeesteren van het kerkbestuur deugdelijke zekerheid voor de lening moeten verkrijgen, zij moeten daarvoor zorgen (P). De rol van P is een comitatieve.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject is de stad (dese stede), die ook onderwerp is van de bovengeschikte frase.
96 Nopende voirts tversouck bij de Hoicheyt van der hartoginne van Parma etc. den advocaet van den Staten van Hollant met eenigen gedeputeerden van eenige steden tot Bruesele opten XIIen octobris lestleden voirgehouden, als dat men nyettegenstaende toctroy bij dien van Hollandt verworfven (daerbij dien van Hollandt geoirloift es op elcke tonne turfs die uuyt Hollandt gevoert wordt, te lichten een deut) dien van Brabant soude willen toelaten hoeren turff dien zij uuyt hoeren eygen moeren in Hollandt gelegen souden delfven, soude laten uuytvoeren [Q], mits overnemende certificatiën dat dezelve moeren daeruuyt die gegraven worden dien van Brabant toecomen [mits.pp Pa] ende mits opschrijvinge van deselve turff [mits Pb], alsoe Haere Hoicheyt tevreden es ende presenteert wes tselve soude moegen bedragen den Staten van Hollandt te rembourseren, etc., es geresolveert dat men omme der consequentie wille tselve sall offslaen. (ResolVroeAmstII 254)
[Amsterdam, Holland; 1564-T04] T=T04 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Voorts lag er een verzoek dat door Hare Hoogheid de hertogin van Parma enz. in bijzijn van enkele gedeputeerden van enkele steden op 12 oktober jongstleden te Brussel was voorgelegd aan de landsadvocaat van de Staten van Holland, inhoudende dat zij in afwijking van het octrooi verworven door de Staten van Holland (waarbij die per ton turf die uit Holland uitgevoerd wordt, één duit mogen heffen) aan de Brabanders zou willen toestaan turf die zij uit hun eigen, in Holland gelegen lage venen steken, [zonder heffing] uit het gewest uit te voeren, op de voorwaarde dat zij afschriften maken van de certificaten die bewijzen dat de venen waaruit die turf gestoken wordt de Brabanders rechtmatig toebehoren, en dat zij deze turf registreren. In dat geval biedt Hare Hoogheid gaarne haar diensten aan om de bedragen te berekenen die een schadevergoeding voor de Staten van Holland zou kunnen belopen, enz. Er is besloten dat men dit verzoek om consequent te zijn zal afwijzen.’
    Dit is een citaat uit de resoluties van de Amsterdamse vroedschap, zitting d.d. 18 november 1564. Tekstcat. is B. Via de landsadvocaat is een verzoek van Margaretha van Parma vermoedelijk eerst bij de Staten van Holland op tafel gekomen en vervolgens bij de Amsterdamse vroedschap. Woorden, namen: de landsadvocaat van de Staten van Holland was in deze tijd Jacob van den Eynden; overnemen: WNT betek. II.B.3.a (‘overschrijven, een afschrift ergens van maken om dit te bewaren enz. (...)’); bedragen: moet wel ‘belopen’ zijn; tevreden: WNT betekenis 6, vergelijk de constructie in het Frans met content: je serais content de vous payer etc, vertaling ‘gaarne’, met wat superioriteitsgevoel; presenteeren: WNT III a streepje ‘zijn dienst presenteeren’.
     De mits-configuratie Q - P, waarin de mits-frase bestaat uit een mits.pp-deel en een deel met mits + nominaal complement, ligt geheel besloten binnen de omschrijving van de inhoud van het verzoek van Margaretha aan de landsadvocaat. Margaretha van Parma verzoekt om ondanks een octrooi verworven door de Staten van Holland, aan Brabantse turfstekers met eigen veengebieden in Holland toe te staan daar turf te steken (Q) onder de voorwaarde dat de Brabanders hun rechtmatig eigendom van de venen en het turfsteken documenteren met bewijzen (Pa en Pb).
 De mits.pp-frase is conjunct-meew.voorw: als subject worden begrepen de Brabanders, die ook fungeren als het meewerkend voorwerp van de direct hogere frase.
97 Maendach 18 Decembris 1564. Bernhardus Stuerman wegen der gravinne und drost to Benthem hefft begeert, in de possess gestalt to worden van salige Lubbert Clants hues, als durch misbetalinge edder versumenisse der grunsingen an oer genade vervallen, waerup hem ter antwort gegeven, he sijn wederpart solde voer recht verdagen laten, wolde men alsdan in der sake doen ende gescheen laten, alst na rechte sall behoeren, daer sijn erb. up ter antwort gegeven, woe hem sulckes ongelegen [Q], mits begerende de sake bes Lichtmisse uuthgestalt muchte worden, wente he de noch in sijn bedencken tho nemen gemeent [mits.pp P]. (DiarAlting 140)
[Groningen, Noordoost-Nederland; 1564-T04] T=T04 P=Groningen R=Noordoost-Nederland TC=C TG=Versl TS=p SM=Mot CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Maandag 18 december 1564. Bernhardus Stuerman bracht namens de gravin en de drost van Bentheim het verzoek over om in het bezit gesteld te worden van het huis van Lubbert Clant zaliger, dat wegens wanbetaling of nalatigheid inzake de grondbelastingen onder ons beheer gekomen is, waarop hem ten antwoord gegeven is dat hij zijn tegenpartij voor het gerecht zou moeten laten dagen als hij in deze kwestie wilde laten doen en geschieden wat rechtens juist is; daarop heeft de edelachtbare heer in zijn antwoord uiteengezet dat hem dat niet gelegen komt, omdat hij de wens te kennen gegeven heeft dat [het besluit tot] de rechtszaak uitgesteld wordt tot Maria Lichtmis, tot welk tijdstip hij beoogt een en ander nog nader te overwegen.’
    Dit citaat behelst de aantekening bij maandag 18 december 1564 in het dagboek van Egbert Alting, van 1549 tot 1594 stadssecretaris van Groningen. Het door hem ambtshalve bijgehouden journaal noemde hij zelf ‘diarium’; het bevat de vermelding van resoluties van burgemeesters en raad en van het stadsbestuur in ruimere zin, maar ook van wederwaardigheden in Groningen en persoonlijke en familiegerelateerde kwesties.Vanwege dit vrije en gemengde karakter valt het citaat in tekstcat. C. Alting beschrijft in dit fragment een onderhoud met ene Bernhardus Stuerman, die namens zijn opdrachtgeefster, de gravin van Bentheim, Tecklenburg en Steinfurt, is komen verzoeken om een met schulden belast pand van de stad te mogen overnemen. Woorden: Maria Lichtmis: R.K. feestdag, 2 februari.; edder> eder MNW ‘of’; genade MNW betek. 4; woe MNW bet. 1, afh. vraagwoord (hier vertaald met ‘dat’); wente: MNW wan betek. VII, WNT wan betek. IV (‘op tijdstip dat’, ‘totdat’).
    Stuerman wil de noodzakelijke gerechtelijke procedure op dit moment niet aanvangen (Q); de mits.pp-frase omvat zijn motivering: hij wenst uitstel ten behoeve van nadere overweging (P).
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is Stuerman, die ook optreedt in de vorm hem in woe hem sulckes ongelegen (‘wat hem niet gelegen kwam’); de mits.pp-frase is dus conjunct subject-meew.voorw.
98 Up huyden den naestlesten Januarii 1566 stilo communi soe is by de burgermeesters de vroetsschap aengegeven dat naevolgende de resolutie van de vroetschap upten XXVIen deser maent genomen geresolveert is dat onse inwoenende brouwers van nu voortaen zouden moegen brouwen om die pryse ende up diezelve mate in als gelijcke die van Delft jegenwoordelick doende zijn Ende aengemerct ad oculum bevonden wert dat de Delffse pint die zedert den XXVIen deser maent tot Delft gehaelt is genouch een dronck cleyner is dan de Goutse pint is daeromme andermael ommegevraecht off men van nu voortaen reguleren zal naer vermogen dvoorsz resolucie dan off men blyven zal upte oude mate Is geresolveert ende gesloten dat men blyven zal by de oude jegenwoirdige mate [Q] mits betaelende voor den excijns van alle ingebrouwen byeren zulcxs upte voorgaende vroetschap geresolveert is [mits.pp P] Ende dat men voorts betaelen zal voer den excijns van een tonne Engels byer twee Karolusgulden (Compilatiecorpus Gouda 1566 nr. 3)
[Gouda, Holland; 1566-T04] T=T04 P=Gouda R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Heden, op de een na laatste dag van januari 1566 in de nieuwjaarsstijl, is door de burgemeesters aan de vroedschap gemeld dat op grond van de resolutie van de vroedschap van de 26e van deze maand besloten was dat onze stedelijke brouwers van nu af aan zouden kunnen brouwen volgens de prijs en de maatvoering die hun collega’s in Delft tegenwoordig hanteren. Maar aangezien door waarneming is vastgesteld dat de Delftse pint die na de 26e van deze maand uit Delft gehaald was, een volle teug kleiner is dan de Goudse pint, hebben de Goudse brouwers nogmaals de vraag gesteld of zij hun tappen van nu af aan zullen normeren volgens voornoemd besluit of dat zij zullen blijven bij de oude maat. Besloten is dat zij zullen blijven bij de oude, nu geldende maat, waarbij zij als belasting op alle in de stad gebrouwen bieren wel dienen te betalen zoals op de vorige vroedschapsvergadering besloten is. En dat zij verder als belasting over een ton Engels bier twee carolusguldens zullen betalen’
    Dit citaat omvat het grootste gedeelte van het verslag van de Goudse vroedschapsbijeenkomst eind januari 1566. Tekstcat. is B. Woord: stilo communi: gewone stijl, ook wel nieuwjaarsstijl (n.s.) genoemd: het jaar begint op 1 januari. In 1572 besloten de Staten van Holland de tot dan toe gangbare paasstijl te vervangen door de nieuwjaarsstijl.
    Een eerder vroedschapsbesluit dat de taveernehouders en brouwers de kleinere Delftse maat zouden kunnen gaan hanteren wordt door de vroedschap herroepen (Q), maar daarbij moet men blijven betalen volgens het bij die eerdere gelegenheid ook genomen besluit over de hoogte van de belasting op bier (P). P heeft een comitatieve rol.
  Conjunct: begrepen onderwerp van mits.pp-frase zijn de brouwers, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
99 In somma die ghues begheerden een keercke oft plaetse om te predicken ende haer diensten te doene, haer dooden te begraven ende dierghelijcke, binnen die stadt van Ghendt. Ander zegghen, dat zij drij plaetsen begheerden [...] dwelc hemlieden al te male ontzeijt wart; maer zouden ter nauwer noot vercryghen een plaetse buten der stadt, die zij betemmeren mochten, zoot haer ghoet dochte [Q], ende mits die plaetse of gront coopende, huerende oft betalende, zoot haer best gheleghen ware [mits.pp P]. (BeroerlickeTijden dl. 1 bk. 3: 298v)
[Gent, Vlaanderen; 1566/68-T04] T=T04 P=Gent R=Vlaanderen TC=C TG=Vert TS=r SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Samenvattend: de geuzen verlangden een kerk of open ruimte om te preken en hun diensten te houden, hun doden te begraven en dergelijke, binnen de stad Gent. Anderen zeggen dat ze drie plekken wilden hebben, [...] wat hun integraal geweigerd werd; alleen een open plaats buiten de stad die ze mochten bebouwen zoals ze wilden zouden ze ternauwernood nog krijgen. Dat dan nog op voorwaarde dat ze die plaats of grond door huur of koop zouden verwerven, wat hun het beste uitkwam.’
    Dit is een citaat uit een contemporaine kroniek, geschreven door Marcus van Vaernewyck, over de gebeurtenissen in Gent in 1566 en daarna. De auteur noemde zijn werk zelf ‘dagboek’ (tekstcat. C). In dit citaat verhaalt Van Vaernewyck over een openbare bijeenkomst op 16 oktober 1566 waarin de geuzen, onder grote belangstelling van de Gentenaren, discussiëren met burgemeester en wethouders over hun wensen. De belangrijkste wens van de geuzen is, zo vat de auteur samen, dat ze een of meer plaatsen in de stad willen gebruiken voor de activiteiten van hun groepering. Dan haalt Van Vaernewyck met Ander zegghen anonieme zegslieden aan (hij is zelf kennelijk niet aanwezig geweest bij de discussie) die weten te vertellen dat de geuzen drie welomschreven plekken wensten. Of de geuzen nu één of drie plekken begeerden, de wens werd afgewezen, vervolgt Van Vaernewyck. Dan introduceert hij met het voegwoord maer een wending: de geuzen zouden weliswaar geen plek in de stad zelf kunnen krijgen, maar wel één daarbuiten. Het positieve wordt echter gedempt door ter nauwer noot, waarmee Van Vaernewyck de teleurstelling die hij zich bij de geuzen kan voorstellen, uitdrukt: het resultaat was er ‘met grote moeite’ gekomen. En precies dat aspect wordt aangevuld met het voor de geuzen volgens Vaernewyck ongunstige feit van de voorwaarde die ook nog zou gelden: ze moesten die plaats of grond ook nog door huur of koop verwerven.
    Voor de geuzen wordt het suboptimale, maar toch nog net gunstige resultaat bereikt van de toekenning van een open plek buiten de stad (Q), waarvoor zij echter ook zouden moeten voldoen aan de voorwaarde van huren of kopen van de grond (P).
 De mits.pp-frase is conjunct, want als subject ervan worden de geuzen begrepen, die in de direct hogere frase onderwerp van zouden zijn.
100 Ende daerup was ghesloten, dat men een zeker somme condigne zoude noteren, ende, quamen zij zoo hooghe niet, zoo zoutse die stadt inne hauden, te weten die groote pachten van wijn ende bier, ende doense liever collecteren ter stede avontuere; ende de keijte zoude men laten in de stadt commen [Q], mits ghevende neghen stuvers van assijsen van elcke tonne, drij stuvers min dan den crabbeleere van assijsen gheeft [mits.pp P]; ende wilde den Ghauweneere alzoo zijn keijte niet brijnghen, dat hij met zijn keijte thuus blijven zoude. (BeroerlickeTijden dl. 2 bk. 5: 191)
[Gent, Vlaanderen; 1566/68-T04] T=T04 P=Gent R=Vlaanderen TC=C TG=Vert TS=r SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En daarop werd besloten, dat men een zekere som als redelijke pachtinkomsten zou bepalen en dat de stad, als die som niet werd gehaald, de omvangrijke verpachting van wijn en bier niet meer uit handen zou geven en liever in eigen beheer zou houden; en het dunne [Goudse] kuitbier zou men in de stad toelaten op voorwaarde dat het negen stuivers per ton aan belasting zou opleveren, drie stuivers minder dan krabbelaar [het zware Gentse bier] aan belasting oplevert; en als de Gouwenaar zijn kuit niet op deze basis zou willen invoeren, dat hij dan maar met zijn bier thuis zou moeten blijven.’
    Dit is een citaat uit een contemporaine kroniek, geschreven door Marcus van Vaernewyck, over de gebeurtenissen in Gent in 1566 en daarna. De auteur noemde zijn werk een dagboek (tekstcat. C). Het citaat beschrijft welk besluit het Gents stadsbestuur neemt na een beraadslaging over de dalende inkomsten uit de verpachting van bier- en wijnaccijns.
    Q duidt op de toelating tot de stad Gent, de grote wens van brouwers van het Goudse bier. P, de voorwaarde die daarvoor geldt, is dat toelating negen stuivers per ton aan belasting moet opleveren. De voorwaarde wordt feitelijk gesteld aan de Gouwenaren.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw, want als subject wordt begrepen de keijte, die fungeert als lijd.voorw van de direct hogere frase.
101 Men zach ooc tvleeschhuijs niet alf ghestoffeert van vleesche, ende tzelve datter was was hoolic vleesch, ende dat quam bij om dattet die Spaengiaerts met ghewelde namen, al wast van iij grooten tpont, costelic vleesch, ende en betaelden maer eenen stuver vanden ponde daer voren, zoo dat de vleeschhauwers an zulck vleesch deen derde verloren, ende creghen alle reijsen kinnebacksmeten oft rappieren naer dlijf ofte sticken vleesch in haer aenzichten, waeromme de vleeschhauwers die burghers vander stadt te kennen ghaven, in secrete, dat zij ghoet vleesch bedect in masieren ende elder hadden, legghende daer haer droochcleeren ende halme uppe, om dat die Spaensche niet meercken en zouden, sloughent ende vercochtent ooc bedectelic de lieden vander stadt, up dattet haer niet ghenomen en werde; rieden ooc sommighe lieden, dat zijt bedect draghen zouden; want, zeijden zij, die Spaensche pleghent somtijts de lieden te nemene voor hemlien [Q], mits betalende dattet haer ghecost hadde oft min [mits.pp P]. (BeroerlickeTijden dl. 4 bk. 8: 58)
[Gent, Vlaanderen; 1566/68-T04] T=T04 P=Gent R=Vlaanderen TC=C TG=Vert TS=r SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Men zag ook dat de vleeshal nog niet half vol hing met vlees, en het vlees dat er was, was kwalitatief slecht, en die situatie was ontstaan doordat de Spanjaarden zich met geweld vlees toeëigenden, ook als het vlees van 3 groten per pond was, waarvoor ze slechts één stuiver per pond betaalden, zodat de slagers één derde aan dat vlees verloren, terwijl ze iedere keer kaakslagen of degenstoten kregen, of stukken vlees in hun gezicht. Daarom lieten de slagers de burgers van de stad in het geheim weten, dat zij goed vlees hadden, verstopt in gemetselde bergplaatsen in de muren en elders, waarop ze hun drogende was en helmgras hadden gelegd, opdat de Spanjaarden het niet zouden opmerken; zij hakten en verkochten het ook in het geheim aan de stadsbewoners zodat het hun niet afgenomen zou worden; de slagers adviseerden sommige mensen ook dat zij het vlees verstopt zouden vervoeren, want, zeiden zij, de Spanjaarden willen het vlees nog wel eens vorderen van de mensen, waarbij ze [slechts] betaalden wat het hun [zelf] gekost zou hebben, of nog minder.’
    Dit is een fragment van een kroniek over de gebeurtenissen in Gent in 1566 en daarna, geschreven door Marcus van Vaernewyck. Als dagboekaantekening valt het citaat in tekstcat. C.
    Gegeven de situatie van bezetting door Spaanse troepen, legt Vaernewyck de Gentse slagers in de mond, dat er een evidente connectie was tussen het feit dat de Spanjaarden de burgers geregeld op straat hun gekochte vlees aftroggelden (Q) en de betaling van een minimale vergoeding waarvoor zij het vlees opeisten, een vergoeding nl. die in directe samenhang stond met de veel te lage vleesprijzen die de Spanjaarden in andere gevallen bij de slager zelf afrekenden (P). Bij dit comitatief te interpreteren mits-gebruik is een conditioneel te begrijpen situatiebeschrijving met mits niet ver weg. Die zou er bijv., in modern Nederlands geformuleerd, als volgt uit (hebben) kunnen zien: de Gentse slagers zeiden, ter toelichting van hun advies aan burgers om het vlees verstopt in hun kleding o.i.d. te dragen, dat het oppassen geblazen was voor Spanjaarden omdat dezen de burgers het vlees nogal eens afhandig wilden maken (Q) op de [door henzelf afgedwongen] voorwaarde van betaling van de [zeer lage] prijzen die zij er in de winkel voor zouden neerleggen (P). De aan de Gentse slagers toegeschreven voorwaarde is hier pervers: de Spanjaarden beoogden er zelfbevoordeling mee.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
102 Dit vermueghen heeft Godt den mensche gegheuen te dien einde op dat hy tselue verstant gebruike | ende hem seluen alle dinghen aldermeest nut make [Q] | mits kiesende van als het beste | ende verwerpende het quaede [mits.pp P] | Ende op dat hy jn alle syn doen hem beneerstighe alderbest te doen dat hem mueghelyk js | ende het qualyk doen opt aller neerstelixte weete te schuwen (Bostoen [Radermacher] 1984: 24)
[Antwerpen, Brabant; 1568-T04] T=T04 P=Antwerpen R=Brabant TC=C TG=Vert TS=q SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Dit vermogen heeft God aan de mens gegeven met de bedoeling dat hij dit verstand gebruikt en er optimaal zijn voordeel mee doet in alle zaken, door van alles het beste te kiezen en het slechte verre van zich te houden, en dat hij zich in heel zijn doen en laten inspant het allerbeste te doen wat in zijn vermogen ligt en onjuiste handelingen uit alle macht weet te vermijden’
    Dit citaat komt uit de voorrede van een theoretisch manuscript over de grammatica getiteld ‘Voorreden van d[e]n noodich- ende nutticheit der Nederduytscher taelkunste’, dat vrijwel zeker geschreven is door J. Radermacher (zie Bostoen 1984: 8, 13). Het citaat valt in tekstcat. C. Het direct voorafgaande handelt over de rede waarmee de mens begiftigd is, die hem niet alleen in staat stelt goed (waardevol e.d.) en kwaad (waardeloos e.d.) van elkaar te onderscheiden maar ook bínnen het goede onderscheid te maken (goed, beter, best, allerbest). In het handschrift is, blijkens de diplomatische editie, vóór het woord verwerpende een doorhaling aangebracht: geschrapt is vliedende het; daaruit blijkt dat de auteur in ieder geval een pp voor ogen had en vliedende (van vlieden ‘ontvluchten, ontwijken’) heeft vervangen door het sterkere verwerpende. Woorden: verwerpende: MNW verwerpen, betek. A.6 (‘verre van zich houden’); qualyk: MNW qualike betek. 1. Ik heb gebruik gemaakt van de diplomatische transcriptie van Karel Bostoen.
    God heeft de mens met de rede begiftigd met de bedoeling dat hij daarvan optimaal profijt trekt in alle kwesties (Q) door het allerbeste te kiezen van de goede zaken die zich voordoen en alle slechte zaken verre van zich te houden (P). Q duidt op een doel van de mens. De mits.pp-frase noemt de middelen om dat doel te verwerkelijken. De rol van P is dus instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject; als subject wordt begrepen de mens, die ook (onder de aanduiding hy) subject is van de direct hogere frase.
103 Item, dat de gevangene, van den officier aenespraecke hebbende, daertegens binnen drije daighen [...] schuldich is daertegens t’antwoorden ende sijne defencie te verthoonen; ende indien schepenen dan bevinden desaecke den lijve niet aene te gaene, soo moghen sij alsdan ordonneren dat de gevanghene van der gevanckenisse ontslaegen sal sijn [Q], mits stellende cautie ende borchtochte van te voldoene dat de drossaert met recht op hem sal cunnen gewinnen [mits.pp P]. (CoutumesKiel 6)
[Kiel, Brabant; 1570-T04] T=T04 P=Kiel R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, dat de gearresteerde, gehoord hebbende de beschuldiging van de officier, daarop binnen drie dagen moet antwoorden en zich verdedigen; en indien schepenen dan tot de bevinding komen dat de zaak hem niet belast, kunnen zij bevelen dat de gevangene uit zijn gevangenschap ontslagen wordt, op voorwaarde dat hij een borg deponeert of doet deponeren ter zekerstelling van de betaling van wat de drossaard rechtens van hem zal kunnen eisen.’
    Deze passage komt uit een verzameling keuren uit Kiel (lang een eigen heerlijkheid, nu een wijk in het district Antwerpen). Drossaard en schepenen van Kiel hebben op verzoek van Filips II het gewoonterecht (civiel recht en strafrecht) geldend in de heerlijkheid vastgelegd; op 6 april 1570 overhandigden ze de tekst ervan aan de vorst. Tekstcat. is A2. Onderwerp van dit citaat is het verweer van een gevangene tegen de aanklacht die tegen hem is uitgebracht en het oordeel van de schepenen.
    De rol van P is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten (subject-subject).
104 [...] dat hij de selve goeden nae drije sondaegsche kerckgeboden, d’een den anderen eenpaerlijck volgende, schuldich is te brengene ter chieringe metter bernender keersen, eenen iegelijcken even naer, ten waere dat den proprietaris van dien noch quame voort vuijtgaen van de bernende keerse de selve goeden beschudden ende ontsetten; dwelck hij mach doen [Q], mits ierst den vuijtwinder opleggende ende betaelende de costen van der vuijtwinninghe, soo wel int voor- als int naejaer gedaen, ende daertoe stellende cautie sufficient van den vuijtwinder te rechte te staene ende het gewijsde te voldoene [mits.pp P]; in welcken gevalle de selve vuijtwinder gehouden is terstont hem te sonderen van sijnder procedure. (CoutumesKiel 12)
[Kiel, Brabant; 1570-T04] T=T04 P=Kiel R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘dat hij na drie openbare bekendmakingen bij de kerk op opeenvolgende zondagen de betreffende goederen dient te brengen naar de verkoping met de brandende kaars die op gelijke afstand van allen staat, waarbij de verkoop alleen dan niet doorgaat als de eigenaar in kwestie nog voor het doven van de brandende kaars de bewuste goederen komt vrijkopen, waartoe hij het recht heeft, mits hij eerst aan de executeur de kosten van de uitwinning betaalt, zowel die van de eerdere als van de latere periode, en daarnaast voldoende zekerheid stelt voor de uitwinner om het rechtens noodzakelijke te doen en het vastgestelde bedrag aan schulden te voldoen; in dat geval is de executeur gehouden terstond af te zien van de verkoping.’
    Deze passage komt uit een verzameling keuren uit Kiel (lang een eigen heerlijkheid, nu een wijk in het district Antwerpen). Drossaard en schepenen van Kiel hebben op verzoek van Filips II het gewoonterecht (civiel recht en strafrecht) geldend in de heerlijkheid vastgelegd; op 6 april 1570 overhandigen ze de tekst aan de vorst (tekstcat. A2). Het citaat betreft de taken van de ‘uitwinners’, functionarissen die de gedwongen verkoop regelen van bezittingen van eigenaren die hun schulden niet op andere wijze kunnen aflossen. Inzake de kaars: wie het bod doet tegelijk met het uitdoven van de kaars heeft het goed gewonnen voor die prijs.
    De eigenaar heeft nog het recht van vrijkoop (Q), op voorwaarde dat hij de uitwinner eerst diens kosten vergoedt c.q. daarvoor zekerheid stelt (P). Ierst (‘eerst’) duidt erop dat een temporeel-momentane nuance in de voorwaardelijke betekenis vervat is. Het voorwaardelijke betekenisaspect wordt talig geïndiceerd door mach, en inhoudelijk doordat de opsteller van de keur hier een belang van de eigenaar voor ogen heeft. Een temporeel-momentane analyse alléén (in de zin van: de eigenaar heeft nog het recht van vrijkoop, zodra hij de uitwinner diens kosten vergoedt c.q. daarvoor zekerheid stelt) is niet voldoende.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen subject van de mits.pp-frase is de eigenaar, die ook subject is van de direct hogere frase.
105 Item, int maken oft repareren van eenen gemeijnen borneputte sijn alle de gebueren, die den selven moghen gebruijcken, schuldich ende gehouden te contribueren nae advenaint de groote van heurlieden erve [Q1], behoudelijck dat degene die eenen borneputte binnen sijnen huijse heeft, gestaet [Q2] mids gevende de helft van tghene dat hij geven soude indien hij geenen borneput binnen sijnen huijse en hadde [mids.pp P2] [behoudelijck dat P1]. (CoutumesKiel 54, 56)
[Kiel, Brabant; 1570-T04] T=T04 P=Kiel R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Tevens: inzake het aanleggen of repareren van een gemeenschappelijke waterput zijn alle aanwonenden die deze put kunnen gebruiken, een bijdrage schuldig naar rato van de grootte van hun erf, met de uitzondering dat diegene die een waterput binnen zijn eigen huis heeft, aan zijn verplichting voldoet door de helft te betalen van wat hij zou betalen als hij geen waterput binnen zijn huis had.’
    Deze passage komt uit een verzameling keuren uit Kiel (lang een eigen heerlijkheid, nu een wijk in het district Antwerpen). Drossaard en schepenen van Kiel hebben op verzoek van Filips II het gewoonterecht (civiel recht en strafrecht) geldend in de heerlijkheid vastgelegd; op 6 april 1570 overhandigen ze de tekst aan de vorst (tekstcat. A2).
    De instrumentele mids.pp-configuratie is ingebed in een behoudelijck dat-frase die een voorbehoud (uitzondering) noemt ten opzichte van de regel dat participanten aan een gemeenschappelijke waterput een bijdrage betalen die in verhouding staat tot het oppervlak van hun erf; dat voorbehoud bestaat erin dat bezitters van een waterput in eigen huis genoeg betalen door een half zo hoog bedrag af te staan.
 De aansluiting van de mids.pp-frase is conjunct subject-subject.
106 Ende bij tusschen sprecken van Jan Hoelesloet ende Joost Buijck sijn sij ontrent middernacht vande Plaetse ghegaen nae huijs [Q], midts hem belovende ende vast staende dat men niemant bij nacht en soude vanghen ofte vanden bedde haelen [mits.pp P] (NieuweMaren 133)
[Amsterdam, Holland; 1570/74-T04] T=T04 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=p SM=Mot CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘En na tussenkomst van [schepenen] Jan Hoelesloet en Joost Buijck zijn zij rond middernacht van de Plaats weggegaan naar huis, omdat zij [de schepenen] hun beloofden en ervoor instonden dat men ’s nachts niemand zou arresteren of van het bed lichten’
    Dit is een deel van bericht 26 in ‘De Nieuwe Maren’ (tekstcat. C), het verslag van het oproer van de wederdopers in Amsterdam in 1934 en de gebeurtenissen daaropvolgend. Het originele verslag is naar alle waarschijnlijkheid geschreven door Buyck zelf en dateert van 1534 (zie voor een levensschets van Buyck: NieuweMaren 42-56). In het verslag schrijft auteur Buyck in de derde persoon over zichzelf ‘(...) hoe hij een menigte die zich op de Dam had verzameld gerust wist te stellen’ (NieuweMaren 46). Maar het onderhavige citaat is ontleend aan een jongere versie met een iets andere tekst door een andere scribent. In NieuweMaren staat achter dit citaat de aanduiding ‘iv’, die betrekking heeft op enkele handschriften die allemaal jonger zijn dan dat uit 1534. De datering 1570-1574 baseer ik op NieuweMaren 25, waar vermeld wordt dat de tekst ook van later tijd kan zijn. Situatie: in de avond van 10 oktober 1534 heeft zich op de Plaats (de huidige Dam) een grote menigte wederdopers verzameld. Ze willen daar blijven om te voorkomen dat ze ’s nachts in hun huis gearresteerd zullen worden. Jan Hoelesloet en Joost Buijck vertegenwoordigen als schepenen het stadsbestuur. Woord: vast staende WNT vaststaan bet. 4 (‘instaan voor’).
    De verzamelde menigte van dopers vertrok van de Plaats en ging huiswaarts (Q) omdat Buyck en collega-schepen Hoelesloet persoonlijk beloofden dat de dopers ’s nachts in hun huis niet gearresteerd zouden worden (P). De midts.pp-frase bevat de persoonlijke belofte van de twee schepenen, en die fungeert - omdat de wederdopers daaraan vertrouwen ontlenen - als motivering (P) voor hen om het plein te verlaten (Q). Opmerking: er zullen lezers zijn die het midts.pp-voorkomen op twee gedachten vinden hinken omdat ze in de midts-frase een conditioneel betekenisaspect zien. Dat is reëel. In de situatie vlak vóór de feitelijke aftocht van de dopers, hebben dezen de schepenen vermoedelijk een voorwaarde gesteld in de trant van: wij zijn bereid naar huis te gaan, op voorwaarde dat jullie als stadsbestuur beloven dat wij thuis in ons bed niet gearresteerd worden; die voorwaarde hebben Buijck en Hoelesloot toen vervuld door de gevraagde belofte te doen. De conditionele nuance meenemend zouden we de midts.pp-frase zo kunnen begrijpen: vanwege de (als voorwaarde gestelde) belofte dat ze niet gearresteerd zouden worden, vertrokken ze van de Dam ([...] sijn sij ontrent middernacht vande Plaetse ghegaen nae huys). Het perspectief in de midts.pp-frase is, ook in deze interpretatie, door de auteur bij de dopersen gelegd.
 De aansluiting van de midts.pp-frase is semi-conjunct: subject zijn Hoelesloet en Buijck, en zij spelen alleen op een lager niveau een rol in de direct hogere frase, nl. in de bepaling van Jan Hoelesloet ende Joost Buijck die aanduidt wie degenen zijn die interveniëren.
107 Belangende de verlichtinge der borger, dat des van den l Aprilis soll angaen [Q], midts den soldaten daerna voertan mit de helffte der torven ende de helffte der keertsen tho versehende [midts.tho.pp P], twelck een erb. Raedt onder den borger ende de capiteynen onder den soldaten verbreyden sullen. (DiarAlting 187)
[Groningen, Noordoost-Nederland; 1571-T04] T=T04 P=Groningen R=Noordoost-Nederland TC=C TG=Versl TS=p SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Betreffende de lastenverlichting voor de burgers is besloten dat deze op 1 april zal ingaan, door de soldaten vanaf die datum de helft van de turven en de helft van de kaarsen te leveren. Dit zal door een raadslid aan de burgers en door de kapiteins aan de soldaten bekend gemaakt worden.’
    Dit citaat betreft een besluit van de raad van Groningen, in zijn dagboek (tekstcat. C) genoteerd door Egbert Alting, eerste secretaris van de stad. Eerder is door burgers gepleit voor vermindering van de lasten die hun zijn opgelegd ten behoeve van betaling en verzorging van soldaten. Binnen de stadsmuren van Groningen was vanaf 1568 namelijk een garnizoen van Alva gelegerd; de inwoners werden gedwongen een wekelijkse heffing voor de soldaten op te brengen en mee te betalen aan een dwangburcht die Alva liet bouwen.
    Per april komt er een door burgers verlangde lastenverlichting, zo verwoordt Alting een raadsbesluit (Q); de midts.tho.pp-frase zegt hoe die verlichting - term met dubbele bodem hier - bereikt gaat worden: de soldaten krijgen nog slechts de helft van de aanwezige kaarsen en turven, de andere helft blijft zo voor de stedelingen beschikbaar. De midts.pp-frase geeft dus een middel aan voor een te bereiken doel. Merk op dat versehende hier voorafgegaan wordt door tho ‘te’, dat meestal gecombineerd wordt met een infinitief maar hier met een pp.
 De midts.pp-frase is semi-conjunct aangesloten: het begrepen subject van de midts.pp-frase is het stadsbestuur, dat niet als onderwerp of voorwerp van de direct hogere frase optreedt. Dit subject is voor de lezer goed te begrijpen, omdat dit midts.pp-voorkomen staat in een raadsbesluit over een nog te voltrekken lastenverlichting voor de burger. De uitvoerder van het raadsbesluit kan alleen het stadsbestuur zijn.
108 [...] de zelve verweerers ghecondemneirt zyn alle de cessien ghiften ende transporten met al diesser naerghevolcht was in wat manieren dat het zelve ware te laten varen ende dies zy daerof gheproffyteirt hadden te restitueren ende laten volghen dese heeschers als haerlieder eeghen ghesuccedeirt goedt daerof doende rekennynghe bewys ende reliqua [Q] emmers ten minsten midts byden heeschers ghevende ende betalende ten proffyte vande zelve bastaerde kynderen voor elcken een lyfrente van vyf ponden grooten tsiaers [midts.pp P] heesschende voorts costen scaden ende interesten by sverweerers oppositie ghedoocht ende staende te ghedooghen (Compilatiecorpus Brugge 1572 nr. 1)
[Brugge, Vlaanderen; 1572-T04] T=T04 P=Brugge R=Vlaanderen TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] deze verweerders worden veroordeeld om afstand te doen van alle aanspraken op de boedel, geldelijke giften en overgedragen eigendommen met alles wat dat met zich heeft gebracht op welke wijze dan ook, en om het profijt dat ze daarvan getrokken hebben terug te geven en over te dragen aan de eisers als door hen geërfd goed, waarbij ze daarvan verantwoording moeten afleggen met vermelding van het batig saldo; wel dient door de eisers ten minste een lijfrente van vijf pond groten per jaar toegekend en betaald te worden ten bate van elk van deze bastaardkinderen; voorts met veroordeling van de verweerders tot een kostenvergoeding met rente voor de schade die de familie door hun tegenwerking heeft geleden en nog zal lijden’
    Dit is een citaat uit een vonnis (tekstcat. A1) d.d. 10 augustus 1572 van schepenen in Brugge. Zekere eisers, familieleden van wijlen priester Karel de Wulf, hebben met succes een geding aangespannen tegen de voogden van zijn bastaardkinderen (in het citaat: de ‘verweerders’). De Wulf heeft namelijk, ingaand tegen geldend recht, zijn bastaardkinderen goederen en geld nagelaten en hij heeft zijn familieleden willen onterven. Woord: emmers= immers WNT bet. 3 ‘wel’, ‘toch’.
    De verweerders moeten alle giften e.d. teruggeven en het profijt dat ze ervan getrokken hebben overdragen aan de eisers (Q). De rechtbank bepaalt daarbij wel dat deze laatsten lijfrentes dienen te vestigen voor elk van de bastaardkinderen (P). De rechters houden zich niet als zodanig bezig met ‘voordeel’ en ‘nadeel’ voor de eisers, maar bepalen voor verschillende aspecten van de rechtsstrijd wat naar hun oordeel rechtmatig is. De rol van P is dus comitatief.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als onderwerp worden de eisers begrepen (de familie), die als meew.voorw fungeren in de direct hogere frase. Er is een expliciete aanduiding van de handelende persoon in een Agentieve by-bepaling, ter voorkoming van misverstand inzake wie verantwoordelijk is voor de betaling benodigd voor de lijfrente voor elk van de kinderen. Dat de rechtbank onjuiste interpretaties wil tegengaan, is ook elders in de mits.pp-frase te zien: datgene wat de eisers moeten betalen strekt ten proffyte vande zelve bastaerde kynderen, en dit wordt verduidelijkt als de vestiging van een lijfrente voor elcken. Met een bepaald bedrag ineens kunnen de eisers dus niet volstaan.
109 [...] welcken boogaert de voerscreven meester jan vogelsancx binnen sijnen leven vercocht heeft gehadt andriesen harlemans sijnen swager boven sekere penningen bijden selven meester jan vogelsancx daerom ontfangen ende anderssints beweijn [bewisinge?] te betaelene om ende voer de somme van achtien carolus gulden tsjaers den penninck daeraff de voerscreven heer ende meester servatien gehouden sal sijn te doene der weduwe des voerscreven andriesen haer lemans voer deen hellicht behoerlijck gicht ende guedinge voer scepenen van diest oft elders daer des behoeren sal sonder last van sijnen mederffgenamen in desen boogaert niet deijlende [Q] mits in recompens van dijen profiterende de hellicht vanden voerscreven xviii rinsgulden erffelijck oft de hootpenningen daeraff commende [mits.pp P] (Stadsarchief Leuven, Schepenbank, 7467: fol. 84verso)
[Diest, Brabant; 1573-T04] T=T04 P=Diest R=Brabant TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] [het gebruiksrecht van] deze boomgaard had de genoemde meester Jan Vogelsancx bij leven verkocht aan zijn zwager Andries Harlemans; behalve een geldsom had deze meester Jan Vogelsancx daarvoor ook de betalingsgarantie ontvangen voor het bedrag van achttien karolusguldens jaarlijks per penning. [Deze jaarlijkse betalingen waren overgegaan op Jans zoon Aelbrecht, nu overleden; Servaes, de andere zoon van Jan, erft van Aelbrecht samen met diens dochter Marie het recht op deze betalingen, maar Servaes wil het gebruiksrecht op de boomgaard terugkopen.] Op grond daarvan zal de eerdergenoemde heer meester Servatius verplicht zijn, in aanmerking genomen zijn [recht op de] helft [van de bestaande jaarlijkse betalingen van Harlemans], aan de weduwe van de eerdergenoemde Andries Harlemans ten overstaan van schepenen van Diest of een andere plaats waaronder dat zal ressorteren, een passende rechtens vastgelegde vergoeding te geven, zonder last van zijn mede-erfgenaam, die geen aandeel zal hebben in [het toekomstig eigendom van] deze boomgaard, waarbij zij als compensatie daarvoor de helft zal genieten van de genoemde achttien rijnsguldens erfelijk of hoofdpenningen die op grond daarvan berekend worden’
    Dit is een fragment van een akte van de schepenbank te Leuven, gedateerd 19 september 1573. De akte valt in tekstcat. A1. Achtergrond: in verband met de boedelverdeling van wijlen de heer Aelbrecht, zoon van Jan Vogelsanx, is voor de schepenbank aan de orde hoe de twee erfgenamen (zijn dochter Marie en zijn broer Servaes) moeten omgaan met de jaarlijkse betalingen die Aelbrecht ontving voor het gebruiksrecht van een binnen de stad Diest gelegen boomgaard, dat door zijn vader Jan verkocht was. Servaes wenst het gebruiksrecht van de boomgaard terug te kopen, dat wil zeggen de erfpacht te beëindigen. Het citaat beschrijft de vergoeding die hij daarvoor moet betalen aan de huidige gebruikster zowel als aan Aelbrechts andere erfgenaam Marie. Die laatste zal van Servaes jaarlijks de helft krijgen van het bedrag dat Aelbrecht tot dan toe steeds voor de boomgaard kreeg, of het equivalent als som ineens. Woorden, namen: diest: Diest, stad in zuidelijk Brabant, arondissement Leuven; wisinge bet 4; gicht: MNW gicht III (‘in rechte afgelegde verklaring’); guedinge: MNW goedinge betek. 1 of 3 ‘vergoeding’ (‘abstract. De schenking of toedeeling van een vast goed of de inkomsten daaruit; vooral de opdracht van onroerend goed’)_ in de vertaling van gicht ende guedinge zijn beide termen samengenomen; anderssints: MNW andersins betek. 1 (‘in een anderen zin (...)’); beweijn: mogelijk is dit een (verkorte?) vorm van bewisinge: MNW bewisinge bet. 4 (‘aanwijzing, toewijzing van een bepaald goed, b.v. als erfdeel, aanwijzing tot zekerheid; ook de zekerheid zelve’ - NB: ik heb overwogen om beweijn te lezen als een verkorting van het voltooid deelwoord van bewisen dat toen al een sterke vorm kon hebben: bewesen of beweysen. Bewisinge lijkt beter: het is object van ‘ontvangen’; recompens: MNW recompense betek. (‘schadeloosstelling, vergoeding (...)’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De heer Servaes koopt het gebruiksrecht van de boomgaard terug die zijn vader Jan Vogelsancx verkocht had aan de al eerder overleden Andries Harlemans en waarvoor zijn nu overleden broer Aelbrecht nog steeds de jaarlijkse erfpachtbetalingen kreeg. Vastgelegd wordt dat Servaes de weduwe Harlemans hiervoor in redelijkheid moet compenseren. Hiervoor hoeft hij geen mandaat te hebben van zijn mede-erfgenaam (Aelbrechts dochter Marie), die geen aandeel zal hebben in het eigendom van de boomgaard (Q), waarbij Marie jaarlijks (van Servaes) de helft zal krijgen van de som die haar vader jaarlijks voor het gebruiksrecht van de boomgaard kreeg (P). De rol van P is een comitatieve: de mits.pp-frase duidt aan welke compensatie volgens de schepenbank noodzakelijk is in verband met het feit dat Marie geen mede-eigenaar zal zijn van de boomgaard, die namelijk geheel in het bezit van Servaes overgaat. Merk op dat in het citaat niet expliciet benoemd wordt wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze handeling ; de formulering betreft uitsluitend het effect van dee handeling, nl. dat Marie de helft krijgt. Kennelijk achtten schepenen deze formulering voor de aan de orde zijnde situatie voldoende: de verantwoordelijke kan alleen Servaes zijn.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen Aelbrechts dochter, die in de direct hogere frase alleen grammaticaal ondergeschikt aangeduid wordt, nl. in de van-bepaling in ‘sonder last van sijnen mederffgenamen in desen boogaert niet deijlende’.
110 sy [...] vraechden hem: Oft daer noch eenige middelen van ontsettinge te verwachten ofte voorhanden waren? waerop de Capiteyn hen voor antwoorde ghaff: dat sy noch drie daghen vertreck souden nemen | daer waer sekerlick troost ende ontsettinghe ghenoech voorhanden. Desen al niet tegenstaende |so zijn de ghemeyne Crijchsluden ende Soldaten ghesamelderhandt veraccordeert [Q1] | midts ocerdacht [ouerdacht] hebbende de groote benautheydt die hen op de hals was liggende van weghen des Princen Scheepvaert ende andersins [midts.pp P] [...] ende also geroepen hen te willen stellen onder de genade ende saechtmoedicheyt des Prince van Oranghien [Q2] (Koelmans 1972: 8)
[Middelburg (+Dordrecht), Zeeland; 1574-T04] T=T04 P=Middelburg P=Dordrecht R=Zeeland TC=C TG=Vert TS=s SM=Mot CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘zij [de soldaten en het gemene krijgsvolk] vroegen hem [Mondragon]: was er een mogelijkheid om zich te redden, of kon dat nog verwacht worden? Daarop gaf de kapitein hun ten antwoord, dat het nog drie dagen zou duren, maar dan zou er beslist voldoende bijstand zijn voor een ontzetting. Niettemin kwam het gemene krijgsvolk met de soldaten tot een gezamenlijk besluit, omdat zij zich rekenschap hadden gegeven van de grote rampspoed die hen zou treffen nu de prins per schip onderweg was, en van andere zaken [...], en waren ze geneigd zich te toe te vertrouwen aan de genade en clementie van de prins van Oranje’
    Dit citaat heb ik ontleend aan Koelmans (1972), die de tekst overgenomen heeft uit een contemporaine in Dordrecht uitgegeven kroniek van een anonieme auteur, die verhalend beschrijft wat zich in februari 1574 afspeelde vlak voordat de prins van Oranje Middelburg onder zijn bescherming zou stellen (tekstcat. C.). Tot dan toe werd de stad bezet gehouden door een gemengd leger onder bevel van de Spaanse veldheer Mondragon. De soldaten die de bezetting uitvoerden stond het water tot de lippen. Het citaat beschrijft dat zij zich, na hun dringende verzuchting jegens Mondragon, realiseerden welke ellende (benautheydt) ophanden was als de Prins na aankomst per schip de stad zou belegeren ‘en andere zaken’ (ende andersins): vermoedelijk betreft hun angst o.a. ook voedselschaarste en nóg hogere voedselprijzen. Woorden: ontsetting(h)e: WNT ontzetting, betek. I.4 (‘bevrijding van eene stad, een leger of een schip, door den vijand in het nauw gebracht’)_ ‘redding’; vertreck nemen: WNT vertrek betek.IV.21, eerste streepje ( ‘(een) lang vertrek geven, nemen, lang duren’); benautheydt: WNT benauwdheid betek. 3, hier: ‘ellend(e)(ige situatie)’; hals: betek I.2.d (‘Iemand op den hals liggen [...]: iemand benauwen, kwellen, of het hem lastig maken’); geroepen: WNT roepen betek. II.B.5 (‘iemand (soms ook: iets) in een zekeren toestand, in zekere omstandigheden [...] doen komen of brengen’).
    De rol van P is grondaanduidend (motiverend): dat soldaten en gemeen krijgsvolk zich de gevaren realiseerden van hun situatie vormde volgens de kroniekschrijver de grond voor hun gezamenlijk besluit zich te willen overgeven aan de prins.
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject, want begrepen subject ervan zijn het gemene krijgsvolk en de soldaten, en dezen treden in de direct hogere frase ook op als subject.
111 Ordonneren ende bevelen daeromme allen dengeenen, die alsoedaenige eijgen erve ofte plaetschen niet en hebben omme den mis te laeten, deselve heure mis, als sij die uuijt die stalle doen, te brengen buijten deser steede ter behoorlycke plaetschen, op peene van te verbeuren thien sheeren ponden, soe dickmael als ijemant hierinn e gebrecke ofte contrarie doende bevonden zal worden. Q2 Q1 Wel zullen mogen leggen voer tt[h]eur strate [?]y [Q1] mits blyvende twe voeten van de kant vant water [mits.pp P1] [Q2], mits de misse aldaer nyet langer te laten leggen dan den tyt van twe dagen ten lancxsten, latende elck behoerlyck passage op de fi[h]eerstraten [mits.te.Inf P2]. (RechtsbrSchied 137)
[Schiedam, Holland; 1574-T04] T=T04 P=Schiedam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Wij gelasten en bevelen daarom al degenen die niet de beschikking hebben over een dergelijk eigen erf of plaats achter hun huis voor het bergen van de mest, om die mest, als zij die uit de stallen verwijderen, te brengen naar een passende plaats buiten de stad, op straffe van verbeurte van tien pond herengeld, elke keer als van iemand geconstateerd wordt dat hij inzake deze bepaling in gebreke blijft of in strijd ermee handelt. Wel zullen zij de mest voor aan hun toegangsweg mogen deponeren op voorwaarde dat deze tenminste twee voet van de waterkant verwijderd blijft - waarbij zij de mest daar beslist niet langer mogen laten liggen dan maximaal twee dagen en een ieder de normale ruimte op de doorgaande weg vrijlaat.’
    Het citaat is ontleend aan artikel 1 van een korte keur van de stad Schiedam (tekstcat. A2), in november 1574 in aanwezigheid van baljuw Melchior Willemsz. van kracht verklaard. De keur is vergelijkbaar met een ‘vuilniskeur’ zoals andere steden die kenden, bijv. Alkmaar: in een vuilniskeur van 1450 staat de bepaling ‘Veemest mocht als afval niet langer dan drie dagen op straat blijven liggen’, aldus een beschrijving van de vuilniskeuren van Alkmaar in Vis 1996. Ook andere Hollandse steden hadden vergelijkbare keuren (Vis 1996: 23v). In het direct voorafgaande wordt gesteld dat het veehoudende inwoners van Schiedam verboden is om binnen de stadsgrenzen een kolk vol te storten met mest, behalve als die kolk zich op hun eigen erf bevindt of op een afgeschoten plaats achter het huis. Woorden: missch, mis: MNW betek. 1 (‘uitwerpselen van mensch en dier, drek, mest’); gebrecke: MNW gebrekelijc (bijv. naamw.), betek. 1 (nalatig, in gebreke’) in combinatie met gebrec betek. 3 (‘ (...) plichtverzuim, nalatigheid (...)’); behoorlycke: MNW behoorlijc betek. I.2.); fieer[=heer]strate: MNW heerstrate.
    In Schiedam wonende veehouders die geen kolk op het eigen erf hebben, wordt bevolen de mest op een passende plaats buiten de stad te deponeren. Ze mogen die wel (tijdelijk, zo blijkt) voor aan hun toegangsweg plaatsen - iets wat het stadsbestuur voor deze veehouders wenselijk acht, nu het hun verboden heeft de mest ergens in een kolk binnen de stad te deponeren - (Q1) onder de voorwaarde dat deze op twee voet van de waterkant blijft (P1). Daarbij geldt de bepaling dat zij de mest beslist niet langer dan twee dagen daar mogen laten liggen en al die tijd het doorgaand verkeer op de weg de normale ruimte moeten laten (P2). P2 heeft een comitatieve rol ten opzichte van de toegestane tijdelijke plaatsing op de toegangsweg op minimaal twee voet van de waterkant (Q2): ze dienen de mest niet langer te laten liggen dan..., geherformuleerd als: ze mogen de mest daar niet langer laten liggen dan...
 De mits.pp-frase (P1) is conjunct subject-lijd.voorw, want het begrepen onderwerp is de te plaatsen mest, en die is ook begrepen lijdend voorwerp van de direct hogere frase met predicaat zullen mogen leggen. Van de mits.te.Inf-frase (P2) worden de veehoudende inwoners zonder eigen kolk als onderwerp begrepen, en ook deze zijn te vinden in dezelfde direct hogere frase, nl. als begrepen onderwerp van zullen mogen leggen.
112 Den 25en Junij 1576 [...] Schepenen gehoirt hebbende den eysche van Aerian maertsz van Hoochtwoude van wegen een geert Jan Folkerts dochter van eerdtswoude, ende versochte voir rechte dat eenen Symon Jacobsz van Winckel, als in coepe genomen hebbende zeeckere perchele lants in een constitutie brief den selven geert Jans dochter competerende gehipoteeckaert, den hooftpenningen soude opleggen ende den constitutie brief aflossen [Q1], mits opleggende den afterstallijge ofte verloopen renten [mits.pp P1]; Symon Jacobsz gedaechden andtwoirdende tselve wel begerende te voldoen [Q2], mits conditien, dat eenen Jacob allertsz van Hoochtwoude, soe hy hem tselve hypoteeck vercoft heeft, hem sal vryen indempneren ende ongemolesteert houden [mits conditien dat + Vf P2]; Hebben by heuren vonnisse verclaert ende verclaeren mits desen, dat den voirnoemden eyscher zynen hooftpenningen ende verschenen onbetaelde renten opgeleyt ende betaelt sullen wesen ende den constitutie brief brieff afgelost sal worden, Wel verstaende dat Jacob allertsz als vercoeper den voirsegden Symon Jacobs sal vryen, indempneren ende ongemolesteert houden. (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.3.006.2, inv.nr. 5656: p. 13 links)
[Niedorp, Holland; 1576-T04] T=T04 P=Niedorp R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘25 juni 1576 [...]. Schepenen, gehoord hebbend de eis van Aerian Maertsz uit Hoogwoud namens ene Geert dochter van Jan Folkerts uit Aartswoud, die het gerechtelijk verzoek heeft gedaan dat ene Symon Jacobsz uit Winkel, die blijkens een hypotheekakte bepaalde percelen land toebehorend aan deze Geert Jansdochter had aangekocht, de hoofdsom zou betalen, en de hypotheek aflossen door het bedrag aan achterstallige of vervallen renten op tafel te leggen; [en gehoord hebbende dat] gedaagde Symon Jacobsz antwoordde daaraan wel te willen voldoen, zodra de financiële voorwaarde vervuld is dat ene Jacob Allertsz uit Hoogwoud, die deze hypotheekovereenkomst immers voor hem geregeld heeft, hem zal bevrijden van aanspraken en ervoor zorgen dat hij geen nadeel lijdt; hebben [Schepenen] bij vonnis uitgesproken en spreken bij deze uit dat aan de voornoemde eiser zijn hoofdsom en de vervallen, nog niet betaalde renten uitbetaald en voldaan zullen zijn en dat de hypotheek afgelost zal worden, met dien verstande dat Jacob Allertsz als verkoper [bemiddelaar van de hypotheek] genoemde Symon Jacobsz zal vrijwaren en schadeloos stellen voor enig nadeel.’
    Dit is een fragment uit een vonnis gedateerd 25 juni 1576, opgetekend op de schepenrol van de stad Niedorp. Het citaat is te rekenen tot tekstcat. A1. Woorden: constitutie brief: constitutie WNT onder ‘Afl.’ staat constitutiebrief (‘stuk waarbij iets ingesteld of vastgesteld wordt’); perchele: MNW parceel (in mv komt blijkens vb ook perchelen voor) betek. 1; competeren: VMNW betek. ‘behoren tot, toebehoren aan’ en WNT (‘rechtens toekomen’); gehipoteeckaert: WNT hypothekeeren (‘tot onderpand stellen (...)’); verclaert ende verclaeren: WNT verklaren, betek. II, a.α. (‘Van eenig bevoegd gezag, lichaam, (eert. inz.) van rechtscolleges: officieel als oordeel, beslissing of feit in het openbaar bekendmaken, uitspreken’); vercoft: WNT verkoopen bet. 2: een dienst verkopen, tegen betaling verlenen; indempneren: WNT indemneeren; vryen: WNT vrijen II betek. 6. Plaatsnamen die achter de persoonsnamen staan: Winkel, Aartswoud en Hoogwoud lagen (en liggen) alle drie in West-Friesland, ten noordoosten van Alkmaar. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven. De transcriptie van het handschrift is die van C. Kruyt, door Saskia Daalder en mij gecorrigeerd.
    De verhouding tussen P en Q in de twee mits-constructies kan als volgt gerepresenteerd worden:
1. Het vonnis noteert dat Aerian Maertsz ten overstaan van Schepenen geëist heeft dat Symon Jacobsz de hypotheek inzake de aankoop van land van Geert Jan Folkertsdochter geheel dient af te lossen (Q1) door ook de achterstallige of vervallen renten contant te voldoen (P1). De rol van P1 is die van middel. De mits.pp-frase is conjunct: het subject ervan is gelijk aan het begrepen subject van de direct hogere infinitief (aflossen), Symon Jacobsz uit Winkel.
2. Het vonnis noteert dat Symon Jacobs ten overstaan van schepenen verklaard heeft, best bereid te zijn aan de wens van eiser te voldoen (Q2), zodra de financiële voorwaarde vervuld is dat Jacob Allertsz, die de hypotheek voor hem heeft geregeld, hem in alle opzichten bevrijdt van zijn schuld (mits conditien dat +Vf P2). P2 heeft door mits een temporeel-momentane rol, die geïnterpreteerd wordt als een quasi-oorzakelijke. De voorstelling van zaken is dat het vrij van schulden zijn van Symen Jacobs een beweging in gang zet die erin resulteert dat hij aan de wens van de eiser voldoet. Het aspect van een voorwaarde wordt door het woord conditien (het woord conditien is op te vatten als ‘financiële toestand’ (WNT bet. 1, derde streepje)) toegevoegd. Omdat de wens van de eiser niet in relatie staat tot een door hem te vervullen voorwaarde, kan aan mits zelf geen voorwaardelijke rol toegeschreven worden. De twee mits-constructies zijn verschillend. De eerste is een instrumentele mits.pp-configuratie, de tweede een quasi-causale configuratie met mits conditien dat + Vf. De in P1 en P2 aangeduide handelingen zijn ook verschillend: in P1 gaat het om het op tafel leggen van geld (handeling van financiële aard) en in P2 om het schadeloosstellen van een persoon (handeling van financiële maar ook juridische aard).
 De mits.pp-frase met P1 is, zoals te verwachten bij een instrumentele mits.pp-frase, conjunct (subject-subject): degene die handeling P1 moet verrichten is Symon Jacobsz, de persoon die ook optreedt als onderwerp van de Q-frase. De tweede met mits conditien dat + Vf heeft de mogelijkheid een eigen uitgedrukt subject te bevatten en doet dat in dit geval ook; dit subject zou in principe kúnnen samenvallen met de persoon die aangeduid wordt door het onderwerp van de Q-frase (Symon Jacobsz), maar zou - eveneens in principe - ook een andere persoon kunnen betreffen. In dit geval vallen de personen niet samen: subject van de Q2-frase is Symon Jacobsz die wel bereid is tot de gevraagde aflossing, terwijl het subject van de mits-frase (met P2) hypotheekverkoper Jacob Allertsz is.
113 [...] die voirnoemde Staten van Utrecht [...] [syn] eyntelyck tevreden [...] geweest, in plaetse ende tot voldoeninghe vander voirseyde petitie, Synder Majesteyt te consenteren de somme van vijfftich duysent guldens eens, ten pryse voirseyt, boven hondert ende vyfftich duysent gelycke guldenen, oft soovele min oft meer, als bevonden sal worden by de voirseyde Staten oft lidtmaten van dien by leeninghe ende anderssins tot behoeuff ende prouffitte van Synder Majesteyt geduerende dese troublen verschoten ende opgebrocht te weesen [Q], mits van de voirseyde vijfftich duysent guldens affcortende tgheene des by de regierders der stadt Utrecht ende by hen staetsgewyse aen den heere van Hierges als stadtholder van den lande van Utrecht onlancx daerop betaelt is geweest ende dat men de resteerende penninghen van de voirseyde vyfftich duysent gulden sal moghen lichten op de obligatie van de voirnoemde Staten, die het interest daervan sullen betaelen naer advenant den penninck xii [mits.pp Pa ende dat + Vf Pb] (OnderhandelUtrecht 131)
[Brussel (+Utrecht), Brabant; 1576-T04] T=T04 P=Brussel P=Utrecht R=Brabant TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[de Raad van State schrijft dat] de genoemde Staten van Utrecht er uiteindelijk mee akkoord zijn gegaan om als vervangende maatregel ter voldoening van het genoemde belastingverzoek Zijne Majesteit het bedrag van vijftigduizend guldens met de genoemde waarde ineens toe te staan bovenop de honderdvijftig duizend guldens met dezelfde waarde, of zoveel minder of meer als door genoemde Staten of leden ervan bij wijze van lening of anderszins ten behoeve en ten gunste van Zijne Majesteit gedurende de troebelen betaald en ontvangen zal blijken te zijn; onder de voorwaarde dat zij [de Staten van Utrecht] op de genoemde vijftigduizend gulden in mindering brengen datgene wat daarvan onlangs door de bestuurderen van de stad Utrecht en door hen als vertegenwoordigers van de Staten aan de heer Hierges als stadhouder van het gewest Utrecht betaald is, en men de resterende penningen van de genoemde vijftigduizend gulden zal mogen ophalen door de uitgifte van schuldpapier door genoemde Staten, die de rente daarvan zullen betalen op de penning 12’
    Dit citaat komt uit een schrijven van de Raad van State in Brussel gedateerd 25 juni 1576. Deze tekst bevestigt de belasting die het gewest Utrecht aan Filips II zal betalen. Als voorlopig sluitstuk van hun rechtsstrijd, toegezonden aan de vorst en de Staten van Utrecht, valt het citaat in tekstcat. B. Het gewest Utrecht had zich in het verleden verzet tegen Alva’s belastingstelsel (10e, 20ste en 100ste penning) en ook aan landvoogd Requesens de bezwaren overgebracht: Utrecht was arm en door troepen van beide partijen leeggeplunderd, en door het wegvallen van de landbouw en de bijbehorende pachtgelden konden de belastingen niet meer betaald worden. Na de dood van Requesens in maart 1576 werd de Raad van State de bepalende instantie. Het citaat beschrijft de uitkomst van de rechtsstrijd. Woorden, zaken: in plaetse ende tot voldoeninghe vander voirseyde petitie: de Utrechtse Staten kopen de namens Filips II geheven belasting (eis, bede, hier genoemd petitie) bestaande in de afdracht van de 100ste, 10de en 20ste penning af (in plaetse) met een groot bedrag ineens, waarmee ze aan hun verplichtingen voldoen (voldoeninghe); ten pryse voirseyt: 1 gulden = 20 stuivers; staetsgewijse: WNT staatsgewijze betek. 1.b (‘(...) op of naar de wijze van, bij wijze van (afzonderlijke) Staten of standen (leden van de Staten) (...)’); opbrengen WNT III, B, 1/2 ‘opbrengen’; lichten: hier ‘ophalen, bij elkaar krijgen’; naer advenant den penninck xii: ter hoogte van 1/12 deel van het bedrag. Transcriptie: editeur Muller heeft in het toenmalig Rijksarchief in Utrecht een kopie van het handschrift getranscribeerd, op de rug waarvan (in dorso) in het Frans stond aangeduid dát het een kopie betrof van de akte van acceptatie van de bede van Utrecht (1576, Copie de l’acceptation de layde dUtrecht). Ik ga ervan uit dat de Raad van State deze akte in het Nederlands opgesteld heeft; de discussie die eraan voorafging is deels in het Nederlands, deels in het Frans gevoerd.
    Bovenop het reguliere bedrag van 150.000 gulden belasting aan de vorst hebben de Staten van Utrecht, zo meldt de Raad van State, ingestemd met een betaling van 50.000 gulden extra, of minder of meer afhankelijk van wat lokaal aan gelden te zijnen gunste al betaald of ontvangen is (Q); dit op de voorwaarden dat de Staten van Utrecht op die 50.000 gulden in mindering brengen het bedrag dat laatstelijk aan de stadhouder van het gewest Utrecht voldaan is (mits.pp Pa), en dat zij voor het ophalen van het resterende bedrag obligaties mogen uitgeven op de 12e penning (ende dat + Vf Pb). De rol van Pa en Pb is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct: als onderwerp worden begrepen de Staten van Utrecht, en zij zijn ook het begrepen onderwerp van de hogere infinitiefconstructie met als kern consenteren.
114abc Item alle mans persoonen burgeren des. stede voor de loop ingelicke herbergiers gilde vrij geweest zijnde ende tselue nu nyet excercerende ende die noch in toecommende tijden deur gebreck van ander neringe tselue soude begeren te excerceren ende herberghe te houden tselue vrijelick sullen mogen doen [Q1] mits geuende de voors. twee guldenen [mits.pp P1]
Dat oock alle vrouwe persoonen weduwe zijnde vande genen die hier voortijts vrij geweest zijn ende die hen jegenwoirdelick metter herberge gheneren oft in toecommende tijden souden begheren te generen tselue vryelick zullen mogen doen [Q2] mits geuende ende betalende de twee carolus guldens [mits.pp P2] [...]
Item dat alle gildebroeders sonen begerende in tvoors. gilde te commen vrij wesen zullen [Q3] mits betaelende halff incomme gelt te weeten twintig schellingen grooten vlaams [mits.pp P3] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 1019)
[Arnemuiden, Zeeland; 1577-T04] T=T04 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Tevens: alle mannelijke burgers van deze stad die voorafgaande aan de inwerkingtreding [van de verordening] zelfstandig herbergier zijn geweest of die dat beroep nu niet uitoefenen en het in de toekomst bij gebrek aan andere middelen van bestaan alsnog zouden verlangen uit te oefenen en herberg zouden willen houden, zullen dat vrijelijk kunnen doen tegen betaling van de genoemde twee guldens
Dat ook alle vrouwen die weduwe zijn van hen die hier vroeger zelfstandig herbergier waren en die momenteel in hun levensonderhoud voorzien met de herberg of dat in de komende tijd zouden willen doen, dat vrijelijk zullen kunnen doen tegen betaling van de twee carolusguldens [...]
Tevens dat alle zoons van gildebroeders die lid willen worden van het gilde zelfstandige leden zullen zijn tegen betaling van de helft van het entreegeld, te weten twintig schellingen in Vlaamse groten’
    Dit drieledig citaat komt uit de verordening voor het gilde van tappers en herbergiers, die baljuw, burgemeesteren, schepenen en raad van Arnemuiden op 16 oktober 1577 voor de twee beroepsgroepen tezamen uitgevaardigd hebben. Tekstcat. is A2. Woord: vrijelick: WNT vrijelijk betek. 1 ‘zonder beperkingen’. Eigen diplomatische transcriptie van het handschrift, waarvan dhr. P. Feij van het Zeeuws Archief mij een foto heeft toegezonden. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Mannen die in het verleden het beroep van herbergier hebben uitgeoefend en dat nu willen hervatten, mogen dat vrijelijk doen, zo oordeelt het stadsbestuur (Q), op voorwaarde dat ze twee gulden betalen (P). Dezelfde analyse geldt voor het tweede en derde gedeelte van het citaat.
 De drie mits.pp-frasen zijn elk conjunct subject-subject.
115 Voorts om de boosheyt van eenyge lichte menschen, die niet te verliesen en hebben, te breydelen ende beletten, zoo zoude men oock by ofrupinge wel scherpelicken mogen verbieden, dat hem nyemant en vervordere den gestelde aelmoseniers, huyssittenmeesters ende alle andere, die dezen aengaende eenichsins gemoyt of gebezicht zouden werden, mit woorden of mit wercken te misseggen off misdoen of, mitz hemluyden eenyge logenen te verstaen gevende [mitz.pp P], onbehoorlicken te practizeren, eenyge aelmissen t’onrecht te genieten of andere cluchten of ongeoorloofde zaecken in dien te gebruycken of te speelen [Q], al op peyne van tot discretie van die van den Gerechte aen den lyve mitter doot, brantteycken, geesselinge, bannissement of anders te werden gestraft [...]. (Prinsen 1905b: 157v)
[Leiden, Holland; 1577-T04] T=T04 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W4 VO=P-Q
           
    ‘Vervolgens, om het gewetenloos gedrag van slechte lieden die niets te verliezen hebben, te beperken en te voorkomen, zou men ook per openbare afkondiging ten strengste moeten verbieden dat iemand de euvele moed zou hebben om de aangestelde aalmoezeniers, huiszittenmeesters en alle anderen die hierbij op enigerlei wijze betrokken zijn of ermee belast zijn, in woord of daad te beledigen dan wel onrecht te doen, of - door het opdissen van leugens - tegenover hen onfatsoenlijk te handelen, onrechtmatig van aalmoezen te profiteren, of ook komediespel of bedrog daartoe in te zetten; dit alles - ter beoordeling van het gerecht - op sanctie van lijfstraf hetzij door de dood, brandmerk, geseling, verbanning of anderszins.’
    Dit citaat is afkomstig uit een beleidsstuk dat hoogstwaarschijnlijk door stadssecretaris en schrijver Jan van Hout voor het stadsbestuur van Leiden is geschreven, getiteld ‘Het armenrapport’ (tekstcat. B). Het staat daarin op fol. 15r. Voor een beschouwing over achtergrond en auteurschap zie Prinsen 1905a. Onderwerp van dit citaat zijn de ‘huisarmen’, arme lieden aan wie thuis hulp geboden wordt (geen bedelaars). Woorden: boosheid VMNW betek.1, o.a. ‘gewetenloosheid’; ongeoorloofde zaecken in dien: fraude met de aalmoezen; cluchten speelen: hier met negatieve betekenis, want wat de auteur bedoelt is ‘bedrog plegen, de boel flessen’, vandaar ‘komediespel’.
    Paal en perk moet gesteld worden, zo zegt het rapport hier, aan het brutale optreden van sommige huisarmen, die o.a. door tegenover de toezichthouders leugens op te dissen (P), onfatsoenlijk handelen, onrechtmatig van aalmoezen profiteren of daarvoor frauderen (Q). Het gaat hier om het middel van de leugenachtigheid dat volgens het rapport door sommige gewetenloze huisarmen ingezet wordt om zich onrechtmatig voordelen te verschaffen.
 De mitz.pp-frase is conjunct subject-subject.
116 [...] dat aengaende tverloop van alle die renten die eenige Ingeseetenen van Brabant, Vlaenderen ofte andere omleggende provincien alsvoeren op die van Hollant ende Zeelant ofte eenige steeden ofte die gemeene Incomsten vanden domeynen aldaer spreeckende hebben, die Staten vanden selven lande verstaen ende verclaeren ongehouden te zyn eenige betaelinge te doen vant gundt geduyerende den voorleeden oorloege tot Sint Jansmisse lxxvj achtervolgende die pacificatie is gevallen ende verscheenen ende dat mede tselffde nyet en is int vermogen vande selve Staten alsoe alle d’incompsten vandien met alle andere geannoteerde ende gemeene lants penningen zyn gealieneert ende verstrect tot behouff vande oorloege ende bevrydinge vanden Lande alsvoiren [Q], mits doende betaelinge vande verloopen renten gevallen zeedert Sint Jansmisse voornoemt ende die verschynen zullen [mits.pp P] (ResHoll1577-78 6)
[Haarlem, Holland; 1577-T04] T=T04 P=Haarlem R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[door afgevaardigden van deze Staten zal in de Staten-Generaal betoogd worden] dat inzake het vervallen van alle renten waarop ingezetenen van Brabant, Vlaanderen of genoemde andere aangrenzende provincies aanspraak maken bij ingezetenen of steden van Holland en Zeeland of van de algemene opbrengsten van de domeinen aldaar, de Staten van dit gewest van mening zijn en verklaren niet verplicht te zijn tot enige betaling van hetgeen in de periode van de laatstleden vijandelijkheden tot Sint-Jan van het jaar 76 overeenkomstig de pacificatie aan rentes is vervallen en komen open te staan, en dat genoemde Staten hiertoe ook niet bij machte zijn, omdat alle desbetreffende inkomsten samen met alle andere geoormerkte en algemene gewestelijke gelden op andere wijze zijn gebruikt en ingezet ten behoeve van de militaire verdediging van het gewest zoals vermeld, waarbij zij zich verbinden de vervallen rentes van na Sint-Jan van genoemd jaar en de toekomstige wel te betalen’
    Dit is een citaat uit de Resoluties van de Staten van Holland en Zeeland over 1577-1578; in en vanaf deze jaren vergaderden de Staten van Holland en die van Zeeland steeds vaker gezamenlijk, in 1577 in Haarlem, in de loop van en vanaf 1578 in Den Haag. Dit fragment komt uit de resoluties van de zitting van 22 sept. 1577. Tekstcat. is B. De besluiten van de Staten van Holland werden in deze jaren nog niet gedrukt. Hier gaat het om extracten, in afschrift gemaakt voor de stad Rotterdam, afkomstig uit het bezit van Hugo de Groot, die enkele decennia later pensionaris van deze stad was. De motivering van het in dit citaat vermelde besluit valt te lezen in het direct voorafgaande: de ingezetenen van het gewest, wier goederen en schepen in Brabant, Vlaanderen en andere zuidelijke provincies gedurende de oorlog al grote schade hebben geleden, hebben ook moeten afzien van renteaanspraken die zij in deze periode hadden op Hollandse en Zeeuwse steden en op het gewest zelf, omdat deze gelden uitgegeven moesten worden voor de noodzakelijke bescherming en bevrijding van de zuidelijke provincies. Dit is reden om de oude renteaanspraken van burgers uit de zuidelijke gewesten vergelijkbaar te behandelen. Woord: pacificatie: de afspraken tot samenwerking door de gewesten gemaakt in de zgn. pacificatie van Gent van 8 en 9 november 1576 (zie Rogier 1968: 85-87 en Van Deursen 2004: 90-92). Het verdrag omvat een bepaling waarin bij Sint-Jan de ‘harde knip’ ligt inzake de betaling van openvallende rentes: voor rentes die verschijnen ná Sint-Jan geldt een andere regel dan voor rentes die daarvóór openvallen; alle d’incompsten vandien: bedoeld zijn bijvoorbeeld de inkomsten van verpachtingen.
    De Staten van Holland en Zeeland verwerpen gemotiveerd een verplichting om rentes die vervallen zijn tot en met 24 juni 1576 te moeten betalen (Q), maar volgens hun formulering hoort daar een bepaalde handeling noodzakelijk bij: ze zullen rentes die na die datum vervallen wél betalen (P). De betekenis van de mits.pp-frase is comitatief. Anders gezegd, complementair aan de verwerping van plichten daterend van vóór de genoemde datum, verbinden de Staten zich aan de belofte dat ze rentes die later vervallen zijn of nog zullen vervallen wel zullen voldoen.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
117 den xxven Septembris. Is verclaert dat van alle tonne vleesch ende versch geslagen speck comende in deese Landen omme voorts in andere Landen gevoert te werden sal mogen volstaen [Q1] mits gevende tconvooygelt daertoe gestelt [mits.pp P1], sonder dat daer van eenige Impost betaelt sal worden vanden xxen penning dan ter plaetse daer tselffde binnen deese landen zal worden vercoft ende geconsumeert [...]
[...] Soe ist dat die Eedelen ende Steeden van Hollant repraesenteerende die Staten vanden selven Landen staetsgewys vergaedert zynde geordonneert ende verboeden hebben, ordonneren ende verbieden by deesen dat van nu voortaen nyemant van wat staete ofte condicie hy zy inden lande van Hollant voornoemt zal mogen toerusten eenige scheepen van oorloege, ofte eenige bootsgesellen ofte scheepvolck aennemen opte selve scheepen, nochte hem daer mede eenichsints in zee te begeven, dan [Q2] mit voorweten ende bewillinge vande Staten van Hollant [mit P2a] ende mits daerbeneffens alvoren gestelt te hebben cautie souffisant binnen den selven Lande van nyemant vuyt den Lande van Hollant nochte vande andvermanendeeren heure gealieerde Neederlantsche provincien eenichsins te beschadigen [mits.te.Inf P2b], op verbeurte der scheepen ende equippaege vande contraventeurs gestraft te worden aen heuren lyve naer gelegentheyt vander zaecke.’ (ResHoll1577-78 8, 9v)
[Haarlem, Holland; 1577-T04] T=T04 P=Haarlem R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘25 september. Heden is meegedeeld dat voor elke ton vlees en versgesneden spek die in deze gewesten ingevoerd wordt met de bedoeling om daarna naar andere gewesten uitgevoerd te worden, volstaan zal mogen worden met het betalen van het konvooigeld dat daarvoor geldt, zonder dat daarvoor enige andere accijns in het kader van de twintigste penning betaald zal worden dan alleen ter plaatse waar de goederen in deze gewesten zullen worden verkocht en geconsumeerd [...]
[...] Derhalve hebben de edelen en steden van Holland, als vertegenwoordigers van de Staten van dat gewest bijeen in de Statenvergadering, bevolen en verboden, en bevelen en verbieden zij bij deze dat van nu af aan niemand van welke stand of met welke functie dan ook in voorgenoemd gewest Holland oorlogsschepen zal mogen uitrusten, of bootsgezellen of scheepsvolk zal mogen aannemen voor deze schepen, of daarmee in enigerlei vorm de zee op zal mogen gaan, tenzij met voorkennis en toestemming van de Staten van Holland en met bovendien afgifte vooraf van voldoende binnenlandse garantie dat men niemand uit het gewest Holland of uit de andere geallieerde Nederlandse provincies enige schade zal doen, op straffe van verbeurdverklaring van de schepen en lijfstraffen voor de bemanning van de overtreders, naar gelang van de overtreding.’
    Dit is een tweeledig fragment uit de resoluties van de Staten van Holland en Zeeland, zitting d.d. 25 september 1577. Tekstcat. is B.
    In het eerste deel van het citaat betreft Q1 een verondersteld streven van de vleesimporteurs om genoeg belasting betaald te hebben (Q1) en betreft P1 het middel waarmee ze dat doel kunnen bereiken, nl. dat ze het geldende konvooigeld afdragen (P1). In het tweede citaatdeel zijn er geen mits.pp-frasen, maar wel mit/met/mits-frasen in andere zin. De Staten van Holland formuleren een beperkte toestemming voor plannen die iemand (of enig lichaam) kan hebben om oorlogsschepen uit te rusten, die van bemanningen te voorzien en daarmee uit te varen (Q2); de toestemming is gekoppeld aan de voorwaarden dat de Staten van Holland vooraf ingestemd moeten hebben (P2a) en dat de betrokken persoon of instantie een garantie afgeeft dat geen schade zal ontstaan voor Hollandse of geallieerde personen en lichamen (P2b). In dit tweede deel zijn de configuratie van mit + twee nominaliseringen (voorweten ende bewillinge) en de mits.te.Inf-configuratie gecoördineerd tot één tweeledige voorwaarde; tussen mit en mits bestaat in dit geval naar het lijkt geen principieel onderscheid. Punt van verschil tussen de mits.pp-constellatie (Q1-P1) en de tweeledige constellatie met mit + nominaliseringen + mits.te.Inf (P2-Q2) is het betekenisonderscheid: instrumenteel vs. voorwaardelijk. Verder is de mits.pp-frase in het eerste deel korter (5 wrdn) dan de mits.te.Inf-frase in het tweede deel (29 wrdn), die bovendien syntactisch complex is doordat de inhoud van de borg wordt uitgedrukt door een beknopte Inf-frase: cautie souffisant [...] van nyemant vuyt den Lande van Hollant nochte vande anderen heure gealieerde Neederlantsche provincien eenichsins te beschadigen.
De mits.pp-frase is conjunct, want als subject wordt men begrepen dat staat voor de vleesimporteurs, terwijl men met dezelfde denotatie ook begrepen onderwerp is van het predicaat sal mogen volstaen van de direct hogere frase.
118 Is voorgeslagen dat den Gecommitteerde vande Generaele Staten voor antwoort sal gegeven worden dat aengaende die voorleden contributie die Staten verstaen int onderhout van haerluyder knechten, soe tot assistentie vande Generaele Staten als thaerluyder eygen verzeeckerheyt, zoe veele lasten ende meer gedragen te hebben als haerluyder quote inde Generaele contributie voornoemt souden mogen bedragen ende aengaende die laeste groote generaele ommeslach ende contributie [Q] mits by de Staten van Hollant ende Zeelant daer aff treckende die costen die zyluyden tot haerder verzeeckerheyt ende onderhoudt van haere knechten sullen moeten dragen ende regardt nemende op de devastatien vanden selven Lande ende dat den selven noch nyet en zyn in haer geheel tgundt daer en boven noch die selve van Hollant ende Zeelant gehouden souden mogen zyn te contribueren daer vooren eenige knechten in Brabant tot haeren dienste over te schicken tot discretie van Zyne Excellentie zoe verre toerloech zoude mogen continueren [mits.pp Pa ende Pb]. (ResHoll1577-78 16)
[Haarlem, Holland; 1577-T04] T=T04 P=Haarlem R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Mot CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Er is voorgesteld dat aan de afgevaardigde van de Staten-Generaal als antwoord zal worden gegeven dat de Staten inzake de vorige contributie van mening zijn, ter ondersteuning van de Staten-Generaal en ten behoeve van hun eigen bescherming minstens zo veel kosten aan de betaling van hun voetknechten gedragen te hebben als hun quote in de totale bijdrage aan de Staten-Generaal zou kunnen bedragen, zo niet meer; en dat dat eveneens geldt voor de [nog komende] laatste grote generale omslagheffing, als de Staten van Holland en Zeeland daarvan namelijk die kosten aftrekken die zij zullen moeten dragen voor hun eigen bescherming en de betaling van hun voetknechten, en als ook de verwoestingen in hun gewest in aanmerking worden genomen alsmede het gegeven dat het voor deze gewesten nog niet vaststaat, wat de Staten van Holland en Zeeland bovendien nog op voorhand zullen moeten bijdragen aan de overplaatsing van een aantal voetknechten om in Brabant ter vrije beoordeling van Zijne Excellentie dienst te doen, indien de oorlog zou voortduren.’
    Dit is een citaat uit de resoluties van de Staten van Holland en Zeeland, zitting d.d. 2 oktober 1577. Tekstcat. is B. Ter zitting is een voorstel gedaan voor een afwijzend antwoord dat de Staten van Holland en Zeeland aan de afgevaardigde van de Staten-Generaal zullen geven. Het eerste element van het antwoord heeft als onderwerp de betaling van het (nog vast te stellen) aandeel van de Staten in de vorige contributie. Als feitelijke uitgaven van de Staten meegerekend worden, is aan dat aandeel ruimschoots voldaan. Het citaat gaat in op het tweede element, dat betrekking heeft op een nog te verwachten omslagheffing. Ter toelichting het volgende. De Staten-Generaal zijn in 1576 opnieuw ingesteld met zeven gewesten: naast Holland en Zeeland waren dat Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland en Utrecht. De quota waaraan gerefereerd wordt zouden in 1578 vastgesteld worden. Ten tweede: in de situatie waarop het citaat betrekking heeft, ís er de facto nog niets aan de Staten-Generaal betaald. Verschuldigde heffingen en contributies werden in het algemeen gaandeweg vereffend door het overnemen van gevarieerde kosten voor bijv. troependivisies. Tenslotte: de praktijk van meerbetaling door het gewest Holland bestond in 1577 al lang. Woord: geheel: MNW bet. 4 (o.a. ‘volledig’) en WNT geheel II betek. 2.a in zijn (haar) geheel (o.a. ‘ 1°. met alle deelen, zonder dat één deel ontbreekt; geheel en al’).
    De Staten van Holland en Zeeland redeneren in het tweede, op de toekomstige heffing gerichte deel van het citaat: zij zullen ook inzake de nog komende generale omslagheffing al minstens zo veel militaire kosten hebben betaald ten behoeve van de Staten-Generaal en hun eigen bescherming als hun (nog niet vastgestelde) deel van de totale omslagheffing zou kunnen bedragen (misschien wel meer); en er zullen op dat terrein in elk geval ook nog hoge extra kosten direct op hen afkomen. Stelling: daarom hoeven de Staten geen aandeel in de komende omslagheffing op zich te nemen; het aandeel van Holland is zonder verdere stortingen al ruimschoots voldaan (Q). Als motivering van deze stelling volgt een opsomming van verschillende oorlog-gerelateerde kosten die Holland en Zeeland nu en in de nabije toekomst zelf moeten maken, ook om geleden schade door verwoesting te herstellen: die kosten moeten afgetrokken worden van het (nog vast te stellen) proportionele aandeel in de omslagheffing (P).
 De aansluiting van de mits.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen onderwerp zijn de Staten van Holland en Zeeland, die in het voorgaande wel genoemd worden, maar die in de direct hogere frase niet de rol van onderwerp of voorwerp hebben. Ter verduidelijking is er wel een Agentieve by-bepaling.
119 Opt scrijven vanden ontfanger generael Jacob Muys is geordonneert onder anderen voor antwoort te vougen, dat die van Overflacquee vuijtstel voor d’eene helft vanden hondersten penning is verleent tot Paesschen, toecomende [Q], mits betalende d’ander helft gereet ende daer beneffens overleveren heurluijder quoijeren [mits pp Pa ende Inf Pb] (ResHoll1577-78 28)
[Haarlem, Holland; 1578-T04] T=T04 P=Haarlem R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Naar aanleiding van de brief van de ontvanger-generaal [van Holland en West-Friesland] Jacob Muys is besloten de beantwoording [van een verzoek van Overflakkee] in orde te maken, [in dier voege] dat de bestuurders van Overflakkee voor de ene helft van de honderste penning uitstel wordt verleend tot de aanstaande Pasen, op voorwaarde dat zij de andere helft in contanten betalen en daarbij bovendien hun belastingregisters overleggen’
    Dit citaat is ontleend aan de resoluties van de zitting d.d. 16 januari 1578 van de Staten van Holland en Zeeland. De vergaderplaats was toen nog Haarlem. Tekstcat. is B. Woord en naam: quoijeren: WNT kohier betek. 2b (‘inzonderheid met betrekking tot lasten, belastingen en derg.: lijst of register waarin de belastingplichtigen, de belaste objecten, de aanslagen enz., vermeld en omschreven staan’). Opgemerkt zij, dat Met betalende plus aanvullende zinsdelen is nevenschikkend verbonden: overleveren (niet: overleverende) met aanvullende zinsdelen. In dit corpusfragment, waarin de vormen Inf en pp gecoördineerd als complement van mits voorkomen, is geen betekenisonderscheid tussen deze twee vormen op te merken.
    Aan het bestuur van Overflakkee verlenen de Staten op hun verzoek een zekere gunst, nl. enkele maanden uitstel van betaling voor de helft van hun belastinginkomsten inzake de honderdste penning (Q) onder twee voorwaarden: contante betaling van de andere helft en overlegging van hun belastingkohieren (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw.
120 Opt versouck van den Schoudt, Burgemeesters, Schepenen ende Regeerders van Purmereijnde sijn dieselffde geoctroijeert te mogen aenvaerden vuijt Rechter aelmisse die landen ende goederen vande baghijnen aldaer tot behouff van den Weeshuijse binnen derselver stede [Q], mits onderhoudende die Conventualen naer advenant vande Incompsten van dijen ende doende voorts haerluyder reeckening als naer behoiren. [mits.pp Pa ende Pb]. (ResHoll1577-78 46)
[Den Haag, Holland; 1578-T04] T=T04 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Op het verzoek van schout, burgemeesters, schepenen en bestuurders van Purmerend worden dezen gemachtigd om ten behoeve van het weeshuis in deze stad de landerijen en goederen van de begijnen aldaar te mogen aannemen als waarachtige liefdesgift, onder de voorwaarde dat zij naar gelang van de betreffende inkomsten zorg dragen voor het levensonderhoud van de kloosterlingen en dat zij financiële verantwoording afleggen zoals het behoort.’
    Dit citaat is ontleend aan de resoluties van de zitting d.d. 7 februari 1578 van de Staten van Holland en Zeeland. De zittingen vonden toen plaats in Den Haag. Tekstcat. is B. Ter vergadering werden geregeld verzoeken besproken van bestuurders van kleine en middelgrote steden; in dit fragment is dat Purmerend. Woorden, namen: aelmisse: WNT aalmis (betek. ‘liefdegift aan behoeftigen’); Landen: landerijen, gedacht kan worden aan land in wat nu de Neckerpolder heet; Weeshuijse: vermoedelijk gaat het hier om het zgn. armenweeshuis, omdat het zgn. burgerweeshuis pas in 1630 werd opgericht (dat in 1746 met de armeninstelling fuseerde); (doende) reeckening: WNT rekening (doen): (afleggen van ) ‘verantwoording, inz. schriftelijk, omtrent gevoerd financieel beheer en beleid, meestal bestaande uit het overleggen van een lijst van de gespecificeerde posten van ontvangst en uitgaaf over een bepaald tijdvak met de daarbij behoorende bewijsstukken (z.g. formeele deugdelijkheid), en een verdediging van de juistheid der gedane uitgaven (z.g. materieele deugdelijkheid) (...).’
    Het Purmerends stadsbestuur krijgt toestemming land en goederen van de begijnen aan te nemen, om de opbrengsten ten goede te laten komen aan het weeshuis van de stad (Q). Aan de acceptatie van deze gift zijn twee voorwaarden verbonden: dat het stadsbestuur zorgt voor het levensonderhoud van de begijnen (Pa) en fatsoenlijk financieel verantwoording aflegt van inkomsten en uitgaven (Pb).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
121 Angaende die goederen op Zeelant gaende vuijt dese landen van Hollandt, is geresolveert dat diezelffde zullen mogen volstaen onder opscrijvinge vanden convoijen [Q], mits stellende cautie souffisant binnen ses weecken ofte twee maenden ten lancxsten te zullen vaceren, dat die goederen binnen Zeelant zijn vercoft ende geconsumeert [mits.pp P] ende dit all tot dat anders dairinne zal zijn geordonneert. (ResHoll1577-78 60)
[Den Haag, Holland; 1578-T04] T=T04 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Wat de goederen betreft die uit deze Hollandse gewesten naar Zeeland gaan, is besloten dat het voor de desbetreffende [kooplieden] volstaat, om bij het inschrijven van het konvooigeld een voldoende borg te stellen die binnen zes weken of hooguit twee maanden vervalt, voor de garantie dat de goederen binnen Zeeland verkocht worden en afgenomen; dit alles tot nader order.’
    Dit citaat komt uit de resoluties van de zitting d.d. 24 februari 1578 van de Staten van Holland en Zeeland (tekstcat. B). Het citaat omvat een op zichzelf staande passage in de resoluties; er is geen directe context aanwezig. Op de achtergrond speelt vermoedelijk een rol, dat de Staten van Holland en Zeeland rond 1578 steeds meer gingen samenwerken. Dit kwam voort uit economische belangen: men wilde voorkomen dat de goederen naar Antwerpen gingen. De samenwerking groeide ook, omdat grote delen van van beide gewesten zich achter de prins van Oranje hadden geschaard. Woord: convoijen: WNT konvooi betek. 4 (‘benaming voor het bedrag dat oudtijds verschuldigd was voor het verkrijgen van een gewapend geleide te water; in den tijd der watergeuzen toegepast op het bedrag dat door koopvaarders betaald werd voor een door den Prins van Oranje verstrekt vrijgeleide, en vervolgens ook op de hiervoor in de plaats getreden belasting, die geleidelijk het karakter kreeg van een recht op in- en uitgaande goederen’).
    De betekenis van de mits.pp-frase (P) is instrumenteel, zoals te verwachten bij een Q-frase met volstaan (mits.pp).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject van het borgstellen worden de kooplieden begrepen die goederen uit Holland naar Zeeland invoeren, en deze kooplieden zijn ook subject van de direct hogere frase, waar ze aangeduid worden als diezelffde.
122 Den xxven februarij. Opt versouck vande Burgemeesters ende Regierders van Schoonhoven, is den zelven voorde aenstaende verpachtinge geaccordeert te zullen blijven genijeten d’eene helft van de acchijsen ende imposten alleenliek die binnen der selver stede verpacht zullen worden ende dat tot behouff haerluijder stede [Q], mits doende daeraff verantwoordinge ende alvooren overleverende haerluijder reeckening vande voorgaende penningen sonder eenige exemptie in vordere contributie binnen der selver stede [mits.pp Pa ende Pb]. (ResHoll1577-78 61)
[Den Haag, Holland; 1578-T04] T=T04 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘25 februari. Op verzoek van burgemeesteren en bestuurders van Schoonhoven is aan dezen inzake de aanstaande verpachting toestemming verleend om de helft te blijven ontvangen van de accijnzen en belastinginkomsten, uitsluitend voor wat betreft de verpachting binnen deze stad, en met hun stad als begunstigde, onder de voorwaarde dat zij daarvan verantwoording afleggen en tevoren hun eindafrekening overleggen van eerder geïnde penningen zonder daarbij andere binnen de stad geldende financiële bijdragen uit te zonderen.’
    Dit citaat stamt uit de resoluties van de zitting d.d. 25 februari 1578 van de Staten van Holland en Zeeland, bijeengekomen op het Binnenhof in Den Haag. Tekstcat. is B. In voorgaande vergaderingen heeft Schoonhoven meermaals te kennen gegeven inkomsten uit de verpachtingen nodig te hebben voor stedelijke zaken. Woorden: voorgaende: WNT voorgaand betek. 1b (‘hiervóór vermeld, uiteengezet, behandeld, genoemd, opgenomen e.d.’), maar overwogen kan ook worden betek. 1 alg. ‘eerder, vorig, vroeger’ (vb bij betek. 1a.α. ‘van zaken’: de voirgaende rekeninge (...), voirgaende verpondinge (...)); recognitie: WNT betek. 6, vandaar de vertaling ‘ambtgeld’.
    De bestuurders van Schoonhoven hoeven de helft van de opbrengsten van de nu komende verpachting niet af te dragen; de Staten bewilligen in hun verzoek om dit deel van de gelden, uitsluitend voor wat betreft binnen de stad verpacht is, voor de stad zelf te blijven ontvangen (Q), onder de voorwaarde dat het stadsbestuur financiële verantwoording aflegt (Pa) en tevoren de finale boekhouding van eerder geïncasseerde bedragen overlegt (Pb).
 Conjunct subject-meew.voorw, want als subject van de mits.pp-frase worden begrepen de bestuurders van Schoonhoven, die de rol van meew.voorw hebben in de direct hogere frase met als kern is geaccordeert.
123 Dat de meyninge ende intentie van die van Vlaenderen geenssins en is te beletten offte te verhinderen de oeffeninge der roomischer religie, maer vele eer eenen goede vrede, ruste ende eendrachticheit in den lande te onderhouden, ende alle de onderdanen, ingesetenen ende inwoonderen des graeffschaps van Vlaenderen, so wel van deene als van dandere religie, te beschermen [...];
Ende naedemael dat de gelegenheit ende staet des lands alsulckx is, dat het onmogelijck waere eenen goeden vrede ende eendrachticheyt te onderhouden, ten waere [Q 1e deel] midts aenrichtende een religions-vrede [midts.pp P], overmidts de groote menichte der gener, die de gereformeerde religie aenveerden ende naevolgen [Q 2e deel];
So hebben sy noodich geacht dat selvige int werck te stellen, sonder yemandts naedeel ende prejudicie (Willems 1841b: 288)
[Gent, Vlaanderen; 1578-T04] T=T04 P=Gent R=Vlaanderen TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr CV=W5 VO=QPQ
           
    ‘[Door de Vlaamse stadsbesturen zou het volgende verklaard moeten worden.] Dat het geenszins de bedoeling van de bestuurlijke overheden van Vlaanderen is om de uitoefening van de roomse godsdienst te bemoeilijken of te verhinderen, maar veeleer om een positieve situatie van vrede, rust en eendracht in het gewest te handhaven en alle onderdanen en ingezetenen van het graafschap Vlaanderen te beschermen, zowel die van de ene als van de andere godsdienstige overtuiging [...];
en omdat door de grote groep van personen die de gereformeerde religie aanvaarden en naleven, de toestand van het gewest zodanig is, dat een goede situatie van vrede en eendracht alleen gehandhaafd kan worden door de instelling van een godsdienstvrede,
hebben zij [de stadsbesturen] het noodzakelijk geacht die uit te vaardigen, zonder iemand te benadelen of te schaden’
    Dit citaat komt uit een artikel van Jan Frans Willems uit 1841, waarin ook een tekst is afgedrukt die op 28 juli 1578 in opdracht van de prins van Oranje door Philips van Marnix van Sint-Aldegonde persoonlijk ingebracht werd in de vergadering van raadsleden, schepenen, dekens, edelen en notabelen van Gent. De tekst was bedoeld als concept voor een verklaring die door de bestuurders van Gent aangenomen zou moeten worden en ter bekrachtiging voorgelegd aan de stadsbesturen van Brugge, Ieper en het Brugse Vrije (en door dezen weer aan kleinere Vlaamse steden). De concept-verklaring valt in tekstcat. B.
Marnix’ inspiratiebron voor deze verklaring was het vierde artikel van de Pacificatie van Gent (Willems 1841: 271, 289 nt. 1), aan de opstelling waarvan Marnix zelf had meegewerkt. Volgens dat artikel was het in het overwegend protestantse Holland en Zeeland niet geoorloofd de uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst ook maar iets in de weg te leggen. In overeenstemming daarmee wilde Marnix dat de Vlaamse stadsbesturen zouden stellen dat calvinisten een gematigde en tolerante houding jegens katholieken zouden moeten aannemen (hiermee de uitbarsting van intolerantie van de Gentse calvinisten rond mei 1578 kritiserend), en anderzijds dat ook protestanten hun godsdienst ongehinderd zouden mogen uitoefenen. Dit alles om interne scheuringen in de achter Oranje staande gewesten en steden te voorkomen. Over het streven naar godsdienstvrede door de Pacificatie van Gent in 1576, de rol van de prins van Oranje en Marnix, de daden van de calvinisten in Gent in 1578 en de aansluiting van Gent bij de Unie van Utrecht in 1579, zie o.a. Rogier (1968: 85-91) en Kennedy (2017: 110-112). Woorden: aenrichtende: MNW aenrechten II (‘recht overeind stellen, oprichten’) en WNT aanrichten betek. 1 (‘iets (...) doen ontstaan; veroorzaken, teweegbrengen, tot stand brengen, stichten. (...)’); prejuditie: WNT prejudicie betek. 2. (‘nadeel, schade’). Editiewijze en transcriptie: geëditeerd is de originele concept-verklaring die rond 1840 berustte in het Gents archief (Willems 1841: 293 nt. 1); de transcriptie zal uitgevoerd zijn volgens de normen die halverwege de 19e eeuw golden onder geschoolde archivarissen zoals Willems.
    Volgens het ontwerp dat Marnix voor de Vlaamse stadsbesturen ter ratificatie had opgesteld, zouden zij verklaren dat het doel om een toestand van vrede en eendracht te creëren en te behouden vanwege de grote aantallen protestanten slechts bereikt kon worden (Q) door uitvaardiging van een religievrede (P). De rol van de midts.pp-frase is instrumenteel.
De aansluiting van de midts.pp-frase is semi-conjunct: als subject worden begrepen de stadsbesturen in Vlaanderen (aangeduid met die van Vlaenderen), die in de direct hogere frase dat het onmogelijck waere... alleen een impliciete rol spelen in een daarin ingebedde constructie met het predicaat onderhouden.
124 [...] welverstaande dat alle Possesseurs van dezelve Beneficien, Vicaryen en Cononisyen, die de Collatie daarvan voor dato van de voorschreeven Oorlogen ontfangen ende het gebruik van dien volkoomelijk gehad hebben, in possessie daarvan blijven sullen ende haar leeven lang geduurende gehouden sullen worden [Q], mits daaraf meede uitkeerende ende respondeerende een derdepart tot onderhoud van de Predikanten, al in handen van de Ontfangers die bij de Staaten voornoemt daartoe sullen worden gestelt ende geordonneert [mits.pp P] (Vregt 1884: 191)
[Den Haag, Holland; 1578-T04] T=T04 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] met dien verstande dat alle eigenaren van deze kerkelijke goederen, proben en kanunniksprebenden die deze vóór de genoemde oorlogen als schenking hebben gekregen en over de inkomsten ervan volledig hebben kunnen beschikken, deze zullen behouden en hun leven lang in eigendom zullen hebben, mits zij ook een derde deel daarvan - onder het afleggen van rekening en verantwoording - uitkeren ten behoeve van het levensonderhoud van de predikanten en dat in zijn geheel ter hand stellen aan de ontvangers die door de genoemde Staten zullen worden aangesteld en daartoe opdracht zullen krijgen’
    Dit citaat is ontleend aan een algemene verordening (tekstcat. A2) van de Staten van Holland d.d. 5 sept. 1578, opgenomen in een 19e-eeuws artikel over de behandeling door de protestantsgezinde Staten van Holland van bestaande rechten op inkomsten uit kerkelijke (rooms-katholieke) functies en goederen. De auteur van het artikel gebruikt de term resolutie (van de Staten). Het betreft hier een door de Staten uitgevaardigde algemene regeling zonder aanzien des persoons, die blijkens een op de geciteerde tekst volgende ándere resolutie, na plechtige vaststelling als akte toegezonden moet worden aan de magistratuur van de diverse dorpen en steden. Woord: cononisyen, canonisyen, kanonisie: ‘kanonikale prebende, kanunniksprebende’, d.w.z. rente uit kerkelijke goederen die aan een clericus, m.n. een kanunnik, werd toegekend als vergoeding voor een door hem te verrichten geestelijke bediening.
    De rechten op inkomsten, aldus de Staten van Holland in deze regeling, blijven voor oude bezitters ervan ook na de beeldenstorm behouden (Q). Daaraan is voor de betrokkenen de voorwaarde gekoppeld dat ze steeds een derde van deze inkomsten afstaan ten behoeve van (niet-katholieke) predikanten en deze gelden in handen geven van de ontvangers van de Staten (P). P noemt een voorwaarde.
De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
125 dat die frontiersteden, ende oick andere daer men des van noode vynden sal, tsi van wat Provincien die sijn, by advys ende ter ordonnantie van deze geunieerde Provincien sullen vast gemaeckt ende gesterckt worden tot costen van de steden ende Provincien daerinne die gelegen sijn [Q], mits hebbende daertoe assistentie van de generaliteyt voor deen helft [mits.pp P]; beheltelick dat soe verre by de voorsz. Provincien raedtsaem bevonden wordt eenyge nyuwe forten ofte sterckten in enyge van de voorsz. Provincien te leggen, ofte die nu leggen te veranderen oft aff te werpen, dat die costen daartoe van node by alle die voorsz. Provincien int generael gedraegen sullen worden. (Fruin 1980 [1901]: 386)
[Utrecht, Midden-Nederland; 1579-T04] T=T04 P=Utrecht R=Midden-Nederland TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘dat de steden aan de buitengrenzen en ook andere waarvoor men dat nodig zal vinden, ongeacht tot welke provincie ze behoren, ter beoordeling en op bevel van de Verenigde Provinciën bevestigd en versterkt zullen worden op kosten van de steden en provincies waarin ze gelegen zijn; hierbij [bij de betaling van deze kosten] zullen zij voor de helft van het bedrag gegarandeerde financiële hulp krijgen van de generaliteit, met dien verstande dat, als het door de genoemde Provinciën verstandig geacht wordt om nieuwe forten of vestingwerken in enkele van de genoemde provincies aan te leggen of om bestaande om te bouwen of te slopen, de kosten die daarmee gemoeid zijn door alle genoemde provincies gezamenlijk gedragen zullen worden.’
    Dit citaat omvat de vierde bepaling van de tekst van de Unie van Utrecht, het politieke verbond dat een aantal Nederlandse gewesten in januari 1579 ondertekende op 23 januari 1579 in de kapittelzaal van de Dom van Utrecht. De gewesten waren Utrecht, Holland, Zeeland, Gelre, Vlaanderen met Doornik, en de Groningse Ommelanden. Later in datzelfde jaar voegden zich Overijssel, de Staten van Friesland en Drenthe en enkele Zuidnederlandse steden erbij. Het citaat beschrijft wat de gewesten met elkaar overeenkomen om de genoemde provincies, steden en inwoners beter tegen machten van buiten te kunnen verdedigen. Woorden: Generaliteit: WNT: ‘Van het bnw. generaal met den vreemden uitgang, -iteit; verg. fr. généralité. Voormalige benaming der staatsmacht van het Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, als één geheel beschouwd en door de Staten-Generaal vertegenwoordigd.(...)’; frontiersteden: WNT frontierstad (‘grensstad’); welke steden zullen bedoeld zijn? ‘Die het eerst voor den vijand blootliggen, b.v. in 1579 die van Gelderland en spoedig die van Overijsel.’ (Fruin 1980 [1901]: 386.)
     De mits.pp-frase heeft een comitatieve rol: door de Verenigde Provinciën noodzakelijk geachte versterkingen van steden aan de buitengrenzen worden op kosten van de betreffende steden en provincies uitgevoerd (Q), hetgeen volgens de ondertekenende gewesten gepaard moet gaan met compensatie voor deze steden en provincies van de helft van de kosten uit de generaliteitskas (P).
 De aansluiting van de mits.pp-frase is semi-conjunct, want als onderwerp worden begrepen de steden die versterkt zullen worden en de provincies waarin ze gelegen zijn, die niet als onderwerp noch als voorwerp in de direct hogere frase optreden, maar alleen in de bepaling van de steden ende Provincien daerinne die gelegen sijn.
126ab 7. Dat de borgers deser stadt in egeenen cost, last ofte servicie van donderhoudt van de soldaeten en sullen sijn gehouden, dan alleen tot het naect logeren derselver ende tselve logeren sullen mogen reduceeren [Q1], mits betaelende aen de voirscreven soldaeten voer het beddegelt eenen stuijver tusschen dach ende nacht [mits.pp P1].
[...]
14. Dat alle borgers ende ingesetenen, willende vertrecken in eenige van de geünieerde provinciën, steden oft plaetsen, tselve met heuren goeden vrijelijck sonder contradictie van iemanden sullen mogen doen [Q2], mits latende tot gerieff van de voirscreven soldaeten een bedde met sijnen toebehoorten oft anderssints borge souffisante stellende van tvoirscreven beddegoed van weke tot weke te betaelen [mits.pp P2a oft P2b]. (Slootmans 1933: 72v)
[Bergen op Zoom, Brabant; 1579-T04] T=T04 P=Bergen op Zoom R=Brabant TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Instr SM=Cond CV=W1 CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘7. Dat de burgers van deze stad geen verplichtingen zullen hebben inzake kosten, werkzaamheden of dienstverlening nodig voor het levensonderhoud van de soldaten dan alleen tot het louter bieden van onderdak, en dat zij dit bieden van een slaapplaats zullen kunnen beperken door aan de genoemde soldaten per nacht één stuiver voor logies [elders] te betalen.
[...]
14. Dat alle burgers en ingezetenen die willen vertrekken naar enige van de verenigde gewesten, steden of plaatsen, dat met medeneming van hun goederen vrijelijk en zonder tegenspraak van iemand zullen mogen doen, op voorwaarde dat zij ten gerieve van de genoemde soldaten een bed met toebehoren achterlaten dan wel zorgen voor voldoende borgstelling voor de bekostiging van genoemd beddengoed van week tot week.’
    Het citaat omvat twee artikelen van de zgn. Satisfactie van Bergen op Zoom van 21 juli 1579. Dit was een overeenkomst waarin de Staten van Zeeland, gesteund door Willem van Oranje en de Staten-Generaal, van het zelfstandige markgraafschap (markizaat) Bergen op Zoom toestemming verkregen voor het inkwartieren van een garnizoen soldaten (twee vendels, zo’n 300-400 man), waarbij de stad de bewuste ‘genoegdoening’ kreeg in de vorm van zekere compensaties. Tekstcat. is A2. Na de Spaanse verovering van Maastricht in juni 1579 vreesden Zeeland en Antwerpen namelijk voor eenzelfde lot voor het strategisch aan de Schelde gelegen Bergen op Zoom, waardoor hun zeer belangrijke handelsweg via dat water geblokkeerd zou raken. Het citaat beschrijft enkele financiële offers die het verdrag van de burgers vraagt om de legering van het garnizoen te bekostigen.
    Q1: de burgers kunnen aan hun verplichting om de soldaten onderdak bieden, een beperking verbinden door de soldaten in plaats van onderdak een stuiver te geven voor logies (P1). De mits.pp-frase met P1 heeft een instrumentele rol.
Q2 schetst een gunstig perspectief voor een bepaalde groep burgers, met P2a en P2b als alternatieve voorwaarden. Inwoners van Bergen op Zoom die dat willen, hebben de mogelijkheid om onbelemmerd, en met medeneming van wat zij bezitten, weg te gaan uit het markizaat en hun domicilie elders in één van de Geünifieerde Gewesten te zoeken (Q2). Hieraan is de voorwaarde verbonden dat ze aan de in de stad gelegerde soldaten een bed met alles erop en eraan ter beschikking stellen (P2a), dan wel borgstelling regelen voor een wekelijkse betaling van beddengoed (P2b).
 De aansluiting van beide mits.pp-frasen is conjunct subject-subject.
127 De reste vande goede ingesetene | bouen den ouerlast die sy in heur wijfs | kinderen ende goeden leden | deur gemeyne Spaensche soldaten t’heuren huyse in garnisoen liggende | travaillerende met so vele diuersche schattinge [Q] | soo mits heur bedwingende tot gheldinghe tot de bouwinghe van de nieuwe Casteelen ende fortificatie van de Steden tot heure eyghen verdruckinghe [mits.pp Pa] | als met opbrengen van honderste | twintichste | ende thiende penningen | tot betalinge vanden Crijchslieden | so by hen mede ghebracht | als die hy hier te Lande oplichte | om t’ employeren tegens heur mede Landsaten | ende de gene die het Landts vrijheyt met perijckel van heuren lijue auentuerden voor te staene [met.Inf Pb] |(PlaccStatGen1581 7 links)
[Den Haag, Holland; 1581-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Naast het feit dat van de overige burgers de vrouwen, kinderen en goederen grote schade leden door Spaanse soldaten die in hun huizen ingekwartierd waren, heeft hij [Alva] hen gekneveld met veel belastingen van allerlei soort, zowel door hen tot betaling te dwingen voor de bouw van nieuwe forten en vestingwerken van de steden, die dienden tot hun eigen onderdrukking, als door de heffing van de honderdste, twintigste en tiende penning om daarmee de soldaten te betalen die door hem meegebracht waren, of die hij hier te lande rekruteerde om in te zetten tegen hun landgenoten en degenen die met gevaar voor eigen leven de onafhankelijkheid van het land durfden voor te staan.’
    Dit is een fragment uit het zgn. Plakkaat van Verlatinge (tekstcat. A2). In dit plakkaat, dat de Staten-Generaal in 1581 publiceerden en dat geformuleerd werd door griffier Jan van Asseliers (Van Hooff 2018: 12v), delen zij mee hun koning Filips II te ‘verlaten’. In een zeer uitgebreid betoog stellen zij Filips’ wanbeheer en plichtsverzuim jegens zijn onderdanen aan de kaak en verklaren hem vervallen van zijn koninklijke rechten. Een belangrijk argument in dit betoog vormt de nietsontziende repressie jegens de protestanten waarvoor de speciaal als landvoogd ingezette hertog van Alva, een ervaren Spaanse militair, verantwoordelijk is. Het fragment beschrijft hoe Alva’s zware financiële maatregelen juist ook dienen ter bekostiging van de militaire middelen om de Nederlandse vrijheden te onderdrukken. Woord: travailleren: kwellen, plagen, overlast bezorgen.
    Rol mits.pp-frase instrumenteel (‘door’). Dat Alva de burgers dwong om te betalen voor zijn nieuwe vestingwerken, was een middel (Pa) waardoor hij de burgers op cynische wijze in het nauw bracht, wat zijn doel was (Q). Net zo waren Alva’s ‘penning’-belastingen voor de betaling van meegebrachte en ter plaatse gerekruteerde soldaten ter onderdrukking zulke middelen (Pb), nu uitgedrukt door een met + infinitieffrase.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het subject wordt begrepen als Alva, die ook het het niet-uitgedrukte subject is van de direct hogere participiumconstructie.
128 Wy burgemeesteren der stad Leyden onderschreven ordonneren mitsdesen onzen thezaurier te betalen aen handen van de bovenbeschreven supplianten een somme van vijftich gulden van veertich groten ’t stuc hem by resolutie van die van de grote vroetschappe ten fijne voorsz. toegevoucht ende mits tot dezen overbrengende [...] H[h]aer quyten [mits.pp P] zullen hem gelts 50 pond in zijnen uytgeven geleden werden [Q]. [...] Getekend: Mr. Jan van Heemskerck; Jan Jansz.; Jacop Allertsz. De Haes. (RetorMemor 518)
[Leiden, Holland; 1581-T05] T=T05 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=P-Q
           
    ‘Wij, ondertekenende burgemeesteren van de stad Leiden, dragen hierbij aan onze schatkistbewaarder op om aan en in handen van bovengenoemde verzoekers een som van vijftig gulden van veertig groten per stuk uit te betalen, die hun in een besluit van de leden van de grote vroedschap met het oog op het eerder gemelde doel is toegekend; en zodra hij aan dezen [burgemeesters] hun kwijtingsbrief ter hand stelt, zal het bedrag van 50 pond in zijn staat van uitgaven goedgekeurd worden. [...] Getekend: Mr. Jan van Heemskerck, Jan Jansz., Jacop Allertsz. De Haes.’
    Verzoekers namens de rederijkerskamer Lieft is het Fondament hebben het gemeentebestuur van Leiden verzocht om geldelijke ondersteuning ten behoeve van het spelen van voorstellingen elders (RetorMemor 518). Dit citaat uit de thesauriersrekeningen bevat het feitelijke antwoord daarop (d.d. 28 mei 1581). Tekstcat. is B. Woordbetekenis: quiten overbrengen betekent kwitantie overleggen, het overleggen van bewijs dat aan de geldelijke aanspraken van een derde partij is voldaan.
    Burgemeesteren van Leiden, schrijvers van deze passage, delen mee dat de betreffende post voor een gevraagde subsidie in de boekhouding van de thesaurier goedgekeurd wordt (Q) op het moment dat laatstgenoemde de kwijtingsbrief van de verzoekende rederijkers aan burgemeesteren ter hand stelt (P). De rol van P is temporeel-momentaan, want Q wordt gedacht als snel volgend op P, maar tegelijkertijd quasi-oorzakelijk: de voorstelling van zaken is dat de overhandiging door de thesaurier van de bedoelde kwijtingsbrief aan burgemeesteren als het ware de oorzaak is van de goedkeuring van de betreffende begrotingspost in zijn boeken.Volgorde P-Q.
 De mits-frase is conjunct subject-meew.voorw: subject is de thesaurier, die meew.voorw van de direct hogere frase is (hem).
129 Wy burgemeesteren der stadt Leyden onderschreven ordonneren by desen onse thezaurier ordinarys te betalen die somme van acht ponden, zesthien schellingen te 40 groten ’t pondt uyt zaecke van vier stadts kannen Rynsschen wijn daermede de rethorijckers der stad Leyden voorsz. opten 8en meije lestleden tot stadts vereringe zijn beschoncken ende mits tot desen overbrengende bekentenisse van den bode mitte busse de schenckinge gedaen hebbende [mits.pp P] zal hem gelijcke somme van 8 pond 16 sch. in zijnen uytgeef geleden werden [Q]. Aldus gedaen ende desen by ons onderteyckent opten 7en meij anno 1581. getekend: Mr. Jan van Heemskerck; Jan Jansz. (RetorMemor 518)
[Leiden, Holland; 1581-T05] T=T05 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=TempMom CV=W1 VO=P-Q
           
    ‘Wij, ondertekenende burgemeesteren van de stad Leiden, dragen hierdoor onze benoemde schatkistbewaarder op om het bedrag van acht pond zestien schellingen à 40 groten het pond te betalen in verband met vier stadskannen Rijnwijn, waarmee de rederijkers van voornoemde stad Leiden op de 8e mei laatstleden als blijk van waardering van de stad zijn begiftigd; en zodra hij de verklaring van de bode met de kas dat hij de schenking uitgevoerd heeft, aan burgemeesteren ter hand stelt, zal dat bedrag van 8 pond 16 schellingen in zijn uitgaven goedgekeurd worden. Aldus opgedragen en de opdracht door ons getekend op de 7e mei van het jaar 1581. Getekend: Mr. Jan van Heemskerck; Jan Jansz.’
    Het Retoricaal memoriaal citeert deze betaalopdracht van burgemeesteren aan de schatkistbewaarder gedateerd 7 mei 1581, afkomstig uit de thesauriersrekening van de stad Leiden. Tekstcat. is B. De thesaurier moet de contante kas aanvullen met de som voor een fors officieel geschenk van de stad aan de rederijkers, dat de bode eerder uit die kas heeft betaald. Woord: stadts kannen: WNT stadskan, steekan, stedenkan, stedekan: ‘kan met wijn gevuld aangeboden aan voorname personen bij feestelijke gelegenheden’ en ook: ‘maat, eenheid’. 4 stadskannen zijn in Amsterdam: 128 pinten, in Leiden is dit vast een vergelijkbaar aantal pinten.
    Burgemeesteren van Leiden, schrijvers van deze passage, delen mee dat de betreffende aanvulling van de contante kas goedgekeurd wordt in de boekhouding van de thesaurier (Q) op het moment dat hij aan burgemeesteren de verklaring van de bode ter hand stelt, dat deze het quantum wijn, betaald uit de contante kas, bij de rederijkers als geschenk heeft afgeleverd (P). De rol van P is temporeel-momentaan, want Q wordt gedacht als snel volgend op P, maar tegelijkertijd quasi-oorzakelijk: de voorstelling van zaken is hier dat de overhandiging aan burgemeesteren van de bedoelde verklaring van de ‘bode met de kas’ als het ware de oorzaak is van de uitkomst dat burgemeesteren de aanvulling van de kas door de schatkistbewaarder accorderen in diens boeken.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want de thesaurier is begrepen subject van mits.pp-frase, en hij is ook het meew.voorw van de direct hogere frase (hem).
130 Maer wat calck ofte cement by eenige voircoopers hier ter stede wordt gebrocht ende in haer schuyten ende cassen sonder meten opgeleyt, zal van het meetgelt vry zijn, totdat het werdt vercoft [Q], mits nochtans den excijs betalende van de kalck [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 423)
[Amsterdam, Holland; 1582-T05] T=T05 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Maar alle kalk of cement die door groothandelaars hier in de stad wordt ingevoerd en in hun schuiten en bergingen wordt opgeslagen zonder dat het gemeten is, zal tot het moment van verkoop vrijgesteld zijn van meetgeld, waarbij de handelaar echter wel de accijns voor de kalk dient te betalen.’
    Dit citaat omvat art. 12 van een keur (tekstcat. A2) die in zijn geheel handelt over het bepalen van hoeveelheden kalk en cement en het loon van de zgn. meters; de keur is op 7 maart 1582 uitgevaardigd door het stadsbestuur van Amsterdam ter vastlegging van de rechten, het loon en de plichten de beroepsgroep van de kalkmeters.
    Het meetgeld hoeft door groothandelaren niet direct betaald te worden, aldus de opstellers van deze keur (Q); zij geven te bedenken dat onmiddellijke betaling van de accijns voor de handelaren wél blijft staan (P). P heeft een comitatieve rol ten opzichte van Q.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct: het begrepen subject zijn de groothandelaren, en dezen treden niet als onderwerp of voorwerp op in de direct hogere frase maar alleen in de Agentieve by-bepaling by eenige voircoopers.
131 Dan is waerachtig, dat die Pastoor van Hazerswoude, oock staende tot collatie van die Commanduer, misschien nog minder ’s jaers heeft, dan die Commanduer echter den Pastoor gegunt heeft de thienden van Hazerswoude, welcke de Pastoer selve verhuyrde ende ontfinck [Q], mits den Commanduer ’s jaers uytkeerende eenige gouden guldens tot behoef van de gemeene thesaurie in Malta [mits.pp P], doch heeft al metter tijt den Commanduer niet gegeven. (Gonnet 1876: 274v)
[Haarlem (+Hazerswoude +Heemskerk), Holland; 1582-T05] T=T05 P=Haarlem P=Hazerswoude P=Heemskerk R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Het is een feit dat de pastoor van Hazerswoude, die ook onder het benoemingsrecht van de Commandeur valt, misschien per jaar nog minder heeft; de Commandeur heeft de pastoor daarom intussen de tiende penning van Hazerswoude gegund om die als pachter te innen, op voorwaarde dat hij de Commandeur jaarlijks enige gouden guldens uitkeert ten behoeve van de algemene kas van de orde in Malta, iets wat hij echter na verloop van tijd niet meer gedaan heeft.’
    Dit is een fragment uit een aan de Staten van Holland gezonden repliek (tekstcat. B) van de commandeur van Sint Jan in Haarlem, Tijman van Wou, op een verzoekschrift van jonkheer Van Assendelft (augustus 1582). De repliek dateert dus van ná aug. in dat jaar. De twee teksten zijn opgenomen in een beschouwing van auteur Gonnet eind 19de eeuw over gebeurtenissen na de hervorming in een aantal parochies behorend tot het bisdom Haarlem. In zijn rekest heeft de hervormd geworden Van Assendelft aan de Staten van Holland gevraagd commandeur Tijman van Wou op te dragen om een hervormde predikant aan te stellen in de kerk in Heemskerk (die tot ’s commandeurs bezit behoort), waar nu alleen een katholieke zielzorger is, en deze functionaris minstens ten dele te betalen uit de tiendenbelasting die in het verleden ten behoeve van het pastoortsambt ingesteld zou zijn. In zijn repliek verzet Tijman van Wou zich tegen deze opdracht: hij ontkent dat de Heemskerkse tiendenbelasting ooit ingesteld of ook gebruikt is geweest ten behoeve van de pastorie, die met eigen inkomsten uitkomt. Wel had hij op geheel vrijwillige basis de armlastige pastoor van Hazerswoude de pacht van de tienden van die plaats gegund. Woorden: commandeur: WNT betek. 10 (‘Een lid eener geestelijke ridderorde, die aan het hoofd eener vestiging staat of de inkomsten van zekere landerijen (eener commanderij) geniet’); verhuren: hier: VNMW en ook MNW betek. 2 (‘(...) ook heeft verhuren de beteekenis huren, voor geld in dienst nemen. Men zal dit voor ons vreemde verschijnsel moeten verklaren uit de verschillende beteekenis van ver-, dat hier alleen versterkende kracht heft (...)’)_ deze betekenis lijkt hier aan de orde, gezien dat hij de tienden inde en een jaarlijkse (pacht)prijs zou betalen aan de commandeur. (In deze opvatting zou Van Wou hem de tienden gunnen niet als contant geld, maar als pachterswerk om door het innen mee te verdienen, tegen een som voor Malta); dan: WNT dan I betek. C.7.b (‘Om te kennen te geven dat de inhoud van een zin vanzelf uit het voorafgaande voortvloeit’); echter in r.2 kan zijn ‘naderhand’ of ‘intussen’, na de vaststelling door de commandeur van de kritische situatie van de pastoor van Hazerswoude.
    Commandeur Tijman van Wou schrijft dat hij de pastoor van Hazerswoude vanwege diens armlastige toestand de inning als pachter van de tiende penning van dat gebied gegund heeft (Q) onder de voorwaarde dat deze aan hem, commandeur, jaarlijks daarvan enkele goudguldens uit zou keren bestemd voor de algemene kas van Sint Jan in Malta (P). Het feit dat de commadeur melding maakt van de armoede van de pastoor geeft aan dat hij hem de inning van de tienden gunde om die reden.
 De mits.pp-frase is conjunct: als subject van de mits.pp-frase wordt begrepen als de patoor svan Hazerswoude, die ook als indirect object (den Pastoor) fungeert in de direct hogere frase.
132 Item hij testateur laet en maeckt mits desen aen Robert ende Maria Frumault, daer moeder af was Constantia vander Capellen, elcken van hen hondert gulden eens als sij commen tot eenighen staete met consente van sijns testateurs drij soonen Jan, Marten ende Jaques dela Faille [Q], mits renuncierende d’actie vande sterfhuijse van Anna de Hana hen grootmoedere ende van Marten de Hana haer outgrootvadere, gestorven tot Venegien [mits.pp P]. (BeschvdMeulen CXLVII)
[Antwerpen, Brabant; 1582-T05] T=T05 P=Antwerpen R=Brabant TC=A1 TG=Test TS=e SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Voorts laat hij, erflater, bij deze na en vermaakt met toestemming van de drie zoons van de erflater, Jan, Marten en Jaques dela Faille, aan Robert en Maria Frumault, wier moeder Constantia van der Capellen was, elk honderd gulden ineens als zij alleen komen te staan, op voorwaarde dat zij elke aanspraak opgeven op de boedel van Anna de Hana, hun grootmoeder, en die van Marten de Hana, hun in Venetië gestorven overgrootvader.’
    Dit citaat komt uit het testament van Jan della Faille, een rijke Zuid-Nederlandse koopman werkzaam in Antwerpen. Op 21 oktober 1582 - Jan was ziek en zou een maand daarna overlijden in Utrecht - is het testament gepasseerd bij Lieven van Rokegem (‘openbaer notairis bij den Raide van Brabandt’, BeschvdMeulen dl.1: CXLIV). Het citaat behelst het slot van artikel g van het testament en is te rekenen tot tekstcat. A1. De reden dat dit testament is opgenomen in de editie met bescheiden betreffend Daniël van der Meulen is, dat Daniëls carrière als op Europese schaal actieve koopman bevoordeeld was door Della Faille, vooral na Daniëls huwelijk met één van Jans dochters. Della Faille, alsmede zijn drie in het bedrijf werkzame en in het citaat genoemde zoons, had op zijn beurt geprofiteerd van het in Venetië gevestigde koopmansbedrijf van Marten de Hane (die Jan aan zich bond door te huwen met Cornelia, dochter van Martens dochter Ana). In het citaat komen giften ter sprake aan Jans neef en nicht Robert en Maria, twee van de drie kinderen van Vincent Frumault en Constantia van der Capellen (zuster van Jans vrouw Cornelia). Woorden: commen: WNT komen betek. I.III.1 (‘(...) als hulpww. van modaliteit. Verg. eng. to come en hd. kommen in hetzelfde gebruik’); staete: WNT staat betek. 1 (‘stand, toestand, gesteldheid’), 1.a (‘met betrekking tot personen’) ζ, streepje (‘met betrekking tot den leeftijd’); eenighen: WNT eenig betek. A.5.a (‘eenzaam, alleen (...) met het oog op den toestand van alleen zijn’). actie: WNT actie betek. 9 (‘(...) aanspraak op het verkrijgen van bezit’).
    Volgens Della Failles testament krijgen een neef en nicht (derde graad) met goedkeuring van drie van Della Failles met name genoemde zoons honderd gulden ineens uit de nalatenschap voor zover zij alleenstaand zullen zijn (Q), onder de voorwaarde dat zij ervan afzien aanspraak te doen gelden op een aandeel in de boedel van hun oma Ana en overgrootvader Marten de Hane (P). De benoeming door Della Failles van de mogelijke toekomstige status van Robert en Maria als alleenstaanden indiceert dat hij de legaten in dat geval wenselijk acht voor zijn neef en nicht.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als onderwerp worden begrepen Robert en Maria Frumault, die ook indirecte objecten zijn van de direct hogere frase.
133 [...] Ende dat voer eenn summa vann penningenn de arijs ende peter vorss bekandenn, hoe vul al ende wal were bijtaelt denn laestenn pennijnck mijt denn erstenn den meestenn mijt denn minstenn, alsoe dat arijs ende peter vorss noch hore arfgenamenn, sullen vann nu voert an tenn ewigenn dagenn ende tijdenn nymmer meer bet enijgenn versueck noch ansprake in recht ofte buijtenn recht op meertenn ende anna vorss. noch op horenn arfgenaamenn om dat vorss vercofte lant ofte om de bijtalinge des selvigenn landes hebbenn noch beholdenn, dann gemeltenn meertenn Jurgens anna sijne huisfrou vnde oren arfgenamen int ewich vrij arflijkenn vercoft [Q]. mijts belouende doer crachte vann desenn voer hoer vnde horen arfgenamenn, gemeltenn meerten ende anna sijn huisfrou ende oren arfgenamenn, onder expres hijpoteeck van alle ore andere landenn ende guederenn, dese vorss vercofte landenn stedes vnde alle tijt vrij ende vranck toe leveren voert hoedenn, wachtenn ende warenn voer allerhande evictie ende ansprake de vann emande naemaels daer op versocht ende gedaenn mochte wordenn [mijts.pp P], Sonder argelist dat orconde ÿck redger opgemelt mijt mijn eijgenn angeborenn segel omme arijs ende peters vorss bede wijlle hijer onder an dessenn brief gehangenn ende met mijnn hant ende name mede ondergeteijkent Jndenn ÿare dusent vijfhondert lxxxiij op dage Ludgeri Episcopi (Groninger Archieven, toeg.nr. 619, inv.nr. 0836a, regest 552)
[Aduard, Noordoost-Nederland; 1583-T05] T=T05 P=Aduard R=Noordoost-Nederland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘En [ik, redger, oorkond dat de verkoop is overeengekomen] voor een bedrag waarvan genoemde Arys en [zijn echtgenote] Peter verklaarden, dat het volledig en correct is betaald van de laatste tot de eerste en van het zwaarste tot het lichtste geldstuk, zodat genoemde Arys en Peter of hun erfgenamen van nu af tot in eeuwigheid geen enkele claim of aanspraak in of buiten rechte op genoemde Meerten en Anna of hun erfgenamen meer zullen hebben of zich zullen voorbehouden inzake het genoemde stuk land of de betaling van dat land, dat zij derhalve aan genoemde Meerten Jurgens, zijn vrouw Anna en hun erfgenamen voor eeuwig vrij erfelijk verkocht hebben. Als verplichte handeling daarbij beloven zij uit kracht van deze akte voor zichzelf en hun erfgenamen aan genoemde Meerten en zijn vrouw Anna en hun erfgenamen - met als uitdrukkelijk onderpand al hun andere grond en goederen -, dat zij dit verkochte land als blijvend en voor altijd vrij en onbelast leveren en het voor de toekomst zullen behoeden en vrijwaren voor elke uitwinning en aanspraak die door iemand naderhand geëist en gemaakt zou kunnen worden. Ik, genoemde redger, oorkond dit op verzoek van genoemde Arys en Peter, zonder bijbedoeling met hier onder aan deze brief hangend mijn eigen erfelijk zegel en met mijn naam met eigen hand ondertekend in het jaar duizend vijfhonderd 83 op de gedenkdag van bisschop Ludger [26 maart]’
    Dit is een fragment van een verkoopakte inzake een perceel land, opgemaakt door redger Grevinck (een redger was in de Ommelanden een notaris die ook recht sprak); Grevinck was in 1583 tot redger benoemd door de abdij te Aduard (westelijk Groningen). Het verkochte land lag nabij Adorp, ten oosten van Aduard. Het citaat valt in tekstcat. A1. Voor de notaris verschenen Arys Jansen en echtgenote om de verkoop vast te leggen van een stuk grond van ‘soevende halff’ (zesenhalve) gras land (een ‘gras’ in Adorp was 0,49 ha; zie https://www.meertens.knaw.nl/mgw/plaats/20). Grevinck legt vast dat Arys en echtgenote de kopers (Meerten Jurgens en echtgenote) kwijten voor de koopsom en dat zij als verkopende partij door deze akte het verkochte stuk land beloven te leveren vrij van alle lasten. Woorden, namen: denn laestenn pennijnck mijt denn erstenn: WNT penning betek. 1.a, waar bij het zesde streepje staat: ‘tot een penning (tot den laatsten penning) toe betalen: ‘geheel en al’_ Eertijds als vaste term in kwijtscheldingen voor betaalde gelden: den laatsten penning met den eersten’; nymmer meer: MNW nemmermee betek. 3 (‘volstrekt niet (meer), in geen geval, nooit’); bet: MNW bet I (betek. ‘tot’); voert: WNT voort I betek. 3.a.α (‘in vrij gebr.: voortaan; vanaf nu of dan’); evictie: WNT evictie betek. 1 (‘(...) vordering om iemand uit het eigendom van iets te ontzetten, om diens schulden op zijn goederen te verhalen; uitwinning’); redger: MNW redger > redge, Friesche vorm van mnl. raetgeve (betek. ‘raadsman, raadgever’), in combinatie met WNT redger (betek. ‘persoon die oudtijds in de Ommelanden (...) belast was met de rechtspraak binnen het gebied van zijn rechtstoel (....).’; ludgeri episcopi: de heilige bisschop Ludger, die aan het eind van de achtste eeuw grote delen van Noord- en Oost-Nederland (mede) gekerstend heeft.
Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Redger Grevinck noteert in zijn akte dat Arys en Peter hebben verklaard dat ze de verkoopsom van een zeker stuk land volledig hebben ontvangen en dat de grond derhalve vrij erfelijk verkocht is (Q). Als verplichte handeling die voor de redger hoort bij het feit van de vrij erfelijke verkoop beloven Arys en Peter het land met eeuwigdurende vrijdom aan de koper te leveren en het te vrijwaren voor alle toekomstige vorderingen (P). P heeft hier een comitatieve rol, want de belofte van een levering vrij van lasten is een noodzakelijk onderdeel van de bevestigde verkoopovereenkomst.
 De aansluiting van de (ondanks de eraan voorafgaande punt toch als ondergeschikt te beschouwen) mijts.pp-frase is conjunct subject-subject: als onderwerp worden begrepen Arys en zijn vrouw Peter met hun erfgenamen, en zij zijn ook onderwerp van de lange direct hogere frase, die geacht kan worden te beginnen bij alsoe dat arijs ende peter vorss [...] sullen [...]
134 [...] dat hy tot Haerlem aende kerckdeure op een bort afghetrocken hadde sien hanghen een Geometrische figuere met een schriftelyck nooden ende beroepinghe van allen Liefhebberen der const Arithmetica ende Geometria ende belooninghe van eenen prys, by den voorsz. Goudaen opghestelt, voor den ghenen die vraghe der voorsz. figueren voor den 27 Juny beantwoorden conde heb ick uit yver ende liefde der const den 21 Juny my tot Haerlem omtrent de kerckdeure laten vinden, alwaer den voorz. Willem Goudaen corts daerna ghecomen ende de voorsz. figuer met een ander bort ende gheschrift ghesloten. Ick aen hem versochte visie der voorsz. figuer ende gheschriften, dewijle ick seyde alleen tot dien eynde aldaer gecomen te syne, twelck hy, ghebruyckende een onvriendelyck ghelaet ende veele uitweghen, weygherde te doene, segghende onder andere dat ick te laet quam, maer dat ick my den 1 July tsynen huyse soude laten vinden om [Q 1e deel] (mits ghevende leergelt [mits.pp P]) de solutie van hem te leeren [Q 2e deel]], waer op ick antwoorde in sulcken gheringe sake zijn leering my niet nodich te zijne. (van Colen 1615 [1584]: fol. 109)
[Haarlem (+Delft +Leiden), Holland; 1584-T05] T=T05 P=Haarlem P=Delft P=Leiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=q SM=Cond CV=W1 VO=QPQ
           
    ‘[toen iemand mij had verteld] dat hij in Haarlem aan de kerkdeur op een plakkaatbord een overgetrokken geometrische figuur had zien hangen met een door genoemde Goudaen opgestelde uitnodiging en oproep aan alle liefhebbers van de kunst Arithmetica en Geometrica en de uitloving van een prijs voor degene die de vragen bij genoemde figuur voor 27 juni kon beantwoorden, heb ik mij uit ijver en liefde voor de kunst op 21 juni bij de kerkdeur in Haarlem vervoegd, waar de genoemde Willem Goudaen kort daarna aankwam en de bewuste figuur met een ander plakkaat en opschrift overdekte. Ik vroeg hem genoemde figuur en tekst te mogen zien, omdat ik, zoals ik zei, alleen met dat doel daarheen gekomen was, wat hij me met een onvriendelijk gezicht en allerlei uitvluchten weigerde, onder andere zeggend dat ik te laat was, maar dat ik mij op 1 juli te zijnen huize zou kunnen vervoegen om, tegen betaling van lesgeld, van hem te leren hoe ik de opgave moest oplossen, waarop ik antwoordde dat ik voor zo’n kleinigheid zijn onderricht niet nodig had.’
    Dit is een fragment van het ‘woord aan de lezer’, dat de in o.a. Delft en Leiden werkzame wiskundige Ludolph van Colen schreef ter inleiding (tekstcat. C) van zijn geschrift over verschillende mogelijke oplossingen voor twee geometrische vraagstukken; het geschrift verscheen in 1584 in Amsterdam bij Cornelis Claesz. Met deze publicatie, aldus Van Colen in zijn voorwoord, wil hij niet alleen recht doen aan Willem Goudaen, ontwerper van de vraagstukken, maar ook aan zijn eigen wiskundig oplossingsvermogen, dat na een ongelukkig verlopende ontmoeting tussen hemzelf en Goudaen door deze laatste in een ongunstig daglicht gebracht is. Het fragment beschrijft de ontmoeting. De transcriptie van de tekst van Van Colen heb ik overgenomen van Maxim Hendriks.
    In de verhalende beschrijving van Van Colen wordt de mogelijkheid om de oplossing van de vraagstukken te leren, die Goudaen hem als voordelige buitenkans aanbeval (Q), door Goudaen gekoppeld aan de voorwaarde lesgeld te betalen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase (met als spreker Goudaen, die ter plaatse in de indirecte rede wordt geciteerd) is de ik-persoon Van Colen, die ook het begrepen onderwerp is van de direct hogere infinitiefconstructie met als kern te leeren.
135 Maghment een ellendighe dienstbaarheyd noemen, daar een slave onophoudelycken arbeyd moet doen metten lichame [Q] mits noodurft in voedsel ende dexel ghenietende [mits.pp P] [...], men zalt te recht d’alder ellendighste slavernije moghen noemen inden ghierighen, die niet alleen met lyflycken arbeyd, maar oock met anxtighe zorgvuldicheyden des ghemoets nacht noch dach en rust om veel ghelds te vergharen voor zyn onverzadelycke meestersse de ghiericheyd [...] (Coornhert 1942 [1585]: 285)
[Haarlem (+Keulen +Delft +Leiden), Holland; 1585-T05] T=T05 P=Haarlem P=Keulen P=Delft P=Leiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=q SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Mag men het al een ellendige vorm van dienstbaarheid noemen waar een slaaf onafgebroken lichamelijke arbeid moet verrichten waarbij hij ook nog lijdt aan voedseltekort en gebrek aan kleding [...], de allerellendigste slavernij zal men terecht aanwijzen in de gierigaard, die niet alleen met lichamelijke arbeid, maar ook met een gemoed van nerveuze hebzucht dag en nacht rusteloos bezig is om veel geld te vergaren voor zijn onverzadigbare meesteres de gierigheid [...]’
    Het citaat komt uit het twaalfde hoofdstuk van het vierde boek van Coornherts Zedekunst dat is wellevenskunste, dat handelt over de hebzucht. Het werk valt in tekstcat. C. Woorden: dienstbaarheyd: WNT dienstbaarheid betek. 1 (‘de toestand dienstbaar te zijn; ondergeschiktheid, afhankelijkheid, slavernij’); zorgvuldigheid: WNT betek.9: (‘(...) begeerigheid naar geld of goed; hebzucht’).
    De auteur verwoordt het algemeen gevoelen (zie clitisch men in het eerste woord) inhoudend dat het al niet te veel gezegd is, om het een ellendige vorm van onderworpenheid te noemen waar een slaaf ononderbroken fysieke arbeid moet verrichten (Q) in de extra ongunstige omstandigheid van gebrek aan voedsel en kleding (P). Dit ontbreken van voldoende voedsel en kleding is uitgedrukt met een mits.pp-frase, ten teken dat deze bijkomende omstandigheid voor het algemeen gevoelen een vanzelfsprekend, wezenlijk element is van de ellendige onderworpenheid van de slaaf: de rol ervan ten opzichte van de zware slavenarbeid is een comitatieve. Een lezer die ‘in de extra ongunstige omstandigheid’ leest als ‘temidden van extra ongunstige omstandigheden (zoals)’ interpreteert er een locatieve nuance bij om uit te drukken dat een slaaf zich ‘midden in’ ongunstige omstandigheden bevindt.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject: het begrepen subject is de prototypische slaaf, die ook van de direct hogere frase subject is.
136 [...] sustineerden den voorsz. Nispen [...] dat den voorsz. Van der Muelen gehouden was, onvermindert zijn jaerlijcxe pacht, te draghen die oncosten, die ter cause van de reparation van dyckaighen ende andere binnenlantsche wercken jaerlijcx werden omgheslaghen, ende de voirsz. rentmeester Van der Meulen, ter contrarie sustineerden daervan onghehouden te zijn ende te moghen volstaen [Q], mits jaerlijcx betalende zynen pacht tot XVIII Carolus gulden de marghen [mits.pp P] (BeschOldenb dl. 1: 113)
[Beijerland, Holland; 1586-T05] T=T05 P=Beijerland R=Holland TC=A1 TG=Vonnis TS=b SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] betoogde genoemde Nispen dat genoemde Van der Muelen verplicht was om, onverminderd betaling van zijn jaarlijkse pachtsom, de onkosten te dragen die wegens herstelwerk aan de bedijking en ander werk aan het land jaarlijks werden omgeslagen; de genoemde rentmeester [van Beijerland] Van der Muelen betoogde daarentegen daartoe niet verplicht te zijn en te mogen volstaan met de jaarlijkse betaling van zijn pacht ten bedrage van 18 carolusguldens per morgen’
    Deze tekst komt uit de particuliere bescheiden van Johan van Oldenbarnevelt inzake zijn onroerend goed, namelijk uit een akte opgemaakt door de secretaris van het college van dijkgraaf en heemraden, Victor van Bleinckvliet; de akte bevat een uitspraak (die overigens naar uit het onmiddellijk op het citaat volgende tekstgedeelte blijkt, positief is voor Van der Muelen) door het college van dijkgraaf en heemraden van Beijerland naar aanleiding van een meningsverschil tussen aan de ene kant heer Nispen, gemachtigde van de bij testament aangewezen voogden van enkele minderjarige kinderen, en aan de andere kant de heer Van der Muelen, rentmeester van Beijerland, die de helft van een kavel huurt die aan de minderjarige kinderen toebehoort. Omdat de akte een een uitspraak in een geschil betreft, reken ik het citaat tot tekstcat. A1. Het meningsverschil betreft de vraag welke onderhoudsplicht voor Van der Muelen uit deze huur voortvloeit. De rol van Van Oldenbarnevelt is slechts indirect: als Van der Muelen stelt zich niet verantwoordelijk te achten voor dijkherstel en ander onderhoud, verwijst hij naar zijn rechten en plichten vermeld in een contract dat hij in 1581 met Van Oldenbarnevelt sloot toen die laatste een kavel van 35 morgen in Beijerland aankocht. Dat contract dekte kennelijk ook het onderhoud af van de kavel van de minderjarige kinderen.
    ‘Volstaan mits betalende’: aan zijn verplichtingen voldoen/ in zijn recht staan/genoeg gedaan of bijgedragen hebben door X of Y te betalen. De mits.pp-frase heeft dus instrumentele betekenis.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
137 (Art. 75) Den ghenen die uyt der Ghemeente vertrecken sal een attestatie ofte ghetuyghenisse haers wandels by advijs des Kercken-Raedts mede ghegheven werden onder den Zegel der Kercken, ofte daer geen zegel en is, van tween onderteeckent.
(Art. 76) Voorts sal den Armen om ghenoeghsame oorsaecken vertreckende vanden Diakenen bystandt ghedaen worden, nae discretie [Q], mits aenteeckenende op den rugghe van hare attestatie de plaetse daerse henen willen, ende de hulpe diemen haer sal ghedaen hebben [mits.pp P]. (ActaNedSyn art. 75 en 76)
[Den Haag, Holland; 1586-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘(Art. 75) Aan hen die de gemeente verlaten, zal na raadpleging van de kerkenraad een attestatie dat wil zeggen getuigschrift van hun levenswandel meegegeven worden, onder het zegel van de kerk, of als er geen zegel is, door twee personen ondertekend.
(Art. 76) Voorts zal aan de armen die voor hun vertrek aanvaardbare motieven hebben, door de diakenen bijstand verleend worden naar hun goed dunkt, waarbij deze laatsten achter op de attestatie aantekening dienen te maken van de plaatsen waar zij heen willen en de hulp die men hun verleend heeft.’
    De bron van dit fragment is de ‘Kercken-ordeninghe der Nederlandtsche Ghereformeerde Kercken van beyder talen, ghestelt inden Nationalen Synode, Te samen beroepen ende ghehouden by last van zijn Excelentie, in s’ Graven-Haghe den 20 Iunii Anno 1586’. Tekstcat. is A2. Iets oudere kerkordes kenden een vergelijkbaar artikel, en de kerkordening van 1619 (Dordrecht) exact hetzelfde.
    Artikel 76 betreft leden van de gemeente die vertrekken en na advies van de kerkenraad een attestatie meekrijgen om voor te leggen aan de nieuwe kerkelijke gemeente. De groep vertrekkende gemeenteleden telt ook arme mensen. Volgens de synode die dit artikel goedgekeurd heeft, bieden de diakenen aan armen naar eigen inzicht bijstand bijv. door betaling van de reis om de nieuwe woonplaats te bereiken (Q), waarbij zij dan ook de plicht hebben een notitie achterop de attestatie te maken met vermelding van de verleende hulp en de plaats van bestemming (P). De rol van P is comitatief.
De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen onderwerp zijn de diakenen, die in de direct hogere frase slechts genoemd worden in de agentieve bepaling vanden Diakenen.
138 Op den xxven Augusti 1590 [...] dat monsieur de muldre bailliu van Der Vere van weghen de kinderen van Joncheer Alexander de Haultain geconsenteert heeft tweehondert ponden groten Vlaams op rente te doene [Q] mits daervan hebbende tverbant van particulier ypotecke ende persoonen [mits.pp P] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 13: p. 178)
[Arnemuiden, Zeeland; 1590-T05] T=T05 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘25 augustus 1590. [de burgemeester heeft gerapporteerd] dat monseigneur de Muldre, baljuw van Veere, namens de kinderen van jonkheer Alexander de Haultain ermee ingestemd heeft om tweehonderd ponden Vlaamse groten tegen rente uit te lenen op voorwaarde van de zekerheid van een private borgstelling en personen die borg staan’
    Dit citaat is onderdeel van een resolutie (tekstcat. B) en betreft een lening van zekere adellijke minderjarigen aan de stad Arnemuiden. Woorden: van Der Vere: slecht leesbaar in het handschrift, deze woorden zijn boven de regel ingevoegd, mede waardoor de hoofdletter D onduidelijk is - het tekentje daarachter moet wel de afkorting zijn van er; tverbant: MNW verbant betek.1, eerste streepje nl. ‘zekerheid’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Baljuw De Muldre, waarschijnlijk voogd van de kinderen van Alexander de Haultain, stemt in met de verstrekking van een rentedragende lening aan de stad Arnemuiden van 200 ponden in Vlaamse groten waar de stad om heeft verzocht (Q) op voorwaarde dat hij een zekerheidstelling van de stad krijgt en dat bepaalde personen borg staan (P). (De stad moet voldoen aan de voorwaarde om de zekerheidstelling te geven, maar de formulering is zo dat De Muldre die zal ‘hebben’.) De rol van P is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: als subject wordt De Muldre begrepen, die ook subject is van de direct hogere frase.
139 Opden XXVIIen January XVc eenent negentich [...] Op de besloten brieuen by die van Amsterdam aen Wet ende Raedt gescreuen ende gesonden Naerdyen de zelve brieven geopent ende die mitsgaders copie vanden contracten by de voorss van Amsterdam met die van Middelburg op heurlieder respectiue schippers vrije ladinghe in elcke stadt, aengegaen ende gesloten, gezien ende gelesen zyn geweest, hebben die van Wet ende Raedt goetgevonden ende geresolueert dat men mette voorss van Amsterdam ten respecte vande schippers alhier gelyck contract op deses stadts naeme aengaen ende sluyten zal ende datmen van de zelve resolutie dezelve van Amsterdam eerstdaechs by missiue zal aduerteren, om heurlieder voorderen resolutie dien aengaende gewesen alsdan van tselve contract behoorlicke brieuen op deses stadts naeme ende onder deses stadts zegele geexpedieert ende ouergesonden te worden [Q], mits hebbende ende nemende gelicke brieuen van die van Amsterdam voorss [mits.pp P] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 14, p.)
[Arnemuiden, Zeeland; 1591-T05] T=T05 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=TempMom CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘27 januari 1591. [...] Over de door het stadsbestuur van Amsterdam aan Wethouders en Raad geschreven en toegezonden verzegelde brieven. Deze brieven zijn geopend en ze zijn gezien en gelezen samen met een kopie van de contracten gesloten tussen het stadsbestuur van Amsterdam en dat van Middelburg strekkende tot vrije lading van hun respectieve schippers in elk van beide steden; op grond daarvan hebben Wethouders en Raad besloten dat men met het genoemde stadsbestuur van Amsterdam voor de schippers alhier een zelfde contract op naam van deze stad zal sluiten en dat ze op grond van dit besluit het stadsbestuur van Amsterdam binnenkort door middel van een ambtsbrief in kennis zullen stellen van hun verdere besluit dat, voortvloeiend uit het genoemde contract, geldige vergunningen op naam van deze stad en onder het zegel van deze stad [pas] dán uitgevaardigd en toegezonden worden zodra men zulke vergunningen van het eerder genoemde stadsbestuur van Amsterdam in handen heeft’
    Dit citaat komt uit een resolutie van het stadsbestuur van Arnemuiden uit het jaar 1591, en valt dus onder tekstcat. B. Woorden: brieven: MNW brief betek.1 (‘brief’)_ in deze betekenis wordt brieven de eerste twee maal gebruikt_ de laatste twee maal echter volgens MNW betek. 4 (‘schriftelijke akte, bewijsstuk’), hier vertaald als ‘vergunningen’; expedieert: WNT expediëren betek. 2; alsdan: MNW, ‘dan, in dat geval (...)’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Het stadsbestuur van Arnemuiden zal de gewenste geldige vergunningen voor de Amsterdamse schippers om tolvrij te kunnen laden in Arnemuiden dán (alsdan) uitvaardigen en aan het stadsbestuur van Amsterdam toezenden (Q) op het moment dat het voor zijn eigen schippers zulke vergunningen gekregen heeft voor vrije lading in Amsterdam (P). De rol van P is temporeel-momentaan. Maar we kunnen P tegelijkertijd, teruggaand naar één van de oude betekenissen van mits als voorzetsel, ook als ruilmiddel zien: de verhouding tussen Q en P is er één van (bijna) gelijk oversteken. Vermoedelijk is het mits.pp-voorkomen in de loop der tijd conditioneel opgevat (zo: het stadsbestuur van Arnemuiden zal de gewenste geldige vergunningen voor de Amsterdamse schippers om tolvrij te kunnen laden in Arnemuiden dan uitvaardigen en aan het stadsbestuur van Amsterdam toezenden (Q) [alleen] als (op voorwaarde dat) het voor zijn eigen schippers zulke vergunningen gekregen heeft voor vrije lading in Amsterdam (P)). In de conditionele analyse zijn de temporele en ruilmiddel-betekenisnuance niet overruled; deze nuances blijven op de achtergrond aanwezig.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct: als subject moet het stadsbestuur van Arnemuiden begrepen worden, dat in de direct hogere passieve frase een rol heeft als begrepen Agens; verder treedt het slechts in possessieve bepalingen op.
140 Op den XIIIIen Juny 1591 Declaratie bij Jacques du Fours beroerende de oncosten by hem gedoocht ter cause van tspel by zijne kindren op den Arnemuydtsche Ommeganck bedragende ter somme van III pond IIII schellingen te betaelen zal in rekeninghe passeren [Q] mits dese overbringhende daert behoort [mits.pp P] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 14, p. 14)
[Arnemuiden, Zeeland; 1591-T05] T=T05 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=TempMom CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘14 juni 1591. Het verzoek van Jacques du Fours om hem drie pond en vier schellingen te betalen als vergoeding voor de onkosten die hij gehad heeft voor het optreden van zijn kinderen op de Arnemuider Ommegangsdag, zal goedgekeurd worden zodra de schatkistbewaarder het betalingsverzoek op de geëigende plaats invoegt’
    Dit citaat is afkomstig uit de resoluties van het stadsbestuur van Arnemuiden en valt dus in tekstcat. B.
Woorden: declaratie heeft hier vrijwel de huidige betekenis (zie WNT: ‘eene rekening omtrent ten behoeve van een lichaam of persoon gemaakte onkosten’) maar bijzonder is dat het een infinitiefcomplement heeft: declaratie... te betalen, vandaar: ‘verzoek om te betalen’; ommeganck: zie MNW ommegancsdach, waar de opm.: ‘Voor verschillende streken zal die dag wel verschillend zijn geweest; dit is ook het geval, indien ommegancsdach in betekenis met kermisdach (...) gelijkstond’_ dit komt overeen met wat op de site van de Historische Vereniging Arnemuiden bij deze resolutie geschreven staat: ‘Op de Arnemuydtsche ommeganck werd een soort kermis gehouden’; in rekening passeren betekent: ‘goedkeuren’, WNT passeeren B, IV, 5, beta; geen specifieke rekeningen van steden ofzo aanduiden. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Eén van de resoluties van het Arnemuider stadsbestuur houdt in, dat de uitgave van de schatkistbewaarder van de stad Arnemuiden voor de onkostenvergoeding aan de heer Du Fours goedgekeurd zal worden (Q) als hij de declaratie te juister plekke invoegt (P). P kan opgevat worden als temporeel-momentaan, want het stadsbestuur legt hier, zo kunnen we redeneren, vast dat Q snel volgt op P. Maar omdat de voorstelling van zaken zo is dat de correcte invoeging van bedoelde onkostenvergoeding als het ware de oorzaak zal zijn - niet de feitelijke oorzaak, dat is ’s burgemeesters besluit tot fiattering - (P) van de goedkeuring van de hierop betrekking hebbende uitgave van de schatkistbewaarder, kan de rol van P ook opgevat worden als quasi-oorzakelijk.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct: als subject van overbringhende moet begrepen worden de schatkistbewaarder, die de declaratie haar plaats geeft in de stedelijke boeken; in de direct hogere frase is hij niet meer dan impliciet aanwezig in het woord rekeninge ‘boekhouding’.
141 Wondsdach 27 Januarii 1593. So ende nahdem de bloetzfrunde van saugen Hermen Krabbe als genoechsam versoenet, des Wicher Hinrichs bijwoeninge alhiir mede dulden ende lijden koennen, hebben oeck wij B. ende R. nader saecken gestalt ende um der erb. frunden voerbede sampt der edlen ende walgeborn heern ende graven tho dem Berge etc. genedige intercession, bemelten Wicher Hinrichs uuth besondere gratio accordeert ende thogestaen, binnen dese Stadt ende stadtsjurisdictie sijn vredige residentz ende inwoeninge te moegen frij ende francq hebben ende gebruecken [Q], midts an handen des stadtrentemesters tot ener recognition erleggende de summe van 200 dalers eens, tot 4 arns gulden elcken daler gerekent [midts.pp P]. (DiarAlting 862)
[Groningen, Noordoost-Nederland; 1593-T05] T=T05 P=Groningen R=Noordoost-Nederland TC=C TG=Versl TS=p SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Woensdag 27 januari 1593. Nu de bloedverwanten van voornoemde Hermen Krabbe intussen genoegzaam verzoend zijn en zij ook kunnen accepteren dat Wicher Hinrichs bij haar ingetrokken is, hebben ook wij Burgemeesteren en Raden ons aan de kwestie gezet en hebben wij op verzoek van de geachte verwanten tezamen met de genadige bemiddeling van de edele en welgeboren heer de graaf van Berg aan genoemde Wicher Hinrichs als bijzondere gunst toestemming verleend om in deze stad en stadsheerlijkheid zijn vreedzaam verblijf en woonplaats in alle vrijheid te hebben en te genieten, op voorwaarde dat hij in handen van de rentmeesters van de stad als inkomgeld overlegt de som van 200 daalders ineens, elke daalder met een waarde van vier Arendsguldens.’
    Dit citaat omvat de dagboekaantekening van de Groningher stadssecretaris Egbert Alting bij woensdag 27 januari 1593. Het door hem bijgehouden journaal, het ‘diarium’, beschrijft resoluties van burgemeesters en raad en van het stadsbestuur in ruimere zin, maar ook gebeurtenissen in Groningen en persoonlijke zaken. Vanwege dit vrije en gemengde karakter reken ik het diarium tot tekstcat. C. Woorden, naam: erb. > erberen, ‘eerbaar’, ‘eerbare’; ook als vererende toevoeging gebruikt; saecken: meervoud, vertaald met enkelvoud ‘zaak’, ‘kwestie’; de graaf van Berg: vermoedelijk graaf Herman van den Berge (in het voorafgaande vermeld, DiarAlt 824), de graaf van de heerlijkheid Berg zuidelijk van Doesburg; arns ggulden betekent Arnhemse gulden, ook wel Arnoldusgulden of Arendsgulden (op de munt was een arend afgebeeld): die laatste benaming voor de munt werd in de 16de eeuw in Groningen gebruikt.
    Burgemeesters, raad en stadsbestuur willen bewilligen in het verzoek van Hinrichs om in Groningen bij Hermien Krabbe te mogen wonen [Q] is gebonden aan de voorwaarde van betaling van inkomgeld (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw.
142 Anno 1260, in februario, hevet capittel van Sinte Peeters, te Loven, dijen vanden grooten Gasthuijse geconsenteert eenen kerckhoff binnen hunnen bijvange te maecken, om aldaer te begraeven hunne susteren ende siecken aldaer stervende, sonder andere, dan waert saecke iemant van Sinte Peeters prochie zijne sepulture aldaer kose, zalmen die oock aldaer mogen begraeven [Q], mits betaelende het recht vanden Pastoir ende kercken van Sinte Peeters, ende anderssints niet [mits.pp P]. (Boonen 1880 [1593-94]: 20)
[Leuven, Brabant; 1593/94-T05] T=T05 P=Leuven R=Brabant TC=C TG=Vert TS=s SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘In februari van het jaar 1260 heeft het kapittel van de Sint-Petruskerk te Leuven de beheerders van het grote gasthuis toestemming gegeven op hun grondgebied een kerkhof in te richten, om op die plaats hun zusters en zieken te begraven die daar sterven, geen anderen; behalve als iemand van de parochie van Sint-Petrus daar zijn graf zou kiezen, dan zal men die ook daar mogen begraven, op voorwaarde dat het begraafrecht betaald wordt voor de pastoor en voor de kerk van Sint-Petrus, anders niet.’
    Dit citaat komt uit de kroniek van Boonen over Leuven. Tekstcat. is C. Het is een fragment uit het hoofdstuk over Hendrik IV, hertog van Brabant, en de gebeurtenissen in diens regeerperiode, in en vlak na 1260.
Woorden: dijen vanden grooten Gasthuijse: de beheerders van het grote gasthuis (in die tijd gevestigd op de Steenstraat in Leuven), bestaande vanaf 1080 en een paar jaar vóór 1260 vernieuwd door de vader van Hendrik IV; kapittel: college van kanunniken die tot een dom- of collegiale kerk behoren.
    Het kapittel van Sint-Petrus heeft zijn toestemming aan de beheerders van het grote gasthuis om een eigen kerkhof aan te leggen voor hun personeel en patiënten, uitgebreid met de toestemming om daar op verzoek ook een enkel ander persoon behorend tot de parochie van Sint-Petrus te begraven (Q), op voorwaarde dat ook voor zo iemand het begraafrecht aan de pastoor en de kerk van de parochie voldaan wordt (P).
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de beheerders van het grote gasthuis, die moeten zorgen dat het begraafrecht voldaan wordt voor gestorven parochieleden die op eigen verzoek op het kerkhof van het gasthuis begraven worden; deze beheerders treden ook op als onderwerp (men) van de direct hogere frase: de mits.pp-frase is dus conjunct subject-subject.
143 Anno 1420, va martij heeft de voers. hertoghe Jan de stadt van Loven geconsenteert, dat zij eenen ijegelijcken zullen moeghen Poirtere ende Poirteresse maecken [Q], mits betaelende, te haerder incompst, aenden voers. hertoghe ende aende stadt Loven, elcken van hen ij rhinsguldens eens; ende voerts alle jaer de voers. stadt twee rhinsguldens te betaelen, halff te kerssmisse ende halff Sint-Janssmisse [mits.pp P]. (Boonen 1880 [1593-94]: 48)
[Leuven, Brabant; 1593/94-T05] T=T05 P=Leuven R=Brabant TC=C TG=Vert TS=s SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Op de 5e maart van het jaar 1420 heeft de genoemde hertog Jan aan de stad Leuven het recht toegekend om een ieder tot burger of burgeres te maken, waarbij elk van hen als inkomgeld twee rijnsguldens ineens dient te betalen aan de genoemde hertog en aan de stad Leuven en vervolgens elk jaar aan genoemde stad twee rijnsguldens betaalt, waarvan de helft met Kerstmis en de helft met het Sint-Jansfeest.’
    Dit citaat komt uit de kroniek van Boonen over de geschiedenis van Leuven. Tekstcat. is C. Het is een fragment uit het hoofdstuk over Jan IV, hertog van Brabant, en de gebeurtenissen in diens regeerperiode (rond 1420).
    De stad krijgt van de hertog het recht om alle personen tot poorter te maken (Q), waarbij deze personen individueel de verplichting hebben een inkomgeld te betalen aan de stad en aan de hertog en daarna een jaarlijks in twee termijnen te betalen belasting aan de stad (P). Aan de stad wordt, vermoedelijk op haar verzoek, een recht toegekend, maar de daaraan vastgeknoopte verplichting geldt niet de stad, maar de betrokken inkomelingen. De rol van P is daarom een comitatieve.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het onderwerp wordt begrepen als iedere burger van Leuven (eenen ijegelijcken), die alleen een rol speelt in de ondergeschikte infinitieffrase, maar niet in de direct hogere frase.
144 Ende als diegene dier tmeeste deel daeraen heeft tselve huys ende erve niet en begeert te bewoenen sal naer hem volgen ende voor dandere gaen diegene die tmeerderdeel daeraen heeft ende alsoe lange alsser yemant is die paert oft deel aen tselve huys ofte erve heeft indien them belieft aldaer te wonen ofte terve te gebruycken sal daerinne geprefereert werden voor allen anderen ofte vremden [Q] mits betaelende de huere tot schepenen schattinge als vooren als sy onder malcanderen dies aengaende niet en connen accorderen ofte overcomen [mits.pp P] (Compilatiecorpus Dordrecht 1594 nr. 1)
[Dordrecht, Holland; 1594-T05] T=T05 P=Dordrecht R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En als diegene die het grootste eigendomsdeel daarvan heeft dit huis en erf niet wenst te bewonen, zal diegene die het één na grootste deel heeft direct na hem komen en voor de anderen gaan, en zo lang er iemand is met enig eigendom van het huis of erf die daar wil wonen of dat erf wil gebruiken, zal hij preferentie hebben boven alle anderen of vreemden, op voorwaarde dat hij, als zij hierover onderling geen overeenstemming kunnen bereiken, de huur betaalt naar een schatting door de schepenen zoals hiervoor gezegd is.’
    Dit citaat komt uit een verordening (tekstcat. A2) die schout, burgemeesteren, schepenen, raad, oud-raad en enkele goede luiden van de stad Dordrecht gezamenlijk hebben opgesteld. Zij stellen hierin het recht op bewoning en gebruik vast van woningen of erven ingeval er meerdere eigenaren in het spel zijn, waarvan meer dan één de woning of het erf zou willen gebruiken. Het citaat beschrijft in welke volgorde de verschillende eigenaren die voelen voor bewoning en gebruik van het bewuste huis of erf, de voorkeur zullen genieten; de aan bewoning en gebruik verbonden betalingsconditie komt eveneens aan de orde.
    In een ordonnantie bepaalt het Dordtse stadsbestuur dat bij een huis of erf met verschillende eigenaren het voorkeursrecht voor bewoning of gebruik daarvan toevalt aan de eigenaren op volgorde van grootte van hun eigendomsdeel; wie ervoor kiest gebruik te maken van dat recht (Q) is gebonden aan de voorwaarde een huur te betalen die berust op onderlinge overeenstemming tussen de eigenaren of - bij ontstentenis daarvan - taxatie door schepenen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject. De direct hogere frase is het passieve predicaat sal geprefereert werden; het subject daarvan, nl. ‘iemand met enig eigendom van het huis of erf die daar wil wonen of dat erf wil gebruiken’ is ook begrepen subject van de mits.pp-frase.
145abc (VI) Item dat binnen der stadt Groeninghen ende landen gheen ander religie geëxerceert zal worden dan de Gereformeerde religie, zulcx als die jegenwoordelick in de geunieerde provincien openbaarlick geëxerceert wort [Q1], mitz dat nyemandt in sijn conscientie oft gewissen zal wordden geinquireert, ondersocht of beswaert [mitz dat + Vf P1], ende dat alle die cloosters, gheestelicke ende cloosters-goederen zullen in jegenswoordighen staet blyven, tot dat by de heeren Staten Generael den staet van de stadt Groeninghen ende Ommelanden behoorlick geredresseert sal zijn [Q2], mits dat alsdan by de provincie zelff op het gebruyck der goederen en onderhoudt van de gheestelicke persoonen behoorlicke ordre sal wordden gesteldt [mits dat + Vf P2], welverstaende dat, zoo veel de commanderien van Werfum, Wytwerdt ende Oosterwierum aengaen, dat die sullen gehouden ende getracteert worden als gelycke commanderien, in de andere geunieerden provincien gelegen zynde. [...]
[...] (X) Item dat van alle d’omslaghen ende contributien, tot noch toe uutgescreeven, omegeslaghen ende ontfanghen, oyck van de domeynen daervan gereekent is, de rekeninghe voor goed sal wordden gehouden, ende daervan nyet gerekent is, zal rekeninge worden gedaen voor de oude heeren [Q3], mitz dat se hen van gheenen vorderen ontfanck van enighe restanten zullen onderwinden [mitz dat + Vf P3].
(XI) Item, dat alle uutgewekene van der stadt Groeninghen en der Ommelanden oft heure erffgenaemen wederomme gerestitueert ende toegelaten sullen wordden in heur goderen, nyet veralineert zynde [Q4], mitz dat onderlinge goede civiliteyt sal wordden gebruyckt [mitz dat + Vf P4].
[...] (XIII) Item zal een yder burger oft ingeseten der stadt Groeninghen, gheestlick oft weerlick, vry staan omme binnen der stadt te blyven oft op andere steden, landen ende plaetsen, die neutrael zyn, nae syn gevallen te moghen vertrecken ende zyn residentie nemen, in sulken gevalle haere propre ende eyghene goederen genyetende [Q5], mitz dat se hen nyet en sullen moghen begeven metter woone aen des vyands zyde [mitz dat + Vf P5].
(XIV) Sullen mede in desen tractate begrepen zyn alle uutheemsche persoonen, van wat qualiteyt oft natie die moeghen zyn, hen jegenwoordelick binnen der stadt Groeninghen onthoudende, omme binnen dezelve stadt heurer woonplaetse te moghen continueren [Q6], mitz doende eedt van getrouwicheyt [mitz.pp P6], oft in neutraele plaetsen te vertrecken.
[...] (XVI) Zullen oyck die gesanten der stadt Groeninghen tot Bruessel met haren dienaren ende goederen in desen verdrach besoent ende begrepen zyn [Q7], mitz incomende binnen drye maenden [mitz.pp P7].
(XVII) Item, sullen de burgers, die geduyrende dese belegeringe gevangen moghen syn, gerelaxeert wordden [Q8], mitz betaalende heur rantsoen [mitz.pp P8]. (KleinPlakk 212-214)
[Groningen, Noordoost-Nederland; 1594-T05] T=T05 P=Groningen R=Noordoost-Nederland TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Cond CV=W4 CV=W5 CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘(VI) Voorts: in stad en lande van Groningen zal geen andere godsdienst uitgeoefend worden dan de gereformeerde godsdienst, zoals die tegenwoordig in de Verenigde Provinciën in de openbaarheid uitgeoefend wordt, waarbij het pertinent zo is dat niemand inzake zijn geweten zal worden onderzocht, verhoord of gehinderd; alle kloosters, geestelijke goederen en kloostergoederen zullen in de huidige staat blijven, totdat door de heren leden van de Staten-Generaal de bestuurlijke ordening van de stad Groningen en de Ommelanden opnieuw naar behoren vastgesteld wordt, tegelijk waarmee dan door het gewest zelf naar behoren een regeling zal moeten worden vastgesteld ten aanzien van het gebruik van de goederen en het levensonderhoud van de geestelijken, met dien verstande dat de commanderijen van Warffum, Wytwerdt en Oosterwierum zullen moeten worden beschouwd en behandeld zoals vergelijkbare commanderijen gelegen in de andere Verenigde Provinciën. [...].
(X) Voorts: van alle omslagen en bijdragen die tot nu toe zijn geheven, omgeslagen en ontvangen - ook inzake de domeinen - waarvan de boekhouding is opgemaakt, zal deze worden goedgekeurd, en van die omslagen en bijdragen waarvan de boekhouding nog niet is opgemaakt, zal verantwoording worden afgelegd aan de oude heren [hereboeren?], waarbij ze [de penningmeesters] zich beslist niet mogen verstouten om verder geld te innen voor resterende schulden.
(XI) Voorts: alle personen die uit de stad Groningen en de Ommelanden gevlucht zijn, of hun erfgenamen, zullen in hun rechten worden hersteld en kunnen beschikken over het eigendom van hun goederen, als die niet vervreemd zijn, waarbij jegens elkaar billijkheid dient te worden betracht.
(XIII) Voorts zal zal het iedere burger of ingezetene van de stad Groningen (zowel van geestelijke als wereldlijke rang) vrijstaan om in de stad te blijven wonen of te vertrekken naar andere neutrale steden, gewesten en plaatsen naar zijn voorkeur en zich daar te vestigen, in dat geval in het genot van de eigen goederen, waarbij ze zich beslist niet metterwoon mogen begeven in het gebied van de vijand.
(XIV) Onder deze regeling zullen ook vallen alle van buiten komende personen - met welke functie of van welke natie dan ook - die zich tegenwoordig in de stad Groningen bevinden; zij mogen in deze stad blijven wonen, op voorwaarde dat zij de eed van trouw afleggen; anders moeten ze vertrekken naar neutrale plaatsen. [...]
(XVI) Ook de gezanten van de stad Groningen in Brussel, evenals hun personeel en goederen, zullen onder dit vredesverdrag vallen, op voorwaarde dat ze binnen drie maanden in de stad zijn.
(XVII) Voorts zullen burgers die gedurende het beleg gearresteerd zijn, vrijgelaten worden op voorwaarde dat ze hun losgeld betalen.’
    Dit lange fragment omvat enkele artikelen uit de zgn. Reductie van Groningen, een verdrag op 22 juli 1594 ondertekend door Maurits van Nassau. Tekstcat. is A2. Met reductie wordt in dit verband bedoeld de overgave van de stad Groningen aan Maurits en zijn leger, gesteund door Willem Lodewijk van Nassau. Nadat in een periode van vijf jaar de toegangswegen tot de stad één voor één door de Staatsen waren ingenomen, betekende deze overgave het einde van de overheersing en de aansluiting van Groningen samen met de Ommelanden bij de Republiek. Het fragment gaat o.a. in op de vraag hoe het nieuwe bewind zou moeten omgaan met de katholieke bezittingen. Woorden: omslag WNT betek. 6; WNT civiel> civiliteit betek. 2 (vandaar ‘billijkheid’); dese belegeringe: gedoeld wordt op het beleg van Groningen door de Staatse legers.
    Het fragment is zevendelig en telt acht mitz-constructies. Wat volgt is niet een analyse van elke constructie afzonderlijk, maar een vergelijking van de mitz dat + Vf- en mitz.pp-constructies. Het opvallendste verschil ligt op het vlak van de betekenis: comitatief resp. voorwaardelijk. De comitatieve mitz-constructies worden toegepast in het begin van het fragment; de desbetreffende artikelen (VI, X, XI, XIII) schrijven een algemeen geldende regel voor vergezeld van een noodzakelijk daarbij in acht te nemen bepaling. Nemen we de tweede helft van artikel VI als voorbeeld. Kloosters en geestelijke goederen zullen in huidige staat blijven, totdat op hoger niveau een nieuwe bestuurlijke ordening van Groningen en Ommelanden vastgesteld zal worden (Q2), waarbij het gewest dan zelf noodzakelijkerwijs een aangepaste regeling zal moeten treffen voor de geestelijke goederen (prebenden e.d.) en het daarmee verbonden levensonderhoud van de geestelijken die deze goederen bezitten (P2). Als de Staten-Generaal de hoofdlijnen van het Gronings bestuur hebben bepaald, zal dus als noodzakelijke begeleiding daarvan door het gewest een passende vorm gevonden moeten worden voor de geestelijke goederen. In de voorwaardelijke mitz.pp-constructies daarentegen, die in de laatste drie artikelen staan, neemt het verdrag de belangen van specifieke groeperingen (uitheemsen, gezanten, gearresteerden) in het oog en formuleert het verdrag een voorwaarde bij de vervulling waarvan wensen kunnen worden gerealiseerd van personen die tot één van die groeperingen behoren. Artikel XVII als illustratie. Dit artikel betreft degenen die in hechtenis genomen zijn; tijdens het beleg, toen de stad Groningen nog in Rooms-katholieke handen was, waren velen, o.a. protestantse dominees, gevangen genomen. Het verdrag neemt hun vermoedelijk evidente wens tot vrijlating in beschouwing en stelt dat aan de verwerkelijking van die wens een conditie gekoppeld is: zij komen vrij (Q8), op voorwaarde van betaling van losgeld (P8). Een ander verschil is, dat de drie mitz.pp-frasen qua lengte beperkt zijn tot 4 à 5 woorden en een standaardformulering lijken te zijn (mitz doende den eedt, mitz incomende binnen + tijdsduur, mitz betaalende heur rantsoen), terwijl de betekenis van de mitz-frasen in de constructies met mitz dat + Vf specifieker uitgewerkt is en de frasen meer woorden tellen. Valt dit te rijmen met de comitatieve betekenis, die in de mitz dat + Vf-frasen uitgedrukt wordt? Ja, want bepalingen, die noodzakelijk bij een gegeven algemene regel in acht genomen dienen te worden, zijn meestal nauwkeurig en expliciet geformuleerd.
 De drie mitz.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
146 [...] midtzgaders voirder consenteren, dat zy op ’t verzueck des suppliants denzelven zullen mogen toelaten de partyen, zoe cool- als raepsaet, nae den vyant te transporteren op zulcken licent als syluyden zekerlijck zullen weten, dat daervan in Seelant ontfangen werdt [Q], midts by hem daerenboven stellende cautie solvent, dat hy meerder licent zal betaelen, indien naemaels zulx zoude gedecreteert werden [midts.pp P]. (ResStatGen dl. 8: 581)
[Den Haag, Holland (+Zeeland); 1595-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[de Staten-Generaal] gaan er verder mee akkoord, dat zij [het College] de indiener van het verzoek toestemming zullen mogen geven om de partijen kool- en raapzaad naar vijandelijk gebied te vervoeren tegen een vergunningstarief waarvan zij met zekerheid weten dat het in Zeeland zo geheven wordt, onder de voorwaarde dat hij, de suppliant, bovendien zekerheid van liquiditeit geeft dat hij een hoger bedrag aan rechten zal betalen als dat later vastgesteld zou worden.’
    Het citaat komt uit de resoluties van de Staten-Generaal d.d. 16 augustus 1595 (tekstcat. B). Het citaat beschrijft het antwoord van de Staten-Generaal op een verzoek van het College van de Gecommitteerde Raden van de Admiraliteit. Dat verzoek had het College gedaan op instigatie van ene Jan Caulier (suppliant), die kool- en raapzaad wilde gaan transporteren naar vijandelijk gebied. Wat het College de Staten namens Caulier verzocht was verlaging van de door Caulier te betalen licenten, en rekening houden met de voor Zeeland geldende voet. In het omliggende vergaderverslag komt naar voren dat de Staten-Generaal er voorstander van zijn dat het College van de Gecommitteerde Raden van de Admiraliteit haar steeds toestemming vraagt inzake de handel die met personen in vijandelijk gebied gedreven wordt en met name inzake de eventuele verlaging van licenten (te betalen in- en uitvoerrecht) waarmee die handel gepaard gaat. Handel met of naar vijandelijk gebied was in 1595 een heet hangijzer: de Staten wilden het niet, terwijl veel kooplieden enige handel wilden blijven drijven met Vlaanderen (vooral Antwerpen), dat in 1585 vijandelijk gebied geworden was.
    Het College mag van de Staten-Generaal de suppliant toestaan zijn partijen zaad te transporteren naar het gebied van de vijand tegen een in Zeeland feitelijk geheven tarief (Q) onder de voorwaarde dat de suppliant garandeert dat zijn liquide middelen voldoende zijn om, als toch een hoger tarief vastgesteld zou worden, dat op te brengen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want het begrepen subject is de suppliant, die ook meew.voorw is van de direct hogere frase (aangeduid met denzelven). Er staat veel tekst staat tussen de vermelding van de suppliant (en denselven) in de hogere frase en het pp stellende en in die tekst krijgen bovendien de leden van het College (aangeduid met syluyden) een actieve rol toebedeeld: zij zijn het die zich ervan moeten vergewissen dat het betreffende tarief in Zeeland geheven wordt. Vermoedelijk daarom verduidelijkt de Agentieve by-bepaling by hem wie als subject van de mits.pp-frase begrepen moet worden, nl. niet het College maar de verzoeker.
147 [...] ’t is sulcx dat in den jaere 1494 Walraven, heere tot Brederode, voir zijn polder, gelegen onder de watermolen tot Swadenburgerdamme tusschen Rijnlant ende Wourden streckende uyten Rijn achter aen sijne landen [...] groot 561 margen, aen de hogeheemraden versocht ende verwurven heeft consent opte voorschreven polder - ten opsichte de gelanden hun nyet langer en mochten behelpen om haer water in den IJssele uyt te brengen zoo sij daer tevooren plachten - een watermolen te stellen [...] om daermede ’t water te werpen in den Rhijn [Q], mits gevende penninggelt als om de twe jaeren vier penningen ende jaerlicx opte margen drie groten [mits.pp P]. (Van Hout 2005 [1595]: 51verso-52recto)
[Hoogheemraadschap Rijnland, Holland; 1595-T05] T=T05 P=Hoogheemraadschap R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] het is zo gesteld dat in het jaar 1494 Walraven, heer van Brederode, voor zijn polder gelegen onder de watermolen te Zwammerdam, een gebied tussen Rijnland en Woerden dat zich, 561 morgen groot, uitstrekt vanaf de [Oude] Rijn tot aan de achtergrens van zijn grondgebied, aan de geachte heemraden toestemming heeft gevraagd om hierop een watermolen te bouwen om het water in de Rijn te leiden, met het doel dat de eigenaren van de daar gelegen landerijen zich niet langer zouden hoeven behelpen, zoals zij dat voorheen deden, met uitstroom naar de [Hollandsche] IJssel; hij heeft die toestemming gekregen onder de voorwaarde dat hij een belasting betaalt van iedere twee jaar vier penningen bestuursgeld en jaarlijks per morgen drie groten.’
    Dit is een citaat uit de verhandeling over het dijkgraaf- en heemraadschap van Leiden die Jan van Hout als stadssecretaris schreef op verzoek van het Leidse stadsbestuur. Met behulp van dit rapport hoopte het stadsbestuur sterker te staan in conflicten met dijkgraaf en heemraden. Als fragment uit een rapport over regelgeving, opgesteld ter ondersteuning van het stadsbestuur, valt het citaat in tekstcat. B.
Aan Van Hout was gevraagd duidelijk te maken welke keuren eerder in de eeuw waren vastgesteld in de omgeving van Leiden, voor zover vallend onder het zich vormende dijkgraaf- en heemraadschap (het latere hoogheemraadschap Rijnland); tevens om uitleg te geven van enkele specifieke besluiten die het dijk- en heemraadschap op verzoek van burgers genomen had, zoals hier in verband met een watermolen in Zwammerdam. Woorden, namen: Walraven, heer van Brederode: ook wel Walraven II van Brederode, tevens ambachtsheer van waterschap Nieuwer-Amstel; opzicht (opsicht), MNW: betek. 2 ‘bedoeling’
    Walraven heeft aan de heemraden toestemming voor het plaatsen van de watermolen gevraagd; hij heeft die verkregen (Q) onder de voorwaarde van betaling van zekere bedragen aan belasting, zowel jaarlijks als tweejaarlijks (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: als subject wordt Walraven heer van Brederode begrepen, die ook als subject fungeert van de direct hogere frase.
148 Item mits dat de dijckgrave ende heemraden waren verduchtende dat de pachters de voirs. conditi excederen souden mogen [mits dat + Vf P1], Q1 Q2 so was metten dijckgrave ende heemraden opte goede beliefte van den coninck overgecomen, als dat sij deselve sluyse van Sparendam metten visscherije van den duyckers ende watertochte tusschen Amsterdam ende Sparendam in pachte hebben ende die bevisschen ofte doen bevisschen souden mogen voir den tijt van thien jaren lanck geduyrende, ingaende den 25en junii 1518 [Q2], mits Q3 jaerlicx daervoiren betaelende tot des conincx behouff in handen van sijnen rentmeester van Kermerlandt, in der tijt wesende, de summe van vierhonderttachtich ponden van 40 groten ’t pont tot twee termijnen ’s jaers als Kersmisse ende Sint-Jan-in-de-somer, daeraff Kersmisse doen naestcomende den eersten termijn wesen soude [Q3], mits conditie dat sij geen gracie eysschen en souden moghen dan om inbreck van dijcken ofte sluysen alleenlick [mits conditie dat + Vf P3] [mits.pp P2] [Q1]. (Van Hout 2005 [1595]: 114 verso-115 recto)
[Hoogheemraadschap Rijnland, Holland; 1595-T05] T=T05 P=Hoogheemraadschap R=Holland TC=B TG=Verord TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voorts, omdat de dijkgraaf en de heemraden bang waren dat de vispachters de hiervoor genoemde bepaling [vissen alléén aan de uitstroomzijde van sluizen] zouden overtreden, was met dijkgraaf en heemraden met instemming van de koning overeengekomen dat zij [de vispachters] met de concessie voor de duikers en de watertochten tussen Amsterdam en Spaarndam ook de sluis van Spaarndam erbij in pacht zouden mogen hebben en daar zouden mogen vissen of doen vissen gedurende een periode van tien jaar met ingang van 25 juni 1518 tegen een jaarlijkse betaling ten bate van de koning in handen van zijn fungerend rentmeester van Kennemerland van de som van vierhonderdtachtig ponden van 40 groten in twee jaarlijkse termijnen, namelijk met Kerstmis en op Sint-Jan-in-de-zomer - waarvan de eerstvolgende Kerstmis de eerste termijn zou zijn -, waarbij de dwingende bepaling was dat zij geen vermindering van dit bedrag zouden mogen eisen dan alleen vanwege instorting van dijken of sluizen.’
    Dit citaat komt uit een namens het Leidse stadsbestuur door Jan van Hout in 1595 geschreven rapport over de keuren in Rijnland die eerder in de eeuw waren vastgesteld. Van Hout schreef het rapport ter ondersteuning van het stadsbestuur: de tekstcat. is B. In een hoofdstuk over de visserij schetst Van Hout de spanning tussen de belangen van de visserij, die werd verpacht door de koninklijke domeinen in de persoon van de rentmeester van Kennemerland, en anderzijds die van een onbelemmerde afwatering van het gebied, de verantwoordelijkheid van dijkgraaf en heemraden van Rijnland. Onder andere in en nabij sluizen kon de visvangst de noodzakelijke uitstroom bemoeilijken, om welke reden vissen op die plaatsen van oudsher veelal verboden was. Ter beëindiging van een reeks conflicten vaardigde een commissie namens de landsheer Karel V op 25 juni 1518 een omvattende viskeur uit, zo verhaalt Van Hout, die in het gebied tussen Spaarndam en Amsterdam onder andere het vissen bij sluizen en duikers mogelijk maakte, maar alléén aan de buitendijkse uitgang, waar de domeinen verder voor instandhouding van kaden en wegen dienden te zorgen. Voor het water nabij de sluis van Spaarndam werd om een bepaalde reden de uitgifte van een visconcessie beperkt tot tien jaren, blijkt uit het citaat.
    Hier is sprake van drie mits-frasen, naar vorm en betekenis verschillend.De eerste is causaal, redengevend: omdat dijkgraaf en heemraden vreesden dat de direct daarvóór genoemde bepaling van de keur overtredingen door de vispachters zou uitlokken (P1), zo legt Van Hout uit, hadden de uitvaardigers van de keur de uitgifte door domeinen van een visconcessie voor het water nabij de sluis van Spaarndam als onderdeel van de concessie voor de wateren tussen Spaarndam en Amsterdam vooralsnog beperkt tot een periode van tien jaar, waarbij ook de mogelijkheden voor klachten over deze locatie en eisen tot betalingsvermindering van de kant van de vispachters ingeperkt waren (omdat dat water primair de afwatering moest blijven dienen) (Q1). P1 noemt een reden, Q1 betreft de om die reden naar tijd en geschiktheidsgarantie beperkte uitgifte van visrechten nabij de sluis van Spaarndam. Q1 omspant de twee andere mits-constructies. De tweede frase met mits is een mits.pp-geval dat binnen het grotere geheel van Q1 de betalingsvoorwaarden P2 aanduidt voor de tien jaar geldende visrechten nabij de sluis van Spaarndam (Q2). De betalingsvoorwaarden P2 worden nog weer nader bepaald door een constructie met mits conditie dat + Vf, die stipuleert dat vermindering van het genoemde concessiebedrag uitsluitend geëist zal kunnen worden bij instorting van dijken of sluizen (P3). Dat betekent dat dijkgraaf en heemraden slechts beperkt verantwoordelijk wensten te zijn voor de geschiktheid van het water bij de sluis als viswater. Deze bepaling hangt voor de uitvaardigers van de keur noodzakelijk samen met de voorgeschreven betaling voor de visconcessie, die hier als Q3 geldt, zo geeft mits hier aan met zijn comitatieve betekenis.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden de vispachters begrepen, die ook subject zijn van de direct hogere frase (aangeduid met sij). Voor de uitvaardigers van de keur staan de belangen van de vispachters centraal.
149 Ende, indien de schuttinge gedaen wort uyten naem van den voirs. dijckgraeff van Rijnlandt, so sal de helft van de boeten [...] comen tot onsen proffite ende de ander helft sal gedeylt worden in tween, te weeten: de voirs. houtvester sal daeroff hebben d’een helft suyver ende de ander helft de voirs. dijckgraeff [Q], mits daeroff betaelende de costen van de dienaers, die de schuttinge gedaen sullen hebben [mits.pp P]. (Van Hout 2005 [1595]: 170 verso-171 recto)
[Hoogheemraadschap Rijnland, Holland; 1595-T05] T=T05 P=Hoogheemraadschap R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘En indien het insluiten van de dieren gedaan wordt in opdracht van de genoemde dijkgraaf van Rijnland, dan zal de helft van de boeten te onzen bate zijn [van het Hof] en zal de andere helft in tweeën gedeeld worden, als volgt: de genoemde houtvester zal daarvan de gehele ene helft krijgen en de genoemde dijkgraaf de andere helft, waarbij die laatste verplicht is daarvan de kosten van de werklui te betalen die de insluiting van het vee hebben uitgevoerd.’
    Dit citaat komt uit het hoofdstuk over helmbeplanting in het rapport dat Jan van Hout op verzoek van het stadsbestuur schreef over de vraag welke keuren in Rijnland eerder in de eeuw waren vastgesteld en welke uitspraken van dijkgraaf en heemraden over verzoeken van burgers bewaard waren. Het rapport is te rekenen tot tekstcat. B. Van Hout schrijft dat op zeker moment veel helm werd vernield door diefstal of door rondlopende dieren. In 1548 publiceerde het Hof van Holland daarom een plakkaat inzake terreinen met helmbeplanting. Gedurende een periode van zes jaar mocht men in het winterseizoen daar geen dieren laten grazen. Illegaal daar grazende koeien, schapen of geiten zouden ambtshalve worden ‘geschut’ en de eigenaar beboet. De verantwoordelijkheid voor het beheer van de helmbeplanting in de duinen lag in die tijd bij het heemraadschap. In het geciteerde gedeelte komt aan de orde aan wie de boetes zouden toevallen. Van Hout lijkt de bepalingen van het plakkaat uit 1548 letterlijk te citeren. Woorden: schutten: samenbrengen van dieren en ze insluiten in een planken compound.
    Q noemt de toedeling van een kwart van de boetes aan de dijkgraaf, P noemt een plicht die daar voor de dijkgraaf bij hoort: hij dient de werklui te betalen die de dieren uit het duinterrein hebben verwijderd. De relatie van P ten opzichte van Q is derhalve een comitatieve. De bepalingen van het Hof in dit plakkaat impliceren op geen enkele wijze instemming met of afwijzing van bepaalde wensen van de betrokkenen, maar hebben integendeel het karakter van een serie verplichtende bepalingen inzake de verdeling van het boetes. Er is dan ook geen ruimte om condities te formuleren die een betrokkene al of niet bereid zou zijn te vervullen.
 Als subject van de mits.pp-frase wordt de dijkgraaf begrepen, die ook subject is van de direct hogere elliptische frase: de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
150 VII. Sullen oock egeene Ketelboeters, SulpherPriemers, Kuypers, Schoenlappers, Kramers, Leprosen, Quacksalvers, Deecken, Ratte-kruyt ende Plecke uyt Verkopers ende diergelijcke, hoe dat soude mogen wesen, nochte in de Steden, nochte ten platten Lande mogen gaen bedelen, nochte oock ten platten Lande hare Neringe ofte Handtwerck exerceren, ten ware eenige derselver binnen de Steden ende Dorpen van Hollandt ende West-Vrieslandt woonden, die tot exercitie van haare voorschreve neringe, ende niet tot bedelen ten platten Lande geadmitteert sullen worden [Q], midts daer toe hebbende schriftelijck bescheyt van de Magistraet haerder Residentie welck bescheyt allenlijck duyren sal ses maenden [mits.pp P], op peyne van mede ghestraft te worden als kloecke Vagebunden en bedelaers. (ResolHoll1596 3)
[Den Haag, Holland; 1596-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Art. 7. Ook zullen ketellappers, zwavelstokkenverkopers, kuipers, schoenlappers, kramers, leprozen, kwakzalvers, verkopers van dekens, rattenkruid en vlekkenwater of dergelijke lieden, van welke soort ook, noch in de steden en dorpen noch op het platteland mogen gaan bedelen, evenmin als zij ten plattenlande hun nering of handwerk mogen uitoefenen. Dit met uitzondering van enigen van hen die wellicht in de steden en dorpen van Holland en West-Friesland wonen; die zullen voor de uitoefening van hun bedoelde nering (maar niet om te bedelen) op het platteland toegelaten worden voor zover ze schriftelijke toestemming daarvoor bij zich hebben van de magistraat van hun woonplaats, een toestemming die slechts zes maanden geldig zal zijn; met als sanctie eenzelfde [in een voorafgaand artikel beschreven] straf als geldt voor gezonde landlopers en bedelaars.’
    Dit is een fragment van een in de bijeenkomst van januari 1596 van de Staten van Holland ter tafel liggende verordening (tekstcat. A2), een plakkaat tegen landloperij en diefstal (tegens de Vagabunden ende Dieverijen). Woord: vagebund, vagabund: WNT vagebond betek. 1 (‘mannelijk persoon die zonder vaste woonplaats is en zonder middelen van bestaan rondzwerft; landlooper, schooier, zwerver’); kloecke: WNT kloek betek. A.14 (‘in goede gezondheid (...); t.w. op het tijdstip waarvan sprake is’_ op deze plaats een vb uit 1595 uit het Groot Plakkaatboek, vermoedelijk hetzelfde plakkaat als hier besproken, met de formulering: ‘(...) op ghelijcke peyne als tegens den kloecke Vagabunden ende Bedelaers hier vooren is geordonneert’); hebbende: WNT hebben I, veel betekenissen, maar ook: betek. I, B, 6 a/b en 8, hier ‘bij zich hebben’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Het plakkaat neemt het belang van in het gewest Holland en West-Friesland woonachtige neringdoenden in het oog. Voor hen geldt permissie om, als zij dat wensen, ten plattelande hun nering uit te oefenen (Q) op voorwaarde dat zij een document bij zich dragen waarin het bestuur van hun woonplaats hun voor zes maanden toestemming gegeven heeft om buiten de stad te werken (P). Merk op dat in dit artikel degene die verantwoordelijk is voor de vervulling van de voorwaarde niet eenduidig te begrijpen is. In elk geval draagt de neringdoende in kwestie verantwoordelijkheid: hij moet ervoor zorgen dat hij het bedoelde document (als hij het heeft) bij zich draagt als hij buiten zijn woonplaats werkt. Maar in gevallen waarin de neringdoende het document niet bezit (hebben in de betekenis ‘bezitten’) en er ook niet om heeft verzocht, ligt de verantwoordelijkheid eveneens bij hemzelf, maar dan om het aan te vragen, en vervolgens zeker ook bij het bestuur van de woonplaats, nl. voor de verstrekking van de verklaring. Het bestuur gaat daar niet automatisch toe over. Het bestuur zal, de (o.a. economische) situatie van de betreffende woonplaats in aanmerking nemend, een eigen afweging maken om het bewijsstuk al dan niet af te geven. De neringdoende moet, kortom, aan een voorwaarde voldoen waarvan de uitvoering niet in alle gevallen geheel in zijn macht ligt.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want subject zijn de beschreven rondtrekkende neringdoenden die ook subject zijn van de passieve direct hogere frase.
151 Op het versoeck van het meerendeel van de Crediteuren van den desolaten boedel van Klaes Klaesz Hals, tot Delft, ten eynde de Heeren Staaten [...] te authoriseren de Heeren van den Hove Provinciael, ofte de Commissarissen van den selven Rade de onwillighe Crediteuren te constringeren het accord, by den meerendeel van de Crediteuren aangegaen in den Request geroert, mede aen te gaen, ofte den Suppliant te voldoen ’t gundt hem by ’t voorsz accord toegeseyt is [Q], midts tot behoeve van de selve by de Supplianten cederende alle hunluyden recht en actie, of immers alsulcke atterminatie te gedogen als den Boel sal mogen lyden [midts.pp Pa of te.Inf Pb]: Is geappostilleert. (ResolHoll1596 307)
[Den Haag, Holland; 1596-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Op het verzoek van de meerderheid van de schuldeisers van de failliete boedel van Klaes Klaesz Hals te Delft, inhoudende dat de heren Staten de heren van het Provinciaal Hof of de vertegenwoordigers van dat college machtigen, om de onwillige schuldeisers te dwingen tot mede-ondertekening van de overeenkomst [met de Staten] waaraan de meerderheid van de crediteuren betrokken bij het onderhavige verzoekschrift zich gebonden heeft; dat wil zeggen dat zij [de Staten] aan de Verzoeker uitbetalen wat hem in de genoemde overeenkomst toegezegd is, onder de voorwaarde dat Verzoekers ten behoeve daarvan afstand doen van al hun rechten en aanspraken dan wel dat zij [Verzoekers] op zijn minst een zodanig uitstel van betaling gedogen dat de boedel geen schade lijdt. Beschikking vastgesteld.’
    Dit is een fragment van de resoluties van de Staten van Holland en West-Friesland van 26 juli 1596. Tekstcat. is B. Woord: WNT behoef, betek. 2 (‘[...] Datgene wat men noodig heeft, en vandaar ook: nut, baat, voordeel.’) Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De rol van P is voorwaardelijk.
De frase midts.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als onderwerp wordt begrepen de Verzoeker, die de rol van meew.voorw. heeft in de direct hogere frase (den Suppliant, het hier enkelvoudig aangeduide collectief van verzoekers). In de midts.pp-frase staat ter extra verduidelijking van het subject de Agentieve by-bepaling by den Supplianten (meervoud).
152 De Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt, hebben uyt hare rechte wetenschap, volkomen macht ende authoriteyt, verklaert, geconsenteert ende geordonneert, verklaren, consenteren ende ordonneren bij desen, dat alle proceduren ende executien teghens den Heere van Cralingen, syne Borgen ende Goederen, over de schulden in desen geroerdt, egeene uytgesondert, sullen blyven gesurcheert den tydt van twee Jaren eerstkomende, sulcks deselve voor den voornoemden tydt worden uytgesteldt ende gesurcheert by desen, dat men de Crediteuren van voornoemden Heere van Cralingen, de welcke egeen interest alreede is belooft, egeene vorder interest verstreckt sal worden dan tegens den penningh sesthien naer advenant van een yders achterwesen, ende naar rata van den tydt dat syluyden de penningen ontberen sullen [Q] mids by den voornoemden Heere van Cralingen daer vooren stellende cautie hypothecaire [mids.pp P]. (ResolHoll1596 308)
[Den Haag, Holland; 1596-T05] T=T05 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘De Staten van Holland en West-Friesland hebben in hun wijsheid en uit hoofde van hun autonoom gezag verklaard, besloten en verordend en verklaren, besluiten en verordenen hierbij, dat alle procedures en de uitvoering daarvan tegen de heer van Cralingen, zijn borgen en goederen betreffende de schulden waarvan bij de behandeling gewag is gemaakt, geen enkele uitgezonderd, voor de periode van de eerstkomende twee jaar zullen worden opgeschort, dat wil zeggen dat die voor de genoemde periode worden uitgesteld en opgeschort op deze wijze, dat men de schuldeisers van de voornoemde heer van Cralingen, aan wie nog geen interest beloofd is, geen andere interest zal toekennen dan tegen de penning zestien voor ieders achterstallige uitbetaling en naar rato van de periode dat zij het geld zullen missen, op voorwaarde dat de voornoemde heer van Cralingen daarvoor een hypothecaire zekerheid stelt.’
    Dit is een fragment van de resoluties van de Staten van Holland en West-Friesland van 26 juli 1596. Tekstcat. is B. Over het in dit fragment beschreven besluit schreef Fockema Andreae in zijn editie van Grotius’ juridisch werk: ‘Een [...] voorbeeld van het fenomeen dat het hoogste gezag (de landsheer, later de staten) uit de volheid van zijn gezag een rechtsweldaad verleende, bijv. soms brieven van uitstel gaf, geeft eene resolutie der Staten van Holland van 26 Juli 1596 van dezen inhoud.’ ([Grotius] de Groot 2010 [1631]: 249). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De Staten besluiten de procedures die tegen de heer van Cralingen lopen, voor twee jaar op te schorten en de schuldeisers als genoegdoening interest toe te kennen op de penning 16 (Q). Zij hebben daarbij de belangen van Van Cralingen op het oog, anders zou hij mogelijk failliet verklaard worden. Van Cralingen moet hier wel iets tegenover stellen: voorwaarde is dat hij aan de Staten een onderpand als zekerheid verschaft (P).
 De mids.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen onderwerp is de heer van Cralingen, die in de direct hogere frase alleen in lagere posities optreedt zoals in bepalingen (proceduren (...)) teghens den Heere van Cralingen en (de Crediteuren) van voornoemden Heere van Cralingen. De Agens wordt in de mids.pp-frase verduidelijkt door de Agentieve by-bepaling by den voornoemden Heere van Cralingen.
153 [...] totte volle ende effectuele afflossinge van dyen thoe, die hy comparant tot allen tyden als ’t hem belyeft sall moghen doen [Q], mits teffens ende t’enemaell opleggende voor elcken penning sesthyen gelycke penningen, ende met alsulcken gelde als ten tyde van de lossinghe, naer de alsdan laetst gepubliceerde placcate ofte permissie, cours ende gangh hebben sall [mits.pp Pa], ende mits van der lossinge drye maenden te vooren waerschouwende [mits.pp Pb] (BeschOldenb dl. 1: 347)
[Schieveen, Holland; 1596-T05] T=T05 P=Schieveen R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[Van Oldenbarnevelt betaalt jaarlijks rente] tot aan de volledige en daadwerkelijke aflossing [van de losrente], die hij, comparant, op elk moment dat hij wil mag effectueren, door tegelijk [met de dan vervallende rentes] en in één keer voor elke penning zestien gelijke penningen op tafel te leggen, en wel met geld dat ten tijde van de aflossing volgens de op dat moment laatst gepubliceerde afkondiging of vergunning inzake geldstukken courant is, en mits hij de aflossing drie maanden tevoren aankondigt’
    Deze passage maakt deel uit van een akte die op 21 juni 1596 opgemaakt is door schout en schepenen van het ambacht Ouderschie (tekstcat. A1 dus). De kopie van de akte dateert uit 1597 (de hier gebruikte kopie is door één van de schepenen van het ambacht gemaakt op 15 februari 1597 (BeschOldenb dl. 1: 348)). Van Oldenbarnevelt verkoopt een ‘losrente’ aan de grondbezitters van Schieveen (Delfland). Hij leent dus geld; als zekerheid geeft hij daarbij het land dat hij daar gekocht heeft in hypotheek. Als bij een moderne lening onder hypotheek krijgt hij van de uitlenende partij een hoofdsom ter beschikking (hier 2.933 gulden) en moet hij daarover in het vervolg een jaarlijkse rente (van ruim 183 gulden) betalen. In het direct aan het fragment voorafgaande deel van de akte gaat het over deze rentebetaling, die elk jaar gedaan moet worden. De lening (het recht op de jaarlijkse rente dat hij overgedragen heeft tegen verkrijging van de hoofdsom) is een ‘losbare’: op zekere voorwaarden kan Van Oldenbarnevelt de lening aflossen. Hierover gaat het fragment. Woord: teffens: WNT teffens betek. 1.a (‘op hetzelfde oogenblik, terzelfdertijd, tegelijkertijd, tegelijk; in eens’.
     De mits.pp-frase met Pa kan instrumenteel genoemd worden: door tegelijk met de dan verschuldigde rente ook 16x de jaarrente te betalen (Pa) zal Van Oldenbarnevelt het dan nagestreefde doel van aflossing van de lening bereiken (Q). Omdat er niet nog een aparte ‘handeling van het aflossen’ nodig zal zijn, moet dit een middel heten en geen voorwaarde. De mits.pp-frase met Pb is eenduidig conditioneel: drie maanden tevoren aanmelden is een voorwaarde voor de realisering van een gewenste aflossing (Q). Na de handeling van het waarschuwen is die van het aflossen mogelijk, een duidelijk afzonderlijke handeling. Interessant is hier dat Q voor de eerste mits.pp-frase gekarakteriseerd moet worden als Oldenbarnevelts nagestreefde handelingsdoel, en voor de tweede mits.pp-frase als een wenselijkheid voor dezelfde persoon. De karakterisering van Q is dus niet iets op zichzelf, maar afhankelijk van de rol van P in de context. Vormelijk omvatten beide constructies slechts één mits.pp-frase per constructie, terwijl Q geen deel uitmaakt van de vorm. De identiteit van Q wordt door de interpretator uit gevarieerde aanwijzingen afgeleid.
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
154ab [...] is geresolveert ende geconsenteert [...] dat voir de ierste drye maenden als October, November ende December xvC vierentnegentich de voirsz. provincie sal moegen gestan [Q1], mits alleenelijck responderende van tgene de generale middelen in denselven tijt aldair zijn verpacht [mits.pp P1], gelijck oyck voir het jaere vyventnegentich [Q2], mits contribuerende boven tgene de generale middelen verpacht zijn, in de plaitsse van een derddendeel - twelcke genoemen wordt voer de contributiën over de onroerende goeden van Stadt ende Landen - een seste deel van tgene de generale middelen verpacht zyn [mits.pp P2] (ResolStatGen dl. 9: 546)
[Den Haag (+Groningen), Holland (+Noordoost-Nederland); 1597-T05] T=T05 P=Den Haag P=Groningen R=Holland R=Noordoost-Nederland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] is besloten en goedgekeurd dat de voornoemde provincie voor de eerste drie maanden [van de periode waarvoor het verzocht is] oktober, november en december 1594 zal mogen volstaan met een bijdrage uitsluitend over de pachtsommen die zijn ontvangen inzake de algemene belastingheffing in die periode, en voor het jaar vijfennegentig zal mogen volstaan door van de ontvangsten van algemene belastingen uitgaand boven de afgesproken pachtsommen in plaats van een derde deel (zoals ingehouden wordt als bijdragen over de onroerende goederen van Stad en Lande) een zesde deel bij te dragen’
    Dit citaat komt uit de resoluties van de Staten-Generaal, zitting 12 februari 1597 (tekstcat. B). In het direct voorafgaande deel van de resoluties staat dat de schatkistbewaarder meldt dat het gewest Groningen in een remonstrantie te kennen gegeven heeft de gevraagde bijdrage voor de Staten-Generaal te hoog te vinden. De Raad van State heeft een advies aan de Staten opgesteld inzake deze kwestie; de thesaurier rapporteert dit aan de leden. Na bespreking ervan besluiten de Staten-Generaal overeenkomstig het advies om de provincie tegemoet te komen.
    De provincie Groningen met de Ommelanden zal naar het oordeel van de Staten-Generaal voor 1594 genoeg bijgedragen hebben (Q1) door middel van mits.pp P1, namelijk als het gewest zijn bijdrage uitsluitend baseert op de ontvangen pachtsommen inzake de algemene belastingheffing. Het gewest zal voor 1595 voldoende bijgedragen hebben (Q2) als het dan wel ook bijdraagt uit wat in dat jaar is binnengekomen uitgaand boven de ontvangen pachtsommen, maar daarvan niet meer dan een zesde deel afdraagt in plaats van het normale derde deel (dat is door middel van mits.pp P2).
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject, want als subject wordt steeds de provincie begrepen, die in het eerste geval subject is van de direct hogere frase met predicaat sal moegen gestan, en in het tweede geval ook, met dit verschil dat die frase hier gereconstrueerd wordt uit de samentrekking.
155 Opten voorsz. laetsten Januarii, des mergens omtrent ten acht uyren opt Raedthuys verschenen ende ter vergaderinge van Burgermeesteren toegelaten zijnde, hebben nair voorgaende sommiere openinge van onsen last, den voornoemden vaderen sdachs te vooren voorgehouden, van Burgermeesteren in effecte verstaen, dat, hoe wel zywel geneycht waren, om die van Leyden in alle gebuyrsame vruntschap te bejegenen, zy nochtans in tversouc, zoot leyt, nyet en zouden connen bewilligen om der consequentien wille, als wesende genouch gelyc versouc anderen Steden geweygert, gelijc de voornomde vaderen voorgaende ooc hadden verclaert. Ende geene tuchtelingen van buyten ontfangen, dan [Q1] mits ter redelicheyt hun montcosten betalende [mits.pp P1].
[...] ende maicten hem genouch starc, om de gene, diemen hem van stadtswegen zoude mogen toeseynden, tot drie off vieren toe, elc voor hondert guldens tsiaers in te nemen ende te tracteren volgende de ordonnantie van den huyse [Q2], mits dat het personen zouden zyn, mit geenige dollicheyt off bijsinnicheyt besmet [mits dat + Vf P2]. (Hallema 1927: 91-93)
[Leiden, Holland; 1598-T05] T=T05 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Toen wij op de genoemde laatste dag van januari ’s morgens omstreeks acht uur op het stadhuis aangekomen waren en toegelaten waren tot de vergadering van Burgemeesteren, kregen we, na de voorafgaande summiere uitleg van onze opdracht die wij voornoemde burgervaderen daags tevoren gegeven hadden, in concreto van Burgemeesteren te horen, dat zij, hoewel genegen om de vertegenwoordigers van Leiden met welwillende nabuurschap te bejegenen, toch niet tegemoet zouden kunnen komen aan het verzoek zoals het daar lag om wille van gelijke behandeling, gezien het feit dat een dergelijk verzoek van andere steden heel wat keren geweigerd was, zoals de voornoemde burgervaderen hiervoor ook hadden uiteengezet. Zij zouden geen tuchthuisklanten van buiten opnemen behalve als hun levensonderhoud fatsoenlijk betaald zou worden.’
[...] en [Burgemeesteren van Amsterdam] zouden zich er zeer voor inzetten om degenen die men [vanuit Leiden] van stadswege naar hen toe zou sturen, tot drie of vier in getal, tegen honderd gulden per jaar op te nemen en te corrigeren volgens de reglementen van het tuchthuis, op voorwaarde dat het om personen zou gaan die niet behept zijn met gekte of krankzinnigheid.’
    Dit citaat met twee mits-configuraties komt uit het verslag dat stadssecretaris Jan van Hout schreef van een werkbezoek aan Amsterdam in januari 1598 (tekstcat. is B). De Leidse vroedschap was bezig voorbereidingen te treffen voor de oprichting van een tuchthuis, en daarom maakte Van Hout deze dienstreis. Samen met een collega vertrok hij donderdagavond 29 januari met de trekschuit, om zich de volgende dag op het Amsterdamse stadhuis te informeren over de werkwijzen van heropvoeding in het daar al bestaande tuchthuis, en tevens om de Amsterdamse burgemeesteren vanuit Leiden het verzoek over te brengen om, in afwachting van het gereedkomen van de Leidse instelling, enkele zware misdadigers naar het Amsterdamse tuchthuis te mogen sturen. Burgemeester Cornelis Pieterszoon Hooft had na interne beraadslaging aanvankelijk een teleurstellend antwoord, zoals uit het begin van het citaat blijkt. Maar al pratend over de kosten voor het levensonderhoud van de tuchthuisbewoners blijkt er aan Amsterdamse zijde alsnog bereidheid te bestaan (eind van het citaat). Woorden: tracteren: editeur Hallema: ‘door straffen arbeid in het tuchthuis te verbeteren’; voorgaende: WNT voorgaand ‘(...) Eerder, vorig, vroeger.’
    De Amsterdamse bestuurderen reageren negatief op de Leidse wens, zij willen geen tuchthuiscliënten van andere steden opnemen dan mits.pp P1, dat wil zeggen zij nemen die alléén aan (Q1) op voorwaarde van betaling, feitelijk door die steden, van een redelijk bedrag voor levensonderhoud (P1). Ook P2 vervult een rol van voorwaarde: de Amsterdammers zouden bereid zijn enkele Leidse gevangenen tegen een adequate vergoeding in het Amsterdamse tuchthuis te ontvangen (Q2), op voorwaarde dat het niet om krankzinnigen zou gaan (P2). Er is enig verschil tussen de mits.pp P1-configuratie in het begin en die met mits dat + Vf P2 aan het eind. De eerste is korter (6 wrdn) dan de tweede (12 wrdn). Maar vooral: bij voorwaarde P1 is er sprake van het vervullen van een voorwaarde door een handeling, nl. het in redelijkheid betalen voor de kosten van levensonderhoud, terwijl voorwaarde P2 neerkomt op een eis aan personen, nl. dat ze het geen mensen zijn met een psychiatrische stoornis. Deze eis betreft eigenschappen en gesteldheden van personen; door een handeling kan er niet aan beantwoord worden. De frase ingeleid door mits dat heeft niet toevallig een naamwoordelijk predicaat.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw: het begrepen onderwerp zijn de tuchthuisklanten van buiten, die hun levensonderhoud betalen door stortingen die de moederstad regelt; zij zijn lijdend voorwerp van de direct hogere frase.
156 Sijn voorts burgermeesteren geauctoriseert om tot laste van den stadt lijffrentebrieven den penning 7 off een lijff ende losrentebrieven tegens den penning 12 te verlijden den poorteren ende ingesetenen deser stede die haer capitale leeninge te vollen opbrengen ende noch tweemael zo veel in baren gelde daer bij leggen [Q] mits weder hebbende brieven van indempnite vant tland [mits.pp P] mitsgaders oick gelijcke lijff ende losrenten te lichten, tot vervallinge van de extraordinaris lasten deser stede (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 41: fol. 18)
[Alkmaar, Holland; 1599-T05] T=T05 P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Voorts worden burgemeesteren gemachtigd om lijfrentebrieven tegen de zevende penning, of lijf- en losrentebrieven tegen de twaalfde penning ten laste van de stad aan te bieden aan de burgers en ingezetenen van deze stad, die hun hoofdsom ten volle inbrengen en daarbij nog eens twee maal zo veel in contanten op tafel leggen, in ruil waarvoor ze door het gewest gagarandeerde certificaten moeten krijgen; tevens worden burgemeesteren gemachtigd om [de opbrengst van de uitgifte van] deze lijf- en losrentebrieven ook in te zetten om de extraordinaris lasten van deze stad te voldoen.’
    Het citaat komt uit de resoluties van de vroedschap van Alkmaar d.d. 16 juni 1599. Tekstcat. is B. Op de vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland was enige tijd eerder naar voren gekomen dat de Staten een tekort van 200.000 gulden hadden; het voorstel was geweest dat bedrag als een buitengewone belasting om te slaan over de steden en de bedragen op te laten halen door de uitgifte van lijfrentebrieven. In het citaat geeft de Alkmaarse vroedschap haar akkoord met het (nader uitgewerkte) plan. Woorden: de penning 7: op de 7de penning, lenen tegen 14%; tegens den penning 12: op de 12de penning, lenen tegen 8%; verlijden: eigenlijk ‘begiftigen met’; lichten: MNW betek. 4, ‘Van geld, het oplichten, opstrijken’; vervalling: WNT: betek.4 (‘Betaling, vergoeding, aflossing van schulden, onkosten e.d. Steeds in de verb. tot vervalling van.’). Transcriptie van het contemporaine handschrift: Harry de Raad.
    De burgers aan wie burgemeesteren van Alkmaar lijfrentebrieven aanbieden, betalen volgens het besluit van de vroedschap driemaal de nominale waarde van de lijfrentebrief (Q); de kopers zullen in ruil daarvoor garantiecertificaten van het gewest dienen te krijgen voor de daadwerkelijke uitbetaling van de lijfrenten (P). Q betreft de zeer forse extra inbreng van de kopers van de rentebrieven, terwijl de vroedschap met P aangeeft dat zij het daarbij voor het welslagen van de emissie noodzakelijk acht dat die kopers als (deel)compensatie een garantie voor uitbetaling van de renten krijgen van de Staten van Holland en Friesland (P). P heeft derhalve een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: subject zijn de burgers van Alkmaar die in ruil voor een lijfrentebrief drie keer de nominale waarde van de lijfrentebrief op tafel moeten leggen; zij treden ook op als subject van de direct hogere frase.
157 Des is geconditionneert, by sooverre die voors. mr. Hans Langhe voor ’t expireren van de voors. tijdt quaeme hem te begeven op eene voiage uut dese lande, dat die voornoemde Arent Douwesz. volstaen zal [Q] midts betalende naer advenant van den tijdt, dat die voorn. jonghen by hem sal hebben gewoondt [midts.pp P], ende sal voorts de voorn. jonghen gehouden zijn hem naerstelick in den wynckel ende huyse van den voorn. mr. Hans t’employeren, als een goet jonckman van eere schuldich is ende behoort te doene. (BronnenAmst dl. 1: 584)
[Amsterdam, Holland; 1600-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Derhalve is bepaald dat, ingeval de voornoemde meester Hans Langhe voor het aflopen van de genoemde termijn op reis naar het buitenland zou gaan, de voornoemde Arent Douwesz. zal kunnen volstaan met betaling naar gelang van de tijd dat de voornoemde jongen bij hem [Langhe] gewoond zal hebben; en de genoemde jongen zal voorts gehouden zijn hard aan het werk te gaan in de winkel en het huis van voornoemde mijnheer Hans, zoals een fatsoenlijke jongeman van goede naam dat behoort te doen.’
    Dit citaat komt uit een op 19 mei 1600 bij de Amsterdamse notaris Heylinck opgemaakt leer-werkcontract (tekstcat. A1), waarin overeengekomen wordt dat chirurgijn-barbier Hans Langhe op voorspraak van Arent Douwesz. diens jongere broer Thomas als leerling aanneemt. Volgens het aan het citaat voorafgaande deel van het contract zal Thomas gedurende twee jaar bij Langhe zijn, zal die hem praktisch onderricht geven én kost en inwoning, en betaalt Arent daarvoor per jaar 2 pond Vlaams. Woord: naerstelick: MNW nernstelike betek. 1, WNT naarstiglijk betek. 1.
    ‘Volstaan (zal)’+ midts.pp-frase betekent ‘genoeg doen door P’: de midts.pp-frase heeft instrumentele betekenis.
 De aansluiting van de midts.pp-frase is conjunct subject-subject.
158 [...] is geresolveert, dat men aen ’t voorsz. collegie sal scryven, dat sy by provisiën den coopman sullen doen namptizeren den dertichsten penninck van de weerde van de voorsz. paerlen, te weeten van ses guldens vier stuvers, ende mits by denselven coopman stellende sufficiënte cautie voor het gewijsde van de Admiraliteyt [mits.pp P], dat sy hem ’t voorsz. schip ende alle ingeladen goederen sullen laten volgen [Q]. (ResolStatGen dl. 11: 338)
[Den Haag, Holland (+Buitengewestelijk); 1600-T06] T=T06 P=Den Haag R=Holland R=Buitengewestelijk TC=B TG=Versl TS=n SM=TempMom CV=W3 VO=P-Q
           
    ‘[...] is besloten dat men [Staten-Generaal] aan genoemd college [Admiraliteitscollege] zal schrijven dat zij de koopman als voorlopige voorziening de dertigste penning van de waarde van genoemde parels moeten laten storten, dus vier stuivers op zes gulden, en dat zij, zodra deze koopman voldoende zekerheid stelt voor datgene wat de Admiraliteit uiteindelijk zal beschikken, het genoemde schip en alle geladen goederen voor hem moeten vrijgeven.’
    Deze passage komt uit de resoluties van de Staten-Generaal van 31 mei 1600 (tekstcat. B). Zij geven op verzoek van het Admiraliteitscollege advies over kwesties die te maken hebben met de zeevaart van en naar verschillende landen. Het betreft in dit geval de volgende kwestie: in een schip met bestemming Moskou zijn, behalve enkele andere goederen, acht kasjes (doosjes, foedraaltjes) met parels ontdekt, waarvoor geen doorgangspas aanwezig bleek en volgens de konvooilijst ook geen belasting op uitgaande goederen was betaald. Het schip wordt vastgehouden, maar de koopman beweert dat e.e.a. niet voor de handel bestemd is en dat hij niets hoeft te betalen. Woorden: namptizeren: storten tot zekerheid, als voorlopige betaling; volgen: WNT volgen III, 13 en MNW II, B, 2 enen iet laten volgen betek. ‘aan iemand iets overdragen’; Admiraliteit: (naar WNT) verkorting van ‘Admiraliteits-college’, d. i. een van de vijf colleges in de Republiek die het bewind voerden over zeezaken; het College voerde, in overleg met de Staten-Generaal, maatregelen uit inzake het zeewezen; deze betroffen o.a. de monstering en betaling van de zeelui en de heffing en het beheer van de convooien en licenten.
    De Staten-Generaal formuleren dat de vrijgave van schip en lading haar beslag moet krijgen (Q) op het moment dat de koopman voldoende zekerheid heeft gesteld om daarmee de later eventueel vastgestelde belasting te kunnen voldoen (P). P heeft een temporeel-momentane rol. Maar P kan ook met conditionele bijbetekenis gelezen worden, want de voorstelling van zaken die de Staten-Generaal geven is dat de zekerstelling door de koopman in verband met een mogelijk nog volgende belastingaanslag voorwaarde is (P) voor het vrijgeven van schip en vracht (Q).
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als subject wordt ‘hij’ (de koopman) begrepen, de persoon die in de direct hogere frase onder de aanduiding hem de rol van meewerkend voorwerp heeft. Het subject wordt extra verduidelijkt door een Agentieve by-bepaling (by denselven coopman) die aangeeft wíe de zekerheid moet geven.
159 Alzoo de bovengeroerde resolutie nopende ’t stuck van de ronde mate, in zulcker vougen, (mette exemptie van ’t witte zout), nijet en was bij de Staten van Hollandt aengenomen, maer de ordonnancie zoo dije te vooren was overgesonden, gearresteert, alsoo oock nijet en was overgebracht de acte mede hijerboven in de voors. resolutie geroert, Soo is in de vroetschap voorgeslagen off men de verpachtinge van ’t selve middel zoude in dijer voughen laten voortgaen, dan off men zoude persisteren bij de voors. resolutie. Ende is verstaen ende geresolveert daerbij te persisteren, ende de verpachtinge geenssins toelaten, dan [Q] mits eximerende ’t witte soudt [mits.pp P], de voors. acte mede te vorderen, dan om de acte wille alleen de verpachtinghe nijet tegen te houden. (Regionaal Archief Alkmaar toeg.nr. 10.1.1.001, inv.nr. 41: fol. 41-4verso)
[Alkmaar, Holland; 1600-T06] T=T06 P=Alkmaar R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Omdat de bovenvermelde resolutie [Alkmaarse vroedschap d.d. 4 aug. 1600] inzake [de verhoging van de accijns op] de rondemaat met die bepaling (namelijk dat het witte zout uitgezonderd zou zijn) door de Staten van Holland niet geaccepteerd was en de ordonnantie integendeel was vastgesteld zoals die eerder was toegezonden, en omdat ook de akte waarover mede in de hierboven genoemde resolutie was gerept niet was overhandigd, is in de vroedschap de vraag op tafel gelegd, of men de verpachting van het genoemde middel in overeenstemming daarmee [met de ordonnantie] zou laten plaatsvinden of dat men zou vasthouden aan de genoemde [eigen] resolutie. En men is overeengekomen en heeft besloten om daaraan vast te houden en de verpachting alleen te accepteren op voorwaarde dat die het witte zout uitzondert, om ook de genoemde akte op te eisen, voorts om niet uitsluitend vanwege de akte de verpachting te blokkeren.’
    Dit is een citaat uit de resoluties van de Alkmaarse vroedschap d.d. 25 sept. 1600. Tekstcat. is B. De Staten van Holland en West-Friesland hadden een verhoging van de accijnzen op bepaalde levensmiddelen voorgesteld om hun algemene middelen te verruimen. De Alkmaarse vroedschap had bezwaren tegen de accijnsverhoging op de ‘rondemaat’ (van toepassing op allerlei droge waren, daarbij ook zout) omdat die zou leiden tot omzetverlies van de voor Alkmaar belangrijke zoutindustrie, en had een verzoekschrift aan de Staten gezonden om wit zout uit te zonderen van de belastingverhoging, echter vergeefs. Nu beraadde de Alkmaarse vroedschap zich over het doorberekenen van de accijnsverhoging in de pachtsommen voor de verpachting van de stedelijke belastinginning. Immers accijnsverhogingen zouden leiden tot hogere inkomsten voor de belastingpachters, op grond waarvan de stedelijke overheden hogere pachtsommen van hen zouden vragen, die minstens ten dele aan de Staten afgedragen moesten worden; dat was precies de weg waarlangs de Staten van Holland hun inkomsten wilden verhogen. Woorden: ronde mate: WNT rondemaat: betek. 1 (‘Benaming eener inhoudsmaat voor droge waren, als granen, zaad, vruchten enz., ook [...] hop, zout, tras, kalk, kolen en run’) in combinatie met betek. 2 (‘[...] hetgeen bij de rondemaat gemeten en geleverd wordt’) en soms betek. 3 (‘De belasting, die van hetgeen bij de rondemaat gemeten en geleverd wordt, wordt geheven’.)_ het betreft dus (belasting op) levensmiddelen of huishoudelijke artikelen met korrelstructuur; voorslaan WNT betek. 5: ‘(Bedr.) Naar voren brengen ter goedkeuring of beslissing, inz. in een vergadering en in politiek verband maar ook daarbuiten in het gewone, dagelijksche verkeer van pers. afzonderlijk; aan anderen of een ander ter goedkeuring of beslissing voorleggen of aanraden; voorstellen. [...]’. Transcriptie van het contemporaine handschrift: Harry de Raad. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Voor de aan de orde zijnde verpachting van de stedelijke belastingen is de Alkmaarse vroedschap alleen maar bereid de door de Staten van Holland en West-Friesland besloten accijnsverhoging op de rondemaat door te berekenen (Q) onder de voorwaarde dat deze [verpachting] een hogere accijns voor het witte zout daarbij uitzondert (P). De rol van P is conditioneel. Er is een wens dan wel opdracht van de Staten van Holland in het geding die de Alkmaarse vroedschap accepteert op de genoemde voorwaarde. Dit impliceert dan uiteraard dat Alkmaar ook niet van plan is de accijnsverhoging voor het witte zout als zodanig door te voeren, anders zou men de belastingpachters begunstigen in plaats van de eigen zoutindustrie, zoals de bedoeling is.
 Begrepen subject van de mits.pp-frase is de verpachting, die ook lijd.voorw. is van de direct hogere frase; de aansluiting is dus conjunct subject-lijd.voorw.
160 Belangende den gheenen die hen in eenige vande voorschreven conventiculen oft ongeoorloffde vergaderingen vinden sullen, hebben wy gheordonneert, ende ordonneren midtsdesen by maniere van provisie dat de selve daer van arbitralijck ghepunieert ende gecorrigeert sullen worden [Q], midts byden Rechters ende Wethouders aenschou nemende opde qualiteyt van dien oft sy door curiosheydt oft nieusschiericheydt in de voorschreven prekinghe ende vergaderinghe hen ghevonden hebben, oft totte selve ghecomen zijn ghestoct ende gestaeft om de voorschreven predickers te sustineren ende beschermen [midts.pp P] (Bor 1601 bk. 2: fol. 45recto kol.1)
[Haarlem [Brussel +Antwerpen], Holland [Brabant]; 1601 [?1566]-T06] T=T06 P=Haarlem P=Brussel P=Antwerpen] R=Holland R=Brabant TC=C TG=Verord TS=g SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Betreffende degenen die zich in zulke genoemde onofficiële of verboden bijeenkomsten zullen bevinden, hebben wij geordonneerd en ordonneren wij bij deze als tijdelijke maatregel, dat zij daarvoor bestraft zullen worden volgens rechterlijk oordeel, waarbij de rechters en wetshandhavers de aard daarvan [van de overtreding] in aanmerking dienen te nemen: hebben zij de bewuste preek en bijeenkomst bezocht uit nieuwsgierigheid, of zijn ze daar heen gegaan steunend op en gesterkt door het doel om de genoemde predikanten te ondersteunen en te beschermen?’
    Dit citaat is afkomstig uit P.C. Bors historiewerk Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende borgerlijcke oneenicheyden. Als historiewerk valt het in tekstcat. C. In dit fragment geeft Bor een door Filips II op 3 juli in 1566 in Brussel uitgevaardigd plakkaat weer - of het een volledig letterlijke weergave is, weten we niet - bedoeld voor het stadsbestuur van Antwerpen: het moest de magistraat richtlijnen bieden voor de behandeling van ketters. Het vraagteken achter 1566 betekent dat we bijna zeker weten - maar niet honderd procent - dat de tekst van 1566 is. Als jaar van uitgave houden we de datering van Bor aan. Woorden: provisie: WNT betek. A.3, waaronder: ‘bij provisie, ambtelijke uitdrukking. Een vertaling van fr. par provision, bij wijze van tijdelijke maatregel, als tijdelijke voorziening; voorloopig, tijdelijk; conventiculen: WNT conventikel, betek. 2 ‘(Kerk.) Inz. in toep. op de 16de- en 17de-e. buitenkerkelijke, vaak geheime en bij plakkaat verboden, godsdienstige bijeenkomsten van gelijkgezinden die aan het officieel kerkelijke niet genoeg hadden, of van andersgezinden die vasthielden aan hun eigen godsdienst’); aenschou: MNW aenscou, betek. 3, waaronder de verbinding aenscouw nemen, ‘aanmerking nemen, acht slaan’.
    Degenen die heimelijke godsdienstige bijeenkomsten of preken bezoeken zullen naar bevind door de rechter gestraft worden (Q), waarbij het noodzakelijk is dat de rechters en wetshandhavers bij het bepalen van de strafmaat de achtergrond van de overtreding in aanmerking nemen: kwamen deze mensen uit nieuwsgierigheid, of om de betreffende predikers te ondersteunen (P)? De midts.pp-frase heeft geen conditionele rol, want de rechters zijn op geen enkele manier begunstigden. De rol van P is comitatief: het motief van de overtreders in ogenschouw nemen is volgens het plakkaat een noodzakelijke handeling bij de strafbepaling door de rechters. (Welke implicaties deze formulering gehad heeft, laat zich raden.)
 De midts.pp-frase is semi-conjunct. Als subject worden de rechters en wetshandhavers begrepen, die in de passieve direct hogere frase alleen impliciet als handelende personen optreden; ter verduidelijking worden ze in de midts.pp-frase expliciet genoemd in de Agentieve by-bepaling byden Rechters ende Wethouders.
161 [Akte waarin Jouriaen de la Mote, verver te Amsterdam, verklaart op de 5e maart 1601 van een koopman in Haarlem gekocht te hebben] de nombre van 100 vellen Barbarijssen anil ten pryse van 22 stuyvers ’t pondt ende dat op dry, ses maenden dach [Q], midts oock stellende de borghe tot contentement [midts.pp P].(BronnenAmst dl. 1: 590)
[Amsterdam, Holland; 1601-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] 100 vellen berberse indigo voor de prijs van 22 stuivers per pond en dat hij betaaltermijnen van drie en zes maanden afgesproken heeft, op voorwaarde dat hij ook een borg zou stellen tot genoegen [van de koopman].’
    Dit is een citaat uit een op 26 mei 1601 voor notaris Heylinck verleden akte (tekstcat. A1).
    De lakenverver Jouriaen de la Mote verklaart voor de notaris dat hij een aankoop gedaan heeft met vrij gunstige betaaltermijnen in de verdere toekomst, nl. na drie en na zes maanden (Q), onder de voorwaarde van een voor de koopman bevredigende borgstelling (P). De midts.pp-frase heeft dus conditionele betekenis.
 De aansluiting van de midts.pp-frase met de hogere frase kan niet goed beoordeeld worden, omdat het begin van de zin niet in de uitgave is opgenomen. Meest waarschijnlijk is een conjuncte aansluiting subject-subject. Als onderwerp van de midts.pp-frase wordt Jouriaen de la Mote begrepen.
162 Op dit rappoort is ten laetsten beslooten by deze vergaderinghe, dat men voor dit mael ende tot anderstont deze sake daarby zal laten berusten [Q]; mits den voorsegde Jan andienende, dat wy ’tzelve alsoo voor goet ansien, dat hy hem onthoude van de banck der ouderlinghen ende van zyn amt, tot hem andersins zal van ons angedient worden [mits.pp P]. (ActaArnI 94)
[Arnemuiden, Zeeland; 1601-T06] T=T06 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=m SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Inzake dit rapport [van een commissie] is uiteindelijk door deze vergadering besloten, dat men daarmee deze overtreding voor dit moment en tot nader order zal laten rusten, waarbij bepaald wordt dat men genoemde Jan moet berichten, dat wij het alles overziend verstandig achten dat hij zijn plaats in de ouderlingenbank niet inneemt en de uitoefening van zijn ambt opschort, totdat wij hem anders zullen berichten.’
    Dit citaat staat in de handelingen van de kerkenraad van 23 juni 1601 van de Nederduits Gereformeerde Gemeente in Arnemuiden. Tekstcat. is B. Naar het gedrag van Jan, ouderling in de gemeente, heeft een commissie onderzoek gedaan; dit rappoort geeft de bevindingen daarvan.
    De kerkenraad ziet in het onderzoeksrapport over Jans gedrag vooralsnog geen aanleiding tot verdere actie (Jan wordt bijv. niet uitgeschreven uit de gemeente noch uit het ambt van ouderling gezet) en neemt een besluit in die geest (Q). Daarbij moet Jan de mededeling krijgen dat de raad voorlopig niet wil dat hij zijn ambt actief en zichtbaar uitoefent (P); de comitatieve mits.pp-frase geeft aan dat de raad dit een noodzakelijke begeleiding van het voor het overige coulante besluit acht.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
163 Monsieur Aersens, Uwe leste zijn geweest uuyt Calis van den 14en deser. Tevooren was resolutie genomen bij Sijne Ma.t te zeynden, maer op u advis ende de advisen van den heere van Busenval is best gevonden die medegaende depesschen te doen. Wilt mit alle discretie die goede méninge ende intentie van mijn heeren in de brieven ende instructie vervatet, naerkommen, ende wel doen verstaen niet alleen den noot, maer oock het gevaer daerinne dese landen zijn, ende dat aen Sijne Ma.t staet daerinne te remediëren [Q], mits ons alleenlijck helpende mit een thiende paert van alle onse lasten voor den toecomenden tijt ende het supplement van de defecten van den voorleden jaeren, voor de groote lasten daerinne de landen nu zijn [mits.pp P]. (BeschOldenb dl. 3: 623v)
[Den Haag, Buitengewestelijk; 1601-T06] T=T06 P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Mijnheer Aerssens, uw laatste berichten hebt u gestuurd vanuit Calais, de 14e van deze maand. Tevoren was het plan geweest bijgaande brief aan Zijne Majesteit [Hendrik IV] te zenden, maar op uw advies en na de raadgevingen van de heer Van Buzenval [ambassadeur van de Franse koning in Den Haag] werd het verstandig gevonden deze bijgaand mee te sturen. Wilt u in alle discreetheid blijk geven van de waardering en goede wil van mijne heren zoals vervat in de geloofsbrieven en in de instructie, en niet alleen de nood, maar ook het gevaar waarin deze gewesten verkeren ter dege onder de aandacht brengen alsmede het feit dat Zijne Majesteit in de positie verkeert in deze kwestie verlichting te geven door ons te steunen met niet meer dan een tiende deel van al onze lasten voor de komende tijd en de aanvulling van tekorten uit voorgaande jaren, gegeven de grote problemen waarmee de gewesten nu te maken hebben.’
    Deze brief van Van Oldenbarnevelt - landsadvocaat en raadspensionaris - is van 27 september 1601. De brief is gericht aan François van Aerssen, gezant van de republiek bij de Franse koning. Tekstcat. is B.
    De Franse koning zou de nood van de republiek kunnen verlichten [Q] door [niet meer dan] een tiende van de huidige lasten van de Staten-Generaal voor zijn rekening te nemen [P]. De mits.pp-frase is hier instrumenteel.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw.
164 [...] Datmen de Rekeninge vande Equippage ende uuytrustinge vande schepen mette dependentien van dien sal doen drye maenden naer het vertreck vande Schepen ende een maendt daernae copie aende respective Cameren seynden ende vande retouren sullen die Cameren soo dickwils als sy des versocht wordden Staet aen malcanderen overschicken ende die Rekeningen daervan salmen soo haest sluyten als doenlyck sal wesen ende de generale Rekeninge nae de thien Jaren sal geschieden int openbaer [Q1] Mits datter alvooren billetten sullen wordden aengeslagen om elcken een te waerschouwen die over d’auditie derselver sal begeren te commen [mits dat + Vf P1] [...] Ende die naer dese tot Bewinthebbers sullen wordden gecoren sullen van hun eygen in dese Compaignie moeten risiqueren elck ten minsten duysent ponden Vlaems dan die Bewinthebbers tot Hoorn ende Enchuysen sullen moegen volstaen [Q2] mits Inleggende ten minsten vyff hondert gelycke ponden [mits.pp P2] Sullen voorts genieten voor provisie vande uuytreyse een ten hondert ende oock soo veel vande Retouren welcke provisie sal verdeylt wordden die Camere van Amstelredam de helft de Camere van Zeelant een vierdepart ende de Camere vanden Maze ende Noorthollandt elck een achtste part sonder regardt te nemen oft d’een ofte d’andere meer penningen ofte min Inbrenght ofte Specerien als syn contingent vercoopt Met verstande dat de Bewinthebbers niet en sullen mogen tot last vande Compaignie brengen eenige provisie van penningen voor de Compaignie te lichten ofte die waren te beneficieen nochte yemant anders Committeren tot laste vande Compaignie omme die uuytreedinge te voorderen ende die waren daertoe noodich te coopen (Nationaal Archief toeg.nr. 1.04.02, inv.nr. 1, fol. 7-8)
[Den Haag, Holland; 1602-T06] T=T06 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[De Staten-Generaal gelasten] dat men de rekening van de kosten voor de manschappen en de uitrusting van de schepen met alle toebehoren drie maanden na het vertrek van de schepen zal opmaken, en een maand later een kopie aan de respectieve kamers zal sturen; inzake de opbrengsten van de lading op de terugreis zullen de kamers zo vaak als zij het verzoek daartoe krijgen elkaar een overzicht sturen, en de boeken daarvan zal men sluiten zo spoedig als mogelijk is, terwijl de slotrekening na tien jaar openbaar zal plaatsvinden, waarvoor tevoren plakkaten dienen te worden aangeslagen om iedereen op de hoogte te stellen die aanwezig zal wensen te zijn bij de afhoring daarvan. [...] En degenen die hierna [na de afkondiging van dit octrooi] tot bewindhebbers zullen worden gekozen, zullen aan eigen geld ieder minimaal duizend ponden Vlaams moeten investeren in deze compagnie, maar de bewindhebbers van Hoorn en Enkhuizen zullen mogen volstaan met een inleg van minimaal vijfhonderd van deze ponden. Zij zullen voorts een provisie van een procent beuren van de opbrengst van de heenreizen en een zelfde percentage van de opbrengst van de terugreizen; deze provisie zal als volgt verdeeld worden: de kamer van Amsterdam de helft, de kamer van Zeeland een vierde en de kamers van het Maasgebied en Noord-Holland ieder een achtste, ongeacht of één van deze meer of juist minder geld inbrengt, of een groter of juist kleiner contingent specerijen verkoopt. Bij dit alles geldt dat de bewindhebbers op rekening van de compagnie geen bedrag aan penningen als provisie mogen opnemen noch de goederen te gelde mogen maken noch iemand anders mogen opdragen om op kosten van de compagnie de handelsreis mogelijk te maken en de daarvoor noodzakelijke goederen in te kopen’
    Dit is een fragment van het octrooi, door de Staten-Generaal op 20 maart 1602 verleend aan de VOC. Het legt vast dat de VOC als enige bedrijf namens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in Azië handel mag drijven. Als deel van een ordonnantie waarin de Staten-Generaal rechten en plichten voorschrijft, valt het citaat in tekstcat. A2. De activiteiten van de VOC waren verdeeld over zes zgn. kamers (zelfstandige afdelingen) in Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen (de laatste vier heten in het fragment de Camere vanden Maze ende Noorthollandt). Als verdeelsleutel gold dat Amsterdam de helft van de kosten financierde en naar rato van de opbrengsten profiteerde, Zeeland voor een kwart evenals de overige kamers tezamen. De verschillen tussen de officiële verdeling en de feitelijke kosten en baten werden ieder jaar vereffend. Conform deze sleutel had Amsterdam acht bewindhebbers in het college, Middelburg vier en Enkhuizen, Hoorn, Delft en Rotterdam ieder één; de zeventiende plaats viel bij toerbeurt toe aan Middelburg en de vier kleine kamers. Het kapitaal van de VOC werd bij elkaar gebracht door inleg van particulieren en de bewindhebbers - waarbij de bewindhebbers van Enkhuizen en Hoorn minder kapitaal hoefden in te leggen. Informatie o.a. hierover in Schalk & Gelderblom (2012: 13). Woorden: WNT equipage betek. 3 (manschappen), en WNT uitrusting II betek. 1; retour: (opbrengst van) lading terugreis; camere: WNT kamer betek. II.2.b, derde streepje (‘kamer is de naam voor de afdeelingen der vroegere handelsmaatschappijen in de Nederlanden.’; waerschouwen: WNT waarschuwen betek. 4 (‘(iem.) met nadruk in kennis stellen, op de hoogte brengen van (iets); (iem.) verwittigen, doen weten van (iets). In de 16de en 17de e. vaak met een voorz.bep. ingeleid door van of met een vnw. bijw.’); uuytreedinge: WNT uitreeding betek. 1.e (‘in absol. zin zooveel als: scheepsreis (met handelsoogmerken), het toerusten van een schip als handelsonderneming’); beneficieen: WNT beneficeeren betek. 2 (‘M. betr. t. zaken: te gelde maken; winst, voordeel halen (uit)_ 2.a. M. betr. t. handelsgoederen, grondstoffen e.d.’); rekening doen WNT is niet meer dan ‘de rekening opmaken’ (optellen, aftrekken), geen complete verantwoording. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De Staten-Generaal verordenen dat na tien jaar de slotrekening moet worden opgemaakt en dat de afhoring daarvan openbaar is (Q1); als correcte voorbereiding, zo voegt men toe, hoort daarbij dat tijdig aanplakbilljetten opgehangen dienen te worden die iedere geïnteresseerde verwittigen inzake tijd en plaats. (P1). P1 heeft een comitatieve rol. Het minimumbedrag van duizend ponden Vlaams dat de andere bewindhebbers persoonlijk moeten inleggen, geldt voor de bewindhebbers van de kamers van Hoorn en Enkhuizen niet: zij investeren naar de visie van de Staten-Generaal genoeg (Q2) door de inleg van minimaal vijfhonderd ponden Vlaams (P2). De rol van P2 is instrumenteel. Behalve het verschil comitatief-instrumenteel vallen tussen de configuratie Q1 - P1 (de mits dat + Vf-constructie) en de configuratie Q2 - P2 (de mits.pp-constructie) in dit citaat twee kleinere verschillen op: P1 is langer dan P2, en P1 heeft een ander subject dan Q1, terwijl P2 en Q2 hetzelfde subject hebben.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, omdat als subject de bewindhebbers van de kamers van Hoorn en Enkhuizen worden begrepen, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
165 Compareerde [etc.] Abraham Reyns, hoe[de]ncraemer bynnen dese stede, ende verclaerde, dat Arent Geeraertsz., sydelaeckencoper binnen der stede van Geertruydenberch, by hem, comparant, besteedt hebbende zijn soon, Geerart Arentsz., voor eenen tijt van twe jaeren, ingegaen op Mey lestleden, om van hem, comparant, te leeren de stijl zijns voors. ambachte aengaende [Q], mitds [midts] daervoor betalende 10 p. Vl. elck jaer [midts.pp P], heeft die voors. Arent Geeraertsz. van 14 July mede lestleden, de voorn. syne sone hem, comparant, ontrocken ende by hem gehouden, zonder zijn tijt te voldoen (BronnenAmst dl. 1: 611)
[Amsterdam, Holland; 1603-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Verscheen voor mij Abraham Reyns, hoedenkoopman in deze stad; hij verklaarde dat Arent Geeraertsz., zijdelakenkoper in de stad Geertruidenberg, zijn zoon Geerart Arentsz. met ingang van mei jongstleden voor een periode van twee jaar bij hem, comparant, in de leer had gedaan om van hem comparant de finesses van zijn genoemd ambacht te leren, tegen betaling van jaarlijks 10 pond Vlaams; maar dat die reeds genoemde Arent Geraertsz. zijn voornoemde zoon sinds 14 juli, eveneens jongstleden, aan hem comparant heeft onttrokken en bij zich thuis gehouden, zonder dat die zoon zijn tijd heeft volgemaakt’
    Dit is een fragment van een notariële akte (tekstcat. A1) d.d. 3 januari 1603 over de situatie van een hoedenmaker te Amsterdam, aan wie een zijdelakenkooper te Geertruidenberg een bedrag schuldig is voor het leergeld van zijn zoon, die zijn tijd bij hem niet heeft volgemaakt.
    De akte vermeldt dat de heer Reyns aan de wens van de vader, die als oogmerk had dat zijn zoon de kneepjes van het hoedenmakersambacht zou leren, tegemoetgekomen was door diens zoon voor twee jaar in de leer te nemen (Q) op voorwaarde van jaarlijkse betaling van een afgesproken bedrag (P).
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject.
166 Welcken voornoemde Jan van Aldenburch die voors. Jacques de Lhomel voor hem ende voor de voors. Daniel, zynen broeder, daervoor vast staende, ende alsoo in zynen dienst aengenomen heeft ende neemdt aen by desen voor den tijt van drye jaeren, belovende den voornoemden Jan van Aldenburch voor de voors. zijn dienst te betalen boven zyne mondtcosten ende huysvestinghe, te weetene, het eerste jaer 250 gulden, ’t tweede jaer 300 g. ende het darde jaer 330 g., al van 20 stuyvers elcke gulden, met dese expresse conditie, dat, byaldien de voors. Jan van Aldenburch als meesterknecht niet en mach bestaen in ’t voors. laeckenblauvarwen, daervooren dat hy hem uutgeeft, so sullen die voors. Lhomels vermogen affstandt te doen ende hem te quicteren ende verlaten [Q], midts hem betalende drye maenden naer advenant van ’t eerste jaer [midts.pp P]. (BronnenAmst dl. 1: 613)
[Amsterdam (+Danzig), Holland; 1603-T06] T=T06 P=Amsterdam P=Danzig R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Handelend voor zichzelf en voor de genoemde Daniel, zijn broer, heeft genoemde Jacques de Lhomel, als aansprakelijke, Jan van Aldenburch op deze wijze [met onmiddellijke ingang en als meesterknecht] in dienst genomen en neemt hem bij dezen aan voor de periode van drie jaar, met de belofte de voornoemde Jan van Aldenburch voor zijn genoemd werk naast kost en inwoning als volgt te betalen: het eerste jaar 250 gulden, het tweede jaar 300 gulden en het derde jaar 330 gulden, elke gulden ter waarde van 20 stuivers, met de uitdrukkelijke conditie dat, ingeval de genoemde Jan van Aldenburch in het genoemde lakenblauwverven niet zal voldoen als de meesterknecht die hij zegt te zijn, de genoemde gebroeders Lhomel het dienstverband mogen beëindigen en hem mogen ontslaan, waarbij zij hem drie maanden dienen uit te betalen naar het tarief van het eerste jaar.’
    Een op 3 mei 1603 door notaris Heylinck opgemaakt contract (tekstcat. A1) bepaalt dat de gebroeders Jacques en Daniel de Lhomel, lakenververs te Danzig, de in Amsterdam wonende blauwverver Jan van Aldenburch in dienst nemen.
    In het geval dat Van Aldenburch in de ogen van de gebroeders Lhomel het door hem gepretendeerde hoge niveau van meesterknecht in de praktijk niet laat zien, zegt het contract dat zij zijn aanstelling kunnen beëindigen (Q); ze hebben dan wel de plicht hem voor een kwartaal uit te betalen volgens het tarief van het eerste jaar (P). De relatie is een comitatieve: een betaling, in dat geval, van drie maanden loon maakt volgens de contractanten noodzakelijk deel uit van de aangegane verplichtingen. Een conditionele interpretatie zou alleen aangewezen zijn geweest wanneer de omliggende contracttekst een aanwijzing had bevat dat de gebr. Lhomel het belang van zichzelf of hun bedrijf voor ogen hadden gehad.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
167ab Ic hebbe oic wel gemerct wat reden tegen ende mede soowel van de comissarisen van de Ertshertogen wege als van mijn heeren de Staeten geallegeert sijn geweest op deselve saecke van d’Indien, want de vors. heeren Spensers ende Wynwood die ooc verhaelen, wanneer sij aen beyde sijden debvoir hebben gedaen omme dit stuck te sien ten besten te modereren dat doenlijck was. Eyndelinge oic bevonden (na haerlieder jugement) dat mijn heeren tevreeden sullen weesen in ’t eynde daervan te desisteren [Q1], mits hebbende eenen betamelijcken tijt omme hem uuyt die Indien te desengageren [mits.pp P1]; want het scijnt dat sij alreede tevreede sijn geweest die negotiatie te verlaeten achter den tijt van 14 jaeren, die mijn heeren de Staeten hemlieden geëngageert hebben aen de coopluyden vrij te consenteren. Maer alsoo dese voornoemde heeren Spensers ende Wynwood debvoir gedaen hebben aen de comissarisen van de Ertshertogen omme hemlieden selve te doen goetvinden, wert bij Richardot geseyt dat 14 jaer en estoit ung siècle ende in effecte oic bij deselve verworpen. Somma, men hout hier nu verseeckert dat mijn heeren tselve bn punct van de Indien genouch hebben laeten vallen [Q2], mits hebbende een jaer twee oft drie om haer goederen ende schepen van daer te trecken [mits.pp P2]. (BeschOldenb dl. 3: 654v)
[Londen (+Den Haag), Buitengewestelijk; 1608-T06] T=T06 P=Londen P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Ik [Caron, gezant van de Staten-Generaal in Londen] heb ook nota genomen van de argumenten voor en tegen die van de kant van de afgevaardigden van de aartshertogen [Albrecht van Oostenrijk en echtgenote Isabella] en door mijne heren Statenleden aangevoerd zijn inzake de Indische kwestie, want de genoemde heren Spensers en Wynwood [de Engelse gezanten Spenser en Winwood] berichten daar ook over wanneer zij zich bij beide partijen inspanningen getroost hebben met het doel in deze kwestie zo goed mogelijk tot een akkoord te komen. Afgaand op hun oordeel, heb ik ten slotte ook geconcludeerd dat mijne heren [Statenleden] zich erbij zullen neerleggen om de Indische handel op te geven, als ze maar een redelijke periode hebben om hun zaken in Indië af te wikkelen. Het schijnt immers dat zij er al in berust hadden de handel op Indië te beëindigen na de periode van 14 jaar waarin mijne heren Statenleden zich verbonden hadden de handel vrijelijk aan de kooplieden toe te staan. En toen de voornoemde heren Spenser en Winwood de goedkeuring van de afgevaardigden van de aartshertogen hiervoor trachtten te verkrijgen, werd door Richardot [onderhandelaar namens de aartshertogen] gezegd dat 14 jaar zoveel zou zijn als ‘un siècle’, waarmee de oplossing feitelijk door hem verworpen werd. Kortom, men is er hier van overtuigd dat mijne heren Statenleden hun eis inzake Indië volledig hebben laten vallen, waarbij ze een jaar of twee, drie moeten hebben om hun goederen en schepen terug te halen.’
    Dit citaat komt uit een brief d.d. 10 maart 1608 van Noël Caron aan Van Oldenbarnevelt (tekstcat. B). Caron geeft weer hoe de kansen liggen voor een vredesverdrag of wapenstilstand tussen enerzijds de Staten-Generaal van de rebellerende noordelijke Nederlanden en anderzijds Spanje, dat zich vertegenwoordigd weet door de Habsburgse aartshertogen Albrecht en Isabella, aan wie Filips II de soevereiniteit over alle Nederlanden had afgestaan (maar die feitelijk alleen in de zuidelijke provincies heersten). Een uiterst belangrijke kwestie was de vaart en handel op Indië, die de Spaanse koning geheel voor zichzelf wenste te reserveren; de Staten-Generaal, die juist in 1602 de VOC hadden laten oprichten, konden daar onmogelijk aan toegeven en stelden vrije handel voor alle naties voor. De Engelse gezanten Richard Spenser en Ralph Winwood waren aanwezig bij de bestandsonderhandelingen omdat ook Engeland de dominantie van Spanje in het verre oosten een halt wilde toeroepen. Woorden, namen: Caron (Noël Caron) werkte in de jaren na 1600 als gezant van de republiek in Londen; laten vallen WNT, betek. I.6 (‘weglaten’; van plannen: ‘ervan afzien’); achter: (vgl. Engels ‘after’.) WNT betek. I.b.4 (‘na’); genouch, WNT, betek II, II (‘eig. ‘ten volle’, ‘meer dan voldoende’, ‘voldoende’ ’).
    De relatie Q1 - P1 (cit.nr. 167a) is voorwaardelijk, want Caron schrijft op basis van de inschatting van de Engelse gezanten te verwachten dat de Staten-Generaal zullen toegeven aan de wens van de Spaanse koning en de Indische handel zullen opgeven (Q1), mits ze een redelijke termijn zullen hebben voor de afronding van hun zaken in Indië, dat wil zeggen dat de Spaanse koning met zo’n afwikkelingstermijn zal moeten instemmen (P1). De relatie Q2 - P2 (cit.nr. 167b) is comitatief, want de Engelse gezanten zijn ervan overtuigd, zo schrijft Caron, dat de Statenleden in hun eigen denken de handel op Indië al opgegeven hebben (Q), waarbij zij een paar jaar moeten krijgen voor de afwikkeling (P). De twee mits.pp-gevallen in dit fragment noemen ongeveer dezelfde samenhang, met als elementen ‘Statenleden leggen zich neer bij wens Spaanse koning’ en ‘redelijke afbouwperiode voor de VOC’. Caron verwacht in het eerste mits.pp-geval de verwerkelijking van deze samenhang voor de toekomst en ziet een Spaanse instemming met een afwikkelingsperiode als voorwaarde voor een meegaan door de Statenleden met de wens van de Spaanse koning. In het tweede onderbouwt Caron deze verwachting met de iets verder gaande opinie van twee Engelse en wellicht nog andere observatoren, inhoudend dat de Statenleden de Indische handel feitelijk al opgegeven hebben en daarbij wel een redelijke afbouwperiode noodzakelijk achten.
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
168 Welcke hooftsomme hij comparant tsijner beliefte sal mogen afflossen met 300 guldens hooftgelt, wel meer maer niet min [Q], teffens mits den rentheffer zes maenden te voren waerschouwende ende alsdan neffens de hooftpenningen opleggende alle d’onbetaelde verlopen renten ’t verloop des tijts verschenen met goeden gevalueerden gelde na d’evaluatie ten tijde van de lossinge, lest gepubliceert [teffens mits.pp P]. (Gemeentearchief Schiedam toeg.nr. 454, Archief van de Gerechten van Schiedam 1386-1811, inv.nr. 333: fol. 235)
[Schiedam, Holland; 1608-T06] T=T06 P=Schiedam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Deze hoofdsom zal hij, comparant, als hij dat wil mogen aflossen met 300 gulden hoofdsom, wel meer maar niet minder, op de verdere voorwaarde dat hij zes maanden tevoren de ontvanger van renten daarvan in kennis stelt en dan behalve de aflossing ook alle nog niet betaalde vervallen renten, die betaalbaar zijn geworden, betaalt met geld waarvan de waarde deugdelijk is bepaald volgens de op het moment van aflossing recentst gepubliceerde koers.’
    Dit is een citaat uit een akte (tekstcat. A1) van 22 september 1608 opgesteld door twee schepenen te Schiedam. Zij geven kennis van een verklaring die de arts Gerrit Luijten voor hen heeft afgelegd over een schuld die hij heeft bij lakenkoper Jan Dircxz. van Colen. De schuld betreft een jaarlijkse losrente van 56 gulden en 5 stuivers, losbaar tegen 6 procent, terwijl de hoofdsom 900 gulden bedraagt. Woord: verschijnen: WNT betek. 4 (‘Van (periodiek) te betalen bedragen, zooals huur, rente, loon e.d.: (op of voor een contractueel vastgelegd tijdstip) betaald moeten worden of zijn; betaalbaar zijn, vervallen.’); teffens vóór mits betekent hier dat er al een voorwaarde of een andere bepaling is genoemd, waarna er nog één volgt. Het document geldt als niet raadpleegbaar en is niet digitaal toegankelijk. Voor een transcriptie zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Schepenen die deze akte opstellen hebben het mogelijk toekomstig belang van de voor hen verschenen schuldenaar, de arts Luijten, in het oog. Deze comparant mag, volgens schepenen, op de hoofdsom van 900 gulden een aflossing doen van 300 gulden, géén lager bedrag, (Q) en op nóg een voorwaarde, nl. dat hij een half jaar voordat hij dat doet de ontvanger van de renten informeert en dan alle nog niet betaalde maar wel betaalbare rente afdraagt (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
169 Ick soude met den selven een accoordt maken | ende senden dry Schepen | die 200. man mochten aen landt setten [...] met belofte van hem ’t lant te helpen innemen | ende in handen te geven | sonder dat wy daer aen yet souden hebben te pretenderen [Q] | mits bedingende | datter niemant en soude mogen komen laden als wy | ende dat wy de Foelie ende Noten hem souden afnemen tot een seeckeren prijs | te weten gelijck die nu tegenwoordig is geldende [mits.pp P]. (Koelmans 1972: 43)
[Den Haag, Buitengewestelijk; 1608-T06] T=T06 P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Ik zou met hem [de koning van Makassar] een overeenkomst sluiten en drie schepen sturen die 200 man aan land [op Banda] zouden kunnen zetten, met de belofte hem te helpen het land in bezit te nemen zonder dat wij daar enige aanspraak op zouden maken, met daarbij beslist het beding dat daar niemand anders zou mogen komen laden dan wij en dat wij de foelie en muskaatnoten van hem zouden afnemen voor een vast bedrag, dat wil zeggen het bedrag dat daarvoor heden ten dage geldt.’
    Dit is een fragment uit het geschrift Discours gestelt by den Admirael C. Matelief op den Staet ende handel van Indien door Cornelis Matelief, één van de oprichters van de VOC. Matelief bood de tekst (tekstcat. B) in 1608 aan zijn lastgevers aan. Het geschrift werd postuum in 1648, onder de titel Journael ende historische verhael van de treffelijcke reyse gedaen naer Oost-Indien ende China, met elf schepen door den manhaften Admirael Cornelis Matelief de jonge [etc.], opgenomen in een bij Hartgers in Amsterdam gedrukt journaal van Mateliefs activiteiten tussen 1605 en 1608. Van dit journaal is gebruikgemaakt door Koelmans (1972), de bron van mijn citaat.
    Q bevat een advies aan de bij de VOC werkzame Nederlanders inzake het akkoord dat ze met de koning van Makassar zouden kunnen sluiten: de VOC zou hem, zonder het gebied te claimen, hulp bij de inname van Banda moeten beloven (Q), en daarbij het alleenrecht moeten bedingen op laden aldaar en op de afname van foelie en muskaatnoten die daar geproduceerd worden tegen een gegarandeerde prijs (P). De mits.pp-frase heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
170 Zij begeeren in corte poincten te contraheren ontslaginghe generael, oeck dat fiscus vercocht heeft [Q], mits betalende notelijcke ende proffitelijcke melioratiën [mits.pp P]. Wij: dat jegens de melioratiën de vruchten behoren gestelt te worden. De ambassadeurs: dat de restitutie zoude geschieden, behoudens de acte totte melioratiën (BeschOldenb dl. 2: 277)
[Antwerpen, Buitengewestelijk; 1609-T06] T=T06 P=Antwerpen R=Buitengewestelijk TC=B TG=Versl TS=o SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Zij [onderhandelaars Richardot en Jeanin] wensen met een beknopte regeling een algehele ontbinding [van de confiscaties] vast te leggen, ook van wat de openbare schatkist verkocht heeft, onder de voorwaarde dat [de begunstigden] voor noodzakelijk uitgevoerde en nuttige verbeteringen betalen. Wij [Van Oldenbarnevelt]: dat de kosten van verbeteringen met het [in de tussentijd] genoten gebruik verrekend behoren te worden. De ambassadeurs stellen [nu] dat de restitutie zou moeten plaatsvinden zonder toepassing van de bepalingen inzake verbeteringen’
    Dit citaat d.d. 1 april 1609 komt uit de aantekeningen die Van Oldenbarnevelt heeft bijgehouden van de onderhandelingen gedurende het eerste halfjaar van 1609 in de aanloop naar het Twaalfjarig Bestand (tekstcat. B). Gesprekken leidend tot en de ondertekening van het bestand vonden plaats in Antwerpen. Dit fragment bevat een weergave van het gesprek van Van Oldenbarnevelt met enkele ambassadeurs, Jeanin (voor Frankrijk) en Richardot (voor de Habsburgse aartshertogen), over het juridisch ongedaan maken van de confiscaties van geestelijke goederen van katholieken. Woord: contraheren: WNT contraheeren betek. 2 (‘(iets) bij contract bedingen, overeenkomen, vastleggen’).
    Volgens zijn gesprekspartners moeten, zo notuleert Van Oldenbarnevelt, de in beslag genomen geestelijke goederen volledig teruggegeven worden aan de oorspronkelijke, meestal katholieke eigenaren (Q) op voorwaarde van betaling door hen van waardeverhogende verbeteringen (P).
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten. Het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase zijn de begunstigden van de ontbinding der confiscaties; zij zijn geen onderwerp of voorwerp in de direct hogere frase, maar hun identiteit kan afgeleid worden uit de ontslaginghe generael.
171 [...] zeyden wij de passagie nyet gesloeten te wesen maer geopent [Q], mits betalende ende voldoende de ordre, twelck sonder verscheepinghe ofte ontlaedinghe nyet doenlijck en was [mits.pp P], dat tselve nyet en konde geaccordeert worden; ende begeerden te weeten, off zijluyden volgende het 9e article wilden treden in besonghe op ’t minderen van de laste n ende ofschaffen van de thollen. (BeschOldenb dl. 2: 354)
[Den Haag, Holland; 1609-T06] T=T06 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] zeiden wij dat daarmee [met een gevraagde ontheffing] niet ingestemd kon worden, aangezien de doorvaart niet gesloten was maar open, als men maar betaalde en het protocol volgde, hetgeen niet mogelijk was zonder verscheping of ontlading; wij wilden weten of zij op grond van artikel 9 wilden onderhandelen over vermindering van de financiële lasten en afschaffing van de tollen.’
    Dit citaat is ontleend aan Van Oldenbarnevelts aantekeningen van in Den Haag plaatsvindende besprekingen vanaf september 1609 over de nadere uitwerking van het Twaalfjarig Bestand (Tekstcat. B). Vertegenwoordigers van Twente hebben bij Van Oldenbarnevelt voor de verbonden Habsburgse en Spaanse schippers gepleit voor vrije doorvaart vanaf en naar zee (BeschOldenb dl. 2: 352v), meer speciaal een makkelijker doorvaart door de Schelde: ontheffing van de plicht om voor de tolbetaling het schip geheel te ontladen of de lading te verschepen. Van Oldenbarnevelt gaat daar niet mee akkoord. Eventueel gewenste wijzigingen in de regeling van de tolbetaling zou men volgens hem formeel-juridisch aanhangig moeten maken.
    Van Oldenbarnevelts antwoord aan de Twentse vertegenwoordigers is: de doorvaart is niet gesloten, maar wel degelijk open (Q) mits men tol betaalt en het protocol volgt, wat [nu eenmaal] niet mogelijk is zonder ontlading of verscheping van de vracht (P). P heeft de rol van voorwaarde.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is semi-conjunct: begrepen onderwerp zijn alle schippers, dus ook de door de Twentenaren bedoelde groeperingen; zij zijn geen onderwerp of voorwerp in de direct hogere frase maar worden eerder in de tekst genoemd.
172 [...] ende in ghevalle van continuatie in t’voorseyde beneficie: Wy ordineren dat den voornoemden rechter van stonden aen [...] doe procederen totte vercoopinge ende openbaere subhastatie van de immeubele goeden, om den prys van dyen oock gedistribueert te worden tot betaelinghe van de schulden: ten waere dat den impetrant versochte, dat de voorseyde immeuble goeden souden ghepryseert worden ende dat de appreciatie gedaen, comme te excederen, oft ten minsten sich te verghelijcken met de voorseyde schulden, in welcken ghevalle den voorseyden impetrant, sal de selve moghen behouden [Q], mits betaelende ende promptelijck namptiserende de penningen van de voorschreven estimatie [mits.pp P], om verdeylt te worden als boven. (EewichEdict art. XXXII)
[Brussel, Brabant; 1611-T06] T=T06 P=Brussel R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] en in het geval hij bij beneficiaire aanvaarding [van de nalatenschap] blijft, verordenen wij dat de voornoemde rechter onmiddellijk bevel geeft tot de verkoping en openbare veiling van de onroerende goederen, opdat het geld dat ze opleveren verdeeld wordt om de schulden af te lossen, tenzij de eiser het verzoek zou doen om de genoemde onroerende goederen te laten taxeren en de waarde dan hoger zou blijken te zijn dan of minstens gelijk te zijn aan die van genoemde schulden; in dat geval zal de genoemde eiser deze [onroerende goederen] mogen behouden op voorwaarde dat hij de kosten van de genoemde taxatie direct betaalt, waarna die worden verdeeld als boven.’
    Dit citaat komt uit art. 32 van het ‘Eeuwig Edict’, een wetboek voor de Zuidelijke Nederlanden (tekstcat. A2) dat op 12 juli 1611 in Brussel uitgevaardigd werd door het aartshertogelijk paar Albrecht en Isabella; het was oorspronkelijk geschreven in het Frans maar werd snel na uitvaardiging vertaald in het Nederlands. De tekst bevat bepalingen op uiteenlopende terreinen, zoals die van het gewoonterecht, strafrecht en de rechterlijke organisatie. Art. 32 handelt over de procedure om als familielid van een overledene, wanneer onbekend is wat de inhoud is van een nalatenschap aan bezittingen of schulden, het recht te verkrijgen op beneficiaire aaanvaarding daarvan. Degene die een beroep doet op dit recht, den impetrant in het citaat, moet eerst een volledige inventarisatie maken van de erfenis: roerende en onroerende goederen, schulden in geld en natura. Over wat het betekent als hij daarna blijft bij de beneficiare aanvaarding, handelt het citaat. Woorden: beneficie: WNT betek. 2 (‘(onder) benefice van inventaris of boedelbeschrijving’).
    De wetgever neemt hier een mogelijke wens van de rechtverkrijgende in het oog in het geval dat hij bij beneficiaire aanvaarding blijft (Q); hij kan zijn wens vervuld krijgen als hij de taxatiekosten prompt betaalt (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
173 Sal voor het toecoemende aen Z.K.M. versoecken voor die onderdaenen van H.H.M. gracieuse concessie ende octroy om in ende omtrent alle Z.K.M. rijcken, landen ende steden, ter zee, op versche wateren ende alomme, vrij ende onbeleth, in ’t gaen ende commen, te mogen reysen, varen, blijven, handelen ende trafficqueren, sonder dat heure persoonen gecaptiveert, ofte zij nochte heure goederen eenichtsints verhindert, belet oft beschadicht sullen worden [Q], mits alleen betaelende de gewoonlijcke gerechticheden, zulcx als die bij den subjecten ofte andere Z.K.M. geallieerden ende vrunden - die minst belast syn - betaelt worden [mits.pp P] (BronnenLevant dl. 1: 188)
[Den Haag, Holland; 1611-T06] T=T06 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Voor de toekomst moet hij [Haga, gezant van de Staten-Generaal in Constantinopel] aan Zijne Keizerlijke Majesteit verzoeken om de onderdanen van Hare Hoogmogenden welwillend toestemming en machtiging te geven om binnen en rond alle koninkrijken, landen en steden van Zijne Keizerlijke Majesteit ter zee, op binnenlandse wateren en overal elders vrij en ongehinderd, zowel heen als terug, te mogen reizen, varen, verblijven, en actief te mogen zijn in handel en distributie, zonder dat zij zullen worden gearresteerd of dat zijzelf of hun goederen in enig opzicht tegengehouden, belemmerd of geschaad zullen worden, waarbij zij uitsluitend verplicht zijn de normale rechten te betalen die betaald worden door de onderdanen van Zijne Keizerlijke Majesteit of door andere bondgenoten en vrienden die de laagste rechten betalen’
    Dit is een fragment van de instructie (tekstcat. B) die de Staten-Generaal in Den Haag op 11 augustus 1611 vaststellen voor gezant Cornelis Haga die in Constantinopel de belangen van de Nederlandse handel op de Levant zal behartigen. Speciale aandacht moet de veiligheid van kooplieden uit de Republiek hebben: zij hebben de afgelopen tijd narigheid meegemaakt. Allereerst moet Haga kooplieden die nu gevangen zitten vrij zien te krijgen en de autoriteiten aldaar overtuigen van het belang van vrije handel. Dan moet hij voor de nabije toekomst vrijere handelsmogelijkheden voor de Noord-Nederlanders aan de orde stellen. Woorden: Z.K.M.: de keizer van het Heilige Roomse Rijk (Rudolf II) - verderop in de tekst staat dat Z.K.M. gunsten verleent vanuit zijn keyserlijcke liberaliteyt; gecaptiveert: WNT capteeren (betek. o.a. ‘verwerven’, ‘zich wederrechtelijk toeëigenen’).
    Gezant Haga heeft opdracht van de Staten-Generaal om de keizer te verzoeken Hollandse kooplieden welwillend toe te staan om in zijn territoria onbelemmerd handel te drijven (Q), waarbij zij geen hogere rechten en tollen zullen hoeven te betalen dan die gelden voor de onderdanen van de keizer zelf of van diens bondgenoten (P). Volgens de Staten horen de binnenlandse tarieven voor tol e.d. noodzakelijk bij de (verhoopte) permissie om onbelemmerd handel te drijven en zich te verplaatsen. De mits.pp-frase heeft een comitatieve rol; omdat Q en P in het belang zijn van dezelfde partij, nl. de onderdanen van de Staten-Generaal, is een voorwaarde niet passend.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: begrepen onderwerp zijn de onderdanen van de Staten-Generaal, die ook het niet uitgedrukte onderwerp zijn van het onbelemmerd varen, reizen, verblijven en handel drijven in de direct hogere frase.
174 Onder anderen isser een molenaer met namen Jan Cornelisz., die met sijn macker, Lambert Windels, alhier een molen gestelt heeft, twelck de voorn. rentemeester vernomen hebbende, heeft by [hy] den voors. Jan Cornelisz. - als doenmaels in den Hage wonende - aengesproocken ende soveel by de Reeckencamer te wege gebracht, dat deselve Jan Cornelisz., voor de voors. camere geciteert ende gecompareert sijnde, aldaer brieven heeft verleden uyt saecke van het stellen van de voors. molen, daervoor dat hy - so hy seyt - negen gulden heeft betaelt ende is deselve brieff by den voorn. rentemeester, om die te verboucken, gelicht ende onder hem noch berustende, die den voors. molenaer heeft laeten weeten, dat hy den voors. brieff soude comen halen [Q], mits daervooren noch betaelende andere negen gulden mitsgaders seeker jaerlixe recognitie voor den wint etc. [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 2: 100)
[Amsterdam, Holland; 1614-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Zo is er het geval van een molenaar genaamd Jan Cornelisz., die met met zijn compagnon Lambert Windels alhier een molen heeft geplaatst. Toen de voornoemde rentmeester dat vernomen had, heeft hij de genoemde Jan Cornelisz., die op dat moment in Den Haag woonde, hierop aangesproken en bij de rekenkamer bewerkstelligd dat deze voor Jan Cornelisz., toen hij na oproep voor de genoemde kamer verschenen was, ter plaatse vergunningen heeft uitgeschreven ter zake van het plaatsen van genoemde molen, waarvoor hij, naar hij zegt, negen gulden heeft betaald. Deze vergunning is vervolgens door de genoemde rentmeester voor zijn administratie ingenomen en berust nog bij hem. Hij heeft de genoemde molenaar nu laten weten dat hij de genoemde vergunning moest komen ophalen, waarbij hij daarvoor nog eens negen gulden moest betalen alsmede een bepaalde jaarlijkse heffing op het gebruik van de wind enz.’
    Dit is een fragment uit een missive (tekstcat. B) van de burgemeesters van Amsterdam aan de Amsterdamse gedeputeerden in de Staten van Holland in Den Haag. Voorafgaand aan het geciteerde gedeelte, handelt de brief over de eisen die rentmeester Colterman stelt aan de in Amsterdam werkzame molenaars. Colterman maakt het ze niet makkelijk, aldus de burgemeesters: de molenaars moeten vergunningen aanvragen voor plaatsing van een molen en voor het recht om de wind te gebruiken, en ze moeten daarvoor jaarlijkse heffingen betalen. De schrijvers verzoeken gedeputeerden na te gaan welke regels rentmeesters in andere steden hanteren. Ze hebben de Amsterdamse molenaars gezegd de richtlijnen van de rentmeester te negeren in afwachting van op dit onderzoek gebaseerde richtlijnen. Als voorbeeld van een molenaar in moeilijkheden voeren burgemeesteren het geval van Jan Cornelisz. op. Woorden: Rekenkamer: het bureau waar de uitgaven en inkomsten van een bepaald lichaam wordt onderzocht; ook het college van ambtenaren dat met de zorg daarvoor is belast; brief: akte of vergunning (altijd van een overheidsorgaan); verlijden: in rechte verklaren, erkennen, of: geldig maken, bekrachtigen
     De mits.pp-frase ‘de molenaar moet nogmaals negen gulden betalen en een jaarlijkse heffing’ kan niet voorwaardelijk zijn, want de frase is ondergeschikt aan een bijzin waarin de rentmeester volgens de burgemeesters niet een gunst, maar nog een plicht aan de molenaar opdraagt, nl. ‘de molenaar moet de vergunning komen ophalen’ (Q). De rol van P is comitatief: bij de ophaalplicht, aldus de burgemeesters, hoort volgens de opdracht van de rentmeester de betaalplicht. Enkele woorden in de mits.pp-frase (noch, andere en etc) duiden aan dat burgemeesteren Jans verhaal hebben gehoord en elementen daarvan overnemen die de onredelijkheid van de rentmeester demonstreren: ‘nog een keer (negen gulden)’, dat komt waarschijnlijk niet uit de pen of mond van de rentmeester, maar uit die van Jan.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
175 Hans le Meyre [Maire], goudeleermaecker, is geaccordeert 2000 gulden, omme voor den tijt van ses jaren sonder interest te gebruycken [Q], mits stellende suffisante cautie, dat hy de voors. 2000 g. na d’expiratie der voors. ses jaren ofte oock eerder, so hy dien handel quame te verlaten, sal restitueren [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 2: 111)
[Amsterdam, Holland; 1616-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Aan Hans le Maire, goudleermaker, is 2000 gulden toegekend om zonder renteverplichting voor een periode van zes jaar te gebruiken, op voorwaarde dat hij voldoende borg stelt voor de teruggave van de genoemde 2000 gulden na verstrijken van de genoemde zes jaren, of ook eerder, als hij uit dit ambacht zou stappen.’
    Dit fragment omvat een resolutie van de Oud-Raad (de raad van oud-burgemeesters) van Amsterdam van december 1616. Tekstcat. is B. Woorden: goudeleermaecker: vervaardiger van vergulde leren bekleding van huizen of carrosserie; Hans le Meyre: zo staat het in het handschrift, melden editeuren in een noot, terwijl de naam in andere teksten in dezelfde uitgave geschreven wordt als Hans le Maire.
    Toekenning onder een voorwaarde.
 De mits.pp-frase is conjunct subject- meew.voorw.
176 [...] is nae deliberatie [...] goet gevonden ende geresolveert, dat men [...] den versoeckers van de haringbuyssen tot vorderinge ende plantinge van deselve neringe alhier ter stede sal accommoderen met de dertich erven, by haer versocht, ende deselve haer in eygendom laeten volghen [Q], mits daervoor betaelende - ingevalle de heeren tresorieren van haer niet meer cunnen bedingen - eens de somme van 2000 gulden [mits.pp P] onder expresse conditiën ende voorwaerden, dat de voorn. versoeckers ten aensien van ’t voors. benefitie gehouden sullen wesen te presteren, dat binnen een jaer eerstcomende de quantiteyt van 40 buyssen - vijff ofte ses min onbegrepen voor ’t eerste jaer - alhier ter stede sullen aff- ende aenvaren ende alle haer toebehooren, uutredinge mitsgaders tgheene aen de buysseneringe dependeert - soveel mogelijck is - binnen dese stadt besorgen, dat sy oock den haring, by haer gevangen, alhier sullen moeten opveylen ende alle tselffde continueren den tijt van twaelff eerstcomende jaeren. (BronnenAmst dl. 2: 222)
[Amsterdam, Holland; 1617-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] is na ampele overweging verstandig bevonden en besloten dat men de verzoekers, eigenaars van haringbuizen, ter stimulering en worteling van de betreffende beroepsuitoefening hier in de stad zal gerieven met de dertig gevraagde kavels en deze in hun eigendom zal laten overgaan, mits ze daarvoor - als de heren schatkistbewaarders geen hoger bedrag bij hen kunnen bedingen - een bedrag van 2000 gulden ineens betalen, met de uitdrukkelijke bepalingen dat de genoemde verzoekers in verband met het genoemde recht verplicht zullen zijn ervoor te zorgen dat binnen een jaar een aantal van 40 buizen - waarbij op vijf of zes minder het eerste jaar niet gekeken wordt - hier in de stad zullen af- en aanvaren en alle bijbehorende activiteiten, de uitrusting van de buizen alsmede wat met het drijven van een haringrederij samenhangt, zoveel mogelijk binnen de grenzen van de stad te krijgen, terwijl zij tevens de haring die zij vangen hier zullen moeten veilen; dit alles zullen zij in de periode van twaalf eerstkomende jaren moeten blijven naleven.’
    Dit citaat komt uit de resoluties van de vroedschap van Amsterdam van 13 januari 1617. Tekstcat. is B.
    De vroedschap besluit om aan reders van haringbuizen die hun bedrijf naar Amsterdam willen overbrengen, een aantal kavels ter beschikking te stellen (Q); dit alles onder de voorwaarde van betaling van (minimaal - misschien kunnen de schatkistbewaarders een hoger bedrag afspreken) 2000 gulden ineens (P). Op de betalingsvoorwaarde volgt een formulering ingeleid door onder expresse conditiën ende voorwaerden, dat..., waarin de verplichtingen genoemd worden waaraan reders zich de komende jaren binden als ze de kavels accepteren.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw.
177 Op ’t versoeck van den Commandeur Speelbergen nopende syn Soons gagie ende eenighe cleyne costen van reysegelt als anderes by hem gepretendeert, is verstaen, dat men hem [Q 1e deel], mits gevende acquit met renunciatie van alle andere verdere pretentiën [mits.pp P], syn reeckeninge sal payeren ende alhier doen betaelen de somma van ƒ416 : 9 [Q 2e deel]. (Leupe 1859: 382)
[Vlissingen, Zeeland; 1617-T06] T=T06 P=Vlissingen R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=QPQ
           
    ‘Op het verzoek van gezagvoerder Speelbergen betreffende de gage van zijn zoon en enige kleine bedragen voor reiskosten waarop hij ook aanspraak maakt, is besloten dat men [de bewindvoerders van de Zeeuwse kamer van de VOC] zijn rekening zal voldoen op voorwaarde dat hij kwijting verleent en afziet van alle verdere aanspraken, en hem alhier de som van 416 gulden en 9 stuivers zal laten uitbetalen.’
    Dit is een fragment uit een artikel over vlootaanvoerder Joris Speelbergen ( Spilbergen), geschreven halverwege de 19e-eeuw, in een tijdschrift over het toenmalige Nederlands-Indië.Informatie over Joris Spilbergen: zie Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. In het tekstgedeelte voorafgaand aan het citaat schrijft auteur Leupe dat Speelbergen in 1614 de opdracht van de bewindvoerders van de (in Vlissingen gevestigde kamer Zeeland van de) VOC had aanvaard om via de Straat van Magellaan naar de Molukken te zeilen en aldaar degenen die als vijand beschouwd werden, te bevechten, en dat de bewindvoerders hem in hun augustusvergadering van 1617 na terugkeer alle lof hadden toegezwaaid. Even daarna volgt, aan de taal te zien eveneens afkomstig uit het vergaderverslag, de in het citaat vervatte reactie van de bewindhebbers op een verzoek dat ze van Speelbergen hebben gekregen. Daarom reken ik het, met een slag om de arm vanwege de indirecte bron, tot tekstcat. B. Woord: alhier: bedoeld zal zijn ter kamer van de de VOC-bewindvoerders voor Zeeland.
    Het verstrekken door Speelbergen van een kwijting en het opgeven van verdere aanspraken zijn, aldus het besluit van de bewindhebbers van de VOC, voorwaarde (P) voor de voorgenomen uitbetaling van zijn declaraties (Q).
 Als subject van de mits.pp-frase wordt begrepen Speelbergen, die als meew.voorw optreedt in de hogere frase.
178 [Rijckert:] ’tMocht wel dattet salich waer als ick het slechs niet en beleefde.
[Geertruyd:] Hoort eens nae mijn woorden, laetje raen, salighe man:
Slaet het niet inde wint, je welvaert hanghter an.
[Rijckert:] Wel ick ben te vreen, doetme morghen een Bruydt // op [Q];
Mits bevoorwarend’ dat ickse overmorgen ’tgat uyt // schop [mits.pp P]!
Weet je daer raet toe, ick loop terstont nae de Barbier,
En laetme scheeren, adieu. (Hooft & Coster 2004 [1617]: 21v)
[Amsterdam, Holland; 1617-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=u SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Rijckert: “Het [trouwen met een vrouw] zou best goed kunnen zijn, als ik het maar niet zou hoeven meemaken.”
Geertruyd: “Luister even naar mij, laat je adviseren, goeie man;
sla het [mijn advies] niet in de wind, je voorspoed hangt ervan af.”
Rijckert: “Oké, ik vind het best, bezorg me morgen een bruid,
maar alleen als jij van tevoren vastlegt dat ik haar overmorgen de deur uit schop!
Als je een manier weet om dat voor elkaar te krijgen, loop ik meteen naar de kapper
om me te laten scheren. Daag.” ’
    Dit citaat omvat de regels 206-211 uit het eerste bedrijf (derde scène) van Warenar, blijspel van Pieter C. Hooft en Samuel Coster (tekstcat. C). Warenar ging op 25 september 1617 in première in de een dag ervoor heropende Nederduitse Academie. Op de voorpagina van de eerste gedrukte versie presenteert de uitgever de tekst als op de Nederlandse situatie toegespitste bewerking van de Aulularia van Plautus. Context: Rijckert, overbuurman van Warenar, krijgt van zijn zus Geertruyd het advies om te gaan trouwen, omdat dat materieel beter is en de familie voor uitsterven behoedt; zij heeft nagedacht over een geschikte huwelijkskandidaat. Aanvankelijk heeft Rijckert geen interesse. Het teken // in de vierde en vijfde regel is een aanduiding van het middenrijm (Bruydt//op en uyt //schop) (Hooft & Coster 2004 [1617]: 115). In de eerste druk van Warenar uit 1617, opgenomen in Hooft (1972 dl. 2: 225v), staan deze tekens ook. In andere delen van dit werk is het beeld anders: in dl. 9 staat, in de editie 1661, ter aanduiding van middenrijm de dubbele komma (,,), maar niet in die van 1667, en in dl. 6 (editie 1704 in Mengelwerken) ontbreken de aanduidingen geheel. Woorden: welvaart: WNT betek. 2; te vreen: MNW tevreden betek. 2; weetje daer raet toe: WNT raad betek. 4, vijfde streepje (‘Raad weten om, tot, voor iets, een middel weten tot iets.’); bevoorwarend’: WNT bevoorwaarden (‘bij voorwaarde, bij verdrag, bepalen, overeenkomen, bedingen’), en MNW (‘conditionneeren, bedingen, bij contract bepalen, overeenkomen’, dit citaat).
    Omdat Rijckert met zijn uiting Q Geertruyd haar zin geeft, wordt zij begrepen als degene die de voorwaarde P moet vervullen die door mits wordt ingeleid. Rijckert geeft hier uiteindelijk toe aan zijn zusters wens dat hij aan de vrouw zal, en zegt dat zij dan direct maar de volgende dag iemand bij hem mag introduceren (Q), onder de voorwaarde dat zij van tevoren ‘per contract’ vastlegt (bevoorwarend’) dat hij de betreffende vrouw de dag daarna weer de deur uit werkt (P). De mits.pp-frase heeft conditionele betekenis.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, omdat, gegeven een voorwaardelijke interpretatie, het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase Geertruyd moet zijn, want Rijckert geeft in zijn uiting Q toe aan wat zij wil; Geertruyd is het begrepen onderwerp van de direct hogere imperatieve frase. Deze interpretatie wijkt af van die in de noot bij r. 210 in Hooft & Coster (2004 [1617]: 21). Volgens de editeuren betekent mits bevoorwarend’ als geheel ‘op voorwaarde’. M.i. miskent dit de eigen betekenis van bevoorwaar(d)en (nl. ‘bij contract bedingen’), hier dus het bedingen van een quasi-huwelijkscontract: Rijckert geeft toe aan zijn zusters wens, op voorwaarde dat zij voor hem van tevoren een soort huwelijkscontract sluit dat inhoudt dat Rijckert de vrouw de volgende dag de deur weer uit werkt. De grap heeft daarmee meer substantie dan alleen de grofheid van Rijckerts aankondiging dat hij de vrouw meteen de volgende dag weer de deur uit zal schoppen; het wordt een officiële, contractgebonden handeling.
179ab [...] hebben haar Hoog Mog., na dat sy eerst geresumeert hadden hare vorige resolutie ende acte van den Raad van State van d. 13 July 1610 hyr voren geroert, uyt kragt van dewelke de Raad van State de betalinge van de voorsch. ses en sestig dusent agt honderd tagtig guld. versogt heeft, op alles rypelyk gelet, mitsgaders ook in consideratien genomen hebbende tgene dat de Hooggeb. Heere Grave Wilhelm Ludwig van Nassau, Stadholder contra den voorschrevenen raad heeft voorgedragen van de sobere gesteltenisse ende kleyn vermogen van de vorschr. Landschap Drenthe, Q1 geconsenteert ende geaccordeert, consenteren en accorderen mits desen, Q2 dat men de Remonstranten voor deze reise sal laten gestaan [Q2], mits Q3 dragende voor hare extraordinaris contributie (verloepen tot den jare 1616 incluis) de somme van dertig dusent guld. eens [Q3], mits betalende deselve summe by drie gelyke gedeelten in drie toekomende en agter een volgende jaren, dies dat hun daar an sal korten ende afslag strekken, tgene sy by liquidatie sullen kunnen doen blyken, dat sy meer als heur ordinaris van een tegen het hondert hebben betaalt [mits.pp P3] [mits.pp P2] [Q1], mits dat sy Remonstr. voortaan sullen hebben te dragen het extraordinaris neffens het ordinaris tot het voorsch. een tegen het hondert volgens voorgaande resolutie en acte so van haar Hoog Mog. als van den voorsch. Raad van State [mits dat +Vf P1]. (Oldenhuis Gratama 1849: 80v)
[Den Haag (+landschap Drente), Holland (+Noordoost-Nederland); 1617-T06] T=T06 P=Den Haag P=landschap Drente R=Holland R=Noordoost-Nederland TC=B TG=Versl TS=m SM=Instr SM=Comit CV=W3 CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] nadat hare Hoogmogenden eerst een samenvatting hebben gegeven van hun eerdere resolutie en [de] akte van de Raad van State van 13 juli 1610, hiervoor genoemd, krachtens welke de Raad van State verzocht heeft de genoemde zesenzestigduizend achthonderd tachtig gulden te betalen, hebben zij een en ander uitvoerig overwogen en tevens in aanmerking genomen dat de hooggeboren heer graaf Willem Lodewijk van Nassau, stadhouder, als bezwaar tegen de genoemde resolutie de armelijke staat en de geringe reserves van het genoemde landschap Drente heeft aangevoerd. Zij hebben hun instemming uitgesproken en overeenstemming bereikt en stemmen er bij deze mee in en komen overeen, dat men de indieners van de bezwaren voor deze keer aan hun verplichting zal laten voldoen door voor hun buitengewone contributie (vervallen tot en met het jaar 1616) een som van dertigduizend gulden ineens af te dragen, waarbij zij dezelfde som in drie gelijke delen in de komende drie achtereenvolgende jaren dienen te betalen, (met dien verstande dat voor hen als korting zal gelden wat zij, blijkend uit afrekeningen, meer hebben betaald dan hun reguliere honderdste deel). Dit alles onder de voorwaarde dat de indieners voortaan het genoemde honderdste deel als buitengewone en reguliere bijdrage zullen moeten afdragen overeenkomstig eerdere resolutie en akte zowel van hare Hoogmogenden als van de genoemde Raad van State.’
    Het citaat komt uit een artikel waarin vanuit Drents perspectief de economische toestand van Drente in de vroege 17e eeuw beschreven wordt. Een daarbij geciteerde resolutie (tekstcat. B) van de Staten-Generaal d.d. 17 november 1617 belicht een aspect daarvan. Vertegenwoordigers van de Drentse Landdag waren naar Den Haag gereisd om te bezweren dat het Landschap, enkel dor heidelandschap herbergend en zonder een enkel stuk kleigrond, niet bij machte was een buitengewone bijdrage van 66.880 gulden op te brengen. In hun besluit grijpen de Staten Generaal terug op een akte van de Raad van State de dato 13 juli 1610 en een daarop aansluitende resolutie van de Staten Generaal zelf. Behalve het bedrag aan buitengewone contributie van 66.880 gulden voor de jaren 1612-1616 wordt daarin vermeld dat Drente in het algemeen voldoende betaalt aan reguliere en buitengewone lasten als het 1 procent bijdraagt van het totaal aan bijdragen van de Verenigde Provinciën. Woorden en naam: sober: WNT betek. A.4; verloepen: WNT verloopen II betek. 2; Remonstranten: WNT remonstrant betek. 1 (‘hij die bezwaarschrift indient’); eens: WNT eens I betek. 1, eerste streepje; graaf Willem Lodewijk van Nassau, stadhouder van de provincie Stad en Lande en het Landschap Drenthe (Over Willem Lodewijk van Nassau zie Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek). In ResolStatGen is het besluit van november 1617 ook te lezen, maar de editeuren hebben de tekst ervan hertaald (ResolStatGen Nieuwe Reeks dl. 3: 269); de tekst is bij Oldenhuis Gratama onvertaald.
    Het citaat bevat een veelomvattende constructie met voorwaardelijk mits van de vorm Q1 - mits dat + Vf P1: de Staten-Generaal staan het landschap Drente toe zijn bestaande schuld op een nader beschreven coulante wijze in te lossen (Q1), op voorwaarde dat het landschap na een zekere periode de reguliere en de buitengewone contributie van 1% van de totale bijdrage van de gezamenlijke gewesten betaalt, volgens de eerdere besluiten van Raad van State en Staten-Generaaal (P1). Q1 sluit een instrumentele mits-constructie in van de vorm Q2 - mits.pp P2: voor deze keer geldt, dat Drente genoeg betaalt (Q2) door voor zijn buitengewone bijdrage tot en met 1616 30.000 gulden ineens te voldoen (P2). Het middel P2 bestaat meer precies uit dat ineens voldoen van de genoemde som (Q3) waaraan de verplichting gekoppeld is dat dezelfde som ook de komende drie jaren betaald zal worden (met dien verstande dat 1 procent van de totale bijdragen aan de Staten-Generaal voor Drente steeds als bovengrens geldt) (mits.pp P3). P3 heeft een comitatieve rol. Inzake een mogelijk onderscheid tussen de twee voorkomens van mits.pp en dat van mits dat +Vf is het volgende op te merken. Er is het semantische verschil dat de mits.pp-frasen een instrumentele resp. comitatieve rol hebben en de frase mits.dat + Vf een conditionele. Verder valt het reeds aangegeven verschil in spanwijdte op: de frase mits.dat + Vf heeft de grootste spanwijdte want omspant beide mits.pp-frasen, de frase met mits dragende omspant die met mits betalende. Andere verschillen tussen de mits-frasen zijn niet vast te stellen.
 De twee mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
180ab dat den wijncoopers, ter noot, ende zoe wanneer zy geen wijnverlaters cunnen becomen, wel een stekanne ofte ten hoochsten een vierndeel wijns sullen mogen verlaten ende affsteecken, zonder meer [Q1], midts daervan aen de wijnverlaters betalende het loon ende gerechticheyt, daertoe staende [midts.pp P1]. Dat mede de wijncopers, zoo wanneer een stuck wijns comt te lecken, wel vermogen sullen tzelve te helpen, zonder de wijnverlaters daerover te moeyen [Q2], midts betalende het loon, daertoe staende, alsvooren [midts.pp P2]. (BronnenAmst dl. 2: 288)
[Amsterdam, Holland; 1618-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘dat de wijnkopers, als het niet anders kan en als zij geen wijnaccijnsambtenaar kunnen krijgen, wel een stadskan of maximaal een kwart van een vat wijn zullen mogen overtappen en aftappen, niet meer, mits zij het loon daarvoor en de geldende leges betalen aan de wijnaccijnsambtenaren. En dat de wijnkopers eveneens, wanneer een wijnvat lek raakt, dat mogen verhelpen zonder de accijnsambtenaren daarin te betrekken, onder de voorwaarde weer dat zij het loon dat daarvoor geldt betalen.’
    Dit is een fragment van een keur (tekstcat. A2) die het stadsbestuur van Amsterdam (Mijne Here van de Gerechte) op verzoek van het wijnverlaters-en kuipersgilde op 25 april 1618 uitvaardigde, bedoeld ter aanvulling van de bestaande ordonnantie van het gilde. De keur bepaalt dat de wijnhandelaren en hun knechts in de regel geen kuiperswerk mogen doen. In het fragment gaat het om een situatie die op deze bepaling een uitzondering mogelijk maakt. Woorden: wijncooper: hij die beroepshalve wijn inkoopt en verhandelt; wijnverlater: WNT wijnverlater betek. 1 (‘Beëedigd beambte die den wijn van het eene vat in het andere overtapt (zoodat de verschuldigde belasting bepaald kan worden), den wijn ontvangt en aflevert, de vaten verkuipt en het recht heeft den wijn te versnijden.’); stekanne: MNW stecanne (‘Eene door de stad geijkte kan, eene kan van den in eene bepaalde stad gebruikelijken inhoud.’)_ WNT idem, met volgende aanvulling:Inzonderheid oudtijds in gebruik als maat van wijn en olie (soms ook van andere stoffen). In Amsterdam was de steekan gelijk aan 1/12 okshoofd, 1/8 aam, 1/2 anker, 8 stoopen, 16 mingelen, 32 pinten.’
    De analyse van de relatie van Q en P is voor beide midts.pp-voorkomens gelijk. In beide gevallen wordt aan de wijnkopers iets toegestaan wat zij onder omstandigheden kunnen wensen: P duidt op de voorwaarde om van die toestemming gebruik te maken.
 De midts.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
181abc 6. Voorts, zoo wanneer het gelegen sal vallen ofte goet gevonden werden om enige reysen buyten ’s lants te doen, soo sal men twe personen uyt dese compagnie, daertoe bequaem wesende, eligeren, die d’selve reyse ten besten van de compagnie zullen aenvaerden ende doen tgunt by de gemeyn compagnie haer geordonneert zal wesen. Des sullen d’ andere vier personen ondertusschen gehouden wesen met wercken voort te varen, daerinne de reysende zowel als de thuysblyvende heure portiën zullen hebben ende genyeten [Q1], mits betalende yder evenveel in de costen, die bevonden sullen werden geduyrende de voors. reyse gedaen te zijn [mits.pp P1]. [...]
9. Ende oft mocht gebeuren, dat yemant van dese compagnie deser werelt mochte comen te overlyden, zoo zal de compagnie in sulcken gevalle gehouden wesen een geheel jaer langh voor des versturvens weduwe ofte deseelffs kinderen te wercken - doch vorder bloetverwanten uytgesondert - waervan deselve weduwe ofte hare kinderen pro rato haere portie genyeten ende ontfangen sullen [Q2], mits betalende mede pro rato in den onkosten, die daerover gevallen sullen mogen sijn [mits.pp P2].
10. Item yemant van de compagnie zyeck werdende, zulcx dat bevonden wierde, dat d’zelve syecke tot ’t wercken oft reysen onbequaem ware, zoo zullen echter de andere van de compagnie denselven zyecken in de winste pro rato laten genyeten [Q3], mits mede betalende pro rato in de schade [mits.pp P3]. (BronnenAmst dl. 2: 310v)
[Amsterdam, Holland; 1618-T06] T=T06 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘6. Voorts, als het zo uitkomt of verstandig geoordeeld wordt om een reis naar het buitenland te maken, zal men twee daartoe geschikte personen uit de compagnie uitkiezen, die de reis ten bate van de compagnie zullen aanvaarden en datgene zullen doen wat hun opgedragen wordt door de compagnie als gemeenschap. In dat geval zullen de andere vier personen intussen gehouden zijn door te gaan met het werk, van de opbrengst waarvan zowel de reizende als de thuisblijvende leden van de compagnie hun deel zullen krijgen, waarbij geldt dat ieder lid evenveel dient bij te dragen in de kosten die gemaakt zullen blijken te zijn in de periode van de genoemde reis. [...]
9. En als het zou gebeuren dat iemand van deze compagnie zou komen te overlijden, dan zal de compagnie in zo’n geval gehouden zijn een heel jaar lang voor de weduwe van de gestorvene of voor zijn kinderen te werken - voor verdere bloedverwanten echter niet. Van de opbrengst van dit werk zullen deze weduwe of haar kinderen naar verhouding hun deel krijgen, waarbij ze naar verhouding dienen mee te betalen aan de kosten die daarvoor [voor het werk] gemaakt zijn.
[...] 10. Voorts: als iemand van de compagnie ziek zou worden, zo ernstig dat geconstateerd zou worden dat de betreffende zieke niet in staat is tot werken of reizen, dan zullen vervolgens de andere leden van de compagnie deze zieke collega naar verhouding van de winst laten profiteren, waarbij deze naar verhouding dient mee te betalen aan verliezen.’
    Dit zijn drie fragmenten van een contract van een compagnie voor zilversmeedwerk, dat op 22 oktober 1618 notarieel werd vastgelegd nadat zes nader genoemde personen voor de notaris waren verschenen. Tekstcat. is A1.
    De relatie Q1 - P1 is comitatief: de contractanten achten het logisch dat bij het gelijk delen ook gelijkelijk meebetalen hoort.
De relatie Q2 - P2 is eveneens comitatief: de compagnie acht het haar taak weduwen of kinderen van een overleden lid van de compagnie in het eerste jaar na overlijden naar verhouding hun deel van de opbrengst uit te betalen; vanuit haar optiek is het logisch dat genoemden ook hun aandeel betalen in de kosten.
De relatie Q3 - P3 is eveneens comitatief: de compagnie heeft als taak een zieke collega naar verhouding van de winst te doen profiteren, waarbij aan de andere kant vanzelfsprekend hoort dat de zieke naar verhouding meebetaalt aan eventuele verliezen.
 De aansluiting van de eerste mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen de reysende zowel als de thuysblyvende, die elk hun aandeel ontvangen; zij zijn ook subject van de direct hogere frase. De aansluiting van de tweede mits.pp-frase is ook conjunct subject-subject, want als subject wordt begrepen de weduwe (of kinderen) van het overleden lid van de compagnie; deze weduwe is ook subject van de direct hogere frase. De aansluiting van de derde mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw, want als onderwerp wordt begrepen het zieke lid van de compagnie, dat lijdend voorwerp is van de direct hogere frase.
182 Die lancxstlevende is oock gehalden, die betochte goederen lofflijck ende behoorlick te gebruycken ende genieten [Q], mits haldende die in behoorlicken staet ende wesen, ende draegende daervan de lasten ende anderssints, als onder den titel van tochte hiernae breeder wordt gesaght, sonder nochtans deselve tochte te moghen vercoopen, versetten oft anderssints belasten oft verhantplichten, tot achterdeel van de kinderen ende hun onderhalt ende onderstandt [mits.pp P]. (GeldersLandr 35)
[Overkwartier van Roermond, Midden-Nederland; 1619-T06] T=T06 P=Overkwartier van Roermond R=Midden-Nederland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘De langstlevende is eveneens gehouden om de goederen die hij of zij in vruchtgebruik heeft op passende en fatsoenlijke wijze te gebruiken en ervan te profiteren, waarbij hij ze in goede staat dient te houden en de lasten ervan en dergelijke op zich neemt, zoals in het hoofdstuk over vruchtgebruik verderop uitgebreider uiteengezet wordt, waarbij het echter niet geoorloofd is het betreffende vruchtgebruik te verkopen, te vervreemden of anderszins te bezwaren, of te gebruiken op een wijze die nadelig is voor het onderhoud van en de bijstand aan de kinderen.’
    Dit citaat omvat art. 20 van dl. 1, titel 2, §3 van het wetboek getiteld Gelders Land- en Stadrecht dat in 1619 gereed kwam. Het heeft betrekking op het zuidelijk deel van Gelre, dat onder Spaans bewind stond, het zgn. Overkwartier van Roermond, dat zich ook uitstrekte tot gebieden die tegenwoordig tot Noord-Limburg en Duitsland behoren.. Als bepaling die onderdeel is van gecodificeerd gewoonterecht valt het citaat in tekstcat. A2. De editeuren schrijven over het belang van het wetboek: ‘Het Gelderse Land- en Stadsrecht van het Overkwartier van Roermond, geredigeerd (gehomologeerd) in de jaren 1611-1619, gedecreteerd in 1619 en in werking getreden (afgekondigd) in 1620, neemt met een omvang van 2060 artikelen een bijzondere plaats in onder de gehomologeerde costumen van de Zuidelijke Nederlanden’ (GeldersLandrecht vii). Woorden: tochte: MNW tocht betek. 3 (‘vruchtgebruik’); betochte: WNT betochten betek. 1 (‘iem.) het vruchtgebruik van (iets) geven. Ook met het verl. deelw. als bnw.’); versetten: WNT verzetten betek III.14 (‘ (...) m.betr. t. goederen, eigendom, bezittingen e.d.: (bij ‘gerechtelijke overeenkomst’) (voor geld of goed) in andere handen doen overgaan, bep. als pand; vervreemden, bep. verpanden’); verhantplichten: MNW betek. ‘van iets als eigenaar of rechthebbende gebruik maken’.
    De langstlevende moet passend en fatsoenlijk gebruikmaken van zijn recht op vruchtgebruik (Q), waarbij uiteraard hoort dat hij de goederen in goede staat houdt en bijv. de kosten ervan op zich neemt zoals in het algemeen geldt voor vruchtgebruik, in dit geval echter zonder dat verkoop of bezwaring is toegestaan (P). P en Q zijn allebei plichten; P duidt op handelingen die typisch (en absoluut) horen bij het passend en fatsoenlijk gebruik van de erfgoederen, zo redeneert de wetgever van het Gelders wetboek. De mits.pp-frase heeft daarom een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject. Als onderwerp van de mits.pp-frase wordt nl. begrepen de persoon die ook de rol van subject heeft van de direct hogere frase: de langstlevende, die op behoorlijke wijze zijn vruchtgebruik dient te genieten.
183 Als ein onderpandt verdeilt is geweest onder veele partijen, ende dat der rentier van elck ein, sijn aenpaert gewoen is geweest t’ontfangen: Soe mach altijt dergeener, der sijn aenpaert van die rente heeft betelt gehadt, soeverre hie vanwegen die t’achterheit van die andere mede rentgevers mit recht van den rentier aengesproecken wordt, volstaen [Q], midts verlaetende sijn aendeil van het onderpandt [midts.pp P], sonder in einige achterstedicheit gehalden te sijn. (GeldersLandrecht 83v)
[Overkwartier van Roermond, Midden-Nederland; 1619-T06] T=T06 P=Roermond R=Midden-Nederland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Als een onderpand gedeeld is geweest door verschillende partijen en de renteheffer [degeen die recht heeft op de periodieke uitkering] van elke partij apart zijn aandeel placht te ontvangen, dan kan iemand die zijn aandeel in de rente heeft betaald, als hij vanwege achterstand van de mede-rentebetalers door de renteheffer in rechte aangesproken wordt, er altijd mee volstaan afstand te doen van zijn aandeel in het onderpand, waarbij zijn achterstand opgeheven wordt.’
    Dit citaat omvat art. 3 van § 4, dl. 2, tit. 2 van het wetboek getiteld Gelders Land- en Stadrecht dat in 1619 gereed kwam als codificatie van het gewoonterecht. De wet heeft betrekking op het zuidelijk deel van Gelre, dat onder Spaans bewind stond, het zgn. Overkwartier van Roermond, dat zich ook uitstrekte tot gebieden die tegenwoordig tot Noord-Limburg en Duitsland behoren. Dit fragment is, zoals ook sommige andere gedeelten, deels in het Duits geschreven. Het fragment valt in tekstcat. A2. Als iemand afstand doet van zijn aandeel in een onderpand wil dat zeggen dat hij het mag verkopen, waardoor hij niet meer garant staat voor de mede-rentebetaler die achterstand heeft.
    Genoeg gedaan door, of volstaan met: mits.pp-frase heeft een instrumentele rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
184 Copia: Mauritz by der gratien Godts Prince van Orange, Grave van Nassau, Catzenellenbogen [...],
Doen te weten, dat wij hebben geconsenteert ende geaccordeert, consenteeren ende acoordeeren bij dese, dat Henrica ter Dunnewijck, Huijsvrouwe van Geerdt Gellekinck met haer Soontien Geerdt Gellekinck, ongevaerlick een Jaer out zijnde Jegenwoirdich hoffhorige Personen, van onsen huijse van Brevoort sullen werden bevrijt ende vande Hoffrechten aldaer ontslagen [Q], Mits voor de recognitie van hunnen Vrijdom an onsen Rentmeester van Brevoort Ludolph ter Vijle betalende t’onsen behoeve Twintich Daelders van dertich str. t’stuck [mits.pp P]. Twelck gedaen zijnde, ordonneeren wij den voorseijde Rentmeester van Brevort d’voorseijde Henrica ter Dunnewijck met haer Soontien Geert Gellekinck t’effecte deser rustelick ende vredelick te laten genieten ende van de gemelde Twintich Daelders in zijn Rekeninge te verantwoorden. (Gelders Archief toeg.nr. 0357, inv.nr. 13C)
[Bredevoort (+Den Haag), Midden-Nederland; 1620-T07] T=T07 P=Bredevoort P=Den Haag R=Midden-Nederland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Eensluidend afschrift. Wij Maurits, bij de gratie Gods prins van Oranje, graaf van Nassau, Katzenelnbogen [enz. enz.] geven kennis dat wij erin hebben toegestemd en er bij deze in toestemmen dat Henrica ter Dunnewijck, echtgenote van Geert Gellekinck, met haar ongeveer eenjarig zoontje Geert Gellekinck, op dit moment hofhorigen, van horigheid aan ons huis Bredevoort zullen worden bevrijd en van de hofrechten aldaar ontslagen, op voorwaarde dat zij voor de formele erkenning van hun bevrijding in handen van onze rentmeester van Bredevoort, Ludolph ter Vijle, aan ons twintig daalders van dertig stuivers per stuk betalen. Wij dragen genoemde rentmeester op om, wanneer deze som betaald is, genoemde Henrica ter Dunnewijck met haar zoontje Geert Gellekinck tot effectuering van deze oorkonde onbelemmerd en ongestoord de hiermee verworven rechten te laten uitoefenen en de genoemde twintig daalders in zijn boekhouding te verantwoorden.’
    Dit citaat komt uit een afschrift in het zgn. hofboek Bredevoort van een oorkonde (tekstcat. A1), die getekend is begin 1620 in Den Haag. Een groot deel van de boerenbevolking van het stadje Bredevoort in de Achterhoek was eeuwenlang horig aan Huis Bredevoort, met plichten zoals afstand van een percentage van de opbrengst van het land, herendiensten en andere vormen van onvrijheid. De heren van het Huis hielden in hun hofboeken nauwgezet administratie bij van de kring van hun hofhorigen en van belangrijke gebeurtenissen op de boerderijen. Maurits van Nassau was (ook) heer van Bredevoort in de eerste decennia van de zeventiende eeuw, en een van zijn handelingen in die functie is hier aan de orde. Woorden, frase: daelder: één daalder is rond 1600 in de regel 30 stuivers, en één stuiver 16 penningen; t’effecte deser rustelick ende vredelick te [...] genieten: WNT rustelijk, betek. II.2 (in combinatie met genieten: ‘ongestoord’ in juridische zin: in de uitoefening van een recht wordt men door niemand belemmerd; genieten heeft hier (al of niet door onzorgvuldigheid van de Hofboek-secretaris) geen expliciet object ( WNT genieten II 1), maar is hier toch niet echt overtuigend juist; t’effecte deser, ‘tot effectuering van deze oorkonde’. Transcriptie van het archiefstuk is van Saskia Daalder. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Maurits van Oranje focust op deze plaats op het belang van Henrica bij haar bevrijding van horigheid en gebruik van de nieuwe daaraan verbonden rechten (Q). Zij moet daarvoor een financiële conditie vervullen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
185 Wy willen, dat de gene die huns wetens tegens dese ordinantie ghedaen sullen hebben [Q], mits by hen houdende; printen[de], verkoopende, distribuerende, oft publicerende eenige heretijcke ende schandaleuse boecken, schrifturen, schilderyen, oft andersins gedaen ende gecontravenieert tegens de puncten hier vo ren oft nae vercleert, oft eenige van dien [mits.pp Pa oft Ppf Pb], realijcken gepunieert, ghecorrigeert, ende ghestraft sullen worden, by de peynen hier boven vercleert. (Bor 1621a bk. 1: fol. 7r, kol. 2)
[Haarlem [Brussel], Holland [Brabant]; 1621 [?1566]-T07] T=T07 P=Haarlem P=Brussel R=Holland R=Brabant TC=C TG=Verord TS=g SM=Instr CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Het is onze wil, dat degenen die welbewust tegen deze ordonnantie in gegaan zullen zijn doordat zij ketterse en aanstootgevende boeken, drukwerken of schilderijen in bezit gehad, gedrukt, verkocht, verspreid of gepubliceerd hebben of die op andere wijze gehandeld hebben in overtreding van een of meer van de bepalingen zoals in het voorafgaande of direct volgende uiteengezet, metterdaad gestraft zullen worden met straffen zoals hierboven vermeld.’
    Dit citaat is afkomstig uit P.C. Bors historiewerk (tekstcat. C) Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende borgerlijcke oneenicheyden, waarvan het eerste boek. Bor schreef dit werk aanvankelijk met jaargeld van de Staten van Utrecht en later ook met een financiële waardering en erkenning door de Staten van Holland. Bor, die in Haarlem ging wonen en werken, had toegang tot de bestuurlijke archieven. In dit fragment geeft de auteur een door Filips II in 1556 uitgevaardigd plakkaat tegen de ketterij weer, dat een herbevestiging is van een in 1550 in Brussel door Karel de Vijfde afgekondigd plakkaat, het zgn. bloedplakkaat. Wij weten niet of Bors tekst het bewuste plakkaat volstrekt letterlijk weergeeft. Collatie: in Bors weergave van het plakkaat staat in de opsomming van mogelijke handelingen met de ketterse geschriften niet printende maar printen. Printende is aan te treffen in latere tekstversies van deze passage; dit lijkt de juiste vorm vanwege de plaats in een reeks van pp’s. Een versie met printende staat in Van Braght (1660: boek II, 244). In deze geschiedschrijving van de vervolging van de doopsgezinden wordt de bewuste passage, die in Van Braghts ogen tot marteling van gelovigen heeft aangezet, geplaatst tussen diverse andere beschrijvingen van martelaren; ze luidt als volgt: ‘Wy willen dat die gene, die huns wetens tegens dese ordinantie gedaen sullen hebben, (midts by hen houdende, printende, verkoopende, distribueerende, ofte publiceerende, eenige heretijcke {kettersche} schandaleuse boecken, Schrifturen,... ofte andersins, gedaen, ende gecontravenieert tegens de punčten hier voren ofte naer verklaert, ofte eenige van dien) realijck gepunieert, gecorrigeert ende gestraft sullen worden byde pene boven verklaert.’ In 1701 is ook in GrootGeldersPlacaetbk een versie te vinden met printende. De editeuren van het verzameld werk van Bor in 1679 hebben de moeilijkheid die printen veroorzaakt anders opgelost, namelijk door toevoeging van eenige en door het aanbrengen van een puntkomma na printen. Hun oplossing, die ik niet overneem, luidt: ‘Wy willen, dat degene die huns wetens tegens dese ordinantie gedaen sullen hebben, mits by hen houdende eenige printen; verkopende, distribuerende, of publicerende [...] (Bor 1679-1684: dl. 1, eerste boek 9). Woorden: huns wetens: MNW weten II, betek. 5 (het gebruik in de genitivus absolutus); MNW heretike (‘ketter’); ghecontravenieert: WNT contravenieeren betek. 2.
    De frase mits.pp Pa oft Ppf Pb geeft een specificatie van de handelingen die voor de in het plakkaat aangeduide personen middelen zijn (P) waarmee zij welbewust de ordonnantie overtreden (Q). De mits.pp-frase heeft instrumentele betekenis.
 De begrepen subjecten zijn de overtreders, en die zijn elk ook subject van de direct hogere frase. De mits.pp-frase is dus conjunct aangesloten, subject-subject.
186 Item sal van stonden aen met alle neersticheyt die handt daer aen houden, opdat het woordt Godts aldaer vercondicht ende gepredickt worde [Q]. Midts oock toelatende het exercitie van Religie den selven woorde Godts conform, indien die Inghesetenen voorschreven of eenighe van dien ’t selve begheeren [midts.pp P], sonder nochtans te ghedoogen dat die vande Roomsche Kercke eenich overlast ghedaen worde, of oock dat zy belet worden in d’exercitie van heurlieden Religie ter tydt ende wylen wy anders daer op sullen gheordineert hebben ofte dat de nootwendicheyt ende snellicheydt anderssins mochte vorderen, naer het advys des Gouverneurs ende Raet aldaer, doende de voorschreven Sonoy midlertijdt syn devoir opdat alle die voorsz Inghesetenen tsamen in goede ruste ende vrede leven, soo nae als moghelyck wordt, niet lydende eenighe heymelycke Vergaderinghe ’tsy by daghe oft nachte te gheschieden. (Bor 1621a bk. 6: fol. 273r kol. 1)
[Haarlem [+Waterlandse dorpen en steden], Holland; 1621 [?1572]-T07] T=T07 P=Haarlem P=Waterland R=Holland TC=C TG=Instr TS=i SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Voorts zal [Sonoy] er van meet af aan met volledige inzet zorg voor dragen dat het woord Gods daar verkondigd en gepreekt wordt, door ook de bedoelde godsdienstuitoefening overeenkomstig Gods woord toe te staan als voornoemde inwoners of enigen van hen dat wensen, zonder echter te tolereren dat de aanhangers van de Roomse Kerk overlast ervaren of dat zij belemmerd worden in de uitoefening van hun godsdienst. Dit geldt tot het moment dat wij daarover anderszins zullen hebben bepaald of dat noodzaak tot snel handelen naar het oordeel van de gouverneur en het stadsbestuur aldaar anders zouden kunnen vereisen. Intussen streeft de genoemde Sonoy ernaar dat alle genoemde inwoners zoveel mogelijk in rust en vrede samenleven en staat hij niet toe dat er heimelijke bijeenkomsten plaatsvinden, noch overdag noch ’s nachts.’
    Dit citaat is afkomstig uit P.C. Bors historiewerk (tekstcat. C) Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende borgerlijcke oneenicheyden. In 1572, nadat Enkhuizen zich aan Oranje heeft overgegeven, wordt Diederik Sonoy door de prins benoemd tot luitenant-gouverneur met de speciale taak de steden en dorpen in Waterland onder prinselijk gezag te brengen. Dit fragment omvat een deel van de instructie die Sonoy van de prins krijgt. Of Bor in dit fragment de instructie volstrekt letterlijk weergeeft, moet hier in het midden blijven. Sonoys taak houdt o.a. in dat hij zonder de rooms-katholieken te belemmeren een plaats moet geven aan ‘godsdienstuitoefening overeenkomstig Gods woord’ (dat wil wel zeggen: hervomde of lutherse kerkdiensten, die veel nadruk op het bijbelse woord leggen), en dat hij tegelijkertijd ondergrondse bijeenkomsten van de talrijke dopersen in Waterland moet verbieden. Woorden: hand houden aan WNT I) I) B) 4) ergens bij de streepjes, daar optie 6 ‘voortdurende zorg schenken, handhaven, ervoor zorgen dat iets gebeurt’; devoir: WNT devoor, betek. 2, hieronder de verbinding zijn devoor(en) doen (‘zijn best doen, doen wat men kan’); oock: MNW ooc I, betek.6; Vergaderinghe: hier in het meervoud (‘bijeenkomsten’) vertaald, is in het modern Nederlands natuurlijker.
    Het is Sonoys opdracht om ruimte te geven aan verkondiging van het woord Gods in de Waterlandse steden en dorpen (Q) door ook toestemming te geven voor de godsdienstuitoefening overeenkomstig Gods woord als dat gewenst wordt door inwoners (P). P is middel.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten, subject-subject.
187 Dat die van de voorschreven Religie, heurluyder Predicanten, Ministers ofte Consistorianten, sullen moeten presenteren aen de Schout en Wethouderen deser Stadt, om by deselve gepresenteert en ontfanghen te worden [Q], mits doende eedt van ghetrouwicheyt en andere eenicheyt in alle politicque saecken, sonder daer inne eenichsins te usurperen, ofte hem daer mede of met eenighe acte van Iurisdictie, noch metter authoriteyt van de Magistraet te mogen moeyen, directelijk, noch indirectelijk in wat manieren dattet zy [mits.pp P]. (Bor 1621b bk. 12: fol. 42r kol. 1)
[Haarlem [Antwerpen], Holland [Brabant]; 1621 [?1578]-T07] T=T07 P=Haarlem P=Antwerpen R=Holland R=Brabant TC=C TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Dat de aanhangers van de genoemde [hervormde] godsdienst hun predikanten, ambtsdragers of kerkenraadsleden zullen moeten voorstellen aan de schout en magistraat van deze stad om door dezen voorgedragen en geaccepteerd te worden, waarvoor als voorwaarde geldt dat ze de eed van trouw en overige leerstelligheid voor alle bestuurlijke kwesties afleggen en beloven zich daarbij op geen enkele manier wederrechtelijk zaken te zullen toeëigenen of zich in juridische handelingen of het gezag van de magistraat te zullen mengen, direct noch indirect, op welke wijze dan ook.’
    Dit citaat komt uit Bors historiewerk (tekstcat. C) Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende borgerlijcke oneenicheyden en maakt deel uit van een brief geschreven op 29 augustus 1578 door Matthias van Oostenrijk (door de Staten-Generaal als landvoogd aangezocht) en de prins van Oranje. Of auteur Bor hier de oorspronkelijke tekst volledig letterlijk weergeeft, is ons onbekend. De brief is gericht aan het stadsbestuur van Antwerpen. Dit bestuur had uit angst voor godsdiensttwisten in de stad gevraagd om een tijdelijke richtlijn van de prins. De brief biedt die. Woorden: minister: WNT betek. 1(‘In toepassing op predikanten, inzonderheid bij Calvinisten en Lutherschen; lat. verbi divini minister, fr. ministre’); consistorianten: WNT, alwaar de omschrijving: ‘Ben(aming), in mv., van de (militante) protestanten, calvinisten in de 16de e., die hun bestuur hadden gevormd met consistories, kerkelijke besturen, kerkraden’; presenteren, gepresenteert: WNT presenteeren betek. I.4, ‘voordragen, b.v. tot een ambt of waardigheid’, resp. MNW presenteren betek. 4, ‘voorstellen, iemands naam of persoon bekend maken’.
    De magistraat zal tegemoetkomen aan de wensen van aanhangers van de hervormde godsdienst om de ambtsdragers die zij voorstellen formeel voor te dragen en te accepteren (Q). Voorwaarde voor een dergelijke acceptatie is, dat de voorgedragenen de eed van trouw aan de prins afleggen, zich recht in de leer verklaren en beloven hun bevoegdheden niet te zullen overschrijden (P). De rol van P is conditioneel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: als subject wordt opgevat het begrepen subject van de direct hogere frase met de passieve infinitiefconstructie om by deselve gepresenteert en ontfanghen te worden.
188 De heeren van Schoonhooven versoecken interpretatie off de meyninge van de heeren Staten niet sulcx is dat haer bailliu De Wael alle sijn ampten sooals hij deselve bedient heeft, sal verlaeten [Q], mits sij hem gevende 150 gulden jaerlijcx [mits.pp P]. (St+Sch dl. 1: 313)
[Den Haag (+Purmerend), Holland; 1622-T07] T=T07 P=Den Haag P=Purmerend R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘De heren van Schoonhoven vragen de heren Staten of hun opvatting niet deze is, dat hun baljuw De Wael alle functies die hij vervult, moet opgeven onder de conditie dat zij [de heren van Schoonhooven] hem jaarlijks 150 gulden uitkeren.’
    Het citaat betreft enkele regels uit de persoonlijke aantekeningen van de vergadering van de Staten van Holland van 17 maart 1622, bijgehouden door Sijbrant Schot, de vertegenwoordiger van Purmerend. Tekstcat. is B. De heren van Schoonhooven waren langere tijd in een conflict met de baljuw verwikkeld en hun wens dat hij zou vertrekken was al veel eerder ter sprake gekomen in de Statenvergaderingen, culminerend nu in het idee dat de baljuw per direct zou aftreden als de Schoonhoovense heren hem jaarlijks 150 gulden zouden betalen zolang hij geen andere betrekking gevonden had (St+Sch dl. 1: 289v).
    De heren van Schoonhooven vragen de Staten van Holland of zij niet van mening zijn, dat baljuw De Wael zijn ambten moet neerleggen en daarmee tegemoet moet komen aan een langjarige wens van de heren van Schoonhoven (Q) onder de voorwaarde dat zij (de heren van Schoonhooven) hem jaarlijks 150 gulden betalen (P).
 De mits-frase is absoluut: het subject staat expliciet als sij in de frase zelf. Een conjuncte constructie met dit subject zou overigens niet mogelijk geweest zijn, want in de direct hogere frase spelen de heren van Schoonhooven geen expliciete rol.
189 Habel Mathijsz. van Amsterdam con sociis is vergunt octroy tot bedijckinge van de Bijllemer meer, groot ontrent 800 morgen, gelegen bij Wesep [Q], mits betalende jaerlijcx voor recognitie aen de graeffelijcheyt 1.000 £ van 40 grooten, ingaende een jaer nae de droochte, ende d’selve te mogen redimeeren den penning 30 [mits.pp Pa], dat d’lage jurisdictie sal blijven voor de graeffelijcheyt ende justitie geadministreert bij de schout ende scheepenen derselver [mits dat + Vf Pb]. (St+Sch dl. 1: 561)
[Den Haag (+Purmerend), Holland; 1622-T07] T=T07 P=Den Haag P=Purmerend R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Aan Habel Mathijsz. en vennoten te Amsterdam wordt vergunning verleend om de Bijlmermeer te bedijken, ongeveer 800 morgen groot, gelegen nabij Weesp, tegen een jaarlijkse erfpacht aan de graaf van 1000 ponden van elk 40 groten, ingaande een jaar na de drooglegging en die hij mag afkopen voor de penning 30 [d.w.z. voor een bedrag van dertig maal de jaarlijkse recognitie], waarbij de civiele rechtspraak uiteraard moet blijven vallen onder de grafelijkheid en uitgevoerd zal worden door haar schout en schepenen.’
    Dit citaat stamt uit de persoonlijke notulen van de vertegenwoordiger van Purmerend in de Staten van Holland d.d. 21 dec. 1622 (tekstcat. B). Het gaat hier om een jaarlijkse ‘recognitie’ (te vergelijken met erfpacht) van duizend pond die de grafelijkheid eist van Habel en vennoten in ruil voor het octrooi om bruikbare grond door de bedijking te doen ontstaan. Die jaarlijkse recognitie kan voor een bepaald (groter aantal) jaren worden afgekocht, d.w.z. gelost door betaling van een som ineens (voor het regelen daarvan is hier een jaar na de drooglegging de tijd). Die som ineens wordt bepaald op basis van de hoogte van de jaarlijkse recognitie, en is hier: 30 maal dat bedrag (30.000 pond dus), als het ware betaling nu voor de komende dertig jaren (de resterende jaren zijn ‘gratis’). Woorden: redimeeren den penning 30: WNT penning 2, c, alfa komt neer op: lossen den penning zestien: een jaarlijkse betalingsplicht afkopen door voor elke penning zestien penningen als afkoopkapitaal te betalen. Dus de penning zestien is zo te begrijpen: ‘per penning [van de jaarlijkse recognitie] zijn zestien penningen te betalen’. Soms ook van toepassing op accijnzen en erfpacht, met speciaal gebruik van het lidwoord – tien gulden de man, enz. (Iets anders is weer penning betek. 2, c, β: leningen tegen de vierde penning (etc., met rangtelwoord) betekent: van elke vier penningen de vierde afstaan (of krijgen) = interest 25 %); justitie: meestal het geheel van de civiele rechtspraak; administreren (gezegd van een ambt, recht etc.).
    De Staten nemen in hun besluit om de vergunning te verlenen de wens van Habel en vennoten in het oog (Q) en stellen een conditie inzake de betaling van de recognitie (Pa). In verband met de vergunning stellen de Staten voor de goede orde dat de civiele rechtspraak in de nieuwe polder niet aan Habel komt: die moet bij de graaf blijven. De mits-frase heeft dus twee delen: een gedeelte mits.pp met Pa, waarbij Pa conditioneel is, en een gedeelte (mits) dat + Vf met Pb, waarbij Pb een comitatieve rol heeft (de juridische macht van de graaf moet gehandhaafd worden.). Inzake verschillen tussen de twee mits-constructies: behalve het betekenisverschil, zijn ook de subjecten verschillend. Het begrepen subject van betalende is een persoon (Habel), en subject van de Vf dat-frase zijn de juridische bevoegdheden horend bij de civiele rechtspraak. Pa duidt een handeling van betalen aan, Pb de maatschappelijke plaats van de civiele rechtspraak.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw van direct hogere frase (Habel Mathijsz. en vennoten).
190 Soo keeren zyluyden, supplianten, hun tot Uwer Ed., versoeckende mandament, daerby de deeckens ende vinders van het schippersgilde binnen Haerlem, op groote peyne, tegens de Ho. Overicheyt te verbeuren, belast ende bevolen werde de voors. Pieter Pietersz. met sijnne scheepe ende ladinge uuyt den voors. pretense arreste ende detentie te ontslaen, met interdictie van gelycke oock in regarde van andere doorvaerende schippers meer te doen, ende voorts de overluyden ende schippers binnen Amsterdamme gemaincteneert, gestijft ende gesterckt werden in de possessie vel quasi van den schippers van Haerlem, coomende ledich scheeps, binnen Amsterdam niet anders toe te staen eenige vracht off ladinge in te nemen dan van één coopman of factoor ende voorts in de possessie vel quasi van de vrye vaert met haere scheepen ende ladinge door de stadt Haerlem ende te betaelen de costen, hieromme gedaen, ende in cas van oppositie de voors. bevelen penael stadt houdende ende daerby desniettemin de deurwaerder geaucthoriseert werde om den voors. schipper met zijnnen scheepe ende ladinge by provisie ende onvermindert een yders recht uuyt de voors. arreste ende detentie te ontslaen [Q], tenminsten mits stellende cautie voor het gewijsde van deesen Raede [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 2: 477)
[Amsterdam, Holland; 1623-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Verzoekers [het gilde van Amsterdamse binnenvaartschippers] richten zich tot Uwe Edelheid [Hoge Raad] met het verzoek om een bevel uit te vaardigen waardoor aan de dekens en keurmeesters van het schippersgilde in Haarlem op straffe van een zware boete, te betalen aan de hoge overheid, bevolen zal worden om de genoemde Pieter Pietersz. met zijn schip en lading uit de genoemde onrechtmatige beslaglegging en hechtenis te ontslaan, onder oplegging van een verbod op een dergelijke handelwijze ook ten aanzien van andere doorvarende schippers, waarmee voorts de directeuren en schippers in Amsterdam bevestigd en gesterkt zullen worden in hun verworven recht om de Haarlemse schippers die met een leeg schip binnenkomen, in Amsterdam het innemen van vracht of lading van slechts één koopman of tussenpersoon toe te staan en tevens in hun verworven recht van vrije doorvaart met hun schepen en vracht door de stad Haarlem. Het Haarlemse schippersgilde zal daarbij bevolen worden de kosten te betalen die voor deze procedure zijn gemaakt. In geval van [door de Haarlemmers] aangetekend bezwaar zullen de genoemde boetes van kracht blijven en zal de gerechtelijk ambtenaar niettemin gemachtigd worden om - bij wijze van voorlopige maatregel en onverminderd ieders recht - genoemde schipper met zijn schip en vracht uit de genoemde beslaglegging en hechtenis te ontslaan, zodra hij althans een borg gesteld heeft voor het [uiteindelijke] vonnis van deze Raad’
    Het citaat is een fragment uit een verzoekschrift d.d. 31 januari 1623 van het gilde van Amsterdamse binnenvaartschippers aan de Hoge Raad om een bepaald bevel (mandament) aan het Haarlemse schippersgilde uit te vaardigen. Tekstcat. is B. Onderwerp is een geschil met het Haarlemse schippersgilde: de Amsterdamse schipper Pieter Pietersz. zit in Haarlem vast en zijn materiaal is in beslag genomen. Volgens de Haarlemmers is hij, zo stelt het gilde in het rekest, zonder vergunning vanuit Amsterdam met een geladen schip naar Haarlem gevaren. Woorden: pretenselijk: ‘ten onrechte’ (pretense, bijv nmw: ‘beweerd, waarop men aanspraak meent te hebben’; voorgegeven; zogenaamd); possessie vel quasi: ‘bezit van een verworven recht’.
    Het gilde van Amsterdamse binnenvaartschippers doet de Hoge Raad het verzoek om, ook voor het geval van door Haarlem aangetekend bezwaar, de gerechtelijk ambtenaar te machtigen om schipper, schip en vracht uit arrest te ontslaan (Q), op het moment althans dat de schipper een borg heeft gesteld voor een eventueel later vastgestelde boete (P). Q duidt op het ontslag van de gearresteerdeschipper uit hechtenis, dat volgens de hier geboden voorstelling van zaken plaatsvindt als gevolg van de borgstelling door de gearresteerde persoon. P heeft een temporeel-momentane rol, die begrepen wordt als quasi-causale rol.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw. Het begrepen onderwerp is de gearresteerde schipper, en die vervult de rol van lijd.voorw in de direct hogere frase.
191 [...] [konnen] het oordeel daervan niet [...] verdraghen, ende [zijn] beducht [...] voor de geheuchenisse van dien, als verseeckert wesende van hare veroordeelinge ende condemnatie [als.pp-frase]: in voegen dat se daerdeur boven de mate verbittert ende aengedreven zijn tot alderuyterste resolutiën, om te vervolgen beyde Autheur en Boeck, ende beyden het leven te nemen [Q], mits onderdruckende en in duyster houdende d’een, en proscriberende, dat is lyveloos ende goedeloos makende, d’ander [mits.pp P]. Want die gene, die door veranderinge haer selven Meesters gemaeckt hebben van den staet der voorseyde Landen [...] verklaren het selve voor oproerich, argerlijc ofte schandaleus [...] (BriefwissGrotius 278)
[Parijs, Buitengewestelijk; 1623-T07] T=T07 P=Parijs R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[...] zij [leden van de Staten-Generaal] kunnen de conclusie ervan [van De Groots boek] niet verdragen en omdat ze zeker weten dat ze daarvoor veroordeeld zullen worden, zijn ze bevreesd dat men zich het boek zal herinneren; met het gevolg dat ze razen van woede en gemotiveerd zijn om de extreemste besluiten te nemen, namelijk om zowel auteur als boek te vervolgen en beide het leven te ontnemen, door verbod en censuur van het boek en verbanning, dat wil zeggen beroven van lijf en goed van de auteur. Immers degenen die zich via een omwenteling meester gemaakt hebben van het bestuur van de genoemde gewesten, betitelen het boek als aanzettend tot oproer, provocerend of aanstootgevend.’
    Het citaat staat in een brief (tekstcat. B) d.d. februari 1623 van Hugo de Groot aan de Franse koning Lodewijk XIII. Doel: de koning opnieuw vragen om bescherming van hemzelf en zijn goederen. De Groot is de koning erkentelijk dat die hem na zijn vlucht uit de gevangenschap op slot Loevestein heeft toegelaten in Frankrijk (‘toevluchtsoord voor verdrukten’) en hem toestemming gegeven heeft in 1622 zijn boek te laten drukken getiteld Apologeticus oftewel Verantwoordingh van de wettelijcke regieringh van Hollandt ende West-Vrieslandt, waarin hij het Hollandse bewind onwettig noemt en stelt dat ieder gewest in de Unie een soevereine staat moet zijn. Naar De Groots zeggen heeft hij daarin alle betrokkenen respectvol bejegend, maar bij plakkaat van de Staten-Generaal van 24 november 1622 is het boek verboden en De Groot vogelvrij verklaard. Woord: proscribeeren WNT: ‘vogelvrij verklaren, verbannen’.
    Censurering van het boek en verbanning van de auteur zijn middelen (P) waarmee werk en auteur vervolgd en van het leven beroofd worden, wat volgens De Groot het doel is van de Staten-Generaal (Q). De relatie P-Q is instrumenteel. Er is in dit citaat ook een (causale) pp-constructie: de frase als verseeckert wesende van hare veroordeelinge ende condemnatie noemt de reden die De Groot ziet voor de angst van de Staten-Generaal voor de situatie dat men zich zijn boek zal herinneren.
 De mits.pp-frase is conjunct, want als subject ervan worden begrepen de Staten-Generaal, die ook het begrepen subject zijn van de direct hogere nevengeschikte infinitiefconstructies.
192 De affgaende ouderlyngen zijn van oprechten uut naemen der consistorie over haeren trouwen dienst bedancket, met beloftenisse, omme haer in het toecommende [Q 1e deel], mits daertoe beroepen synde [mits.pp P], geerne te laeten in denselven dienst te gebruijcken [Q 2e deel]. (ActaArnI 156)
[Arnemuiden, Zeeland; 1624-T07] T=T07 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=m SM=Cond CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘De aftredende ouderlingen worden namens de kerkenraad oprecht bedankt voor hun trouwe dienst, na hun belofte om zich in de toekomst, mochten ze daartoe voorgedragen worden, gaarne [weer] beschikbaar te stellen voor dat ambt.’
    Dit citaat staat in de handelingen van de kerkenraad van 21 april 1624 van de Nederduits Gereformeerde Gemeente in Arnemuiden. Tekstcat. is B. Woord: beroepen: WNT betek. 5.
    De aftredende ouderlingen hebben, volgens het verslag van de scriba van de kerkenraad, het belang van de kerkenraad voor ogen. De Q-frase noemt namelijk iets wat zij de kerkenraad beloven, en waarvan zij dus menen dat die het graag zou zien: dat zij in de toekomst opnieuw beschikbaar zullen zijn voor het ambt. De mits.pp-frase noemt de voorwaarde die inhoudt dat zij daarvoor dan door de raad voorgedragen zullen moeten zijn.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten, subject-subject.
193 [...] instituerende ende nominerende voorts tot hare universele erffgenamen [...] Truijtgen Roemers, Annitgen Roemers, ende Pieter Visscher hare broeder ende susters, ende bij ordine der selver kint, kinderen off verder descendenten bij representatie, met sulcken verstande dat de vrunde ende erffgenamen vande voornoemde haere testatrices man sullen mogen volstaen [Q], mits eens voor all aen haere voornoemde geinstitueerde erffgenamen (boven de prelegaten ende legaten hier naer gespecificeert) uijtkeerende, de somme van seven duijsent karolus guldens sonder meer [mits.pp P]. (OnwaardeerlVrouw 358)
[Alkmaar, Holland; 1625-T07] T=T07 P=Alkmaar R=Holland TC=A1 TG=Test TS=e SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] ze benoemt voorts tot haar universele erfgenamen [...] haar broer en zusters Truijtgen Roemers, Annitgen Roemers en Pieter Visscher, en bij plaatsvervulling in rangorde hun kind, kinderen of verdere afstammelingen, met dien verstande dat familie en erfgenamen van de eerder genoemde echtgenoot van testatrice ten aanzien van haar voornoemde aangewezen erfgenamen (naast de prelegaten en legaten die in het volgende gespecificeerd worden) niet meer zullen hoeven uit te keren dan zevenduizend carolusguldens ineens.’
    Het citaat komt uit het wederzijds testament (tekstcat. A1) van Maria Tesselschade en haar man, opgemaakt op 21 januari 1625 bij notaris Baert te Alkmaar, bij wie het echtpaar dichtbij woonde. Zij laten in dit testament een bepaling opnemen voor het geval ze zouden overlijden zonder kinderen achter te laten. Maria benoemt haar zusters en broer tot universele erfgenamen; het citaat vermeldt de verplichting die de familieleden en erfgenamen van haar man ten opzichte van Maria’s erfgenamen hebben. Woorden: bij ordine: WNT betek. 2 (‘(op) volgorde, rangorde’); prelegaat: legaat aan een der erfgenamen ter bevoordeeling boven anderen in gelijken graad; legaat: bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, of wel alle zijne goederen van eene zekere soort; als, bij voorbeeld, alle zijne roerende of onroerende goederen, of het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen (naar WNT).
     De mits.pp-frase benoemt een middel voor de familie en de erfgenamen van Maria’s echtgenoot (P) om het doel te vervullen om aan hun verplichtingen ten aanzien van de zusters en broer van Maria te voldoen (Q).
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten, subject-subject.
194 Soo is haer wille ende begeeren, dat d’ voornoemde hare man, d’ voorseide usufruct ende lijftocht van haere goederen, sal hebben ende genieten tot weder hijlickens toe, ende langer niet, ende sal d’ selve hare man, in cas van wederhijlicken mogen volstaen [Q], mits bewijsende hare kint off kinderen tot haerluijder moeders erffenisse de somma van vijff duijsent gulden, onder soodanige conditie bij soo verre hare man bij een ander huijsvrouwe kint ofte kindere quame te teelen, dat alsdan haer testatrices kinderen ende descendenten, voor uijt sijne goederen sullen hebben ende genieten, de somme van twee duijsent vijff hondert karolus gulden [mits.pp P] (OnwaardeerlVrouw 358v)
[Alkmaaer, Holland; 1625-T07] T=T07 P=Alkmaaer R=Holland TC=A1 TG=Test TS=e SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Het is haar uitdrukkelijke wens dat haar eerder genoemde echtgenoot het geschetste vruchtgebruik van haar goederen zal genieten tot aan zijn hertrouwen, niet langer, en dat deze man in geval van hertrouw ermee zal mogen volstaan aan hun kind of kinderen als erfenis van hun moeder de som van vijfduizend gulden toe te kennen, onder de voorwaarde dat ingeval hij bij een andere vrouw een kind of kinderen zal verwekken, de kinderen van testatrice en hun nakomelingen dan vóór anderen uit zijn bezittingen de som van tweeduizend vijfhonderd carolusgulden zullen ontvangen’
    Het citaat komt uit het wederzijds testament (tekstcat. A1) van Maria Tesselschade en haar man, opgemaakt op 21 januari 1625 bij notaris Baert te Alkmaar, bij wie het echtpaar dichtbij woonde. Het citaat betreft de mogelijke situatie waarin Maria kinderen achterlaat. Maria’s man krijgt, zo meldt het citaat, het vruchtgebruik van haar goederen, en heeft in geval van hertrouw een zekere verplichting ten aanzien van haar kinderen. Woord: bewijsen: MNW bewijsen: ‘toewijzen, toekennen’.
    De mits.pp-frase - waarin een speciale voorwaarde ingeleid door onder soodanige conditie is ingebed - benoemt een middel voor de echtgenoot (P) om het doel te vervullen om aan zijn verplichtingen te voldoen (Q).
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten, subject-subject.
195 De E broederen deser vergaederijnghe hierover ghevraecht sijnde, antwoorden [...], dat in deese vergaederijnghe ghenen onvrede is dan die onstaen is door de schult der E broederen des classis [Q], mits afslaende de verkiesynghe voor desen bij deese vergaederijnghe ghedaen op den persoon van mr. Carel Demaets [mits.pp P]. (ActaArnII 14)
[Arnemuiden, Zeeland; 1626-T07] T=T07 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=m SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[Een vertegenwoordiging van de classis wijst vanwege te verwachten onrust de nieuwe dominee af die de kerkenraad had uitgekozen.] Desgevraagd geven de eerwaarde broeders van deze vergadering als reactie [...], dat er in deze vergadering geen andere onvrede heerst dan de onvrede die ontstaan is door toedoen van de eerwaarde broeders van de classis, doordat zij een streep zetten door de keuze die eerder door deze vergadering gemaakt is voor de persoon van meester Carel Demaets.’
    Dit citaat komt uit de handelingen van de kerkenraad van 22 april 1626 van de Nederduits Gereformeerde Gemeente in Arnemuiden. Tekstcat. is B. Een deputatie van de classis was op de kerkenraadsvergadering aanwezig om een juiste beslissing te waarborgen (de leden van de classis sijn inghestaen ter vergadering); zij achtten de persoon van Carel Demaets ongeschikt als nieuwe dominee. Woord: voor afslaan in de zin van ‘verijdelen’ (van een voornemen) noemt het WNT bewijsplaatsen onder de betekenis ‘afwijzen’ ad I, I, A, 2, a, beta, en Supplement, idem.; Mr.: WNT meester betek. 5; sijn inghestaen (niet in citaat, maar van belang voor begrip van de situatie): WNT instaan I, II, 4/5 leidt tot een betekenis ‘aanwezig zijn om juiste beslissingen te waarborgen’, waarbij ‘waarborgen’ cruciaal is.
    Volgens de leden van de kerkenraad van Arnemuiden hebben de broeders van de classis onrust gezaaid (Q) door de voorkeurskandidaat van de kerkenraad als nieuw te beroepen dominee af te wijzen (mits.pp P). De mits.pp-frase noemt het middel waarmee de classis die onrust heeft gezaaid.
 De aansluiting is semi-conjunct, want het begrepen subject van de mits.pp-frase zijn de eerwaarde broeders van de classis; zij worden in de direct hogere frase slechts genoemd in een possessieve bepaling binnen de bepaling door de schult der E broederen des classis.
196ab Maar verstaan hebbende hoe ’t slot van Angers ten behoeve van Henrik was ingenomen, vloogh derwaarts, uyt het leger, met eenighe scharen, om het te bezetten; zó heet in deze hope, dat hy de Lóire over trock, onbedacht op de swarigheden van ’t wederkeren. Hy vondt het slót verloren, ende dapper te doen, om den vyandt, van alle kanten op hem aankomende, t’ontgaan. ’t Welck hem nóchtans geluckte [Q1], mits slópende zyne benden, ende zich ter zee gevende nae Engelandt [mits.pp P1]. [...]
Daar nae trock hy nae Marans, dat van den maarschalck van Biron eenen óuden kryghsman met ontrent duizendt paarden, ende tusschen drie ende vier duizendt voetvólx beleidt was: dien hy [Q2 1e deel], mits bevoorwaardende vrije oeffening van beide gezindtheden aldaar [mits.pp P2], deed vertrecken aan geen’ zyde der Charente [Q2 2e deel]. (Hooft 1972: 65v)
[Muiden, Holland; 1626-T07] T=T07 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Instr SM=Cond CV=W5 VO=Q-P VO=QPQ
           
    ‘Maar toen [Hendrik I van Bourbon-Condé] begrepen had dat het kasteel van Angers uit naam van Hendrik III [van Navarra] was ingenomen, spoedde hij zich vanuit zijn kwartier met enkele troepen daarheen om het te bezetten, in dit voornemen zó heetgebakerd, dat hij de Loire overtrok zonder aan de problemen van de terugtocht te denken. Bij zijn aankomst bleek het kasteel verwoest en was er veel onverschrokkenheid nodig om te ontkomen aan de vijand, die van alle kanten op hem afkwam. Maar dit lukte hem door zijn troepen te ontbinden en zich over zee naar Engeland te begeven. [...]
Daarna trok hij [Hendrik III van Navarra] naar Marans, dat door de maarschalk van Biron, een oude krijgsheer, belegerd werd met rond duizend paarden en drie- tot vierduizend man voetvolk. Hij [Hendrik III] liet hem vrije aftocht naar de overzijde van de Charente, onder de voorwaarde dat hij [Biron] een overeenkomst tekende inzake vrijheid van godsdienstoefening aldaar voor beide gezindten.’
    Dit citaat komt uit Hoofts Henrik de Gróte: zyn leven en bedryf. Deze vorstenspiegel valt in tekstcat. C. Het begin van het citaat beschrijft een actie uit 1586 van Hendrik I van Bourbon-Condé, in de godsdienstoorlogen militair leider van de Hugenoten en medestander van Hendrik III van Navarra (die drie jaar later als Hendrik IV koning van Frankrijk zou worden). Deze Hendrik III van Navarra is de hoofdpersoon in de laatste zinnen van het fragment. Het aan dit citaat voorafgaande gedeelte vermeldt dat na een aantal kortdurende perioden van godsdienstvrijheid voor de protestanten, in heel Frankrijk de godsdienstoorlog in 1586 weer was opgelaaid; dit betreft één van de vele Hugenotenoorlogen die Frankrijk gekend heeft. Woorden en namen: Angers: stad ten westen van Parijs, hoofdstad van de historische provincie Anjou; slopende: WNT sloopen betek. 8; Marans: plaats ten noorden van het protestantse bolwerk La Rochelle; Charente: rivier in Midden-Frankrijk met een uitmonding in de Atlantische Oceaan ten zuiden van La Rochelle; Biron: Armand de Gontaut, baron van Biron (1524-92), vanaf 1576 maarschalk in koninklijke dienst; beleidt: WNT beleggen betek. 3 (‘belegeren’); bevoorwaardende: WNT bevoorwaarden betek. 1 (‘(...) overeenkomen (...)’).
    De rol van de mits.pp-frase met P1 is instrumenteel: P is een middel voor het doel om met succes aan de tegenstanders te ontkomen. Condé). De rol van de mits.pp-frase met P2 is conditioneel: P is een voorwaarde voor Biron om in vrijheid te kunnen vertrekken.
 De mits.pp-frase met P1 is conjunct subject-meew.voorw: het begrepen subject is de persoon die in de hogere zin meewerkend voorwerp is, aangeduid met hem (Hendrik I van Bourbon). De mits.pp-frase met P2 is conjunct subject-lijd.voorw: als subject wordt Biron begrepen, en deze persoon is ook lijd.voorw van de direct hogere frase dien.
197 [...] Ende in cas van scheydinge sal den voorn. Guillaume van Scharenburch gehouden sijn, soo hy aenneemt ende belooft by desen, aen hem te behouden alle de winckelgoederen van de voors. compagnie met de dependentiën van dien tot taxatie van goede mannen, hun dies verstaende, ten wedersyden daertoe te nomineren. Ende belangende de uytstaende schulden, d’selve sullen by den voorn. Van Scharenburch alleene van de debiteuren geinnet werden [Q], mits daervan alle maenden doende behoorlycke deughdelycke reeckeninge ende uytkerende tgeene voor d’ voors. syne compagnons ontfangen sal sijn [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 2: 672)
[Amsterdam, Holland; 1629-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘[...] En in geval van ontbinding [van de compagnie] zal de genoemde Guillaume van Scharenburch verplicht zijn - hetgeen hij op zich neemt en bij deze belooft - alle winkelgoederen van de genoemde compagnie met datgene wat daarbij hoort bij zich te houden ten behoeve van een taxatie door betrouwbare ter zake deskundigen, die vanuit beide partijen daartoe benoemd zullen worden. En wat de uitstaande schulden betreft, deze zullen uitsluitend door de eerder genoemde Van Scharenburch bij de debiteuren geïnd worden, waarbij hij de plicht heeft elke maand daarvan correct rekening en verantwoording af te leggen en uit te keren wat voor zijn voornoemde compagnons ontvangen is.’
    Dit is een citaat uit artikel 12 van een bij een Amsterdamse notaris opgemaakt contract (tekstcat. A1) tot de oprichting van een compagnie voor zijdehandel: partners zijn de gebroeders Van Horne en de heer Van Scharenburch. Het contract is gedateerd 27 januari 1629. Woord: zich verstaan + (bijv.) genitief: deskundig zijn (inz.).
    Van Scharenburg neemt volgens het contract in geval van opheffing van het bedrijf het innen van schulden op zich (Q) en heeft daarbij vanzelfsprekend de plicht om daarvan maandelijks rekening en verantwoording af te leggen en de andere partij diens deel uit te keren (P). P heeft dus comitatieve functie.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten: het begrepen subject wordt in de direct hogere passieve frase slechts genoemd in een Agentieve by-bepaling.
198 Men stroyt daegelijcks boecken tegens den trefves, onder andere die seer bot sijn als proponerende, dat eerst de provinciën behoorden onder den anderen te accorderen ende dan samentlijck een accoord met den koninck van Spangniën te maecken [Q], mits houdende de privelegiën daerbij voegende, dat men de trafycque op Oost- ende Westindië soude vrij hebben, ofte anders dat men aldaer de oorloge soude voeren ende niettemin de vrede in dese landen behouden [mits.pp P]. (ePistolarium, van Willem van Oldenbarnevelt aan Hugo de Groot)
[Brussel, Brabant; 1629-T07] T=T07 P=Brussel R=Brabant TC=B TG=Brief TS=k SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Men verspreidt dagelijks geschriften tegen de wapenstilstand, waarvan sommige zo dom zijn om voor te stellen dat de gewesten allereerst met elkaar tot overeenstemming zouden moeten komen om dan gezamenlijk een verdrag met de koning van Spanje te sluiten, waarbij ze bij een vasthouden aan de voorrechten zouden moeten regelen dat de handel op Oost- en West-Indie vrij zal zijn, of ten minste dat men de strijd [om de koloniën] aldaar zal voeren en daarentegen in onze gewesten de vrede zal handhaven.’
    Het citaat komt uit een brief van Willem van Oldenbarnevelt aan Hugo de Groot, gedateerd 7 december 1629. De brief valt in tekstcat. B. Willem van Oldenbarnevelt (zoon van Johan, de raadspensionaris) was gevlucht naar Brussel (dat onder Spaans gezag stond) nadat zijn plan was uitgelekt dat hij Maurits wilde vermoorden om zijn vader te wreken; Hugo de Groot was op dit moment gevestigd in Parijs. Woorden, kwesties: proponerende: WNT proponeeren betek. 2 (‘voorslaan, een voorstel doen, een plan opperen’); trefves: in de brief die aan deze voorafgaat, schrijft de auteur dat hij voorstander is van vrede met Spanje; koninck van Spangniën: Philips IV; de trafycque op Oost- ende Westindië: de voorwaarde van Spanje voor een eventuele verlenging van het bestand was juist stopzetting van de activiteiten van de West-Indische Compagnie geweest; voegende: WNT voegen I betek. I.II.4/5. Transcriptie: diplomatisch.
    Op te merken is allereerst dat mits niet is geconstrueerd met de direct volgende pp-frase houdende de privilegiën; die is een vooraf geplaatste predicatieve frase ‘bij een vasthouden aan de privileges’ bij het begrepen subject (de provincies) van de omvattende mits.pp-frase mits...daerbij voegende dat... Gegeven deze structuur, is de analyse van de constructie de volgende. Sommige geschriften stellen voor dat de provincies het eerst onder elkaar eens worden, en pas daarna gezamenlijk een verdrag met de koning van Spanje sluiten (Q) waarbij zij - met behoud van de privileges - zouden moeten regelen dat de handel op Oost-Indië vrij zal zijn, of ten minste dat de oorlog in de koloniën zelf plaatsvindt terwijl het in de Nederlandse gewesten toch vrede blijft (P). De rol van P is comitatief. De tekst bevat verder ook een als.pp-configuratie, namelijk [...] die seer bot sijn als proponerende, dat [enz.]. Deze als.pp-frase is causaal op te vatten: ‘[...] die zeer onverstandig zijn omdat ze voorstellen [...]’. De mits.pp-constructie wordt door de als.pp-constructie omspannen.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het subject ervan is te begrijpen als de provinciën, die ook het subject zijn van de direct hogere frase met infinitief te maecken.
199 [...] dat deselve opt voorschreven Huys soude moghen legghen om te commanderen, den Heere van Groenenvelt, met eenighe Utrechtsche Compaengien, aenghesien wy ons verseeckeren dat synen persoon alle de Provincien aengenaem wesen zal, ende Hendrick die Vos die ter nominatie vande voorschreven drie Steden tot het Drostampt van Coeverden ghecommitteert is gheweest (der selver Landtschap als noch aenghenaem wesende) inde bedieninghe van ’tselve ampt laten treden [Q], mits by hem doende eedt ende belofften, oock caverende de voorschreven gherechticheyt ende privilegien van Over-Yssel te zullen onderhouden [mits.pp P]. (Bor 1630 bk. 29: fol. 31verso kol. 1)
[Haarlem [Den Haag +landschap Overijssel], Holland [Noordoost-Nederland]; 1630 [?1592]-T07] T=T07 P=Haarlem P=Den Haag P=landschap Overijssel R=Holland R=Noordoost-Nederland TC=C TG=Verkl TS=l SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[wij, Staten-Generaal, stellen u, Maurits, als maatregel voor] dat Uwe Excellentie voor het beleg van voornoemd Huis [van Coevorden] de heer van Groenenvelt als commandant zou willen inzetten, vergezeld van enkele Utrechtse bataljons, aangezien we zeker weten dat zijn persoon alle gewesten welgevallig zal zijn; en dat u Hendrick die Vos, die door de genoemde drie steden genomineerd is voor het drostambt van Coevorden (en die nog steeds de steun van deze landstreek [Overijssel, met de drie steden] heeft), in dat ambt zou willen bevestigen, onder de voorwaarde dat hij zich, als hij zijn eed en beloften aflegt, persoonlijk ook verbindt de voornoemde rechtmatige aanspraken en privileges van Overijssel in stand te zullen houden.’
    Dit citaat komt uit het negentwintigste boek van Bors historiewerk (tekstcat. C) Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende borgerlijcke oneenicheyden. De auteur citeert hier - of het een letterlijk citaat is, weet ik niet - een missive van de Staten-Generaal aan Maurits uit 1592, met de kort daarvoor door vertegenwoordigers van het landschap Overijssel (de voorschreven drie Steden, nl. Zwolle, Kampen en Deventer) ter vergadering gedane oproep om Coevorden te veroveren en onder prinselijk gezag te brengen. Als datering houd ik het jaar van uitgave, 1630, aan. Woorden: ghecommitteert: WNT committeeren, betek. 2; caverende: WNT caveeren betek.2, ‘Bij voorraad overeenkomen, voorzien, beschikken’, d.w.z. ‘akkoord gaan met, zich verbinden’_ betekenis van caveren als rechtsterm is ‘veiligstellen, waarborgen, instaan voor’; gherechticheyt: WNT gerechtigheid: betek. B.2 a eerste streepje: ‘rechtmatige aanspraken’; onderhouden: MNW onderhouden II, betek. 2b, en WNT onderhouden II, I, II, B, 1, b, beta, 4e.
    Het zou kunnen lijken dat mits geconstrueerd is met doende eedt ende belofften. Dat is echter niet het geval: mits is geconstrueerd met oock caverende. De woordgroep doende eedt ende beloften is een predicatieve bep. bij het begrepen onderwerp van caverende. Er is bedoeld: ‘mits hij zich - bij zijn eedafleggen - verbindt om...’. Q en P zijn dan als volgt te begrijpen: de Staten-Generaal stellen Maurits voor Hendrick die Vos te bevestigen in het drostambt van Coevorden (Q), onder de voorwaarde dat deze zich bij het afleggen van de eed óók verbindt de oude aanspraken en privileges van Overijssel te zullen eerbiedigen (P). Q wordt in dit voorstel gezien als gewenst voor Hendrick die Vos, maar voor de verwerkelijking daarvan willen de Staten-Generaal een voorwaarde vervuld zien inzake de juiste instelling van de ambtsdrager tegenover de oude privileges van Overijssel, waarmee ze een wens van het landschap Overijssel overnemen.
 De mits.pp-frase is conjunct: het subject is Hendrick die Vos, die ook lijdend voorwerp is van de direct hogere zin. Dit subject wordt nog eens apart door een by-bepaling in de mits.pp-frase uitgedrukt, vermoedelijk ten teken dat de drost-in-spe zich afgezien van zijn ambtseed persoonlijk óók tot de aanspraken en voorrechten van Overijssel dient te bekennen.
200 Heden is mij vertoont een geschrift in hooghduitsch houdende de voorwaerden van ’t verdragh tussen den kaizar ende de kroonen van Vrankrijk ende Spanjen, waer van hier bij een afschrift in Nederlandschen druk gaet, niet al te wel vertolkt. De voorwaerden tussen den H. van Thoirax ende Spinola heeft UE daer bij, maer zijn immers zoo slordigh. Doch isser ujt te zien dat den Franchojs zijn haen koning blijft, Nevers meester van Mantua ende Montferrat, Thoirax in volle glorje. De pleghtigheit van ’t afbidden oft schult bekennen is maer wint en róók, daer wijze lujden lichtlijk afscheiden [Q], mits ’t hecht inde handt houdende [mits.pp P]. ’T gevoelen dat U E niet min als mij ende allen liefhebberen der gemeene welstandt rustende op d’evenwight der Fransche ende Oostenrijksche maghten, deze maere smaken zal, doetze mij hier dezen avont insluiten om morghen vroegh te bestellen (BriefwissHooft dl. 2: 130)
[Muiden, Holland; 1630-T07] T=T07 P=Muiden R=Holland TC=B TG=Brief TS=j SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Vandaag is mij een in Hoogduits opgesteld document onder ogen gekomen met de bepalingen van het verdrag tussen de keizer en de koningen van Frankrijk en Spanje, waarvan u hier een gedrukte versie krijgt in het Nederlands, niet al te best vertaald. De verdere afspraken tussen de heren Toiras en Spinola krijgt u erbij, maar deze zijn minstens zo slordig. Echter daaruit wordt wel duidelijk dat de haan van de Franse koning blijft kraaien, nu Nevers de macht houdt over Mantua en Montferrat, en Toiras glorieus uit de strijd is gekomen. Plichtplegingen zoals de betuiging van spijt en schuld zijn enkel maar wind en rook, die verstandige lieden allicht achterwege laten, waarbij het wel noodzakelijk is dat zij de touwtjes nog in handen hebben. In de verwachting dat dit bericht u niet slechter zal smaken dan mijzelf en alle andere voorstanders van het algemeen welzijn, dat immers berust op het evenwicht tussen de Franse en Oostenrijkse macht, sluit ik het hier vanavond bij om morgen vroeg te laten bezorgen’
    Dit citaat komt uit een brief van Hooft van 3 november 1630 aan zijn vriend Joost Baek, met wie Hooft geregeld correspondeerde over het dagelijkse politieke gebeuren. Het citaat valt dus onder tekstcat. B.
De brief gaat over het in Regensburg gesloten verdrag tussen de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de koningen van Spanje en Frankrijk. Hooft noemt ook een bijlage met afspraken tussen Spinola en Toiras, waarmee volgens de editeur gedoeld wordt op de condities waaronder Toiras de stad Casale, in deze brief onvermeld, aan Spinola overgeeft. Het belangrijkste is het verdrag: dat moest een eind maken aan de Mantuaanse successieoorlog (1628-1631), onderdeel van de Dertigjarige Oorlog. Daarin betwistten twee takken van het geslacht Gonzaga - de ene gesteund door de keizer en Spanje, de andere door Frankrijk - elkaar de macht over de steden Mantua en Montferrat. Volgens de editeur was Hooft tevreden dat Frankrijk autoriteit uitstraalde bij de onderhandelingen en dat de oudste tak van Gonzaga, in de persoon van de door de Fransen gesteunde naaste verwant Charles de Nevers-Gonzaga, het bewind over Mantua en Montferrat had behouden (BriefwissHooft dl. 2: 130). Woorden: slordigh: WNT slordig betek. 9; afscheiden: WNT Suppl bet. I.3.b (‘opgeven, laten varen, afzien van, afstand doen van’); lichtlijk: WNT lichtelijk bet. 4 (‘ (...) Allicht, (heel) goed, best’) in combinatie met bet. 5 (‘(...) gauw, spoedig, lichtvaardig, gemakkelijk’); WNT plichtplechtigheid (Afl. van WNT plicht I) in combin. met WNT plechtigheid, betek. I.2.; afbidden: vergeving vragen voor onrecht dat men gepleegd heeft, zoals het Duitse afbitten (dus anders dan WNT afbidden Suppl. betek. 1, dit citaat); ’t hecht in de hand houdende: WNT: hecht IV, waar voor dit citaat de uitdrukking het hecht in de hand (...) hebben of houden staat (‘het gezag hebben, houden’).Thoirax: Jean de Saint-Bonnet, seigneur de Toiras, voor 1630 de Franse gouverneur van Casale; Spinola: Spaanse bevelhebber; bestellen: WNT betek. 15; gevoelen: WNT gevoelen II betek. C.
    Twee analyses zijn mogelijk:
a. conditioneel
De zin waarin de mits-constructie staat is te zien als bewering van Hooft die stoelt op zijn observatie van Toiras’ gedrag vergeleken met wat hij gezien heeft bij andere bestuurderen. De bewering van Hooft dat verstandige politici er met gemak van afzien excuses te maken voor schade aan mens en omgeving geldt alleen (Q) als ze de touwtjes nog steeds in handen hebben (P). In andere woorden: ik (Hooft) stel vast dat het staatslieden als Toiras geen moeite kost [= voordeel, gemak oplevert] spijtbetuigingen achterwege te laten (Q) als [tenminste] de voorwaarde vervuld is dat ze nog stevig in het zadel zitten (P). De rijkdom van deze lezing is dat de interpretator zich hier direct realiseert dat de situatie vaak tegenovergesteld is, nl. dat een politicus zich uitput in excuses zónder dat genoemde voorwaarde vervuld is. Opvallend is, dat degene door wie de voorwaarde uitgevoerd moet zijn, hier onbenoemd blijft: dat zal feitelijk, in elk geval voor een deel, de betreffende politicus zijn, die aan een stevige en blijvende machtsbasis heeft moeten werken.
b. comitatief
Hooft merkt op dat verstandige politici zoals de Franse maarschalk Toiras bij onderhandelingen natuurlijk met gemak afzien van plichtplegingen zoals het uitspreken van spijt en schuld vanwege verwoestingen en verlies van mensenlevens en zulke zaken. Moeten we dit zo interpreteren dat de auteur zich hier richt op iets wat die ‘wijze lieden’ volgens hem als bewust streven hebben (Q), voor de verwerkelijking waarvan zij ook weten dat ze te maken hebben met de noodzaak om de touwtjes nog steeds in handen te hebben (P)? Dan zou aan P een voorwaardelijke rol toegeschreven kunnen worden; maar dat lijkt hier niet het geval te zijn. In een andere mogelijke interpretatie houdt Hooft zich hier niet bezig met het innerlijk streven van de bewuste ‘verstandige mensen’, maar observeert hij vanuit zichzclf cynisch dat zulke politici natuurlijk met gemak een moreel oordeel over hun eigen handelen achterwege laten (Q), waarbij het dan, voegt hij ook weer cynisch toe, natuurlijk wel zo moet zijn dat zij de touwtjes nog steeds in handen hebben (P) - bij deze interpretatie heeft P een comitatieve rol. Vooral door Hoofts cynisch-oordelende uitdrukkingswijzen wijze lujden ‘wijze lieden’, maer wint en róók ‘enkel wind en rook’, lichtlijk ‘met gemak’ en de in elk geval weinig terughoudend-officiële stijl van ’t hecht inde handt houdende past deze comitatieve interpretatie, die de samenhang van de standen van zaken aan de auteur alléén toeschrijft en niet vanuit de beschreven personen redeneert. In een karakteristiek van het begrip ‘comitatieve relatie’ hoort dit thuis: dat alléén de auteur degene is die de standen van zaken benoemt, zonder daarbij vanuit de beschreven personen te redeneren.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
201 Kinderen ofte kinds-kinderen eenighe goederen ofte penningen tot vordering van haer huwelick, neering ofte koopmanschap hebbende ontfanghen, ende willende daer nae met hare mede-erfgenamen deelen moeten eerst inbrenghen de selve goederen ofte de rechte waerde vandien, sulcs die was ten tijde van de gifte indien de goederen niet en zijn geschat: maer ingevalle van schattinge sullen moeten volstaen [Q] mids inbrenghende de selve schattinghe [mids.pp P], ende als dan deelen als nae rechten ([Grotius] De Groot 2010 [1631] dl. 1: 84)
[Loevestein (+Parijs), Midden-Nederland (+Buitengewestelijk); 1631-T07] T=T07 P=Loevestein P=Parijs R=Midden-Nederland R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Kinderen of kleinkinderen die goederen of geldsommen hebben ontvangen ten behoeve van hun huwelijk, bedrijf of zaak en die later samen met hun mede-erfgenamen willen delen, moeten die goederen zelf eerst inbrengen, of de juiste waarde daarvan zoals die was op het moment van de schenking indien de goederen niet zijn getaxeerd; in geval van taxatie daarentegen zullen zij aan hun verplichtingen moeten voldoen door het bedrag in te brengen waarop de goederen getaxeerd zijn, en dat daarna rechtvaardig moeten delen’
    Dit is een citaat uit de Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid, het ontwerp dat Hugo de Groot (aanvankelijk in Loevestein, later in ballingschap in Parijs) schreef voor een wetboek waarin hij systematisch alle aspecten van de in Nederland gangbare rechtspraktijk bij elkaar bracht. Tekstcat. is A2. Woord: inbrengen als rechtsterm: ‘De door den erflater aan zijne erfgenamen gedane schenkingen onder de levenden, vóór de scheiding, in een gemeenen boedel terug brengen.’
    De rol van P is instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
202 ’t Gunt by stucken niet deelbaer en is, moet gedeelt werden by gebruick van tijden, ende ’t gunt niet deelbaer en is, behoort die te volghen die ’t meeste deel heeft : ofte de deelen gelijck zijnde, die de meeste reden van zucht heeft tot de zaeck [Q], mids doende vergoedinghe aen de anderen [mids.pp P]: ofte daer alles ghelijck is, moet men komen tot het lot, ofte die de scheidinge begeert, stelt het goed te geeff ofte te neem. ([Grotius] De Groot 2010 [1631] dl. 1: 181)
[Loevestein (+Parijs), Midden-Nederland (+Buitengewestelijk); 1631-T07] T=T07 P=Loevestein P=Parijs R=Midden-Nederland R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Wat [inzake vererfd land] niet in onderdelen op te delen is, moet gedeeld worden naar gebruiksperiodes. En wat niet deelbaar is behoort toe te komen aan degene die het grootste deel heeft, of, als de delen gelijk zijn, aan degene die de sterkste reden heeft om de zaak te wensen, onder de voorwaarde dat hij een vergoeding geeft aan de anderen. Of als alles gelijk is, moet men overgaan tot loten, ofwel degene die de scheiding wenst, biedt het goed aan om te geven of te nemen.’
    Dit citaat uit de Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid van Hugo de Groot (tekstcat. A2) bevat juridische bepalingen ten aanzien van de verdeling van vererfd land (zgn. landscharing).
    Het verstrekken van een vergoeding aan de andere erfgenamen is voorwaarde (P) voor de verkrijging door degene die het grootste deel heeft, van wat niet deelbaar is, of door degene die het sterkste argument heeft, van een deel dat gelijk is aan andere delen (Q).
 De mids.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want het begrepen onderwerp is degene aan wie toekomt wat niet deelbaar is dan wel een deel dat gelijk is aan andere delen; deze persoon heeft in de direct hogere frase de rol van meewerkend voorwerp (die).
203 Betaling is een opbrenginghe des zaecks die iemand schuldig is, gedaen door den schuldenaer ofte iemand van sijnent weghen [Q 1e deel], mids bequaem zijnde tot het opbrengen [mids.pp P], aen den inschulder, bequaem zijnde om te ontfangen [Q 2e deel]. ([Grotius] De Groot 2010 [1631] dl. 1: 201)
[Loevestein (+Parijs), Midden-Nederland (+Buitengewestelijk); 1631-T07] T=T07 P=Loevestein P=Parijs R=Midden-Nederland R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘Betaling is een overhandiging van iets wat iemand schuldig is, verricht door de schuldenaar of iemand namens hem, mits degene die betaalt bevoegd is tot de overhandiging, aan de schuldeiser die bevoegd dient te zijn om te ontvangen.’
    Dit citaat komt uit de Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid van Hugo de Groot (tekstcat. A2). Woord: opbrenginghe: WNT opbrenging betek. 3 ‘(opbrengen in de bet. I.C.2.b). Het opbrengen, betalen van gelden als belasting, schatting, huur enz.’).
    Dit citaat is er een voorbeeld van dat “(...) de te vervullen voorwaarde neerkomt op een beperking tot ‘goede’ vertegenwoordigers van een categorie.” (Daalder 2006: 55 nt 6). De categorie bestaat uit schuldenaars of hun representanten. Q noemt een te waarderen eigenschap (id.) van deze categorie, nl. dat deze de juridische bevoegdheid heeft om het verschuldigde te betalen. De interpretatie van de mids.pp-constructie is: de betaling van datgene wat iemand schuldig is wordt uitgevoerd door de schuldenaar of iemand namens hem aan de schuldeiser, op voorwaarde dat de betaler bevoegd is tot de betaling; de ontvanger moet daarbij bevoegd zijn tot ontvangen. Er is ook een comitatieve analyse denkbaar: bij betaling overhandigt de schuldenaar of iemand namens hem datgene wat hij schuldig is aan de schuldeiser (Q), waarbij de overhandiger uiteraard wel tot overhandiging bevoegd moet zijn. De mids.pp-frase met P heeft dan een comitatieve rol. Voor het tweede bequaem zijnde... zou dat ook gelden, als het door mits voorafgegaan zou zijn.
 De mids.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen de schuldenaar of iemand namens hem, die in de direct hogere frase slechts optreedt als agentieve door-bepaling.
204 Soo ist, dat Balliu Burgemeesters Wethouders & Raden hebben geordonneert gestatueert ende ordonneeren & statue[?eren] midts desen dat de herbergiers deser stadt voorss van nu voortaen niet en sullen vervoorderen eenige Inlantssche bieren hooger te vercoopen of te vuijt te venten dan vijff stuyvers ider stoop, voorts Ingelssche maertssche als ander bieren van extrodin[?aire] prijsen vermogen vuyt te venten & vercoopen voor ses stuyvers de stoop [Q] midts vuijtstellende blicken aende posten van haere deuren den prijs van ider[e] bieren die sijlieden sullen vuijtventen & vercoopen [midts.pp P], Soo obie[?] contrarij bevonden wert sullen verbeuren haer [?bier] bouen dien de boete aenden heer Bailliu daer toe staende (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 163)
[Arnemuiden, Zeeland; 1631-T07] T=T07 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Daarom hebben de Baljuw, Burgemeesteren en Raad verordonneerd en vastgesteld, en verordonneren en stellen zij bij deze vast, dat de herbergiers van deze stad zich van nu af aan niet meer zullen vermeten inheemse biersoorten voor een hogere prijs te verkopen of te koop aan te bieden dan voor vijf stuivers per vat. Voorts dat ze Engelse, maartse en andere bieren van bijzondere kwaliteit te koop mogen aanbieden en verkopen voor zes stuivers per vat, onder de voorwaarde dat zij bordjes aan hun deurposten bevestigen die de prijs laten zien van elk bier dat zij te koop aanbieden en verkopen; ingeval een overtreding wordt geconstateerd, zullen zij hun biervoorraad verbeuren en bovendien aan de heer baljuw de boete moeten betalen die daarop staat’
    Dit citaat komt uit een resolutie van het Arnemuider stadsbestuur en valt dus in tekstcat. B. Direct voorafgaand aan het citaat staat de reden voor deze verordening, namelijk dat aan een periode van zeer hoge graanprijzen een eind is gekomen, en dus dat ook de tijd voorbij moet zijn dat herbergiers hogere prijzen voor bier mochten rekenen dan normaal. Woorden: stoop: MNW (‘naam van een vaatwerk voor natte waren (...); ook naam van eene bepaalde vochtmaat, houdende 2 mengelen’); vervoorderen: MNW vervorderen I, betek. II (hem vervorderen, maar in het citaat zonder reflexief pron.: ‘(...)zich tot iets verstouten, het wagen te’; maartsche bieren: WNT maartsch tweede streepje (“maartsch bier of maartbier, gebrouwen uit mout die in Maart (het voorjaar) bereid is, staat bekend om zijne goede hoedanigheid (...)” ); vuytstellende: WNT uitstellen, betek. 15 in combinatie met utestellen MNW betek. 1; blicken: MNW blic IV, ‘dun blad metaal’; ?obie: WNT obiect bet. 2 ‘geval, aangelegenheid’; contrarij: MNW contrarie I ‘tegenoverstaande, in strijd zijnde met (...)’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Het stadsbestuur neemt hier een mogelijke wens van herbergiers in het oog: zij mogen maartbieren, Engelse bieren en bijzondere bieren verkopen voor een stuiver per vat méér, namelijk voor zes stuivers per vat (Q) onder de voorwaarde dat zij bordjes aan de deurpost aanbrengen met een prijslijst (P). De rol van P is conditioneel.
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject zijn de herbergiers, die in direct hogere frase de subjectsrol vervullen.
205 [...] versoecken, dat Uwe Groot Mogende gelieve naecter - soo ’t mogelijck is - ende duydelycker verklaringe dienaangaande te doen ende namentlijck, off Uwe Groot Mogende meeninge niet en is, dat de seepsieders, grossiers ende uytslyters van de seep ende andere, die eenige seep by tonnen, halfvaten, virendeels ofte eenige Spaansche zeep met schepen, schuyten, wagens ofte karren willen vervoeren, doen ofte laten vervoeren buyten ’t resort van de consomptie van seep van Amsterdam, gehouden sijn van de quantiteyt ofte qualiteyt van deselve seepe by den pachter ofte collecteur daervan te halen behoorlijck biljet met verklaringe alvoren, waerna toe deselve wert vervoert [Q], mits betalende voor elck billet een halve stuyver volgens den inhout van Uwe Edele Groot Mogende placcaten, in date den 18en September 1631, hier voren aengevoert [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 2: 833)
[Amsterdam, Holland; 1632-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[De pachters van de zeepbelasting] verzoeken dat het Uwe Grootmogenden gelieft zo mogelijk een duidelijker en explicieter verklaring dienaangaande af te geven, die in het bijzonder antwoord geeft op de vraag of Uwe Grootmogenden niet van mening zijn, dat de zeepzieders, groothandelaren en kleinhandelaren in zeep alsmede anderen die een hoeveelheid zeep in tonnen, halve vaten, vierendelen dan wel een vracht Spaanse zeep in schepen, schuiten, wagens of karren willen vervoeren of doen vervoeren naar gebieden buiten het ressort van de Amsterdamse zeephandel, verplicht zijn inzake de kwantiteit of kwaliteit van die zeep bij de pachter of invorderaar zich een genormeerde verklaring te verschaffen met een vermelding vooraf waarheen de waren worden vervoerd, waarbij zij voor iedere verklaring een halve stuiver dienen te betalen conform de inhoud van de plakkaten van Uwe Edele Grootmogenden de dato 18 september 1631, die hiervóór zijn aangehaald.’
    De pachters van de zeepbelasting te Amsterdam richten in het voorjaar van 1632 een rekest tot de Staten van Holland (tekstcat. B); aanleiding daartoe vormen de pogingen tot ontduiking van de zeepimpost die naar hun zeggen voorkomen bij de zeephandelaren. Woord: vierendelen: inhoudsmaat.
    In een verzoek aan de Staten van Holland suggereren de pachters van de Amsterdamse zeepbelasting de volgende beleidslijn te publiceren: zeephandelaren die hun waren willen vervoeren of laten vervoeren naar plaatsen buiten het belastingressort Amsterdam, zijn verplicht zijn een vrachtbrief met vermelding van de bestemming te laten maken door de pachters van de zeepbelasting (Q), waarbij zij voor elke vrachtbrief aan de pachters een halve stuiver moeten betalen (P) (hetgeen - niet expliciet gemaakt - het verlies aan inkomsten van de belastingpachters in dat geval enigszins zou compenseren). In deze situaties zouden zeephandelaren dus een zekere administratieve plicht hebben (uitgedrukt in Q), die beslist gepaard zou moeten gaan met een betalingsplicht (uitgedrukt in P). P heeft een comitatieve rol. Men kan hier zeggen dat de zeephandelaren met plannen voor vervoer van hun handel naar buiten de stad aan twee condities zouden moeten voldoen, echter niet dat de betalingsplicht P een conditie zou zijn voor de administratieve plicht. Het zou immers niet zo zijn dat ze zich de administratieve handeling zouden kunnen besparen en dan onder de betalingsplicht uit zouden kunnen! De zaken zouden in het verzoek ook wat rechtstreekser benoemd hebben kunnen zijn, in die zin dat de zeephandelaren volgens een alternatief geformuleerde suggestie aan de Staten hun waren indien gewenst naar buiten het ressort zouden mogen vervoeren onder de conditie dat ze tegen betaling door de belastingpachters een vrachtbrief zouden laten opstellen, waarbij sprake zou zijn van een voorwaarde met daarin ingebed ‘tegen betaling’. Gesteld voor de vraag welke rol de mits.pp-frase (het ‘tegen betaling van...’) dan zou hebben, komen we op dezelfde conclusie uit, de rol is een comitatieve.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject van betalende is gelijk aan het subject van gehouden zijn in de direct hogere frase, namelijk de zeephandelaren die hun zeep naar buiten het ressort willen vervoeren of laten vervoeren.
206 [...] d’voorn. bewinthebbers ende participanten respective ontslagen ende gequiteert sullen sijn ende blyven sulcx d’voorn. Claes Dircksz. met voordacht ende rypen raide haer ontslaat ende voor nu ende den tijt van ’t contract geduyrende quiteert mitsdesen van de 500 g. ’s jaers, hem by ’t voors. 30 ende voor nu ende den tijt van contract geduyrende de jaren, daerinne begrepen, belooft [Q], mits daervooren aan de voorn. Claes Dircksz., als voor alle actie, die hy in eeniger manieren opte voors. compangye van de houtsaechmolens eenichsins soude hebben te pretenderen directelijck of indirectelijck, eens voor al uytkeerende ende in gereden gelde betalende een somme van 600 car. g. eens ende voorts aen dezelve Claesz Dircksz. latende behouden een smitsblaesbalch, een aenbeeld, een speerhaeck, een handhamer, de kooien, schroeff ende al het timmergereetschap, dat hy thuys heeft met het hout, dat hy van de compangy gehaelt heeft met een vierendeel jaers huyshuyr, een weeck off twe onbegrepen [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 3: 16)
[Amsterdam, Holland; 1633-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[Men komt ook overeen dat] voornoemde administrateurs en compagnons [van een houtzagerij] repectievelijk ontslagen en vrij van verplichtingen zullen zijn en blijven, reden waarom voornoemde Claes Dircksz. hen weloverwogen en na rijp beraad ontslaat en voor nu en voor de looptijd van het contract bij deze bevrijdt van de uitkering van 500 gulden per jaar die hem beloofd was vanaf het genoemde jaar 30 en voor nu en voor de looptijd van het contract voor alle jaren daarin begrepen; op voorwaarde dat zij in plaats daarvan aan de genoemde Claes Dircksz., als afkoop van alle rechtsvorderingen die hij op enigerlei wijze tegen de genoemde compagnie van de houtzaagmolens direct of indirect geldend zou kunnen maken, een eenmalige som uitkeren van 600 carolusguldens ineens in contanten, en Claesz Dircksz verder in het bezit laten van een blaasbalg, een aambeeld, een speerhaak, een handhamer, de werkketen, bankschroef en al het timmergereedschap dat hij bij zich thuis heeft, inclusief het hout dat hij uit het bedrijf meegenomen heeft, plus een kwartaal vrij gebruik van zijn woning, waarbij op één of twee weken niet gekeken zal worden’
    Dit is een citaat uit een notariële akte (tekstcat. A1) uit mei 1633, waarin het contract tussen Claes Dircksz. en een Compagnie der Zaagmolens ontbonden wordt. Claes Dircksz. heeft geen verplichtingen meer aan het bedrijf. Ook andersom zijn er geen verplichtingen meer. Woorden: bewinthebbers: administrateurs (geen bewindvoerders, dat zijn degenen die beslissingen nemen in geval van faillissement); participanten: de medevennoten, de compagnons, die samen met Cl. Dircksz. directeuren waren en hem nu hebben uitgekocht; smitsblaesbalch: ‘blaasbalg’ (WNT blaasbalg); aenbeeld: WNT aanbeeld I in combin. met smitsblok; speerhaeck: WNT speerhaak betek. (‘klein, van twee horens voorzien aambeeld’); kooien: WNT kooi I betek. 3.b (‘werkkeet’); schroeff: WNT schroef betek. 4 (‘(...) bankschroef’).
     De mits-frase heeft conditionele betekenis: Claes bevrijdt de medevennoten van een contractueel vastgelegde betaalplicht aan hem (dit betekent een voordeel voor de medevennoten) (Q) op voorwaarde dat ze hem een flink bedrag ineens betalen en hij zeker gereedschap en materiaal mag houden, waarnaast hij zijn woning (die kennelijk deel uitmaakt van de opstallen van de compagnie) nog een kwartaal vrij mag gebruiken (P).Het eerste gedeelte van de mits.pp-frase (tot en met 600 car. g eens) bevat twee pp’s, beide met mits geconstrueerd, uitkerende en betalende. In dit citaat vult de korte frase met betalende de langere met uitkerende aan: die met uitkeren betekent dat aan Claes het genoemde bedrag uit een grote gezamenlijke pot wordt toegekend, die met betalen dat dat in één keer gebeurt en in contanten, die voor Claes op tafel gelegd worden.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw, want subject van mits.pp-frase zijn de administrateurs en compagnons, die ook lijd.voorw zijn van de direct hogere frase (daar aangeduid door haer).
207 [...] ende wie alsulcke proeve niet behoorlycken en dede tot vernoegen van den overluyden, sal gehouden zijn noch 6 maenden te leren ende alsdan dieselvige wederomme mogen doen in manieren voors. [Q] mits opnieuws daervan betalende als vooren [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 3: 28)
[Amsterdam, Holland; 1633-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] en wie een dergelijke proeve niet naar behoren heeft verricht tot genoegen van de gilde-oversten, zal verplicht zijn nog 6 maanden te leren en zal daarna die proeve op voornoemde wijze weer mogen doen, mits hij daarvoor opnieuw het eerder genoemde bedrag betaalt.’
    Dit citaat komt uit art. 16 van de gildebrief (tekstcat. A2) van het lakenbereiders- of droogscheerdersgilde d.d. 14 oktober 1633; de gildebrief omvat een aanpassing van en aanvulling op de bestaande gildebrief, die al bijna een eeuw oud was (van 1548).
    Het stadsbestuur (Mijne Heren van den Gerechte), verantwoordelijk voor de gildebrief, stelt dat de aspirant-meester die in eerste instantie gezakt is voor de meesterproef en toch verder wil gaan de verplichting heeft tot een extra half jaar studie; daarna mag hij weer examen doen (Q) onder de voorwaarde dat hij voor het afleggen van de meesterproef opnieuw het eerder genoemde bedrag betaalt (P). De rol van P is conditioneel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject; als subject wordt begrepen degene die opnieuw de meesterproef wenst te doen.
208 [...] hebben de voorn. Testateurs malcanderen ende d’een den anderen reciproce dat is d’eerst afflijvinge [afflijvige?] den langstlevende van hen beijden [...] geïnstitueert en genomineert [...] tot elx anders eenige en volcomen erffgename [...] omme alles by den langstlevende uyt eygener authoriteyt sonder eenige Immissie oft solemniteyten van rechteren oft rechten daertoe te derven versoecken, geaenvaert, genoten en eeuwelyck en erffelyck behouden te werden, sonder yemants tegenseggen [Q], mits alleenlijck uytkeerende aen des eerstafflyvigens naeste vrunden de somme van Twee duysent carolus guldens oft de renten van dien tegens 5 pr cento jaerlijx ter tijt toe de langstlevende sal mogen goetvinden de capitale somme aff te leggen [mits.pp P]. (Bredius 1908: 220v)
[Amsterdam, Holland; 1635-T07] T=T07 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Test TS=e SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] hebben de genoemde testateurs [Rembrandt en echtgenote] elkaar en de een de ander wederzijds - dat wil zeggen de als eerste overleden partner de langstlevende van hen beiden - aangewezen en benoemd [...] tot elkaars universele erfgenaam [...], zodanig dat de langstlevende alles op eigen gezag - zonder te hoeven verzoeken om formele lastgevingen van rechters, of rechten daartoe - aanvaardt, geniet en voor altijd in erfelijk eigendom behoudt zonder dat dit aangevochten kan worden, met als enige bepaling dat de langstlevende aan de naaste familie van de als eerste overledene een bedrag van tweeduizend carolusguldens dient uit te keren, of de rente daarvan à 5 % per jaar, tot het moment dat het de langstlevende zal goeddunken de hoofdsom uit te keren.’
    Dit citaat is afkomstig uit het testament dat Rembrandt van Rijn en Saskia van Uilenburg een jaar na hun huwelijk lieten opmaken. Tekstcat. is A1. Woorden: immissie: lastgeving; solemniteyten: WNT solemniteit betek. 1 (‘formaliteit om iets rechtsgeldig te maken’) - meestal meerv.
    Het gemeenschappelijk testament zegt dat de langstlevende huwelijkspartner als universeel erfgenaam zonder enige formaliteiten de volledige nalatenschap van de als eerste overleden huwelijkspartner zal kunnen aanvaarden en genieten (Q), met als enige bijbehorende bepaling dat hij of zij aan de naaste familie van de als eerste overleden huwelijkspartner tweeduizend carolusguldens dient uit te keren, of een jaarlijkse rente à 5 procent die later gevolgd wordt door de hoofdsom (P). De rol van P is een comitatieve.
 Het subject van de mits.pp-frase wordt begrepen als de langstlevende. Deze speelt geen rol als onderwerp of voorwerp in de direct hogere frase; wel fungeert daar de Agentieve bepaling by den langstlevende als verduidelijking.De mits.pp-frase is daarom semi-conjunct aangesloten.
209abc Concept van opbouw galeassen bij particulieren, versockende 40 £ van de voet, 14.000 £ in ’t heel bij ’t lant, ’t landt 30 soldaten bij doen, gequetste soldaten bij ’t landt betaelen [Q1], mits 7 sts. genyetende [mits.pp P1], de premiën te betaelen in de provintie van de uytredinge, nyet aff te schaffen dan in treffes etc [Q2], mits restituerende 4.000 £, ende geschut ende schipbehoren, 100 £ voor vischboot viants, 4 metalen stucken bij ’t landt te lenen à 12 lb [mits.pp P2]. Edelen connen toestaen den voorslagen. Amsterdam: fiat [Q3], mits uyt subsidie millioenen betaelt werdende ende daeraen cortende de advanceerde penningen ende premiën; dat pasporten vercofft worden tegens 450 £ yeder ter zee, Enckhuysen copye [mits.pp P3a [en] dat + Vf P3b]. Arrest: fiat concept, ter Generaliteyt consent en de betaelen uyt subsidiën. (St+Sch dl. 7: 421v)
[Den Haag (+Medemblik), Holland; 1635-T07] T=T07 P=Den Haag P=Medemblik R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Comit SM=Cond CV=W2 CV=W3 CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘Plan om particulieren galjassen [kleine koopvaardijschepen] te laten bouwen waarbij we 40 pond aan basiskosten vragen, 14.000 pond in totaal voor het gewest, het gewest doet er 30 soldaten bij, betaling van gewonde soldaten door het gewest, waarbij zij 7 stuivers dienen te krijgen, betaling van de premies in de provincie waar de schepen uitgerust worden voor de vaart, en dat alleen beëindigen ingeval van een bestand enz., waarbij dan 4.000 pond teruggegeven wordt alsmede het geschut en de scheepsuitrusting, 100 pond per vissersschip van de vijand, en de vier kanonnen die voor 12 pond per stuk van het gewest geleend worden. De edelen kunnen met de voorstellen instemmen. Amsterdam: akkoord, op voorwaarde dat de grote bedragen betaald worden uit ondersteuningsgeld en dat men [Amsterdam] de voorgeschoten gelden en premies daarvan aftrekt; dat zeebrieven uitgegeven worden voor 450 pond per stuk en dat Enkhuizen daarvan een afschrift krijgt. Besluit: plan akkoord, kan ter goedkeuring naar de Staten-Generaal, betaling uit ondersteuningsgeld.’
    Dit citaat met drie mits.pp-voorkomens komt uit de persoonlijke notulen van de vergadering van de Staten van Holland op 7 mei 1635 door Stellingwerf als vertegenwoordiger van de stad Medemblik gemaakt. Het zijn Stellingwerffs kladnotulen. Tekstcat. is B. Woord: premie: ‘betrekkelijk klein bedrag dat men aanstonds aan een ander betaalt, opdat deze later op een afgesproken tijd tegen een bepaalden prijs bepaalde goederen (veelal fondsen) zal leveren, indien men ze dan wenscht te ontvangen’.
    Q1 - P1: de relatie is comitatief. Het plan is dat gewonde soldaten door het gewest betaald worden (Q), en de plannenmakers achten het daarbij nodig dat zij ieder 7 stuivers krijgen (P). Voorwaardelijk is de relatie niet, want er is geen persoon of instantie voor wie het betalen van 7 stuivers per gewonde soldaat (P) noodzakelijk zou zijn om een gunst te verwerkelijken die afgeleid kan worden uit het plan om de gewonde soldaten door het gewest te laten betalen. Q2 - P2: de relatie is comitatief, want als de premies door de betreffende gewesten betaald worden (Q2), is het volgens de plannenmakers van de Staten van Holland een logische zaak dat bij de beëindiging van het project door een bestand gelden en scheepsuitrusting aan die gewesten gerestitueerd worden (P2). Q3 - P3a [en] P3b: de relatie is conditioneel. Q3 - P3 bevat het antwoord van Amsterdam op een verzoek van de Staten van Holland. De Staten krijgen het jawoord, maar onder zekere financieel-technische condities.
 De mits.pp-frase met P1 is conjunct subject-lijd.voorw; het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase zijn de gequetste soldaten. De mits.pp-frase met P2 is semi-conjunct, want het begrepen subject ervan (de plannenmakende instantie, dus Staten van Holland) treedt niet op in de direct hogere frase. De mits.pp-frase met P3a is deels absoluut: de frase bevat het uitgedrukte onderwerp van betaelt werdende nl. de grote bedragen, en deels semi-conjunct want het begrepen subject van cortende is Amsterdam, dat niet als onderwerp of voorwerp fungeert in de direct hogere elliptische frase fiat.
210 [...] is deze om U.Ed.gestr. te dienen op haeren aengenaemen van den 22en dezer, mij heden behandight met het boexken, daer bij gevoeght. Uwer Ed. gestr. gelieve dan te weeten, dat allen soldaeten beschejden op den Hujze te Mujden hun wedden toegevoeght ende betaelt wort bij d’ Ed. Mo. Heeren gecommitteerde Raeden van Hollandt ende Westvrieslandt, aen dewelke, derhalven, die weldaedt te verzoeken staet. Doorgaends en trekken zij niet dan x gl ten 42 daeghen, boven hun herbergh-geldt. Doch indien U. Ed. gestr. haeren soldaet gejrne wat beter begenaedight zaghe, meene dat zij [Q 1e deel], mits aenspreekende eenighen der gemelde HH [mits.pp P], hem wel zal helpen aen 12 gl, gelijk zommighen, doch in kleenen getaele, genieten [Q 2e deel]. (BriefwissHooft dl. 2: 754)
[Muiden, Holland; 1636-T07] T=T07 P=Muiden R=Holland TC=B TG=Brief TS=k SM=Instr CV=W4 VO=QPQ
           
    ‘[...] deze brief wil u van dienst zijn als antwoord op uw aangenaam schrijven van de 22e dezer, dat mij heden samen met het daarbij gevoegde boekje overhandigd is. U gelieve dan te weten dat van alle soldaten die gelegerd zijn bij het Huis te Muiden de wedde toegekend en betaald wordt door de Edelmogende Heren gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland, aan wie dus een verzoek om deze royale bedeling gericht moet worden. Doorgaans beuren zij niet meer dan 10 gulden per 42 dagen bovenop hun geld voor logies. Maar als u uw soldaat graag iets ruimer begunstigd zou zien, zult u, als u zich wendt tot enige van de genoemde heren, hem naar ik meen wel kunnen helpen aan 12 gulden, zoals sommigen genieten, al zijn het er niet veel.’
    Dit is een fragment van een antwoordbrief van Hooft aan Jacob Wijtz, president van de krijgsraad. Wijtz had Hooft in diens functie van drost om weddeverhoging gevraagd voor een soldaat die gelegerd was bij het Huis te Muiden. Tekstcat. is B. Woorden: U Ed. gestr.: WNT edel, alwaar de afl. edelgestreng, “in betitelingen, o.a. van rechtsgeleerden en officieren, gewoonlijk in de verbindingen Hoogedelgestreng en weledelgestreng.(...)”_ zij in Q staat voor U. Ed. gestr. en duidt hier een mannelijk persoon aan; 42 daeghen: traktementen van geappointeerden werden sinds 1598 om de 42 dagen betaald; herbergh-geldt: deze samenstelling is niet aangetroffen in de hist. woordenboeken; aenspreekende: WNT aanspreken betek. I.I.1.a, vierde streepje (iemand om iets aanspreken (‘het woord tot hem richten om iets als eene gunst of weldaad te verzoeken’), in dit citaat zonder bepaling met om.
    Het is Wijtz’ doel, om voor een bepaalde bij Muiden gelegerde soldaat een weddeverhoging voor elkaar te krijgen; hij zal dat doel volgens Hooft wel kunnen bereiken (Q) door enkele leden van de Staten van Holland te benaderen (P). De rol van P is instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen onderwerp is zij = U. Ed. gestr.
211 Thomas Dircksz., prioor, tegens Hendrick van Blankenberch, pachter laeckenen Rotterdam, Schiedam 1633, versoeckt [Q 1e deel], mits van restant 1.100 £ betaelt hebbende [mits.pp P], rest te betaelen alsser gelt is [Q 2e deel]. Edelen: advijs ontfanger op borgen ende pachten. Arrest. (St+Sch dl. 7: 942)
[Den Haag (+Medemblik), Holland; 1636-T07] T=T07 P=Den Haag P=Medemblik R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Mot CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘Thomas Dircksz., prior, in een geschil met Hendrick van Blankenberch, pachter van de lakenaccijns in Rotterdam en Schiedam sinds 1633, doet het verzoek om, aangezien hij van de uitstaande schuld 1100 pond heeft betaald, de rest te mogen betalen als er geld is. Edelen: advies vragen aan de ontvanger van borgen en pachten. Vastgesteld.’
    Dit citaat stamt uit de persoonlijke notulen van de vergadering van de Staten van Holland op 4 augustus 1636 gemaakt door de afgevaardigde van Medemblik, Stellingwerff. Geschillen, zeker als die de accijnsbetaling betroffen, stonden geregeld op de agenda van de Statenvergadering. Tekstcat. is B. De wolweverij in de stad Rotterdam stond in relatie tot de kloosters; op de site www.engelfriet.net is te lezen: ‘De stichting van het zusterhuis [vrouwenklooster van St. Agniete] binnen de stadsmuren is de overheid [Rotterdam] niet onwelkom; het blijkt uit de verschillende voorrechten als vrijdom van stedelijke belasting en accijnzen, die de zusters toegekend worden.’ Hiermee is niet gezegd dat de prior in (211) overste is van het St. Agnietenklooster. Dat is sinds 1572 in gebruik als Prinsenhof, dus het moet een ander klooster geweest zijn.
    Stellingwerff notuleert wat voorzitter of secretaris van de Staten van Holland ter vergadering heeft gerapporteerd over een verzoek van prior Thomas Dircksz in een geschil met de pachter van de lakenaccijns. Nu hij 1.100 pond van zijn openstaande schuld inzake lakenaccijns betaald heeft (P), doet de prior het verzoek om de rest later te mogen betalen (Q). Dat hij een deel van de schuld heeft betaald, voert hij aan als grond voor zijn verzoek met de genoemde inhoud. Interpretatie van de mits.pp-frase als motivering levert de meest logische betekenis op; een frase die een voorwaarde noemt zou voor een weinig verschillende situatie goed voorstelbaar zijn (‘de schuldenaar heeft gevraagd om de rest later te mogen betalen als hij nu 1100 pond van zijn schuld betaalt’), maar dat past niet bij de voltooide tijd van betaelt hebbende in het citaat, die wil zeggen dat het betalen van de 1100 pond al gerealiseerd is. In de vertaling ‘nu’ in plaats van bijv. ‘aangezien, omdat’ komt naast de grondaanduidende hoofdbetekenis ook een perfectieve temporeel-momentane bijbetekenis tot uitdrukking (‘nu hij zonet/aangezien hij net 1.100 pond betaald heeft.
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is de prior, die ook subject is van de direct hogere frase. De aansluiting is dus conjunct subject-subject.
212 De Egyptenaers hebbende al haer gelt voor koorn uytgegeven, verkoopen door hongers noot het vee, ende daer na lijf ende lant, aen Pharao, voor koorn, (uytgenomen de Priesters) ’t lant wort hen gelaten om te bouwen [Q], mits gevende Pharao ’t vijfde deel van de vruchten [mits.pp P] (Statenvert Genesis 47: begin)
[Leiden, Holland; 1637-T07] T=T07 P=Leiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Nadat de Egyptenaren al hun geld dat bestemd was voor koren hebben uitgegeven, verkopen ze, door hongersnood gedreven, hun vee en daarna hun arbeid en hun akker aan de farao in ruil voor koren (alleen de priesters verkopen hun land niet); het verkochte land kunnen ze blijven bebouwen, met als voorwaarde dat ze de farao een vijfde deel van de oogst afstaan’
    Dit is een fragment van de Statenvertaling (tekstcat. C). De afzonderlijke vertaalde delen werden door de revisoren besproken in de academiestad Leiden. Alle bijbelboeken, evenals de aparte hoofdstukken van elk bijbelboek, starten met een door de vertalers geschreven samenvattend overzicht. Aan het overzicht voorafgaand aan Genesis 47 is bovenstaand citaat ontleend; het omvat de korte inhoud van de verzen 11-24. De beschreven gebeurtenissen spelen zich af in de periode dat Jozef werkte voor de Egyptische farao.
    De Egyptenaren mogen het land, dat ze hebben moeten verkopen aan de farao, blijven bebouwen en daar hun voordeel mee doen (Q) onder de conditie dat ze een vijfde van de opbrengst aan de farao ter beschikking stellen (P).
 Het subject van de mits.pp-frase wordt begrepen als de Egyptenaren, die in de direct hogere frase optreden als meew.voorw (aangeduid met de vorm hen). De aansluiting is dus conjunct subject-meew.voorw.
213 Indien hy sijnen acker van het Iubel-jaer aen geheylicht sal hebben; so sal’t nae uwe schattinge stant hebben.
[Kanttekening bij nae uwe schattinge:]
D. nae den prijs, dien ghy stelt, sal dat lant wederkeeren tot hem, die ’t den Heere geheylicht hadde [Q], mits betalende den voorgemelten prijs [mits.pp P] (Statenvert Leviticus 27 vs 17)
[Leiden, Holland; 1637-T07] T=T07 P=Leiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Als hij [een Israëliet die meetrekt met Mozes] zijn akker met ingang van het jubeljaar geheiligd heeft, zal de waarde gelden volgens uw schatting [schatting door de priesters].
[Kanttekening bij ‘volgens uw schatting’:]
‘Dat is: volgens de prijs die u [de priesters] vaststelt zal het land terugkeren bij degene die het voor de Heer geheiligd had, onder de voorwaarde dat hij het genoemde bedrag betaalt’
    Dit citaat uit de Statenvertaling (tekstcat. C) handelt over het opdragen aan God van akkerland bij de Israëlieten, de ‘heiliging’, die kan beginnen met een jubeljaar. In het volgende jubeljaar (vijftig jaar later) wordt het geheiligde land weer bevrijd. De kanttekening in de marge van de vertaling bevat een mits.pp-voorkomen, waarin is uitgedrukt welke voorwaarde vervuld moet worden voor deze bevrijding. Woord: D.: afkorting voor ‘dat is’ - inleiding tot een kanttekening in de marge van de Statenvertaling.
    De akker zal terugkeren bij de oorspronkelijke eigenaar (Q) op voorwaarde dat deze het bij de heiliging vastgestelde bedrag betaalt aan de priesters (P). Een lezing als middel ligt minder voor de hand, omdat de Nederlandse formulering niet spreekt over een streven van de oorspronkelijke eigenaar (die daartoe een middel zou kunnen inzetten), maar over de akker zelf, die bevrijd kan worden onder de voorwaarde van betaling.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is semi-conjunct: het begrepen subject, de oorspronkelijke eigenaar van de geheiligde akker, treedt in de direct hogere frase op als bijwoordelijke bepaling van richting onder de aanduiding tot hem, die ’t den Heere geheylicht hadde.
214 [...] sodanige worden in ’t werck gestelt ten dienste van ’t gemeene beste, en om yet uyt te doen voeren, daer van de geheele Staet voordeel kan genieten. Soo dede Saul openbaerlick uytkondigen, dat hy die den trotsen Goliad soude verslaen ’s koninghs swager soude zijn, om alsoo dat monster (’t welck den heir-leger Israëls dagelicx quam bespotten) van kant te helpen. Even soo beloofde hy aen David sijn dochter Michal [Q1], mits hondert voor-huyden der Philistijnen hem over-brengende [mits.pp P1].
[...] Houwelicken van state mogen wel somtijts dienen ten goede van een lant, selden tot vernugen van de gene die het meest aengaet. En ten dien eynde seyde de Philosooph Plato seer wel, dat men wel een houwelick te wege mach brengen door het lot [Q2], mits dat sulcks geschiede tusschen de goede, en niet in ’t wilde [mits dat + Vf P2]. (Cats 1937: 97v)
[Den Haag, Holland; 1637-T07] T=T07 P=Den Haag R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[ik typeer bepaalde soorten huwelijk als staatshuwelijk, want] deze worden georganiseerd ten bate van het algemeen belang, om iets te realiseren waarvan de hele staat voordeel kan hebben. Zo liet Saul in het openbaar verkondigen, dat hij die de hovaardige Goliath zou verslaan ’s konings schoonzoon zou worden, om op die manier dat monster (dat elke dag de spot kwam drijven met het leger van Israël) uit de weg te ruimen. Zo beloofde hij ook zijn dochter Michal aan David, op voorwaarde dat die hem honderd voorhuiden van de Filistijnen zou brengen. [...]
Staatshuwelijken kunnen dan soms wel ten goede komen aan een land, ze zijn zelden naar tevredenheid van degenen die het het meest aangaat. En om die reden zei de filosoof Plato zeer juist, dat men een huwelijk wel mag laten bepalen door de omstandigheden, op voorwaarde dat het gesloten wordt tussen de goede personen, en niet willekeurig.’
    Dit citaat is afkomstig uit Cats’ leerdicht ’sWerelts begin, midden, eynde, besloten in den trov-ringh, met den proef-steen van den selven, kortweg de Trouringh. Tekstcat. is C. In een tweegesprek tussen de oudere Sophroniscus en de jeugdige en trouwlustige Philogamus is de vraag op tafel gelegd, of en zo ja wanneer een gearrangeerd ‘staatshuwelijk’ aanvaardbaar is. Sophroniscus verhaalt van onacceptabele gevallen zoals dat van koning Saul, die tweemaal een dochter uitloofde als prijs voor daden in landsbelang, en van aanvaardbare gevallen, waar de oudtestamentische staatsman Kaleb zich bij het uitzoeken van de verschillende kandidaten voor een heldendaad tevoren had verzekerd van een positief oordeel van zijn uit te huwelijken dochter Ascha.
    Sophroniscus vermeldt dat David van Saul mocht huwen met zijn dochter (Q1) als hij de voorwaarde vervulde Saul honderd voorhuiden van de Filistijnen te brengen (P1). P1 heeft de rol van een conditie. De tweede mits-configuratie in dit citaat is een constructie van het type mits dat + Vf. Plato oordeelde zeer juist, zegt Sophroniscus, dat het geoorloofd is een huwelijk door de omstandigheden te laten bepalen (Q2), maar het moet dan wel gesloten worden tussen de juiste personen (P2). Plato acht het volgens Sophroniscus dus noodzakelijk dat men een huwelijk ‘door het lot’ tussen de juiste personen organiseert (P2), wat volgens de voorafgaande zin is bedoeld als: tussen personen die daar ook zelf tevreden mee zijn. Heeft Plato daarbij de wensen en bedoelingen van de organisator van een staatshuwelijk voor ogen, die zijn nagestreefde handeling moreel ook mag uitvoeren (Q2) op voorwaarde dat hij er bewust voor zorgt dat aan noodzaak P2 voldaan is? Dan wordt P2 conditioneel geïnterpreteerd. Het is zeker dat discussiant Sophroniscus zelf zich in het voorafgaande steeds bezighoudt met de beweegredenen van de organisatoren (en daar morele oordelen aan verbindt). Omdat Sophroniscus Plato redelijkerwijs alleen instemmend kan aanhalen als hij aan deze een vergelijkbare instelling toeschrijft, heeft P2 dus ook als deel van een uiting ‘van Plato’ een conditionele rol. De verschillen tussen het mits.pp-voorkomen en de configuratie mits.dat + Vf. zijn deze. In het mits.pp-geval is het begrepen subject David een concrete persoon. In de configuratie mits.dat + Vf is het subject sulcks, dat duidt op een minder concrete aangelegenheid, nl. de mogelijkheid dat een huwelijk gesloten zou worden op grond van omstandigheden. Ter verduidelijking van het hypothetisch karakter heeft de Vf van geschieden een conjunctivische vorm (geschiede).
 Het begrepen subject van de mits.pp-frase is David, die ook als meew.voorw van de direct hogere frase fungeert; de aansluiting is dus conjunct subject-meew.voorw.
215 ick oordeele dat de Marquis van Mantua ten volle mochte volstaen [Q], mits de jonge prinçesse syn dochter latende sien aen de af-gesanten van den hertogh van Milane ̄ in haer onder-kleet [mits.pp P], en dat behoorde de voorsz. hertogh genoegh geweest te zijn, om te voldoen het ooghmerck dat hy daer in behoorde te hebben, dat is, om te sien of de selve geen uyt-muytende gebreke ̄ aen haer lichaem en was hebbende, waer door de selve misschien onbequaem soude geacht zijn gheweest om een wel-gemaeckte vrucht, ten goede van een vorstelick huys, voort te brengen (Cats 1637: 204)
[Den Haag, Holland; 1637-T07] T=T07 P=Den Haag R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Instr CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘ik ben van oordeel dat de markies van Mantua er geheel mee kon volstaan zijn dochter, de jonge prinses, in haar onderkleding te tonen aan de afgezanten van de hertog van Milaan, en dat hoorde voor genoemde hertog genoeg te zijn geweest om het doel te bereiken dat hij daarmee behoorde te hebben, namelijk, te zien of zij geen zichtbaar lichaamsgebrek had, waardoor zij misschien niet in staat geacht geweest zou zijn om een welgeschapen vrucht ten bate van een vorstenhuis voort te brengen’
    Dit citaat komt uit Cats’ leerdicht ’sWerelts begin, midden, eynde, besloten in den trov-ringh, met den proef-steen van den selven (tekstcat. C). Sophroniscus is hier aan het woord is in een dialoog met Philogamus over de vraag of men kan trouwen met een persoon met een opvallend lichamelijk gebrek. De vraag heeft vermoedelijk betrekking op een historische gebeurtenis in de vijftiende eeuw: de jonge prinses zou prinses Dorotea kunnen zijn, die in 1466 huwde met de toenmalige hertog van Milaan, Galazzeo Maria Sforza.
    In de beschreven historische situatie stond de markies van Mantua als vader van de jonge uit te huwelijken prinses ongetwijfeld onder druk om verder te gaan met het tonen van zijn dochter dan hij deed. Maar de markies deed volgens Sophroniscus ruim voldoende (Q) door zijn jonge dochter, de prinses, in haar ondergoed te tonen aan de afgezanten van de Milanese hertog (P). De rol van P is instrumenteel.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
216 Ende soo wanneer een gildebroer sterft ende sijne weuduwe, d’ambachten die haer man gedaan heeft door knechts doen wil, sal t’selve mogen doen soo lange sij in haeren weudulicken staet blijft [Q] midts draegende de lasten van jaerpenning, ende anders in dese ordonantie begrepen [midts.pp P]. (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 21)
[Arnemuiden, Zeeland; 1642-T08] T=T08 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘En wanneer een gildelid sterft en zijn weduwe de werkzaamheden die haar man uitgevoerd heeft door knechten wil laten voortzetten, zal zij daarvoor toestemming hebben zo lang zij haar weduwse staat behoudt, op voorwaarde dat zij de jaarlijkse contributie opbrengt en de andere verplichtingen nakomt die vervat zijn in deze ordonnantie.’
    Dit citaat behelst artikel XII van de ordonnantie van het gilde van timmerlieden en metselaars te Arnemuiden. Tekstcat. is A2. Op 19 augustus 1642 werd de tekst van deze ordonnantie aan het gemeentebestuur van Arnemuiden ter goedkeuring voorgelegd. Woord: weuduwe: MNW, weduwe. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Als de weduwe van een gildelid de activiteiten van haar man wil laten voortzetten door gildeknechten, dan heeft ze daar, zo lang ze niet hertrouwd is, toestemming voor (Q), maar hieraan is de voorwaarde verbonden dat zij alle verplichtingen nakomt die in het gildestatuut staan, zoals het betalen van contributie (P). Het stadsbestuur heeft hier een mogelijke wens van deze weduwen in het oog, en formuleert wat tegenover de inwilliging ervan zou moeten staan: de rol van P is conditioneel.
 De midts.pp-frase is conjunct subject-subject.
217 Gemerckt de eerw. visitatores des classis van Delf ende Delflandt onlanx hier ter plaetse hadden wesen ondersoecken nae den stand deser kercke, ende meteenen voorgestelt een acte des provincialen Suyd-Hollantschen synode om de comedien te keeren [Q], mits vermanende de ledematen, dat se haere kinderen daervan afhouden, ofte by foute van dien, haer censurerende [mits.pp P]. Te meer dewijle mijn heer de prince van Orange sijne comedianten alrede op ’t serieuze ende iteratieve versoeck der kercken hadden gelicentieert. Soo is Velthusio in last gegeven deze lichtvaerdige oefeninge op den predicstoel als ’t die text lijden can, specialic te taxeren, de anderen hiervan publyquelick te waerschouwen, ende nae bevind van saken der ledematen kinderen, soo daer eenige aen vast syn, door private aensprake nae sijn discretie ende vermogen daervan af te treden. (RetorMemor 652v)
[Maasland, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Maasland R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Instr CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Opgemerkt is dat de eerwaarde visitatoren van de classis Delft en Delfland onlangs hier ter plaatse de toestand van deze kerk hadden onderzocht en bij die gelegenheid hadden gewezen op een akte van de provinciale Zuid-Hollandse synode, inhoudende de aanwijzing om het opvoeren van toneel in te dammen door de leden aan te manen hun kinderen daar verre van te houden of door hen, als dat onvoldoende effect zou hebben, openlijk te berispen. Omdat bovendien mijnheer de prins van Oranje op ernstig en herhaald verzoek van de kerken zijn toneelspelers reeds uit hun functie had ontheven, heeft dominee Veldhuysen de opdracht gekregen om, als de tekst van de preek het toelaat, vanaf de kansel deze lichtzinnige toneelbeoefening uitdrukkelijk te veroordelen, de gemeenteleden daarvoor publiekelijk te waarschuwen en om naar bevind van zaken kinderen van gemeenteleden, als die zich daarmee bezighouden, in een persoonlijk gesprek naar eigen inzicht en vermogen daarvan af te brengen.’
    Dit citaat behelst een fragment van de kerkenraadsnotulen van 29 mei 1642 van de Hervormde Gemeente in Maasland. Als deel van notulen van een vergadering behoort het citaat tot tekstcat. B. In Maasland functioneerde in de 17de eeuw de rederijkerskamer Den olyvenboom (RetorMemor 650). Het toneelspel, genoemd in het citaat, betreft het niet altijd stichtelijke rederijkerstoneel. Woorden, namen: eerw.: WNT eerwaardig betek. 3 (‘als eigenschap eigen aan personen van geestelijken stand (...) gewoonlijk eerwaard; visitator WNT betek. 1 (‘persoon belast met kerk- of kloostervisitatie’); meteenen: WNT meteen (met meteenen als bijvorm (...)’) betek. 3 (‘datgene wat tegelijkertijd met iets anders gebeurt kan soms toch ook min of meer als gevolg daarvan worden beschouwd’); voorgestelt: WNT voorstellen betek. II.6 (‘(...) (aan iem.) voorleggen of voorhouden zoodat hij het als obj. genoemde ernstig ter harte kan nemen; voor oogen stellen; wijzen op (...)’); comedien: WNT komedie betek. 2 (‘opvoering van een blijspel, in ruimeren zin van een tooneelstuk in het algemeen; tooneelopvoering (...)’); ledematen: WNT lidmaat betek. 4 met onder het vierde streepje ‘(...)wordt hij (zij) die tot een christelijke, met name een protestantsche, kerk behoort, lidmaat van die kerk genoemd. In de Nederlandsche Hervormde Kerk wordt heden ten dage onderscheid gemaakt tusschen lid en lidmaat: alleen wie geloofsbelijdenis heeft afgelegd is lidmaat’; censurerende: WNT censuur _ bij afl.: censureeren, betek. ‘openlijk berispen, kerkrechtelijk veroordeelen (...)’; mijn heer de prince van Orange: Frederik Hendrik; Velthusio: Henricus Veldhuysen, predikant Maasland 1641-1662; by foute van dien: WNT fout betek. A.1_ bij het tweede streepje de vermelding bij of door faute van (‘in gebreke zijn of blijven’), met twee voorbeelden die de combinatie by foute van dien behelzen; lichtvaerdig: WNT lichtvaardig betek. A.5; taxeren: WNT taxeeren, betek. 6 (‘beschuldigen’).
    Een zekere akte van de synode betekende volgens de visitatoren van de classis - in de door de notulist beschreven woorden van een lid van de kerkenraadsvergadering - dat de kerken een halt moesten toeroepen aan toneeluitvoeringen van de rederijkerskamers (Q). Dit moest gerealiseerd worden door aanmaningen aan de gemeenteleden om hun kinderen weg te houden van de voorstellingen, of anders door openlijke berispingen. Dat zijn dus hier in aanmerking komende middelen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de kerken die bij de synode aangesloten zijn, die ook het begrepen subject zijn van de direct hogere frase, nl. de beknopte infinitiefzin om de comedien te keeren. Personen en organen van die kerken zouden concreet een halt moeten toeroepen aan de toneeluitvoeringen.
218 [...] wanhoopende van in hun geheel te blyven, docht hun, zoo zy met afstandt van een gedeelte hunnes inkoomens, de rest vry bedingen moghten, datz’er noch koop aan hebben zouden; en braghten ’t zoo verre, dat zy [Q 1e deel], mits uitkeerende ten behoeve der Aarts- en Bisschoppen, achtduizent gulden ’s jaars [mits.pp P], der quellinge ontslaghen werden [Q 2e deel]. (HooftHist 35)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W3 VO=QPQ
           
    ‘[...] vrezend voor hun zelfstandigheid, kwam het hun voor dat ze zelfs nog voordelig uit zouden zijn, als ze door een deel van hun inkomsten af te staan vrij zouden mogen beschikken over de rest; en ze kregen het voor elkaar dat ze onder voorwaarde van een jaarlijkse uitkering van achtduizend gulden ten behoeve van de aartsbisschoppen en bisschoppen vrijgesteld werden van de hinderlijke maatregel.’
    Het citaat is afkomstig uit het eerste boek van Hoofts Nederlandsche historiën, waarin het gaat over de Lage Landen in de eerste jaren van Filips II. Tekstcat. is C. Het citaat zelf speelt in 1562. Drie jaar daarvoor was een pauselijke bul verschenen over een nieuwe kerkelijke organisatie, met versterkt toezicht op de kerk en minder invloed van de adel op de benoeming van bisschoppen. In die lijn was Filips II overgegaan tot centralisatie van de benoeming van bisschoppen, en om de nieuwbenoemde bisschoppen te voorzien van dotaties, had hij bepaald dat bezit en inkomsten van de kloosters rechtstreeks aan deze bisschoppen zouden toevallen, hetgeen inging tegen het oude privilege dat kloosters zelf konden beschikken over hun bezit. Veel abten verzetten zich tegen de maatregel, vaak gesteund door de plaatselijke bevolking die er voor haar levensonderhoud belang bij had betaald te worden uit de opbrengsten van de kloostergoederen (Fruin 1980 [1901]: 30v). Het citaat handelt over de onderhandelingen die de abten van de kloosters in Affligem en Tongerlo voerden over hun financiële zeggenschap. Woord: doght: WNT dunken betek. 1.
    De abten bereikten dat zij vrijstelling kregen van de bezwaarlijke verplichting (Q) onder de voorwaarde dat zij jaarlijks achtduizend gulden zouden uitkeren ten behoeve van de aartsbischoppen en bisschoppen (P).
 De aansluiting van de mits.pp-frase met de direct hogere frase is conjunct subject-subject.
219 Booven deezen was ’er een Schout van weeghe der hooghe Ooverigheit, en ’s Graaven persoon uitbeeldend, om ’trecht te sterken, den misdaadighen boeten en breuken af te vorderen, mitsgaders den Landsheere als Stadhouder des zelven, tot oor en ooghe te dienen. Maar de Majestraat (misschien dat haar deeze opzight verveelde) had zoo veel gemaakt, dat zy in den jaare vyftienhondert en acht, geduurende d’onmondigheit van Karel, naamaals Kaizar, met het begeefrecht van deezen staat beleent was [Q], mits verschietende den Graave, op wiens naam echter de lastbrief werd ingestelt, de som van twintighduizent gulden [mits.pp P]. Alzoo verviel de klem van ’t Schoutambaght aan Burghermeesteren; blyvende nochtans de schout in bezit der opperste plaatze, en ’t Graaflyk waapen op zyn kussen. (HooftHist 57)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Daarboven [boven het stadsbestuur] stond uit naam van de hoge overheid een schout, die de persoon van de graaf vertegenwoordigde om de rechtspraak autoriteit te verlenen, misdadigers strafmaatregelen en boetes op te leggen en als plaatsvervanger van de landsheer diens oor en oog te zijn. Maar het stadsbestuur - het kan zijn dat het dit toezicht beu was - had dit bereikt, dat het in het jaar 1508, toen de latere keizer Karel nog onmondig was, het benoemingsrecht van dat ambt als leen verwierf door de som van 20.000 gulden beschikbaar te stellen voor de graaf, in wiens naam ook daarna de instructiebrief opgesteld werd. Zo kwam de macht van het schoutsambt bij de burgemeesters te liggen, terwijl de schout toch formeel de hoogste functionaris bleef en het grafelijk wapen zijn kussen sierde.’
    Dit citaat komt uit het tweede boek van Hoofts Nederlandsche historiën. Tekstcat. is C. Als Hooft de situatie van de steden in de Lage Landen omstreeks 1565 schetst, grijpt hij wat de bestuursstructuur van Amsterdam betreft terug naar het jaar 1508. Tekstcat. is C. Het citaat beschrijft dat de stad zich toen een aspect van de centrale (grafelijke) macht verwierf. Hooft meldt dat de magistraat indertijd de hoge som van 20.000 gulden aan de graaf heeft opgehoest, als middel om het benoemingsrecht van de schout te krijgen; daarmee kreeg het een vinger in de pap van het toezicht op zichzelf. Woorden: WNT verschieten I, bet. 19.
     De mits.pp-frase heeft de rol van middel: het eenmalig beschikbaar stellen van 20.000 gulden (P) was door het stadsbestuur bedoeld om het benoemingsrecht van de schout te verkrijgen, dat ook werkelijk verkregen werd (Q). Als we zouden reconstrueren wat er voorafgegaan is aan deze situatie, nl. onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van het grafelijk gezag en de Amsterdamse magistraat, zouden we wellicht vinden dat de graaf de 20.000 gulden bedongen had als voorwaarde; maar de overdracht van de 20.000 gulden en de daar tegenover staande belening van het benoemingsrecht waren daarmee nog geen feit. Bijzonder is de bijzin binnen de mits.pp-frase. Bij de Recipiens den Graave is de frase op wiens naam echter de lastbrief werd ingestelt een uitbreidende bijvoeglijke bijzin. Het is een adjunct die een begrenzing aanduidt, nl. het gegeven dat de graaf de formele macht houdt inzake de benoeming van de schout. Middel van de Amsterdamse magistraat om het begeerde benoemingsrecht in handen te krijgen is dus de betaling van 20.000 gulden aan de graaf, uitgaand van de erkenning dat de graaf - níet het stadsbestuur die de facto de benoeming regelt - degene is die de schout formeel benoemt. De rol van de adjunct in bijzinsvorm is algemener te formuleren, als volgt. De talige expressie van de overdracht van goed of geld aan de Recipiens, als middel (voorwaarde, begeleidende factor etc.) in verband met de verwerkelijking van Q, kan een adjunct bevatten, in zinsvorm of niet, die als beperking bij de overdracht de erkenning impliceert van de formele verhouding tussen de participanten.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten (subject-subject).
220 [...] om geen ambacht van zulk belang voor den lande, als ’t scheepstimmeren, te verachteren, stond Koning Philips in ’t jaar zessenvyftigh toe, dat men, binnen de vyventwintigh roeden, zeekere hutten met week dak en houte wanten, zouw mooghen opslaan [Q]; mits gehouden zynde, als ’t noodt deed, de zelve, tot zeggen der gerechten, en eighe koste, te sloopen [mits.pp P]. (HooftHist 64)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘[...] om een tak van nijverheid die van zo groot belang was voor het land als de scheepsbouw niet te benadelen, stond koning Filips in het jaar zesenvijftig toe, dat men binnen een afstand van vijfentwintig roeden [vanaf de stedelijke bebouwing] bepaalde bouwsels zonder harde dakbedekking en met houten wanden zou mogen optrekken, op voorwaarde dat men verplicht zou zijn deze - als de noodzaak zich voordeed - na een gerechtelijke aanzegging en op eigen kosten te slopen.’
    Dit citaat is afkomstig uit het tweede boek van Hoofts Nederlandsche historiën en verhaalt over conflicten waarmee het Amsterdams stadsbestuur rond 1565 te maken had. Tekstcat. is C. In de twee decennia hiervoor hadden de scheepstimmerlieden geregeld werkloodsen e.d. in de Lastage gebouwd; deze bouwsels moesten op last van het grafelijk gezag steeds weer afgebroken worden,vanwege brandgevaar en ook om invallen vanaf de waterkant te bemoeilijken. De vroedschap had uiteindelijk het timmeren onder de stadt helemaal verboden.
     De mits.pp-frase is voorwaardelijk: de scheepstimmerlieden wensten op korte afstand van de stedelijke bebouwing toch eenvoudige bouwsels zonder harde dakbedekking te mogen opslaan, en de koning stond dat toe (Q), op voorwaarde dat ze verplicht zouden zijn (op voorwaarde dat voor hen de eis zou gelden) die na gerechtelijke aanzegging ook weer op eigen kosten te slopen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct, want het subject ervan wordt begrepen als de scheepstimmerlieden (hier aangeduid met men), die ook het subject zijn van de direct hogere frase.
221 [...] deed [...] die van Calvyns gevoelen, en hunne Leeraaren, daar ’t al aan hing, vertoonen, dat het quaalyk paste, zich teffens ter preeke en in waapenen te vinden, des zy der betaamelykheit hadden plaats te geeven en ’t geweer te laaten. Zy stonden zyne Reede toe; zyn besluit ook [Q1]; midts dat men hun, door ’t woordt zyner Doorluchtigheit, toezeggen der wethouderen, oft schryven van de hoove, teeghens geweldt verzeekeren wilde [midts dat + Vf P1].
[...] de Prins [verklaarde], dat hy en de wethouders dit liefst zouden met gemoede te weegh gebraght zien, tot dat door zyne Majesteit, by goeddunken der algemeine Staaten eenpaarighe orde daar op gestelt wierde: ’t waare dan, dat men [Q2 1e deel], mits verzeekerende d’Onroomschen door een algemeene vergiffenis, oft by andere wyze [mits.pp P2] daar toe raaken moghte [Q2 2e deel]. Hier op viel verzoek, en toestandt van achterraadt. (HooftHist 88)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Instr CV=W5 VO=QPQ
           
    ‘[de prins] maakte de mensen met calvinistische sympathieën en hun godsdienstleraren, bij wie het [calvinistisch gedachtegoed] allemaal vandaan kwam, duidelijk, dat het geen pas gaf, tegelijkertijd naar een preek te luisteren en wapens bij zich te hebben; daarom moesten ze de betamelijkheid voorrang geven en de wapens thuislaten. Ze konden zich vinden in zijn argumentatie; en ook in zijn conclusie, op voorwaarde dat men hen in een belofte van Zijne Doorluchtigheid, toezeggingen van het stadsbestuur of een brief van het hof zou vrijwaren tegen geweld. [...] de prins verklaarde [in een bespreking van de Brede Raad] dat hij en het stadsbestuur dit [het discontinueren van de hagenpreken] het liefst op basis van consensus in het bestuur gerealiseerd zouden zien vóórdat dit door Zijne Majesteit met instemming van de Staten-Generaal in een algemeen geldende maatregel bevolen zou worden - of het moest zijn dat men dit kon bereiken door de hervormden een gevoel van veiligheid te bieden met een generaal pardon of op andere wijze. Hierop volgde een verzoek tot beraadslaging in klein comité, waarvoor toestemming werd gegeven.’
    Deze passage komt uit het derde boek van Hoofts Nederlandsche historiën. Tekstcat. is C. Na de gebeurtenissen van 1566 sprak Willem van Oranje, toen nog lid van Filips’ Raad van State, in het woelige Antwerpen met de hervormden, die de gewoonte hadden opgevat om wapens mee te nemen naar de hagenpreken. Hij bezocht daar ook de burgervertegenwoordiging, de zgn. Brede Raad, waar werd gesproken over het discontinueren van de hagenpreken. Woorden, vertaling: men: Filips II en wie namens hem of zijn hof optreedt; eenparighe orde: een variant, de combinatie eenpaarigheit van orde met het Kayzarryk komt verderop in het derde boek voor (HooftHist 118) en heeft daar volgens Zwaan de betekenis van: in de pas lopend met de regeling die afgesproken is met de Godsdienstvrede van Augsburg (zie Hooft 1977: 66 met noten). Overigens is de relatie met Augsburg in de context van citaat 221 niet expliciet: eenpaarighe orde betekent hier vermoedelijk: ‘in de pas lopend met elkaar, overeenkomstig aan elkaar’, dus: ‘algemeen geldend’; verzekeren: WNT I, bet. 14 ‘geruststellen’.
    P1: Hooft beschrijft dat de hervormden wilden voldoen aan de wens van Willem van Oranje dat zij hun wapens niet naar de preek zouden meenemen (Q1), op voorwaarde dat de prins hun zou verzekeren dat zij door de wethouders of de koning c.q. de landvoogdes gevrijwaard zouden worden van geweld (P1).
P2: Hooft beschrijft Willem van Oranjes woorden, inhoudende dat hij en de wethouders de hagenpreken het liefst vrijwillig beëindigd zouden willen zien vóórdat de koning dat in een algemene maatregel zou hebben bevolen, of - als minder waarschijnlijk alternatief - dat stadsbestuur en hof (‘men’) die discontinuering zouden kunnen bereiken (Q2) door de hervormden gerust te stellen met een generaal pardon of op andere wijze (P2). De mits.pp-frase drukt een middel uit.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten, subject-subject.
222 ’T verdragh, door hem met d’Onroomschen geraamt werd nochtans [Q 1e deel], mits enighermaate verandert zynde [mits.pp P], by haar’ Hoogheit toegestaan [Q 2e deel]; en quam, uitgezeit het buitenpreeken, meest al, met dat van Antwerpen, oover een. (HooftHist 112v)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Comit CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘[Hoorne was geërgerd en gefrustreerd over de onbuigzame houding van de Doornikse protestanten bij de onderhandelingen over een akkoord.] De door hem met de hervormden opgestelde overeenkomst was niettemin door Hare Hoogheid [de landvoogdes] goedgekeurd, waarbij de tekst wel op een aantal punten veranderd had moeten worden. Afgezien van de bepaling over het preken in het open veld was de overeenkomst grotendeels dezelfde als die voor Antwerpen.’
    Het citaat is genomen uit het derde boek van Hoofts Nederlandsche historiën, waarin de gebeurtenissen in de zuidelijke steden in 1566 aan bod komen. Tekstcat. is C. De graaf van Hoorne had zich naar Doornik begeven om de bewapende radicale protestanten daar in te tomen. Hij bereikte inderdaad een overeenkomst: de opstandelingen stemden erin toe om de wapens neer te leggen, zich terug te trekken uit de bezette roomse kerken en buiten de stad eigen kerken te gaan bouwen. Dit was echter met zo veel tegenwerking van protestantse zijde gepaard gegaan, dat hij teleurgesteld naar huis wilde vertrekken.
    In aansluiting op de ergernis en frustratie van Hoorne over de houding van de protestanten in Doornik vermeldt de auteur hier dat de overeenkomst die deze met met hen had opgesteld, niettemin door de landvoogdes werd goedgekeurd (Q), dat wil zeggen dat Hoornes actie volgens Hooft toch een positief resultaat had gehad. Daaraan voegt de auteur voor de goede orde toe dat het concept wel enkele wijzigingen had moeten ondergaan (P). De rol van P is een comitatieve. Deze toevoeging is specifiek te zien als een relativering van het niettemin en staat in Hoofts tekst niet ten onrechte direct achter dat woord. Op te merken is dat een voorwaardelijke betekenis van de mits.pp-frase samen had moeten gaan met een nog uit te voeren handeling van wijzigingen aanbrengen in het verdragsconcept. Een dergelijke situatie zal er in de realiteit van de onderhandeling met de landvoogdes ook wel zijn geweest. Maar een voorwaardelijke interpretatie is niet mogelijk door de voorstelling van zaken die het citaat geeft: de goedkeuring was door Margaretha al aan de overeenkomst gehecht (Q) en in de mits-frase staat, met behulp van de pp-constructie met passief perfectum van zynde in mits [...] verandert zynde, dat de wijzigingen reeds aangebracht zijn (P).De comitatieve relatie preciseert nu de aard van het verband tussen Q en P: in Q de vaststelling dat een stand van zaken had plaatsgevonden, en in de mits.pp-frase (P) de vermelding van de noodzakelijke begeleiding waarmee die stand van zaken gepaard was gegaan. (De comitatieve relatie houdt niet in dat P temporeel eerder gebeurde dan Q.)
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject; het subject is de overeenkomst.
223 Sonoy [...] en Henrik Thomaszoon, verlof van Graaf Luidewyk bekoomen hebbende, om alle vyandtlyke scheepen, en goederen, die zy verooveren zouden, in eighendoom te behouden [Q], mits uitkeerende aan zyn’ Genaade ’t geschut [mits.pp P], maakten zich, in kort, zoo sterk met eenighe vrybuiters, dat zy Boshuizen van daar joeghen, en zich met roof verrykten. (HooftHist 179)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Sonoy en Henrik Thomaszoon kregen toestemming van graaf Lodewijk om alle vijandelijke schepen en goederen die zij zouden veroveren voor zichzelf te houden, op voorwaarde dat ze het geschut aan Zijne Genade [graaf Lodewijk van Nassau] zouden overdragen; ze ontwikkelden, kort gezegd, met hulp van enkele kapers tijd zo’n gevechtskracht, dat ze Boshuizen wegjoegen en zich door roof verrijkten.’
    Dit citaat komt uit het vijfde boek van Hoofts Nederlandsche historiën. Tekstcat. is C.
Na de slag bij Heiligerlee in 1568 had graaf Lodewijk van Nassau steun gezocht voor de zaak van zijn broer Willem van Oranje bij een groep watergeuzen, onder wie Diederik Sonoy. In juli van dat jaar voerde deze groep een gevecht op de Eems tegen Spaansgezinde troepen onder leiding van Van Boshuizen. De geuzen wonnen dit keer en veroverden verschillende schepen op de tegenstander. Het citaat beschrijft wat hen extra motiveerde.
    De rol van P is conditioneel: Hoofts beschrijving van de toezegging van graaf Lodewijk neemt de hoop van Somoy en Henrik Thomaszoon op het bemachtigen van oorlogsbuit in focus (Q); voorwaarde om die hoop te verwezenlijken was, dat ze het veroverd geschut aan de graaf zouden overdragen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
224 Alle Ooversten van plaatsen, Amptmannen, Majestraaten, Hooghe en laaghe Rechters, Raadsluiden van Steeden, Voorspraken, Pleitbezorghers, Geheymschrijvers, Deurwaarders, en andere dienaars van gerechte, de welke, daar zy anderen in trouwe behoorden voor te treeden, zich met de oproerighen vermengt hadden, waaren ook uitgezondert. Doch souden deeze [Q 1e deel], mits noch onverweezen zynde [mits.pp P], binnen zes maanden, naa d’afkunding, smeekschrift om vergiffenis, in persoon, oft door ghemaghtighden, mooghen oovergeeven [Q 2e deel], en daarop genaadigh inzight genoomen worden. (HooftHist 214)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W6 VO=QPQ
           
    ‘Alle gezagsdragers van gemeenten, hoge ambtenaren met rechtsmacht, stadsbestuurders, hoge en lage rechters, raadsleden van steden, advocaten, procureurs, secretarissen, deurwaarders en andere dienaren van de gerechten, die zich met de oproerigen hadden ingelaten terwijl ze anderen een voorbeeld hoorden te geven van trouw aan het gezag, waren ook uitgezonderd. Maar dezen zouden, als ze tenminste nog geen veroordeling door de rechter op hun naam hadden staan, binnen zes maanden na deze afkondiging persoonlijk of via een gemachtigde een smeekschrift om vergiffenis mogen indienen, en dat zou dan genadig in overweging genomen worden.’
    Dit citaat komt uit het vijfde boek van Hoofts Nederlandsche historiën. Tekstcat. is C. Het is een fragment van een plakkaat d.d. 16 juli 1570, dat regels stelt voor het verkrijgen van vergeving. Hooft vertelt dat dit plakkaat, tijdens een ceremonie vol pracht en praal voor het stadhuis van Antwerpen, door landvoogd hertog van Alva in de vorm van een vergifnisbrief werd voorgelezen. De opstandigen die oprecht berouw toonden werd vergeving van hun misdaden aangeboden. Veel groepen mensen waren echter van dit pardon uitgezonderd (zie Rogier 1970: 79v), onder andere degenen die aangeduid worden in dit fragment. Hooft geeft deze vergifnisbrief van Alva weer in de vrije indirecte rede. In Nederlandsche historiën staan tekstgedeelten in de vrije indirecte rede cursief gedrukt; vandaar dat de tekst van dit fragment in cursief staat.
    Ook gezagsdragers die zich met de oproerigen hadden ingelaten waren uitgezonderd van het pardon, zo had Alva volgens Hooft gesteld. Zij zouden echter (als uitzondering op de uitzonderingen) een smeekschrift om vergeving mogen indienen (Q), als ze tenminste niet al veroordeeld waren (P). Alva had de oproerigen expliciet van het pardon uitgesloten en zich dus mentaal met hun hoop beziggehouden, die zich ook uitstrekte tot het mogen indienen van een smeekschrift. Hij maakte de inwilliging van dat laatste echter afhankelijk van de vervulling van een voorwaarde die wel henzelf betrof maar die zij niet konden beïnvloeden: ze zouden niet al veroordeeld mogen zijn.
 De aansluiting is conjunct subject-subject.
225 D’Ooverste en Burghermeesters hadden, al oover een’ wyle, den stads timmermeester Marten Pieterszoon Vermey bewillight, onaangezien ’t groot gevaar zyns lyfs, aan Sonoy en de Staaten te brengen zeekere brieven, verborghen in een’ geboorde pols, die met een’ houten naaghel gestopt was. Deeze man voorts gezonden naa Delft, aan den Prinse, keerde met schryven zyner Doorluchtigheit, zoo aan Sonoy als aan de beleegherden, terugh. Maar, geraakt zynde ’s nachts naa den achtentwintighsten van Herfstmaandt, door al de Spaansche wachten, op eene naa, die dicht by de steêgraft stondt, werd hy ontdekt, en ontquam ’t met loopen [Q], mits den brief van zich werpende [mits.pp P]. De welke, geleezen by den Veldtheer, de vroomheit der beleegherden, waaraan ’s heelen Lands vryheit hing, hooghlyk roemde; met belofte van erkentenis en bystandt; ende dat men, verwittight door vuurteekens wen ’t naauwde, de dyken zoude doorsteeken, om ’t gansche gewest onder te zetten: jaa (oft zy schoon niet vuurden) indien men ’t quaam noodigh te oordeelen. (HooftHist 334)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘De commandant en de burgemeesters [van Alkmaar] hadden al een tijd geleden stadstimmerman Marten Pieterszoon Vermey bereid gevonden om, ondanks het aanzienlijke levensgevaar, naar Sonoy en de Staten brieven over te brengen, verborgen in een uitgeboorde polsstok die met een houten nagel dichtgestopt was. Deze man werd doorgezonden naar de prins in Delft en ging terug met een brief van Zijne Doorluchtigheid aan Sonoy en aan de belegerden. Maar toen hij in de nacht van de achtentwintigste september alle Spaanse wachten voorbij was, op één na, die dicht bij de stadssingel stond, werd hij gezien. Door de brief van zich te werpen kon hij hard rennend ontkomen. De brief, gelezen door de veldheer, roemde hogelijk de dapperheid van de belegerden, waarvan de vrijheid van het hele land afhing; beloofde financiële tegemoetkoming en bijstand, en gaf het advies dat men, gewaarschuwd door vuursignalen als het erom zou spannen, de dijken zou moeten doorsteken om het hele gebied onder water te zetten; sterker nog, ook zonder vuursignalen zou men dat moeten doen als men het een keer nodig achtte.’
    Dit is een citaat uit het achtste boek van Nederlandsche historien. Tekstcat. is C. De cursiveringen in het citaat duiden op de vrije indirecte rede waarmee fragmenten uit verdragen, brieven, redevoeringen e.d. worden weergegeven. Toen het beleg van Alkmaar (1573) door de Spanjaarden ruim een maand gaande was, wilde Sonoy, de Staatse bevelhebber van het Noorderkwartier, advies inwinnen bij de prins van Oranje over zijn plan om de tegenstanders te verdrijven door gebieden onder water te zetten. Het citaat vertelt hoe het de daarvoor ingeschakelde stadstimmerman en de door hem vervoerde brief verging.
Vermoedelijk heeft Hooft zich hier gebaseerd op de beschrijving door Bor van deze episode, die als volgt luidt: ‘Met desen brief ende eenighe andere zoo van Sonoy, is den voorschreven Timmerman nae Alckmaer gereyst den acht-ende-twintichsten September des nachts, dan ghecomen zijnde deur des vyandts wacht tot dicht onder die wal, zo stont daer noch wacht vanden vyandt de welcke terstont begonsten seer haestich te roepen, daer deur hy zoo verbaest werdt dat hijt ontliep, werpende zijn brieven van hem, die terstont Don Frederico ghebracht werden, daer Sonoy seer droevich om was, niettemin hy schreef terstondt andere brieven aen Cabeliau, daer in hy sommerlijck het schryven van den Prince verhaelde mitsgaders dat den Timmerman deur noot zijn brieven hadde moeten verlaten’ (Bor 1601 bk. 3: fol. 170 verso); de schuine strepen in Bors tekst zijn hier weergegeven als komma’s. Bor laat de bepaling ‘werpende zijn brieven van hem’ hier niet voorafgaan door verzwaring met het instrumentele mits; door ‘dat den Timmerman deur noot zijn brieven hadde moeten verlaten’ (einde fragment) drukt hij echter evenzeer uit dat het wegwerpen van ’s prinsen brief voor de timmerman het noodzakelijke middel was om zich in veiligheid te brengen. Woorden: oover een’ wyle: WNT wijl I betek. 6.i (over resp. voor een (goede, ruime) wijl, een (geruime) tijd geleden’); bewillight: WNT bewilligen betek. 1 (‘iemand tot iets willig maken, hem tot iets bewegen, overhalen’); voorts gesonden: WNT voortzenden betek. 1 (‘wegzenden, heenzenden’); werpende: WNT werpen III betek. I.3.a, het vier na laatste streepje: ‘iets van zich werpen. (voor verdere fig. toep. wordt verwezen naar werpen betek. IV.22_ betek. IV.22.a: ‘iets van zich werpen, (...) zich resoluut van iets ontdoen (...).’).
    Toen hij ontdekt werd door een wachtpost, kon de timmerman, zo vertelt Hooft, zich rennend in veiligheid brengen (Q) door de brief weg te werpen (P). P heeft een instrumentele rol: het wegwerpen was een middel om de aandacht van de schildwacht naar de brief te leiden, weg van zijn persoon. In Kornelis Schoons dertig jaar jongere historievertelling, waarin veel woorden lijken op die van Hooft en Bor, vinden we o.a. in aanstonds een aanwijzing dat de schildwacht de brief inderdaad belangrijk vond. Direct volgend op de mits.pp-frase schrijft Schoon namelijk: di aanstonds opgevat, en, aan den Spaansen Veld-heer Don Frederik, behandigt wierd (Schoon 2010 [1673]: 28v).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het subject ervan wordt begrepen als de timmerman (aangeduid met hy) en is gelijk aan het subject van ontquam ’t in de direct hogere frase, dat samengetrokken is met het subject van werd... ontdekt.
226ab Daarenbooven zullen alle Brusselse burghers, gevangen uit zaake van ’t oorlogh, ontslaakt worden [Q1], mits betaalende enkelyk hunne kosten [mits.pp P1]; ’t en zy dat zyn’ Hoogheit reeds orde daar opgegeeven, oft zy hun ransoen gemaakt hebben; in welken gevalle zy [Q2 1e deel], mits voldoende de kosten en hun ransoen [mits.pp P2], zullen uitgaan mooghen [Q2 2e deel]: wel verstaan, dat men den Engelschen Hopman York [...] terstondt heeft in vryheit te stellen. (HooftHist 987)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Contr TS=h SM=Cond CV=W1 CV=W3 VO=Q-P VO=QPQ
           
    ‘Bovendien zullen alle Brusselse burgers die gevangen zijn genomen in verband met de strijd, in vrijheid gesteld worden tegen betaling van slechts de kosten van hun levensonderhoud; tenzij Zijne Hoogheid al heeft geregeld dat zij zich vrijkopen, in dat geval zullen zij tegen betaling van de kosten van hun levensonderhoud en van hun losgeld vrij zijn, met dien verstande dat men de Engelse aanvoerder York onmiddellijk moet vrijlaten.’
    Dit citaat stamt uit het tweeëntwintigste boek van Nederlandsche historiën. De tekstcat. is C, met als genre ‘de verbondstekst’. Hier wordt nl. een passage weergegeven uit het verdrag dat Brussel op 10 maart 1585 met de hertog van Parma sloot, handelend over de mogelijkheden voor degenen die meegedaan hebben aan de opstand.
    Het verdrag neemt hier de wens van gevangen genomen opstandelingen in focus. Zij zullen vrij komen (Q1); de enige voorwaarde is dat zij de kosten gemaakt gedurende hun gevangenschap betalen (P1).
Bijna hetzelfde is aan de orde voor de gevangen opstandelingen die hun losgeld al geregeld hebben: zij zullen naast de kosten van levensonderhoud, ook dat losgeld moeten betalen (P2) als voorwaarde om vrij te zijn (Q2).
 Beide mits.pp-frasen zijn conjunct subject-subject.
227 De zelve vryheit geeft men ook aan de schippers der voorzeide stadt, indien daar eenighe zyn, die met hunne eighe scheepen willen vertrekken; ten waare dat zyn’ Hoogheit zich begeerde van hunne scheepen te dienen; in welken gevalle zy die zal mooghen aanveirden [Q], mits betaalende den prys, volghends gerechtighe waardeering daar af te doen [mits.pp P]. (HooftHist 1022)
[Muiden, Holland; 1642-T08] T=T08 P=Muiden R=Holland TC=C TG=Contr TS=h SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Ingeval er schippers van deze stad zijn die met hun eigen schip willen vertrekken, geeft men ook hun deze vrijheid; behalve als Zijne Hoogheid [de hertog van Parma] van hun schepen gebruik zou willen maken: in dat geval zal hij ze mogen overnemen tegen betaling van een prijs gebaseerd op een uit te voeren gerechtelijke taxatie.’
    Het citaat komt uit het drieëntwintigste boek van Nederlandsche historiën (tekstcat. C), waarin Hooft een weergave geeft van een verdrag dat Parma na de inname en overgave van Antwerpen in 1585 op hun verzoek sloot met een aantal gemachtigden van de stad, onder wie Van Marnix van Sint Aldegonde. Het verdrag regelt o.a.de vrijheid om weg te trekken of terug te keren. De tekst komt, volgens de weergave van Hooft, uit het verdrag.
    Het verdrag zoals door Hooft weergegeven, neemt hier de mogelijke wens van Parma in focus om schepen van vertrekkende eigenaren te vorderen. Het verdrag regelt het recht van Parma (zal mooghen) tot de bewuste vordering (Q), en noemt als door Parma te vervullen voorwaarde om van dat recht gebruik te maken dat hij de te taxeren prijs voor elk schip betaalt (P). De rol van P is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
228 Op de requeste van Isack Jacobsz versoeckende het vacerende stadtbodeschap deser stadt te mogen bedienen Is bij W+R geresolveert ende goetgevonden t’selve ampt hem provisionelijck volgens d’ordonnantie daer van sijnde te vergunnen ende toe te staen [Q] mits voor sijn burgerschap betalende x schellingen vls [mits.pp P] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 21)
[Arnemuiden, Zeeland; 1645-T08] T=T08 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Op het verzoek van Isack Jacobsz om het vacante ambt van stadsbode van deze stad te mogen vervullen, is door burgemeester en wethouders besloten en geaccordeerd om hem volgens de desbetreffende ordonnantie dit ambt voorlopig te gunnen en toe te kennen, waarbij hij uiteraard 10 schellingen in Vlaamse groten dient te betalen voor zijn burgerschap’
    Het citaat komt uit de resoluties van het stadsbestuur van Arnemuiden. Tekstcat. is B. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Mits is comitatief te begrijpen: P noemt iets wat in het geval van een benoeming van iemand van buiten de stad ‘natuurlijk’, ‘evident’ geldt volgens het stadsbestuur: inburgering en daarvoor inkomgeld betalen. De relatie is niet conditoneel; P is geen tegenprestatie; er is geen directe relatie tussen baan gunnen en inkomgeld betalen. De raad neemt een besluit, waarmee de betaling door Jacobsz voor burgerschap noodzakelijkerwijs gepaard gaat.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten: Isack Jacobsz is het begrepen subject van de mits.pp-frase, maar hij speelt geen rol als subject of voorwerp in de direct hogere frase, alleen (als hem) in een infinitiefconstructie die daarin is ingebed.
229 Weerde Schoonvader
niews van gewichte uijt munster en hebben wij in lange niet becomen alsoo de handelinge stil staet Eensdeels om de absentie van onse plenipotentiarissen die hier noch op resolutie wachten, ten andere om dat de Spaense soo favorable aanbiedingen niet en doen alse wel gedaen hebben, Siende mogelijck aen onse flauwicheijt int vervolgen van onse victorie, Savedra, die sich meest tegens onse plenipotentiarisen hadde geelargeert, vertreckt naer Spangien apparent om niet behaelt te werden. Lier schrijft als dat de Coninginne claechde dat de Spangaerts Vranckrijck tot de handelinge genoodicht hadden door groote beloften maer datse nu wel dorsten vier arme Bicoqques presenteren namentlijck Hesdijn d’Amvilleers Baulpaulme en noch een die mij ontgaen is, mede dat se Roussillon presenteerde [Q] mits wederomme hebbende Catalonien, en dat de forten ende Casteelen in Italien souden gedemolieert werden [mits.pp Pa en dat + Vf Pb]. (BriefwissHooft dl. 3: 729)
[Den Haag, Holland; 1646-T08] T=T08 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Brief TS=j SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Waarde schoonvader,
Belangrijk nieuws uit Münster hebben wij lange tijd niet gekregen, omdat de onderhandelingen stagneren, enerzijds vanwege de afwezigheid van onze ambassadeurs, die hier nog op beslissingen [van de Staten-Generaal] wachten, anderzijds omdat de Spanjaarden niet zulke gunstige voorstellen doen als ze eerder wel gedaan hebben, misschien omdat ze zien dat we weinig doortastend zijn in het uitbuiten van onze overwinning. Savedra, die zich tegenover onze ambassadeurs het ruimhartigst had opgesteld, vertrekt naar Spanje, naar het schijnt om geen kritiek over zich heen te krijgen. Lier schrijft dat de koningin [Anna van Oostenrijk, regentes voor Lodewijk XIV] geklaagd had dat de Spanjaarden Frankrijk met grote beloften aan de onderhandelingstafel hadden gelokt, maar nu het lef hadden om even vier armzalige en slecht versterkte plaatsen aan te bieden, namelijk Hesdin, Damvillers, Bapaume en nog één die mij ontschoten is, plus het aanbieden van de Roussillon, in ruil voor het terugkrijgen van Catalonië en de ontmanteling van de [Franse] forten en vestingen in Italië.’
    Dit citaat vormt het begin van een brief aan Hooft, gedateerd Den Haag 15 april [1646 - dit jaartal is door editeur Van Tricht afgeleid uit de inhoud van de brief], van zijn schoonzoon Johan van der Meijden. Van der Meijden was actief in de Rotterdamse politiek, evenals in de bovengewestelijke, o.a. als bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie. In Den Haag stond hij in contact met leden van de Staten-Generaal. Als persoonlijke brief valt deze tekst in tekstcat. B. Van der Meijden Hooft op de hoogte van wat hij zoal vernomen had - hij noemt een schrijven van Van Liere als informatiebron - over de enkele maanden eerder begonnen vredesonderhandelingen in Münster. Via Van Liere heeft Van der Meijden begrepen dat Anna van Oostenrijk, regentes voor de jonge Franse koning Lodewijk XIV, geklaagd heeft over een aanbod dat de Spanjaarden in hun brutaliteit aan Frankrijk hadden gedaan, en het is in de verwoording van dat Spaanse aanbod dat een (tweeledige) mits-constructie wordt toegepast. Woorden, namen: plenipotentiarissen: ‘ambassadeurs’ (de Staten-Generaal waren met acht ambassadeurs aanwezig, van wie Pauw en De Knuijt de belangrijkste waren; zie Groenveld 1997: 65)_ andere betekenissen: ‘gevolmachtigden’ (noot editeur), en WNT betek. A. 2 (‘(...) afgezant van een regeerend persoon (of personen) die volmacht heeft, hetzij om bij bepaalde onderhandelingen (...) voor hem (hen) op te treden, hetzij hem (hen) voor langeren tijd in een vreemd land te vertegenwoordigen; bij een gezantschap in rang volgend op gezant of ambassadeur. (...)’); Savedra: Diego de Saavedra Fajardo (...) Spaans onderhandelaar in Münster (noot editeur) ; geelargeert: WNT elargeeren betek. 1 (‘(wederk.) (...) zich ruimer, coulanter, minder bekrompen opstellen (...)’; behaelt: WNT behalen betek. B.3 (‘bedillen, bevitten’)_ ‘gekritiseerd’ (noot editeur); Lier: Willem van Liere, gezant van de Staten-Generaal in Parijs; dorsten: WNT durven betek. 4 (‘den moed hebben, niet bang zijn (...)’)_ hier ironisch; bicoque: ‘slecht versterkte vesting’ (noot editeur); presenteren: WNT presenteeren betek. II.A.2 (‘ (...) iemand iets aanbieden bij wijze van voorstel’). Dat de briefschrijver aandacht besteedt aan de teleurstelling bij Frankrijk over het aanbod van Spanje is begrijpelijk: begin 1646 was het nog het voornemen van Frankrijk en de Republiek om gezamenlijk tot een vredesverdrag met Spanje te komen. Geografie: Hesdin, Bapaume: plaatsen in Noord-Frankrijk, huidige regio Nord-Pas-de-Calais; Damvillers: plaats in Noord-Frankrijk, regio Grand Est; Roussillon: de landstreek Rousillon in engere zin met hoofdstad Perpignan, vermoedelijk met het noordelijk deel van de Cerdagne erbij; Catalonië: hier zal het gaan om het zuidelijk deel van de Cerdagne, de zgn. Alta Cerdagna (N.B. het zou nog tot 1659 duren tot dit deel feitelijk naar Spanje zou gaan); in Italien: bedoeld zijn Franse forten e.d. in Savoye en Piemonte.
    Van der Meijden heeft in een schrijven van Van Liere gelezen dat Spanje na eerdere grote beloften nu volgens de Franse regentes Frankrijk slechts had aangeboden dat het, naast een aantal kleine steden die naar haar idee een schraal voordeel behelsden, de Roussillon zou krijgen, een Spaans aanbod dat ervan uitging dat Frankrijk dat wenste (Q), op voorwaarde dat Frankrijk Catalonië aan Spanje zou teruggeven (Pa) en zijn versterkingen in Noord-Italië zou slechten (Pb). P(a,b) is hier dus een tweevoudige voorwaarde: de teruggave van Catalonië door Frankrijk is, met het opgeven van de Franse versterkingen in Piemonte en Savoye, de tweeledige voorwaarde waaronder Frankrijk enkele Noord-Franse steden samen met de Roussillon zou mogen inlijven. In deze tweevoudige voorwaarde klinkt in dit citaat een oude betekenis van mits door: die van ruilmiddel.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject) met de direct hogere frase, want het onderwerp wordt begrepen als de Spanjaarden, die ook onderwerp zijn van de direct hogere frase.
230 [...] ende dat sinjeur Fraes de verwerie met alle appendentie ende dependentie van dien mitsgaders effecten ende al dat daer tegenwoordich by is sal aennemen ende in ’t geheel aen hem behouden neffens oock de neeringe daeraen behoorende niets uytgesondert [Q], mits betalende deselve verwerie mette appendentie ende dependentie van dien mitsgaders de effecten in de verwerie sijnde ten prijs sooals deselve de compagnie gecost hebben [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 3: 460)
[Amsterdam, Holland; 1646-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] en dat de heer Fraes de ververij met alle toebehoren alsmede goederen en alles wat daar momenteel bij aanwezig is, als zijn bezit zal aannemen en in haar geheel in eigendom zal behouden, inclusief de in - en verkooporganisatie die daarbij hoort, niets uitgezonderd, waarbij hij voor deze ververij met toebehoren samen met de aanwezige producten dient te betalen wat ze de compagnie gekost hebben’
    Dit citaat komt uit een akte, op 28 mei 1646 opgemaakt door notaris Van Zwieten in Amsterdam, ter opheffing van een karmozijn- en scharlakenververij die een aantal jaren gedreven is door de heer Fraes en een collega. Tekstcat. is A1.
    De notaris beschrijft dat één van de twee compagnons van een ververij zijn aandeel aan de ander overdraagt (Q), waarvoor deze laatste (sinjeur Fraes) hem uiteraard een bedrag dient uit te betalen overeenkomend met de waarde van het nieuw-verworven aandeel in de eigendommen en de handelsactiviteiten van het bedrijf alsmede van de aanwezige producten (P). De rol van P is een comitatieve. In de onmiddellijk hierop volgende tekst wordt overigens nog genoteerd dat de afhakende compagnon ook zijn aandeel dient te krijgen in winst en verlies van het lopende jaar nadat de rekeningen opgemaakt zijn.
 De aansluiting is conjunct subject-subject: het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase is de heer Fraes, die in de direct hogere frase de rol van onderwerp heeft.
231 Den eenen meer vertier hebbende als den anderen ende gebreck van lamfers soude mogen krygen doordien syne getouwen sooveele niet en konde maken als hy wel soude mogen verkoopen, sal dat by ymant van de contrahenten moeten soecken ende koopen ende voor preferentie offte rabat boven de conditie van andre cooplieden daervan genieten 4 % ende geen ander als goet leverbaer goet te hoeven t’ ontfangen. ’t Sal hem oock vry staen ’t goet rou sooals ’t van de getouwen comt offte wel geverfft ende opgemaeckt te ontfangen [Q] mits daervooren na advenant betalende [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 3: 481)
[Amsterdam, Holland; 1647-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Als de één meer verkoopt dan de ander en gebrek aan lamfer zou kunnen krijgen doordat zijn weefgetouwen niet zo veel zouden kunnen maken als hij wel zou kunnen verkopen, zal hij die stof bij één van de contractanten moeten afnemen en als preferentie of korting ten opzichte van andere kooplui 4% genieten, maar hij zal alleen goed leverbaar goed hoeven te krijgen. Het zal hem ook vrijstaan de stof onbewerkt te ontvangen, zoals die van de weefgetouwen komt, dan wel compleet geverfd en geappreteerd, waarbij hij voor de bewerkingen naar evenredigheid dient te betalen.’
    Het citaat omvat bepaling nr. twee van een overeenkomst tussen vier firma’s tot regeling van de prijzen bij de verkoop van lamfer (een soort fijn gaas waarvan rouwsluiers worden gemaakt). Het contract is op 18 maart 1647 opgemaakt door notaris Van Zwieten in Amsterdam. Tekstcat. is A1.
    De firma’s zijn vrij om bij materiaaltekort onbewerkte dan wel geverfde en geappreteerde lamfer bij hun collega’s te betrekken (Q), waarbij ze voor het verven of afwerken naar evenredigheid dienen te betalen (P), zo zegt deze bepaling. P heeft een comitatieve rol. Gegeven de keuzevrijheid om onbewerkte dan wel kant en klaar bewerkte lamfer af te nemen, zal de prijs uiteraard lager of hoger zijn.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw
232 [Art.] 41 Niemant en sal ter eenre ofte ter andere zijde, directelick oft indirectelick in ’t veranderen van sijne woonplaetse beleth worden [Q], mits betalende de rechten daer toe staende [mits.pp P], ende indien eenige beletselen sedert het tractaet geschiet waren sullen datelick worden affgedaen. (Nationaal Archief toeg.nr. 1.01.02, inv.nr. 12588.55B, p. 20)
[Den Haag, Buitengewestelijk; 1648-T08] T=T08 P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Art. 41. Aan beide zijden zal niemand, direct of indirect, gehinderd worden in het wisselen van woonplaats, mits hij de daarvoor geldende rechten betaalt, en indien er sinds [de ondertekening van] het onderhavige verdrag belemmeringen zouden zijn opgeworpen, zullen die onmiddellijk worden weggenomen.’
    De verdragstekst van de vrede van Münster, door een groot aantal internationale overheden overeengekomen, omvat (volgens de Nederlandse versie voor de Staten-Generaal van maart 1648) artikel 41, dat de vrijheid regelt van burgers die van woonplaats wensen te wisselen. Tekstcat. is A2. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven; ook voor de transcriptie die ik vrijelijk gebruikt heb.
    De rol van P is conditioneel: wensen van burgers die van woonplaats willen wisselen staan centraal voor de internationale overheden die het verdrag sluiten (Q); betaling van de geldende rechten is voorwaarde voor inwilliging van deze wensen (P).
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject: als subject wordt begrepen ieder die van woonplaats wil wisselen.
233 [Art.] 71 Den Dam geslagen bij St. Donaes tot stoppinge vande Riviere de Soute sal wech genomen en geopent worden [Q], mits aldaer leggende en maeckende een zas [mits.pp P], over de bewaeringe van welck zas sal worden vergeleecken, gelijck hier vooren is geseijt tenopsichte van het demolieren der Forten. (Nationaal Archief, toeg.nr. 1.01.02, inv. nr. 12588.55B, p. 29)
[Den Haag, Buitengewestelijk; 1648-T08] T=T08 P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Art. 71 De dam die bij het fort Sint-Donaas gebouwd is om de rivier de Zoute af te sluiten, zal weggehaald worden en de doorvaart geopend, doordat op die plaats een schutsluis wordt gebouwd. Over het beheer van de sluis zal een nadere overeenkomst gesloten worden, analoog aan wat hiervoor is gezegd ten aanzien van het afbreken der forten.’
    Dit citaat behelst art. 71 van het verdrag van de Vrede van Münster, waarvan op 1 maart 1648 de Nederlandse vertaling beschikbaar kwam voor de Staten-Generaal in Den Haag. Tekstcat. is A2. Woorden, zin: zas of sas: WNT: ‘Schutsluis, kolk van een schutsluis’; schutsluis: WNT betek.‘sluis die dient om het water te kunnen opstuwen of ophouden; keersluis, schut, stuw’_ de uitdrukking ‘maken en leggen’ is hier in verband met een schutsluis ook gebruikt; Sint Donaes: bedoeld zal hier niet zijn het kleine dorp dat momenteel deel uitmaakt van de gemeente Sluis, maar het fort Sint Donaas aan wat nu de Damsevaart heet; vergeleecken: WNT vergelijken bet. 5 ‘overeenkomst sluiten’; de laatste bijzin beginnend met over de bewaeringe van welck, die een regeling in het vooruitzicht stelt analoog aan die voor het slopen van de forten, verwijst naar art. 68 van dit verdrag; in Zeeuws-Vlaanderen worden, zo staat daar, van zowel de Staten als Spanje de forten gesloopt, waarbij partijen nader zullen overeenkomen hoe de nieuwe situatie ordelijk te regelen is. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven; ook voor transcriptie die ik vrijelijk gebruikt heb.
    Er is een streven van de betrokken internationale overheden dat schepen hier zullen kunnen doorvaren (Q); na opheffing van de oorlogstoestand kan het middel daartoe, een sluis in plaats van de bestaande afsluitdam, eindelijk ingezet worden (P). Het gaat hier niet om een voorwaarde waarmee eerst ingestemd moet worden voordat aan de wens tegemoetgekomen wordt. De mits.pp-frase duidt een middel aan.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten, want de overheden die begrepen worden als subject treden niet op als onderwerp of voorwerp in de (passieve) direct hogere frase, ze zijn daar slechts begrepen Agens.
234 Ten leste is noch bedongen dat byaldien de voors. Lambert Jansz. geen contentement in de dienst van de voors. Gerardus Berleborch mochte hebben, dat in sulcken geval hem vrij sal staen de voors. Berleborch te laten gaen [Q] mits aen hem betaelende dien tijt, die hy alsdan sal hebben gedient, ende dat naer advenant de voors. 240 g. in ’t jaer te reeckenen bevonden sal werden te bedragen [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 3: 540)
[Amsterdam, Holland; 1649-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Ten slotte is nog bedongen dat, ingeval de genoemde Lambert Jansz. niet tevreden zou zijn over de arbeid van de genoemde Gerardus Berleborch, het hem in dat geval vrij zal staan genoemde Berleborch uit zijn dienstverband te ontslaan, op voorwaarde dat hij hem betaalt voor de periode die hij dan zal hebben gewerkt, met een bedrag berekend op basis van de genoemde 240 gulden per jaar.’
    Dit citaat behelst de laatste bepaling in een notarieel contract tussen twee schilders. De overeenkomst is opgemaakt op 16 oktober 1649 door notaris Van Zwieten. Tekstcat. is A1.
    De contractbepaling geeft Lambertus Jansz. de mogelijkheid om Gerardus Berleborch uit het nu aangegane dienstverband te ontslaan ingeval hij niet tevreden zou zijn over diens arbeid (Q), op voorwaarde dat hij hem uitbetaalt voor de gewerkte periode, op basis van de jaarwedde (P). De rol van P is een conditionele. De contractanten nemen de situatie in het oog dat Lambertus Jansz. om een bepaalde reden tot ontslag zou willen overgaan, en noemen dat toelaatbaar bij vervulling van een voorwaarde. Cit.nr. 93, een fragment uit de stedelijke instructie voor de stadsspeellieden, bevat een vergelijkbare - maar comitatieve - mits.pp-frase strekkend tot uitbetaling van wél gewerkte tijd ingeval van vervroegd ontslag. Vermoedelijk betreft het een bekende clausule in een eveneens min of meer vaste ontslagbepaling.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw
235 Aen mijne E.E. heeren burgemeesteren ende gerechte der stadt Leijden. Geven reverentelijcken te kennen U.E. onderdanighe dienaren, die broederen van de jonge camer, genaempt de Palmboom In Lieft Werckende, hoe dat uwer E.H. gelieft heeft te ordonneren, dat zy, supplianten, twe malen ter weeck vergaderinghe sullen mogen houden, als namentlicken ’s maendaechs ende saterdaechs, waervan sy, supplianten, uwer E.E. hoochgelicken zijn bedanckende. Ende also onder hen, supplianten, eenige liefhebbers zijn, zo van bierdragers als andere neringdoende luijden, die des saterdaechen heel qualicken uyt mogen, zo keeren zy, supplianten, hem aen uwer E.E. reverentelick biddende ende versouckende, dat d’zelve gelieven te ordonneren, dat zy, supplianten, in plaetse van zaterdachs, donderdaechs vergaderinge sullen mogen houden. [...]
in margine:
Die van de gherechte der stadt Leyden hebben die supplianten by desen geconsenteert, dat deselfde in plaetse van des saterdachs alle donderdagen haer bijeenkomsten in alle geschiktheyt ende eerbaerheyt sullen mogen houden [Q], mits hun in t’verdiende preciselycken gedraegende naer de ordonnantie, hun op den 16 october laetstleden verleent [mits.pp P]. Actum den 13 januarij XVJc vijftich. G. v. Hoogheveen. (RetorMemor 590)
[Leiden, Holland; 1650-T08] T=T08 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Aan mijne Edele heren burgemeesteren en heren van het gerecht van de stad Leiden. Eerbiedig geven uw onderdanige dienaren, de broeders van de nieuwe kamer genaamd De Palmboom [met zinspreuk] In Liefde Werkende, te kennen dat zij ervan op de hoogte zijn dat het Uwe Edele Hoogheid heeft behaagd te bepalen dat zij, verzoekers, twee maal per week bijeen mogen komen, nl. op maandag en zaterdag; zij, verzoekers, bedanken uwe Edele heren daarvoor ten zeerste. En omdat onder hen, verzoekers, enige liefhebbers van de retorica zijn, bijvoorbeeld bierdragers maar ook andere neringdoenden, die op zaterdag onmogelijk hun werk kunnen laten liggen, richten zij, verzoekers, zich tot Uwe Edelheid om u eerbiedig te verzoeken dat het u behaagt te besluiten dat zij, verzoekers, in plaats van op zaterdag, op donderdag bijeen zullen mogen komen. [...]
in de marge [stond als antwoord opgetekend]:
De heren van het gerecht van de stad Leiden hebben de verzoekers bij deze vergund dat zij hun bijeenkomsten in alle ingetogenheid en betamelijkheid in plaats van op zaterdag, op donderdag zullen mogen houden, onder de voorwaarde dat zij zich bij hun verdienstelijke activiteiten nauwkeurig gedragen conform de verordening die op 16 oktober jongstleden voor hen is vastgesteld. Getekend 13 januari 1650. G. v. Hoogheveen.’
    Dit citaat behelst een verzoekschrift (tekstcat. B) van rederijkerskamer De Palmboom aan het Leidse stadsbestuur, gevolgd door de desbetreffende beschikking. De editeuren melden dat informatie over de Leidse rederijkerskamer niet, zoals elders vaak het geval is, in kerkelijke documenten te vinden is, maar in gemeentelijke; in Leiden was het de stedelijke overheid die het optreden van de kamers waar nodig in banen leidde. De Palmboom bestond pas sinds 1616 en was daarmee de jongste van de vier Leidse kamers. Bij de oprichting luidde de naam voluit ‘De Samaritaen onder den Palmboom’ (RetorMemor 492v). Woorden: geven...te kennen: WNT geven betek. I.A.2, onder 66ste streepje; hoochgelicken: WNT hooglijk betek. A (‘krachtiglijk; ernstiglijk; soms: dringend’); liefhebbers WNT liefhebber betek. 8 (‘met betrekking tot een tak van menschelijke bezigheid en wat daarmee samenhangt, in ’t bijzonder een vak van kunst of wetenschap (...). Iemand die er van houdt, er belangstelling voor koestert, zich er gaarne mee bezighoudt (...)’); bierdragers: WNT bierdrager betek. ‘iemand die van stadswege is aangesteld om bier (of ook wijn en andere vloeistoffen die aan accijns onderworpen waren), van de eene plaats naar de andere te brengen (...)’; in margine: in de meeste teksten in de gebruikte editie staat: ‘In margine stont geapostilleert’_ WNT appostilleeren betek. 1 (‘van een apostille of apostilles voorzien, kantteekenen. Met betr. tot requesten voorheen ook in ruimeren zin, gelijkbeteekenend met beantwoorden’); geschiktheyt: MNW geschictheit betek. ‘voegzaamheid, betamelijkheid; eene goede, gepaste stemming’, in combinatie met WNT geschiktheid betek. II.1 (‘zedigheid, ingetogenheid, eerbaarheid (...)’); verdiende: MNW betek. ‘verdienste, hetgeen iemand goeds of nuttigs gedaan heeft voor de menschen (...).
    De inwilliging van het Leidse stadsbestuur van de wens van rederijkers van De Palmboom om één van dagen waarop zij bijeenkomsten mogen houden, nl. de zaterdag, te vervangen door de donderdag (Q) is gekoppeld aan voorwaarde P, inhoudend dat betrokkenen zich nauwgezet houden aan het enkele maanden eerder door het stadsbestuur uitgevaardigde reglement.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten (subject-meew.voorw), want het subject wordt begrepen als de verzoekers, die meewerkend voorwerp zijn in de direct hogere frase.
236 Die van de gerechte der stadt Leijden, op het voorsz. rourende, dat de supplianten hun in alle geschicktheijt in achtervolginge van de ordre hun by die van de gerechte op den 16 october 1649 verleent, sullen gedragen, hebben de supplianten bij desen weder toegelaten om haer bijeencompste tot eerlicken oefeninge ende vermaek op sodanige tijden ende gene anderen als hun bij de voorn. ordre wert toegestaen, te houden [Q], mits tot dien eijnde de voorn. ordre op haer kamer ophangende [mits.pp P]. Ende opdat het toekomende alle ongeregeltheden op de voorn. kamers door droncken drincken ende andersints tegens d’opgemelte ordre voorgevallen, des te beter mogen werden geweert ende ontdeckt, wert verboden eenige blinden ofte gardijnen te doen maecken of te hangen voor de glasen op de kamers, daer sij haere bijeencompste sijn houdende ende de voorn. kamers ofte vergaderplaetse niet te veranderen als met kennisse van die van de gerechte. (RetorMemor 592)
[Leiden, Holland; 1652-T08] T=T08 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Het bestuur van de stad Leiden heeft inzake het voornoemde [verzoekschrift] besproken dat de verzoekers zich in alle betamelijkheid moeten gedragen volgens het reglement, voor hen op 16 oktober 1649 door het stadsbestuur uitgevaardigd, en heeft de verzoekers bij deze weer toestemming gegeven om hun samenkomsten gericht op eerbare dichtoefening en ontspanning te houden op de tijdstippen die hun in het genoemd reglement werden toegestaan, met uitsluiting van andere, op voorwaarde dat zij daartoe het genoemde reglement in hun interieur ophangen. En opdat in de toekomst in genoemde ruimten des te beter ongeregeldheden door dronkenschap en andere overtredingen van het genoemde reglement tegengegaan en ontdekt kunnen worden, is een verbod uitgevaardigd om vensterluiken of gordijnen te laten maken of op te laten hangen voor de ramen van de kamers waar zij samenkomen en om de genoemde kamers of locaties van samenkomst zonder medeweten van het stadsbestuur te veranderen.’
    Dit citaat behelst een op 30 mei 1652 gedateerd antwoord van het Leidse stadsbestuur op een verzoekschrift van rederijkerskamer De Palmboom om weer open te mogen. Als beschikking op een rekest valt dit citaat in tekstcat. B. Naar aanleiding van klachten had De Palmboom enige tijd de deuren moeten sluiten. Woorden: rourende: WNT roeren betek. I. 2.9 (‘iets aanroeren met woorden, ergens van reppen, daar gewag of melding van maken, er van gewagen of spreken, iets vermelden of behandelen’); hun... gedragen: WNT gedragen betek. III. I.2.a.β _ onder het eerste streepje wordt vermeld de combinatie: ‘zich naar (volgens) zekeren raad, zeker bevel, besluit enz. gedragen, dienovereenkomstig zijne handelingen inrichten of te werk gaan.’
    Het stadsbestuur willigt de wens in van de broeders van De Palmboom om weer samen te mogen komen voor hun rederijkersactiviteiten (Q), onder de conditie dat zij in de ruimte van samenkomst het reglement aan de muur hangen, om te stimuleren dat de aanwezigen zich regelconform gedragen (P). P fungeert derhalve als voorwaarde.
 De mits.pp-frase is conjunct aangesloten (subject-meew.voorw), want het subject wordt begrepen als de broeders van de rederijkerskamer, die optreden als meewerkend voorwerp (de supplianten) van de direct hogere frase.
237 [...] Ick weet de troust versterct
In mij en oock in haer daer men in Liefde Werct.
Gunt mij dit cleijn versouck, achtb. magistraet.
Weet, dat uw danckbaere ziel steets voor u open staet.
Mijdt t’vinnich stael. Suppliant Frans Goverts van der Stael. [...]
in de kantlijn:
Die van de gerechte der stadt Leijden hebben bij desen geconsenteert, dat de suppliant als broeder van de jonge camere van de rethorijcquen onder ’t woort In Liefde Werckende sal mogen aengenomen werden, omme dezelve in alle geschicktheyt ende zedicheyt te frequenteren [Q], mits gehouden [onleesbaar] blijckende [blijvende] preciselicken naer te komen d’ordonnantie bij die van de gerechte daerop gemaeckt [mits.pp P]. (RetorMemor 593)
[Leiden, Holland; 1652-T08] T=T08 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Comit CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘[...] Ik hoop vurig,
net als zij die In Liefde Werken.
Sta mij dit klein verzoek toe, eerbiedwaardige magistraat,
weet dat uw dankbare onderdaan u altijd erkentelijk zal zijn.
Vermijdt u het staal van de scherprechter. Verzoeker Frans Goverts van der Stael. [...]’
in de kantlijn staat de beschikking:
‘De heren van het gerecht van de stad Leiden hebben bij deze goedgekeurd dat de verzoeker aangenomen zal mogen worden als broeder van de jonge rederijkerskamer met de zinspreuk In Liefde Werkende, om die op betamelijke en zedige wijze geregeld te bezoeken, waarbij hij uiteraard steeds gehouden is het reglement dat daarvoor door de heren van het gerecht is gemaakt, tot in de puntjes na te leven.’
    Dit citaat behelst een deel van een verzoekschrift en de beschikking daarop van het stadsbestuur, gedateerd 29 augustus 1652. De beschikking is getekend door secretaris G. van Hoogheveen. Tekstcat. is B. Jongeman Frans Goverts van der Stael schrijft in versvorm (zoals ook andere geïnteresseerden in de rederijkerskamer deden) een verzoek aan het stadsbestuur om ondanks zijn leeftijd toegelaten te worden tot De Palmboom. Aan het begin van het gedichtje, dat direct voorafgaat aan het geciteerde deel, komt naar voren dat de rederijkers van De Palmboom hem als lid wensen en keizer en prins van de kamer eveneens (waarvan hun beider handtekening getuigt), en dat het woord nu aan het stadsbestuur is.
Woorden, naam: daer men in Liefde Werct: dit doelt op rederijkerskamer De Palmboom, met de zinspreuk In Liefde Werkende; versterct: WNT versterken betek. 5.a (‘van of m. betr. t. eigenschappen, hoedanigheden, gevoelens, psychische processen e.d.: in sterkere mate aanwezig (doen) zijn; intenser, heviger (doen) worden’); open: WNT open, Afl. en Koppel. 5 (‘werkwoorden waarin open voorkomt in de oneigenlijke beteekenis van: niet afgesloten, onvereffend (...)’) bijv. openstaan (van eene rekening)’); mijdt: WNT mijden betek. I.5 (‘zich van iets onthouden (...)’); geconsenteert: WNT consenteeren betek. 4 (‘M. betr. t. handelingen, uitingen, instellingen, wetten e.d.: als juist of gewenscht beoordeelen; goedkeuren’); frequenteren: WNT frequenteeren betek. ‘vaak, regelmatig, druk bezoeken; dikwijls een bezoek aandoen; geregeld bijwonen (...)’.
    Het Leids stadsbestuur keurt goed dat jongeman Frans Goverts van der Stael als broeder aangenomen wordt van De Palmboom om deel te nemen aan de manifestaties (Q). Daarbij is hij uiteraard steeds verplicht zich nauwgezet te houden aan de bepalingen in het reglement van het stadsbestuur (P), zo vermeldt de beschikking. De rol van P is een comitatieve.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten, want het onderwerp ervan wordt begrepen als de verzoeker (de suppliant), die geen rol als onderwerp of voorwerp speelt in de direct hogere frase.
238ab 1. Datter geen Christelijcke reconciliatie ten aensien van mij behoeft b[g]evordert off bewrocht te werden, dewijle ick geduyrende al het schrijven D. Maresii tegen mij, deselve als een Christen tusschen God ende mijn concientie altijt naer vermoogen gesloten, ende vastgeset hebbe [Q1], mits vergevende syn E. van harten de injurien mij in ’t particulier aengedaen [mits.pp P1].
2. Wat aengaet de particuliere heterodoxie, die sijn E. tegens reden, liefde ende billicheyt mij met honderden te lasten leyd, can sulcx om vredes ende stichtinge wille wel voorbij wijsen, - soo lange als hooger noot, off de gemene saecken der kercken of publique authoriteyt my niet en dringen - [Q2] mits steunende niet alleen op de goede sake, maer op ’t getuygenis ende goet contentement der kercke ende academie alhier, daertoe ende daeronder ick gehoor [mits.pp P2], soodat ick sedert het jaer 1648 geen apologien, ’t sy met openen, ’t sij met bedecken van mijnen naem tegens sijn E. oppugnatien ende accusatien in verscheyden boucken gepubliceert, geschreven hebbe (ActaPartSyn dl. 3: 305)
[Utrecht, Midden-Nederland; 1652-T08] T=T08 P=Utrecht R=Midden-Nederland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Instr SM=Mot CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘1. Dat er geen christelijke verzoening jegens mijn persoon gestimuleerd of bewerkstelligd hoeft te worden, omdat ik gedurende de gehele periode van twistschriften van dominee Maresius tegen mij, als Christen naar vermogen altijd deze verzoening tussen God en mijn geweten gesloten heb en sterk heb gemaakt door zijne Edelheid van harte alle onrecht te vergeven dat hij mij in het bijzonder heeft aangedaan.
2. Ten aanzien van de bijzondere afvalligheid die zijne Edelheid mij, ingaand tegen redelijkheid, liefde en billijkheid, honderdvoudig ten laste legt: ik hoef daarop wellicht omwille van de lieve vrede en de godsdienstige verheffing niet in te gaan - zolang uiterste noodzaak of de gemene zaak van de kerk of het openbaar gezag mij daartoe niet nopen -, omdat ik niet alleen gesteund word door de goede zaak maar ook door de getuigenis en het positieve oordeel van de kerk en de academie alhier waartoe en waaronder ik behoor, zodat ik sinds het jaar 1648 geen verdedigingsrede geschreven heb, noch onder mijn naam noch anoniem, tegen de aanvallen en beschuldigingen van zijne Edelheid, gepubliceerd in verschillende boeken’
    Dit citaat behelst de eerste twee artikelen van een verklaring (memorie) opgesteld door de Utrechtse theoloog Gijsbertus Voetius, ter voorlezing door een collega-hoogleraar op de Particuliere Synode van Zuid-Holland, van 15 juli tot 3 augustus 1652 in Gorinchem bijeen. Na 1619 vonden er nl. geen nationale synoden meer plaats, wel jaarlijkse ‘particuliere’ synoden per kerkprovincie. Het citaat valt in tekstcat. B. Achtergrond van deze memorie was Voetius’ al bijna twintig jaar lopende polemiek met Samuel Maresius, hoogleraar theologie in Groningen, die hem veelvuldig om zijn streng-orthodoxe standpunten had aangevallen. De Zuid-Hollandse synode had de zgn. twistschriften, waarin de theologen elkaar ook persoonlijk beledigden, al eerder betreurd en gepoogd de heren tot zwijgen jegens elkaar te brengen (ActaPartSyn dl. 3: 206). In de geciteerde artikelen bespreekt Voetius hoe hij aankijkt tegen een mogelijke christelijke verzoening en tegen een eventuele verdere verdediging tegen Maresius’ beschuldiging.
Woorden: b[g]evordert: de editeur vermeldt in een noot dat er in het Hs staat gevordert; gesloten: WNT sluiten betek. 11; vastgeset: WNT vastzetten betek. 5 (‘(fig.) onwankelbaar, onveranderlijk, stevig enz. maken’); syn E. : WNT edel betek. 2, derde streepje (‘‘U Edele, Zijn Edele, Haar Edele, beleefdheidsvormen van het persoonlijk voornaamwoord, vroeger vooral in briefstijl zeer gewoon, thans alleen bij minder ontwikkelden of in schertsend gebruik.’); stichtinge: WNT stichting betek. 2; voorbij wijsen: WNT voorbijwijzen betek. 3; wel: WNT wel IV betek. II.26.
    De relatie tussen Q1 en P1 is deze. Ik, Voetius, heb in de tijd van de twistgeschriften vanuit mijn christen-zijn een verzoening tot stand gebracht tussen mijn geweten en God (Q1) door aan Maresius vergeving te schenken voor diens onrechtvaardige bejegening van mijn persoon (P1). Q1 duidt op datgene waarnaar Voetius streeft: vrede te krijgen met God. P1 heeft een instrumentele rol. De verhouding tussen Q2 en P2 is anders. Ik, stelt Voetius, hoef hier niet de veelvuldig door Maresius gedane beschuldiging te bespreken dat ik niet recht in de leer zou zijn (Q2) omdat ik gesterkt word door waar ik voor sta en steun geniet van de kerk en de Utechtse universiteit (P2). Voetius voelt zich dus zich niet genoodzaakt te reageren op Maresius’ verwijten. De mits.pp-frase noemt de reden daarvoor.
 De mits.pp-frase met P2 is conjunct (subject-subject) aangesloten, want als subject moet begrepen worden Voetius, die (met de aanduiding ick) ook subject is van de direct hogere frase. De mits.pp-frase met P2 is conjunct (subject-subject) aangesloten, want het subject moet begrepen worden als Voetius, die ook het niet uitgedrukte subject is van de direct hogere frase.
239 Ende bijaldien sij Testatrice haer vader overleeft ende geen kinderen naerlaet als voren, legateerde sij voors. hare clederen van sijde, linnen ende wollen aen hare suster of susters, die haer Testatrice mochten overleeven [Q], mits daervoor aen haer Testatrices voornoemde man uytkeerende de somma van drie hondert guldens [mits.pp P]. (Van Westrheene 1867: 142)
[Amsterdam, Holland; 1653-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Test TS=e SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘En voor het geval dat zij, testatrice, haar vader overleeft en geen kinderen nalaat zoals hiervoor aangeduid, legateert de eerder genoemde haar kleding van zijde, linnen en wol aan haar zuster of zusters voor zover die haar zouden overleven, waarbij dezen daarvoor aan testatrices voornoemde echtgenoot het bedrag van driehonderd gulden dienen uit te keren.’
    Notaris S. Nieuwland te Amsterdam heeft op 2 januari 1653 het testament verleden van de schilder Paulus Potter en zijn echtgenote Adriana Balkeneynde. Tekstcat. is A1.
    De erflaters geven opdracht tot een legaat aan de overlevende zuster of zusters van de echtgenote (Q), hetgeen met zich brengt dat zij als noodzakelijke compensatie een uitkering doen van driehonderd gulden aan testatrices echtgenoot (P). De rol van R is een comitatieve.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw) aangesloten, want subject zijn de overlevende zusters, die als meewerkend voorwerp optreden in de direct hogere frase.
240 Voorgestelt synde dewyle den Professor Heinsius mede is seeretaris van de senaet der Academie ende Prefectus Bibliothecae Publicae ende die twee ampten om synen hoogen ouderdom ende swacheyt niet wel langer kan waernemen, tot merckelicken ondienst vande Universiteyt off niet noodich sal wesen tot de bedieninge vande voors. twee ampten voortaen andere persoonen te committeren, ende welcke mitsgaders wat dien aengaende met de voorn. Professor Heinsius behoort gedaen te werden, wert naer deliberatie goet gevonden by desen te versoucken den Burgermeester Paedts, om, met assistentie vanden Secretarys van dit Collegie, den voornoemden Heinsium t’induceren tot afstant van de voors. twee ampten [Q], mids behoudende de weddens off tractementen by hem daervan re[s]pectivelick tot noch toe genoten [mids.pp P], ende dat d’emolumenten van deselve ampten sullen werden genoten by den persoons die tot de actuele bedieningen van dien sullen werden gestelt. (Angillis 1864: 450)
[Leiden, Holland; 1653-T08] T=T08 P=Leiden R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Aangezien professor Heinsius zowel secretaris is van de Senaat van de Academie als beheerder van de Bibliotheca Publica en hij die twee ambten vanwege zijn hoge leeftijd en verzwaktheid niet goed kan blijven vervullen, wat tot aanmerkelijk nadeel strekt van de universiteit, is aan de orde gesteld of er geen behoefte is om de bediening van genoemde twee ambten vanaf nu aan andere personen toe te vertrouwen, en aan wie dan; alsmede hoe er wat dit betreft met de genoemde professor Heinsius omgegaan moet worden. Na beraadslaging is besloten bij deze het verzoek te doen aan burgemeester Paedts om met hulp van de secretaris van dit College [van Curatoren] genoemde Heinsius ertoe te bewegen genoemde twee ambten neer te leggen, onder de voorwaarde dat hij de weddes dan wel salarissen behoudt die hij daarvan tot nu toe onderscheidenlijk geniet; en er is besloten is dat de emolumenten van deze ambten zullen worden genoten door de personen die aangesteld zullen worden om deze feitelijk uit te oefenen.’
    Dit citaat behelst een besluit d.d. 8 en 9 februari 1653 van het College van Curatoren van de Leidse universiteit inzake de dichter en hoogleraar Grieks en dichtkunst Daniël Heinsius. Als besluit van een bestuur valt het citaat in tekstcat. B. In eerdere besluiten van curatoren komen de honorering en het feitelijk werk van Heinsius geregeld ter sprake: Heinsius blijkt meer dan eens gevraagd te hebben om vrijstelling van werk ten gunste van zijn dichterschap, en vanaf 1642 stellen ook leden van het college zich de vraag wanneer hij met emeritaat zal gaan. Woorden, namen: WNT curator betek. 2 (‘een lid van den raad van toezicht over eene inrichting van hooger onderwijs’); Bibliotheca Publica: openbaar toegankelijke wetenschappelijke bibliotheek van de Leidse universiteit; burgermeester: de vier Leidse burgemeesters vormden samen met drie door het gewest aangestelde curatoren het hoogste bestuur van de Leidse universiteit; burgemeester Paedts: Cornelis Paedts was in 1653 vermoedelijk toekomstig burgemeester (de ‘konstlievende Heer Burgermeester Cornelis Paats’, burgemeester in 1680, 1686, 1690 en 1694, zou een actieve rol hebben gespeeld bij de oprichting van de Leidse Tekenacademie - zie Bakker 2012); induceren: WNT induceeren betek. A (‘als kanselarijterm (...) (iemand) overreden of door overreding tot iets nopen, opwekken’); emolument: WNT (betek. ‘ongeregelde bijkomstige bate aan een ambt verbonden’).
    Het College van Curatoren vraagt burgemeester Paedts om Heinsius te overreden om afstand te doen van zijn functies (Q) onder de voorwaarde van behoud van zijn genoten weddes en salarissen (P). Heinsius’ terugtreden zou de verwerkelijking zijn van een wens (Q) van het College (die zoals zij weten aansluit op een wens van Heinsius zelf). De stap terug zou Heinsius ook niet ‘om niet’ hoeven doen: het College laat aan Heinsius direct weten dat het aan een denkbare voorwaarde van hem tot behoud van zijn weddes of salarissen (P) zou voldoen. Het scenario met de ‘ingefluisterde’ voorwaarde P komt uit de koker van de auteurs, voor wie Q gewenst is (het College).
 De mids.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het subject ervan wordt begrepen als Heinsius, die ook begrepen subject is van de direct hogere genominaliseerde frase afstant van de voors. twee ampten.
241 [...] wordt geoordeelt dienstig te sijn, op te rechten hier ter stede een hal, alwaer alle de bovengeschrevene manufacturen zouden worden gebraght ende vercoft [Q] mits betalende, tot onderhout van gemelte hal, een ordinarise factori van 1½ off 2 % [mits.pp P] (BronnenAmst dl. 3: 599)
[Amsterdam, Holland; 1653-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Verkl TS=l SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] wordt het dienstig geacht hier ter stede een hal in te richten waar al de bovengenoemde geweven stoffen heen gebracht en verkocht zouden kunnen worden, waarbij men voor de instandhouding van genoemde hal een gebruikelijk percentage van 1½ of 2% betaalt’
    Het citaat is ontleend aan een ambtelijk rapport (tekstcat. B) uit februari 1653 van een adviescommissie van de Amsterdamse vroedschap over het stimuleren van de textielnijverheid in de stad, om de werkgelegenheid te bevorderen en bedelarij tegen te gaan. Een voorstel is de inrichting van een gunstige organisatie voor de handel in textiel.
    Voor de producenten van textiel zal het nuttig zijn, stelt een stedelijke adviescommissie, als er een centrale hal in de stad wordt ingericht, bestemd voor de verkoop van hun producten (Q), waarbij zij een gebruikelijk percentage van hun omzet dienen af te dragen voor de instandhouding van de hal (P). P heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want begrepen onderwerp van de mits-frase zijn de verschillende producenten, die de rol van begrepen Agens vervullen in de direct hogere passieve frase.
242 Wel-verstaende, ingevalle de saeke noch niet en ware gekomen tot feytelykheydt van Oorloge, sulks dat de een of de ander Partye onversiens noch niet en waer besprongen met Wapenen, sal den geene, die soodanigen Oorlog is vermoedende, gehouden wesen, synen Geallieerde sulks in tyds te doen weten; Ende sal de selve Geallieerde mogen volstaen [Q], mits eerst doende alle mogelyke debvoir, om de geschillen ende questien, daer uyt den Oorlog soude staen te verwachten, in der goede ende vruntschap te doen byleggen [mits.pp P], ofte andersints het selve niet konnende gedaen worden, binnen den tyt van drie maenden verplicht blyven, syne Geallieerde alle hulpe ende assistentie te doen, sulks als onderlinge hier vooren is verdragen. (SecreteResol dl. 1: 67)
[Den Haag, Holland; 1653-T08] T=T08 P=Den Haag R=Holland TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Te weten, als de gevaarlijke situatie nog niet uitgemond zou zijn in concrete oorlogshandelingen, dat wil zeggen dat de ene of de andere partij nog niet onverhoeds met wapens zou zijn aangevallen, dan zal degene die een dergelijke oorlog voorziet, gehouden zijn zijn bondgenoot daarvan bijtijds op de hoogte te stellen, en zal die bondgenoot zich ertoe mogen beperken om allereerst alles te doen wat in zijn vermogen ligt om geschillen en problemen die naar verwachting tot oorlog zouden kunnen leiden, goedschiks en in vriendschap bij te leggen, of anders, als dit niet mogelijk zou zijn, zal hij voor de duur van drie maanden verplicht zijn zijn bondgenoot alle hulp en steun te bieden, zoals wederzijds in het voorgaande overeengekomen is.’
    Dit citaat behelst artikel XLVI van de verdragstekst voor een bondgenootschap tussen de Republiek en de Franse Kroon; de tekst werd ter vergadering door de Staten van Holland van 7 juni 1653 goedgekeurd en is als zodanig opgenomen in de (secrete) resoluties van de Staten van Holland. Het verdrag is geschreven als aanwijzing hoe partijen ten opzichte van elkaar dienen te handelen; daarom valt het in tekstcat. A2.
Johan de Witt, als pensionaris van de Staten van Holland aangetreden in 1653, streefde naar een alliantie met Frankrijk in de zee-oorlog met Engeland (Eerste Engelse Oorlog, 1652-1654). De Staten van Holland zouden met deze voorbereide verdragstekst het voortouw nemen in de Staten-Generaal, die de alliantie zouden moeten sluiten. De direct aan dit citaat voorafgaande artikelen handelen over militaire bijstand van partijen aan elkaar bij een vijandige bejegening van één van hen door een derde partij, en over versterking van die hulp in een noodsituatie. Woorden: saeke: MNW sake betek. 6 (‘aanleiding, aanleidende oorzaak, de uiterlijke omstandigheid die iets veroorzaakt of gelegenheid tot iets geeft (...)’ en WNT zaak betek. I.1 (‘oneenigheid (...), geschil’); onversiens: MNW (betek. ‘onvoorziens, onverwachts, onverhoeds’); debvoir: WNT devoor betek. 2, tweede streepje (‘inzonderheid in zijn devoor(en) doen, zijn best doen, doen wat men kan’); onderling WNT bet. 1 e.
    Diegene van de bondgenoten die van de andere partij de boodschap krijgt dat een bepaalde noodsituatie dreigt te escaleren tot een oorlog, kan aan zijn plichten voldoen (Q) door allereerst alle middelen aan te wenden om problemen die tot oorlog zouden kunnen leiden, in harmonie op te lossen (P). P heeft de rol van middel.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het onderwerp wordt begrepen als die bondgenoot die van de ander de boodschap heeft gekregen dat een oorlog te voorzien is, en deze is onderwerp van de direct hogere frase.
243 Ende vermits haer vindinge van de goudtmijne vruchteloos was uuytgevallen ende nochtans vernomen datter soo goede lijfftocht was, hadden haer daer (namentlijck op Antepera) gestabileert, ende sedert niet anders gedaen als, gelijck voorseyt, vellen op te gaderen, die se, alsser particuliere France schepen aenquamen, met deselve dan aen hare voorgemelte meesters [Q 1e deel] (mits betaelende vracht) [mits.pp P]) oversonden [Q 2e deel], daer se dan oock haer cargasoenen van negotieerden, ende niet toelieten dat deselve ofte eenige andere schepen met d’ inwoonders handelden (Riebeeck dl. 1: 174)
[Fort de Goede Hoop, Buitengewestelijk; 1653-T08] T=T08 P=Fort de Goede Hoop R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=r SM=Comit CV=W1 VO=QPQ
           
    ‘En omdat hun zoektocht naar de vindplaatsen van goud geen succes had gehad maar zij wel vernomen hadden dat er veel voedsel was, hadden zij zich daar (in het bijzonder op Ante Pera) gevestigd en vanaf dat moment niet anders gedaan dan, zoals gezegd, huiden verzamelen, die ze (tegen betaling van vrachtkosten) naar hun voormelde bazen meezonden met particuliere Franse koopvaarders die daar langskwamen, en die ze tevens gebruikten voor de betaling van hun bevoorrading. Ze lieten niet toe dat deze of andere schepen met de inwoners handel dreven’
    Het citaat komt uit de aantekeningen (dagverslagen; tekstcat. C) van november 1653, door Jan van Riebeeck opgenomen in zijn daghregister. Van Riebeeck werkte van 1652 tot 1662 voor de VOC op het fort De Goede Hoop in Zuid-Afrika. De Nederlanders rond Van Riebeeck waren in contact gekomen met Fransen. Het citaat beschrijft welk emplooi de Fransen zochten na de mislukking van hun goudzoekerij. Naam: Antepera (Ante Pera): 8 à 10 mijlen verwijderd van de Bay St. Lucia, een baai aan de zuidoostkust van Madagaskar.
    Het kwam wel voor, schrijft Van Riebeeck, dat de Fransen op o.a. Ante Pera hun huiden of andere waren inscheepten op de boten van langsvarende Franse koopvaarders ter doorzending aan hun bazen (Q); de betaling van de vrachtkosten fungeerde daarbij als vanzelfsprekende begeleiding van de inscheping (P). De rol van P is comitatief. Van Riebeeck acht de inhoud van de mits.pp-frase zozeer in overeenstemming met wat gebruikelijk is, dat hij die in zijn geheel tussen haakjes zet, hij noemt de betalingsplicht alleen maar voor de volledigheid.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
244 [...] Gelijck wy oock onsselven ten vollen verseeckeren, uwe Hoogheyt en sal niet gedoogen, dat soodaenige eene honorabele vergaederinge van Edelen, met calumnien beswaert soude werden. Als Brederode sijne reden geeyndicht hadde, beval de Regente de Edelen te vertrecken, en beloofde met den eersten op de requeste te sullen antwoorden [Q], mits haer alvorens beraedende met de Raedts-heeren [mits.pp P] (Voet 1656: 119)
[Vianen, Midden-Nederland; 1656-T08] T=T08 P=Vianen R=Midden-Nederland TC=C TG=Vert TS=s SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘ “[...] Uwe Hoogheid zal - en daarvan zijn wij ook zelf ten volle verzekerd - niet toestaan, dat een zodanig achtenswaardig verbond van edelen gehinderd wordt door laster.” Toen Bredero zijn toespraak beëindigd had, beval de landvoogdes de edelen de zaal te verlaten, en beloofde zo spoedig mogelijk antwoord te zullen geven op het verzoekschrift, waarvoor zij zich uiteraard eerst zou laten adviseren door de raadsheren’
    Dit citaat is ontleend aan de kroniek van Paulus Voet, raadsheer aan het hof van Vianen, over de heren van Vianen, de Van Brederodes. De auteur noemt zijn werk een ‘kort verhael’. Als deel van een kroniek valt het citaat in tekstcat. C. Voet verhaalt hier hoe de edelman Hendrik van Brederode een kleine eeuw eerder (1566) met zo’n tweehonderd edelen in Brussel aan landvoogdes Margaretha van Parma het zgn. ‘smeekschrift der edelen’ was komen aanbieden, waarin buitenwerkingstelling van de ketterplakkaten werd bepleit. Het citaat omvat het einde van Brederodes toespraak en de directe reactie van de landvoogdes. Woorden: calumnien: WNT calumnie betek. 1; beswaert MNW beswaren: betek. 2 (‘last aandoen, het iemand lastig maken, kwellen, plagen, bedroeven ’); beraedende: VMNW beraden III betek. II.4: (‘(...) zich van goede raad voorzien bij’).
    De landvoogdes zegt de edelen toe hun verzoekschrift ten spoedigste te zullen beantwoorden (Q); daarbij acht zij het vanzelfsprekend eerst advies te vragen aan haar raadsheren (P), zo verklaart zij volgens Voet. De rol van P is een comitatieve.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het subject is te begrijpen als Margaretha, die het subject is van de direct hogere frase.
245 Wort vorder verklaert, dat alle Drooge-Gastery-houders, die de gaende ende komende Man om gelt by de maeltijt, ofte anders logeren, voorts aen van Wynen ende Bieren Tappers Impost sullen betalen, ende die ordonnantie subject zijn als andere Tappers. Maer dat alleen die geene die vaste Commensalen houden, die heur kost by den Jare, halfJare, ofte vierendeel Jaers koopen, sonder de selve by de maeltijt te reeckenen [Q1 1e deel], mits niemanden anders logerende als vaste Commensalen [mits.pp P1], voor Gastery ofte commensael-houders sullen ghehouden werden [Q1 2e deel], op pene van voor Drooge gasterye-houders ofte Tappers ghehouden te worden. Gelijck mede voor geen Drooge-gastery-houders ofte Tappers sullen worden ghereeckent, die Slapers leggen, ofte Ambachts-gesellen ofte Schippers voor korten tijdt logeren, ende voor de selve geen Wijn ofte sware Bieren en tappen [Q2], mits dat de selvige in hare Huysen geen Wijnen oft sware Bieren en sullen mogen hebben, sonder daer van te betalen Tappers Impost [mits dat + Vf P2], alles op peyne inde Ordonnantie begrepen. (GrootPlacaetbk dl. 1: 2138v)
[Den Haag, Holland (+Vlaanderen +Brabant); 1658-T08] T=T08 P=Den Haag R=Holland R=Vlaanderen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W3 VO=QPQ
           
    ‘Verder wordt meegedeeld dat alle uitbaters van een eethuis [zgn. drooggasterijhouders], die reizigers tegen betaling een maaltijd of onderdak aanbieden, voortaan voor wijn en bier tappersaccijns moeten betalen en aan de betreffende ordonnantie onderworpen zijn op dezelfde wijze als andere tappers. Alleen degenen die vaste kostgangers hebben die hun kost en logies per jaar, halfjaar of kwartaal afrekenen en niet per maaltijd, zullen beschouwd worden als logement- of kosthuishouders, op voorwaarde dat ze niemand anders onderdak bieden dan vaste kostgangers, op straffe van beschouwd te worden als drooggasterijhouders of tappers. Eveneens zullen niet als drooggasterijhouders of tappers worden gezien zij die logeergasten hebben of ambachtslieden of schippers voor korte tijd onderdak bieden zonder hun wijn of zwaar bier te schenken, waarbij zij in hun huizen beslist geen wijnen of zware bieren zullen mogen hebben zijn dan waarvoor tappersaccijns wordt afgedragen. Dit alles op een boete zoals in de ordonnantie vervat.’
    Dit citaat is ontleend aan het derde boek, titel 9, deel 2 van het Groot Placaet-boeck (tekstcat. A2). Deze bundeling van plakkaten verscheen in 1658, maar tussen 1604 en 1653 werden voor Holland en Zeeland al ordonnanties uitgevaardigd met eenzelfde artikel. Het citaat behelst artikel XXIV van een ordonnantie op de heffing van de algemene belastingen (‘gemene middelen’), in 1654 door de Staten-Generaal uitgevaardigd voor Brabant en Staats-Vlaanderen (ongeveer het huidige Zeeuws-Vlaanderen), de zgn. generaliteitslanden die rechtstreeks door de Staten-Generaal werden bestuurd. Woorden: Drooge-Gastery: WNT drooggasterij (betek. ‘inrichting waar men gelegenheid geeft te eten, doch niet alleen iets te drinken’)_onder samenst. & afl. drooggasterijhouder, dit citaat; tapper: WNT (betek. ‘hij die zijn bedrijf maakt van het tappen van wijn, bier of sterken drank (in samenst. ook wel van andere dranken) aan het publiek. Terwijl tegenwoordig gewoonlijk alleen zij tappers heeten, die verkoopen voor verbruik ter plaatse, bezigde men ’t woord vroeger ook wel voor hen die in het klein drank verkochten die werd meegenomen (thans meestal slijters genoemd), en voor logementhouders’); logeren: WNT logeeren betek B.1 (‘(...) onderdak geven aan-, onderdak brengen, tijdelijk in zijn huis opnemen (...)’); slaper: WNT slaper betek. 3 (‘iemand die op de uit het verband blijkende plaats zijn nachtverblijf heeft; logeergast, commensaal’).
    Om beschouwd te worden als uitbater van een kost- of logementshuishuis - voordelig omdat men dan geen tappersaccijns hoeft af te dragen - (Q1) moeten herbergiers aan de voorwaarde voldoen dat ze uitsluitend aan vaste kostgangers onderdak bieden (P1). Mits dat + Vf: verder zullen diegenen niet als accijns verschuldigde tappers beschouwd worden, die zonder wijn of zwaar bier te schenken, een kortdurende slaapplaats aanbieden (Q2); daarbij geldt de bepaling dat in huis geen wijn of zwaar bier aanwezig is dan waarvoor tappersaccijns betaald is (P2). P2 heeft een comitatieve rol. De twee mits-configuraties (de eerste mits.pp, de tweede een constructie met mits dat + Vf) hebben verschillende betekenis: de eerste voorwaardelijk, de tweede comitatief. Het subject van de mits -frase (in P1 het begrepen subject, in P2 het subject uitgedrukt door de selvige) wordt in beide configuraties begrepen als de betreffende herbergiers, die ook subject zijn van de direct hogere frase. Ook Q1 en Q2 hebben een gelijke tendens, ze bakenen nl. allebei ondernemers af die geen tappersaccijns verschuldigd zijn.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen herbergiers, die ook subject zijn van de matrixfrase.
246 [...] g’ordonneert ende belast wordt [...], dat alle ’tgene elcq tot hoender- off verckenscost te vercoopen heeft, voortaen sullen hebben te brengen in ’t fort (voor die hieromtrent woonen) ende dat ander (in ’t landt woonende) mochten coopen, te brengen aen Compagnie’s coorenschuyr, omme aldaer te doen keuren door den fiscael ende landtschout, offte ymand anders, daertoe te committeren [Q], ende mits betaelende den cooper drie stuyvers voor ’t schepel tot verval van diverse oncosten bij d’ E. Compagnie in veele gelegentheden tot geryff ende accommodatie van ’t gemene doende [mits.pp P] (Riebeeck dl. 3: 15v)
[Fort de Goede Hoop, Buitengewestelijk; 1659-T08] T=T08 P=Fort de Goede Hoop R=Buitengewestelijk TC=C TG=Verord TS=g SM=Comit CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] verordonneerd en gelast wordt [...], dat ieder die iets van hoender- of varkensvoer te verkopen heeft alles voortaan naar het fort dient te brengen (degenen die hier in de buurt wonen) zodat anderen (die in het binnenland wonen) dat zullen kunnen kopen. Men dient het voer aan te leveren bij de korenschuur van de Compagnie, om het aldaar te laten keuren door de fiscaal inspecteur of iemand anders die daartoe gemachtigd wordt, en dan dient de koper drie stuivers per schepel te betalen ter bestrijding van diverse onkosten die de Edele Compagnie bij vele gelegenheden maakt ten behoeve van het algemeen nut’
    Dit is een fragment van het dagboek van Jan van Riebeeck (tekstcat. C). Het is deel van een decreet uitgevaardigd door Jan van Riebeeck c.s. als commandeur van de Kaap op 7 februari 1659. Het decreet houdt een aangepaste regeling in van de verkoop van in de omgeving van het fort geproduceerd diervoeder via de Compagnie. De achtergrond is te lezen in het direct aan het citaat voorafgaande tekstgedeelte. Hier wordt geconstateerd dat vrijgemaakte landbouwers veel schulden hebben bij de Compagnie (o.a. omdat ze op krediet slaven als werknemers hadden gekregen; zie hiervoor o.a. Molsbergen 1937: 95), waardoor hun verkopen via de Compagnie hun vooralsnog alleen schuldvermindering opleveren en geen contanten, terwijl ze die nodig hebben om hun slaven te betalen. Daarom nemen deze vrijgemaakten nu vaak hun toevlucht tot vermenging van hun tarwe met gras en kaf om dat vervolgens buiten het officiële kanaal om als diervoeder te verkopen. De nieuwe regeling houdt in dat tweederde van hun verkopen via de Compagnie ingeboekt zal worden als schuldmindering, en één derde in contanten uitgekeerd wordt. De kopers van het diervoedsel zullen bovendien een betere kwaliteitsgarantie krijgen door de in het citaatgedeelte gedecreteerde details van de verkoopprocedure, zo menen Van Riebeeck c.s.
    De analyse van de mits.pp-constructie is niet direct inzichtelijk, omdat de verschillende nabije frasen alle een verplichting uitdrukken. De mits.pp-frase drukt uit dat de kopers - bovenop de prijs voor het voeder - een bedragje per schepel zullen moeten betalen voor diverse onkosten van de handel via het beschreven officiële kanaal. Dat kan niet gemakkelijk in enigerlei mits-relatie gebracht worden met de verplichtingen, beschreven in het voorafgaande, van degenen die voor diervoeder geschikte granen en groenten verbouwen en die zouden willen verkopen, namelijk het voeder naar het fort brengen, en daar aanleveren bij de korenschuur. In verband te brengen met enige extra kosten voor de kopers is echter wel de nieuw-opgetuigde organisatie van centraal beschikbaar diervoer als zodanig, en speciaal de vermelde keuring daarvan in het fort door de fiscaal inspecteur. De door de koper te betalen extra kosten per schepel (P) horen naar de idee van het decreet vanzelfsprekend en juist bij de beschreven gestroomlijnde mogelijkheid om kwalitatief goed diervoeder te kopen (Q). P heeft derhalve een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is absoluut, immers het subject is er expliciet in opgenomen (den cooper). Dat moet wel verband houden met het feit dat de kopers niet optreden in een hogere frase, zodat het subject van de mits.pp-frase daaruit niet kan worden afgeleid.
247 17 December 1659 - Valckenier en de andere commissarissen, gestelt den 8sten deser om te examineeren het request der gemeente, toegedaen de Augsburgsche comfessie, aen Burgemeesteren overgeleevert, daerin versoucken, alsoo haer gemeente merckelijc vermeerdert, haer kerck te clyn is, oock peryckel loopt door de groote toeloop van uyt te spatten, dat noch een bequaeme plaets mogen timmeren, hebben gedaen rapport dat, naedat geëxamineert hebben, niet connen vinden, dat het gewygert can warden, alsoo haer gemeente getollereert wart [Q], mits die stellende daer Burgemeesteren oordeelen bequaemst te sullen sijn [mits.pp P]. Den raet, met eendracht van stemme, hebben het advys van commissarissen geëmplacteert, uytgenomen Tulp alleen, die met exempelen uyt het Nieuwe Testament daertegen ging. (Bontemantel 1897 dl. 2: 516)
[Amsterdam, Holland; 1659-T08] T=T08 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Versl TS=p SM=Comit CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Valckenier en de andere commissieleden hadden op 8 december jl. de opdracht gekregen om het verzoekschrift van het kerkgenootschap dat de Augsburgse belijdenis is toedaan, tegen het licht te houden. Dat was aan burgemeesteren ter hand gesteld; de indieners hadden daarin verzocht of zij vanwege de aanmerkelijke groei van hun gemeente en de te geringe omvang van hun kerkgebouw dat bovendien door de grote toeloop gevaar loopt in te storten, een verdere geschikte ontmoetingsplaats zouden mogen bouwen. De commissieleden hebben gerapporteerd dat zij na onderzoek tot de bevinding zijn gekomen dat dit, omdat hun gemeente gedoogd wordt, niet geweigerd kan worden, waarbij deze gemeente die [ontmoetingsplaats] daar dient in te richten waar burgemeesteren dat het meest geschikt achten. De raad heeft het advies van de commissieleden unaniem onderschreven, enkel met uitzondering van Tulp, die er met exempelen uit het Nieuwe Testament tegen pleitte.’
    Dit citaat is afkomstig uit De regeeringe van Amsterdam [...] door Hans Bontemantel, koopman en lange tijd schepen in Amsterdam. Als aanhanger van Johan de Witt werd hij in september 1672 door stadhouder Willem III samen met anderen uit zijn ambten ontslagen. De regeeringe van Amsterdam [...] omvat een collectie van niet voor derden en waarschijnlijk ook niet voor publicatie bestemde dagverslagen en notities uit de periode 1653-1672. Daarom valt het in tekstcat. C. De vroedschapsdiscussie die in het citaat aan de orde is, dateert uit 1659, maar het zou nog tot 1667 duren voordat de Lutheranen toestemming kregen een tweede kerk te bouwen. Dat werd de zgn. Koepelkerk (Ronde Lutherse Kerk), gereed in 1668. Woorden, namen, kwesties: Valckenier: Jan Gillisz. (Gillis, Jillis) Valckenier, koopman en lid van de Amsterdamse vroedschap; gemeente, toegedaen de Augsburgsche comfessie: Lutherse gemeente; gemeente: WNT gemeente betek. II.c; toeloop: WNT betek. I.2; uyt te spatten: WNT uitspatten betek. 9.a (‘(...) uiteen gaan, uiteen vallen_ in één van de voorbeelden betekent het: ‘(dreigen) in te storten); plaets: WNT plaats betek. III. 1.b 8ste streepje (‘openbare plaatsen, zulke plaatsen die tot openbaar nut strekken of waar men in het publiek samenkomt’); stellende: WNT stellen betek. I.A.1.b (‘in toepassing op het opslaan oprichten enz. van kramen, tenten, ook van bouwwerken en hun onderdeelen enz.’); geëmplacteert: WNT placet, I (betek. ‘de verklaring dat men in iets toestemt _ Afl. placetteeren, het placet verleenen’).
    De commissieleden hebben uit hun onderzoek geconcludeerd dat de vroedschap het verzoek van de Lutheranen om een tweede ontmoetingsruimte voor hun gemeente te mogen bouwen niet kan weigeren (Q), maar ze verbinden daaraan de plicht voor de Lutheranen om dat dáár te doen waar burgemeesteren het het meest geschikt achten (P). De mits-frase heeft een comitatieve functie ten opzichte van hun conclusie dat afwijzen niet mogelijk is.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen subject is de Lutherse gemeente, die in de direct hogere frase alleen optreedt in een bijzin als possessief pronomen (haer) bij gemeente.
248 Wat sal den dranck-tarter krijgen met verre te loopen tot meerder verhardinge. Het moest dan volgen, dat den spijs-tarter min onder de spijse, dan den dranck-tarter onder den dranck souden vermengt wesen, naerdemael veele waeteren al vallende en loopende, haeren steen setten sonder verduwinge. Den spijs-tarter soude noch los in de spijse hangen, dat [Q 1e deel], mits kaeuwende [mits.pp P], hy stracks aen de tanden soude kleven [Q 2e deel], en niet diergelijcken voorder aen de maege, noch dermen, gelijck den steen wel hecht aen de nieren. Wat scheydende kracht is den tanden eygen, mits die breeckende de spijse, stracks niet alleen al den tarter, maer oock den groven van den subtijlen soude konnen uytschieten. ’t Is te verwonderen, hoe den spijs-tarter niet aen en set aen de potten, schotelen, en ander gewerf, daer hy langer vertoeft, dan in ’t kaeuwen. (Van Helmont 1978 [1660]: 152)
[Brussel +Vilvoorde, Brabant; 1660-T09] T=T09 P=Brussel P=Vilvoorde R=Brabant TC=C TG=Vert TS=q SM=Oorz CV=W5 VO=QPQ
           
    ‘Hoe kan de drank-tartarus sterker verharden als hij een grotere afstand aflegt? Het zou dan zo moeten zijn dat de voedsel-tartarus minder sterk met het vaste voedsel vermengd is dan de drank-tartarus met de drank. Het argument [van Paracelsus] is, dat veel situaties waar water gestaag ergens op valt of langs stroomt, zonder zoiets als spijsvertering [toch] steenafzetting hebben door de - opgeteld - lange afgelegde weg. De voedsel-tartarus [daarentegen] zou zich nog onvermengd in het voedsel bevinden, zodat die door het kauwen direct zou vastkleven aan de tanden en kiezen, en niet [pas] verderop aan maag of darmen zoals zich in de nieren wél stenige afzetting [uit drank-tartarus] vasthecht. Wat voor scheidende kracht hebben de tanden en kiezen dan! Door klein maken van het voedsel zouden ze niet alleen alle tartarus snel kunnen selecteren, maar ook het grove van het fijne voedsel scheiden. Men verbaast zich dat de tartarus in het voedsel zich niet hecht aan pannen, borden en ander eetgerei, waar deze langere tijd doorbrengt dan in een kauwende mond!’
    Dit is een citaat uit het zestiende hoofdstuk van een boek van de Brusselse chemicus, geneeskundige en filosoof Joan Baptista van Helmont. Het werk is een traktaat, behoort dus tot tekstcat. C.
De auteur behandelt in dit hoofdstuk de theorie van de beroemde vroeg-zestiende-eeuwse arts-mysticus Paracelsus over tartarus. Dat is de naam die Paracelsus gaf aan materie die leidt tot steenvorming zoals blaas-, nier-, gal- en tandsteen; deze stenige afzettingen werden zelf ook tartarus genoemd. Paracelsus had gesteld dat ook voorafgaand aan de afzetting tartarus al ergens aanwezig is: in voedsel en drank. De harde tandsteen zou daarbij ontstaan uit de tartarus van vast voedsel; en omdat er geen vast voedsel in de blaas komt, zouden in ongunstige gevallen de (nog hardere) blaasstenen daarentegen hun oorsprong hebben in de drank-tartarus, die door de lange weg van de spijsvertering gelegenheid zou hebben om te verharden. In het citaat legt Van Helmont deze gedachte heel kort uit, en geeft dan zijn ironisch geformuleerde kritiek. Woorden: tarter (fr tartre): Van Dale 15de herz. ed. tartarus betek. ‘wijnsteen’; verduwing: WNT betek. 1 (‘(...) spijsvertering’); stracks: WNT straks betek. 1 (‘aanstonds, dadelijk, onverwijld’); uytschieten: WNT uitschieten betek. I.7 (‘uit een grootere hoeveelheid afzonderen, uitkiezen, selecteeren’).
    De auteur zet uiteen, dat volgens Paracelsus door kauwen van voedsel (P) de daarin aanwezige tartarus zich direct aan tanden en kiezen hecht (Q). P noemt derhalve de oorzaak van gevolg Q, zoals Paracelsus dat ziet. Merk op dat in de mits.pp-frase staat: ‘Zodra de oorzaak van het kauwen in werking treedt’. Een temporeel-momentaan betekenisaspect is dus als achtergrondbetekenis in de oorzakelijke semantiek aanwezig. Omdat het kauwen van de mens in de visie van Paracelcus echt als oorzaak werkzaam blijft, en omdat de temporeel-momentane nuance al uitgedrukt wordt in stracks (‘direct’), is het niet nodig dit extra betekenisaspect uit te spellen.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject moet begrepen worden de kauwende mens, die alleen indirect optreedt als (niet expliciet aangeduide) bezitter van de tanden die in de direct hogere frase genoemd worden.
249 [...] dat men d’opperhooffden (passagie versoeckende met Compagnies schepen na Batavia) sulcx mede sal toestaen, neffens hare te bergen goederen [Q], mits daer voor betalende sulcx ende soovele als sijluyden met Haar Ed. Mijn Heeren den Gouverneur-Generael ende Raden van India sullen cunnen accorderen [mits.pp P] (Riebeeck dl. 3: 229v)
[Fort de Goede Hoop, Buitengewestelijk; 1660-T09] T=T09 P=Fort de Goede Hoop R=Buitengewestelijk TC=C TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] dat men de officieren die verzoeken mee te mogen varen met de schepen van de Compagnie naar Batavia, daarvoor toestemming zal geven, ook voor hun [uit het gestrande schip] te bergen goederen, op voorwaarde dat zij daarvoor datgene en zoveel betalen als zij zullen overeenkomen met Hunne Edelheden Mijnheer de Gouverneur-Generaal en de Heren Raden van Indië’
    Jan van Riebeecks Daghregister valt in tekstcat. C. In dit citaat tekent Van Riebeeck een besluit op (d.d. 24 mei 1660) van hemzelf als commandeur van de nog jonge nederzetting aan de Kaap. Geconfronteerd met de hongerende en zo goed als muitende bemanning van een Frans schip dat op de rede van de Kaap is verongelukt, heeft Van Riebeeck met zijn bestuursraad het aanbod van de officieren geaccepteerd om zo veel mogelijk van deze mannen tijdelijk in dienst te nemen, waardoor ook het directe gevaar dat zij voor de kolonie betekenden bezworen wordt. De mannen zullen gepland grondwerk gaan uitvoeren voor het tuinbouwareaal rond het fort en later, na toestemming vanuit Nederland en Indië, door Nederlandse schepen naar de Oost gebracht worden om daar te werk gesteld te worden. De officieren van het Franse schip en enkele meegereisde hoogwaardigheidsbekleders wensen dan te mogen meevaren.
    De officieren van het Franse schip mogen, mét hun goederen, meevaren in Nederlandse schepen die de manschappen als arbeidskrachten naar Batavia zullen brengen (Q) op voorwaarde dat ze daarvoor betalen wat de autoriteiten in Nederland en Indië voorschrijven (P).
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw).
250 Dat Niemant vande Gildebroeders kinderen, geen Meester in ’t Ambacht zijnde of haer proeve gedaen hebbende, den vrijdomme van het Gilt en sullen genieten, tenzij, sij-lieden van Meninge zijn de neeringe van ’t backen te doen ende daerinne te continueren [Q]; Mits gevende voor het Gilt drij gulden ende voor den knecht thien stuijvers [mits.pp P]. (Regionaal Archief West-Brabant toeg.nr. 0600, inv.nr. 2202)
[Zevenbergen, Brabant; 1660-T09] T=T09 P=Zevenbergen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Dat de kinderen van de gildebroeders, die geen meester in het ambacht zijn en hun proef niet gedaan hebben, géén van allen het privilege van het gilde zullen genieten, tenzij zij de ernstige wil hebben het beroep van bakker te gaan uitoefenen en daarin te volharden; op voorwaarde dat ze drie gulden betalen voor het gilde en tien stuivers voor de knecht.’
    Dit fragment omvat artikel 19 van het statuut (tekstcat. A2) van het bakkersgilde van Zevenbergen, dat te lezen is in het handboek van het bakkersgilde uit 1660, het Memoriael van ’t Backersgildt; deze ordonnantie was een jaar voor publicatie (1659) opgesteld naar het voorbeeld van die van de bakkers te Dordrecht. Woorden: meninge: WNT meening betek. 1 (‘datgene waarop iemand het oog heeft, waarop hij het toelegt; voornemen, plan’); continueeren: WNT betek. 4a (‘volharden in’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Kinderen van gildebroeders hebben een speciaal voordeel: als ze serieus van plan zijn bakker te worden en daarin te volharden, kunnen ze ook zonder dat ze hun proef hebben gedaan en meester in het ambacht zijn, de privileges van het gilde genieten (Q), op voorwaarde dat ze drie gulden betalen voor het gilde en tien stuivers voor de knecht (P).
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
251 Alle kleijn geback, van koekskens, krakelingen, beschuijt, ofte ander minder als een halve stuijvers-wittebroot wegende sal, nae het goet-duncken van de Backers ofte Backsters groot ofte kleijn gemaeckt mogen werden [Q], midts verkoopende niet meer van ijder soorte dan vijf om denen stuijver [midts.pp P]. (Regionaal Archief West-Brabant toeg.nr. 0600, inv.nr. 2202)
[Zevenbergen, Brabant; 1660-T09] T=T09 P=Zevenbergen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Alle klein gebak, namelijk koekjes, krakelingen, beschuit of ander kleingoed dat minder weegt dan een wittebrood van een halve stuiver, zal naar inzicht van de bakkers of baksters in groot of klein formaat gemaakt mogen worden, op voorwaarde dat zij voor één stuiver niet meer van ieder soort stukswerk verkopen dan vijf.’
    Dit citaat omvat artikel 11 van de ordonnantie van het bakkersgilde van Zevenbergen, te lezen in een handboek uit 1660, het Memoriael van ’t Backersgildt. Tekstcat. is A2. Woord: halve stuijvers-wittebroot is een klein brood; welllicht een gevlochten wit brood(je) (géén kadetje) dat in elk geval half zo licht is als het ‘gemeen stuijversbrood’ van 650 gr., dat weer de helft woog van een tweestuijverbrood (1300 gr.). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    De bakkers hebben, zo stelt de bakkerskeur, de mogelijkheid om naar hun keuze hun kleingoed (koekjes e.d.) in wat groter of wat kleiner formaat te bakken (Q), onder de voorwaarde dat deze producten niet goedkoper mogen zijn dan vijf voor een stuiver (P). Prijsdumping was niet toegestaan.
 De midts.pp-frase is semi-conjunct, want de bakkers, die begrepen subject zijn, treden in de direct hogere frase niet als subject of voorwerp op, maar alleen in de Agentieve van-bepaling bij goet-duncken.
252 [...] zal de beklager zijn gelt quijt zijn tot profijt van Overdeken ende Deken [Q], mits den knecht genietende vier stuijvers voor de weette doen aan de Overdeken en partijen [mits.pp P]. (Regionaal Archief West-Brabant toeg.nr. 0600, inv.nr. 2202)
[Zevenbergen, Brabant; 1660-T09] T=T09 P=Zevenbergen R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] zal de aanklager zijn inleggeld verliezen ten voordele van overdeken en deken, waarbij bepaald wordt dat de knecht vier stuivers dient te krijgen voor het overbrengen van de boodschap aan de overdeken en aan partijen.’
    Dit is een fragment van artikel 24 van de ordonnantie van het bakkersgilde van Zevenbergen, opgenomen in een handboek uit 1660, het Memoriael van ’t Backersgildt. Tekstcat. is A2. Het artikel bepaalt, dat als een gildelid dat wordt aangeklaagd door een ander gildelid (de beklager) na nader onderzoek door de deken en de overdeken tóch onschuldig blijkt met betrekking tot het hem ten laste gelegde, het inleggeld van de aanklager dan toevalt aan functionarissen van het gilde. Woord: weette: kennisgeving (‘gerechtelijke aanzegging’ is hier niet van toepassing). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Deken en Overdeken worden, zo bepaalt het stadsbestuur, voor hun werkzaamheid betaald met het inleggeld van de aanklager (Q), waaraan als bepaling wordt toegevoegd dat de loopjongen daarvan vier stuivers krijgt (P). P heeft een comitatieve rol in relatie tot Q.
 De mits.pp-frase is absoluut; als subject ervan wordt de knecht begrepen, die expliciet genoemd wordt in de mits.pp-frase.
253 Alsoo van tijt tot tijt meer ende meer claer ende evident gemerct wort, volgens oock de clachten van alle de vrije luyden in ’t gemeen, dat de vrije wiltschutters soo slap in de jacht ende ’t schieten van vogels ende ander wilt sijn, dat niemant van deselve en cunnen voor haer gelt eenighsints g’accomodeert worden, daer anders, elcq vrij mogende in ’t landt gaen, sijn gerieff genoech soude cunnen becomen, soo is ’t dat men, alle niet cunnende verlegen laten om de traecheyt van een alleen, ende volgens dien prefererende ’t gemeen gerieff voor particulier, goetgevonden is van nu aff tot nader gelegentheyt ydereen toe te staen in ’t landt overal te mogen gaen schieten ende vangen tot sijn eygen huyshoudinge, sulcq ende soo veele wilt als elcq nodigh heeft ende becomen can [Q], mits blijvende van haer buyren ende ander luyden landerijen ende ten minsten oock drie musquetschooten binnenslants van de Soute-revier aff [mits.pp P], sonder over deselve na de zeecant te mogen gaen schieten, van de mont derselver reviere aff tot ’t achterste van de soutpannen, daer de reviere uyt ’t lant sijn begin neempt incluys, ’twelcq de vrije wiltschutten alleen gelaten wort - alles op pene daertoe gestelt ende noch te stellen. Gedaen in ’t fort de Goede Hoope, den 2en January 1661. (Riebeeck dl. 3: 316v)
[Fort de Goede Hoop, Buitengewestelijk; 1661-T09] T=T09 P=Fort de Goede Hoop R=Buitengewestelijk TC=C TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Steeds duidelijker en ondubbelzinniger wordt geconstateerd, getuige ook de klachten van de gehele groep van vrije personen, dat de vrije wildjagers zo laks zijn met jagen en afschieten van vogels en ander wild dat niemand van hen zich met de opbrengst enigermate kan bedruipen, terwijl iedereen als hij zich vrij zou mogen bewegen in het gebied, zijn behoeften voldoende zou kunnen dekken. Daarom is het besluit genomen, vanuit de opinie dat men het collectief niet moet schaden vanwege de luiheid van een enkeling en dat men zo het algemeen boven het particulier belang verkiest, om vanaf heden tot nader order iedereen toestemming te geven om overal in het land te jagen en voor eigen consumptie alle soorten wild in de benodigde hoeveelheid te vangen die men kan bemachtigen, op voorwaarde dat men niet op het land van buren en anderen komt en vanuit het binnenland ook ten minste drie musketschoten afstand houdt tot de Zoutrivier, terwijl men ook niet aan de overzijde nabij de kustlijn mag schieten, vanaf de monding van deze rivier helemaal tot aan de laatste zoutpannen, met inbegrip van het terrein waar de rivier ontspringt; dat gebied is gereserveerd voor de vrije wildjagers. Dit alles op straffe van uitgevaardigde en nog uit te vaardigen sancties. Opgemaakt op Fort de Goede Hoop, 2 januari 1661.’
    Jan van Riebeecks Daghregister als geheel is een dagverslag (tekstcat. C). Maar specifiek dit fragment omvat een door de auteur en zijn bestuursraad uitgevaardigde verordening. Woorden, namen: slap: MNW betek. B.2; musquetschooten: WNT musket, onder samenst. musketschoot: ‘In de oudere taal zeer gewoon als maat voor een afstand: zoover als het schot [bed: met een musketgeweer] draagt’; vrije wiltschutters: WNT wildschut, afl. wildschutter 2°_ gezien het adjectief vrije zal het om gewone wildjagers gaan; g’accommodeert: WNT accommodeeren betek. 2 (‘gerieven; uitrusten’); gerieff: MNW gerijf: (...) ‘Het kan (...) op sommige plaatsen evengoed door voordeel, winst, als door genoegen worden weergegeven’; verlegen: WNT alg. betek ‘door (te) lang liggen zijn kwaliteiten of krachten verloren hebbend’; traecheyt: MNW traecheit betek. 2 (‘traagheid, luiheid, loomheid, gebrek aan veerkracht of weerstandsvermogen, als karaktertrek, of in een bepaald geval, als ondeugd’); Sout-revier: huidige Zoutrivier, West-Kaap, ten noordoosten der stad (Kaapstad).
    De vrije lieden mogen overal in het gebied jagen en voor eigen consumptie alle soorten wild vangen zo veel als ze nodig hebben (Q). De daaraan verbonden voorwaarde is dat ze het land van anderen respecteren en op een nader omschreven afstand blijven van de Zoutrivier (P).
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw), want als subject wordt begrepen ‘iedereen’, dat ook het meewerkend voorwerp is van de direct hogere constructie ydereen toe te staen.
254 [...] is goedt-gevonden ende verstaen, dat van wegen haer Edele Groot Mog. ter Generaliteyt de saeke daer heenen sal werden gedirigeert, ten eynde by haer Hoog Mog. in conformité van voorige Resolutien [...] peremptoirlyk mooge werden vast gesteldt, dat noch met die van Algiers, noch met die van Tunis, nochte ook met die van Tripoli, wegens desen Staet eenig Tractaet sal werden aengegaen, dan [Q] midts daer inne uytdruckelyk, ende in klare positive termen bedongen werdende de naervolgende poincten [midts.pp P]. (SecreteResol dl. 1: 366)
[Den Haag, Holland; 1662-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Cond CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘[...] geaccordeerd en afgesproken is, dat door Hunne Edele Grootmogenden in de Staten-Generaal de bespreking die richting op zal worden gestuurd, dat door Hunne Hoogmogenden in overeenstemming met eerdere besluiten [...] definitief wordt vastgesteld dat met de vertegenwoordigers van Algiers, van Tunis als ook met die van Tripoli, namens deze staat géén verdrag zal worden gesloten tenzij daarin expliciet en in heldere positieve bewoordingen de volgende zaken bedongen worden.’
    Dit citaat komt uit de Secrete Resoluties van de Staten van Holland en is ontleend aan het verslag van de vergadering van 22 juli 1662. Het verslag is te rekenen tot tekstcat. B. Context: in de zomer van 1662 heeft Michiel de Ruyter, met de Staatse vloot gelegen voor Algiers, in overleg met de Staten-Generaal gewerkt aan een verdrag met Algerije, Tunesië en Turkije om een eind te maken aan de piraterij in de Middellandse Zee. De Ruyter is niet tot een bevredigend resultaat gekomen. In dit citaat bespreken de Staten van Holland welke strategie zij in de Staten-Generaal moeten hanteren om een goed verdrag te bereiken. De vier punten die in het tekstgedeelte direct volgend op dit citaat bedongen worden zijn: naleving van het motto ‘vrij schip, vrij goed’, afzien van het doorzoeken van schepen naar contrabande, afzien van confiscaties los van zeerechtelijke contracten, en de principiële mogelijkheid om slaven los te kopen. Woorden: Edele Groot Mog.: WNT Grootmogend (‘in een bijzonder gebruik. Edele Grootmogende Heeren; (Hunne, Hare) Edel(e) Grootmogenden, de eeretitel voorheen gevoerd door de leden of door het college der Staten van Holland en West-Friesland’); peremptoirlyk: WNT peremptoir betek. B_afl. peremptoirlijk; ter Generaliteyt: WNT generaliteit (‘voormalige benaming der staatsmacht van het Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, als één geheel beschouwd en door de Staten-Generaal vertegenwoordigd’) _hier genoemd de verbinding: ter generaliteit (‘in de algemeene regeering der Nederlanden, in de Staten-Generaal’); bedingen: WNT betek. 3 (‘door onderhandelingen of dingen aanspraak op iets verwerven, zonder dat men het daarom nog altijd tot zijne beschikking krijgt’); poincten: WNT point > punt betek. 5 (‘(...) zaak, kwestie’).
    De Staten van Holland en Westfriesland streven naar een bepaald besluit van de Staten-Generaal, nl. dat die het op zichzelf gewenste verdrag met de vertegenwoordigers van de Middellandse-Zeelanden niet zullen onderschrijven behalve (Q) als een aantal welbepaalde zaken daarin expliciet bedongen wordt (P). Q geeft door de negatie blijk van besef van de sterke wens van de Staten-Generaal om een vredesovereenkomst te sluiten, en P noemt de voorwaarde die de Staten van Holland stellen voor de realisering daarvan.
 De midts.pp-frase is absoluut, want als subject worden de naervolgende poincten begrepen die zinsdeel zijn van de midts.pp-frase; ze zijn niet gelijk aan een persoon of zaak in de direct hogere frase.
255 Dat wijders [...] Den Heere Ambassadeur Boreel, by haer Hoog Mog. gelast moge werden, den Koning van Vrankryk, ende syne Majesteyts Hooge Ministers, uyt den naeme ende van wegen desen Staet te verseekeren [...], dat haer Hoog Mog. tot het aengaen van soodanigen Ligue mede wel genegen zyn [...] met byvoeginge, dat haer Hoog Mog. van nu af aen wel geresolveert zyn, haer te verbinden met de voorschreve Turksche Roovers, ofte eenige van de selve egeen Tractaet te sullen sluyten, anders dan gesamentlyk met ende nevens hoogst-gedachte syne Majesteyt [...] ende dat [...] wederzydts moge werden vast gesteldt, dat noch d’een noch d’ander met de voorschreve Roovers, ofte enige van de selve sluyten sal, dan [Q] mits expresselyk ende duydelyk bedingende, de vier Poincten hier boven ge-expresseert [mits.pp P] (SecreteResol dl. 1: 366v)
[Den Haag, Holland; 1662-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=m SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[Staten van Holland wensen inzake een verdrag met zeerovers] dat aan de ambassadeur de heer Boreel door hare Hoogmogenden verder [...] de opdracht gegeven wordt om de koning van Frankrijk en de hoge ministers van Zijne Majesteit namens deze staat de verzekering te geven [...] dat hunne Hoogmogenden eveneens zeer genegen zijn een zodanig verbond te sluiten [...], met de toevoeging dat hunne Hoogmogenden vanaf nu vastbesloten zijn zich te verbinden om met de genoemde Turkse zeerovers of enkelen van hen géén verdrag te sluiten dan gezamenlijk met en als geallieerden van Zijne hoogstgedachte Majesteit [...], en dat [...] wederzijds vastgelegd moge worden dat noch de ene noch de andere partij tot een overeenkomst met de genoemde zeerovers of enkelen van hen zal komen dan onder uitdrukkelijk en duidelijk beding van de vier hierboven geformuleerde punten’
    Dit citaat is afkomstig uit de Secrete Resoluties van de Staten van Holland en is ontleend aan het verslag van de vergadering van 22 juli 1662. Tekstcat. is B. Woorden: hoogst-gedachte: WNT hoogstgedacht > hooggedacht betek. (‘bnw. ter aanwijzing van een op eene hoogere plaats, hooger (”hierboven”) in een geschrift gedacht (genoemd, vermeld) persoon enz., doch, met voordacht of toevallig, vooral van personen of zaken van aanzien gebezigd en dientengevolge als een titel opgevat, met (naar het voorbeeld van hoogstgeboren) hoogstgedacht als superlatief _ als titel vindt men het dan ook verbonden met den naam van een tevoren nog niet genoemd persoon’); sluyten: WNT sluiten betek. A.12.
    De Staten-Generaal moeten volgens de Staten van Holland via de ambassadeur de Franse koning in overweging geven, om samen vast te leggen dat geen van beide tot een overeenkomst zal komen met de zeerovers, tenzij (Q) onder uitdrukkelijk en duidelijk beding van vier eerder geformuleerde punten (zie citaat 254) (P). Q duidt door de negatie van het tegengestelde op de sterke wens van de Staten-Generaal en van Frankrijk om een akkoord te sluiten met de piraten in het Middellandse-Zeegebied, en de mits-frase noemt de voorwaarde die de Staten van Holland menen dat de Staten-Generaal moeten formuleren voor de realisering daarvan.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject worden begrepen Nederland en Frankrijk, die (in negatieve vorm) ook subject zijn van de direct hogere frase.
256 Aengaende het maeken van een vaert naer Schevelingh, die wijt soude wesen ses roeden, met een steene straet van twee roeden, ten wedersyde met plantagie te doen beplanten, sooals U Ed. uyt de bygevoeghde teijckeningh hiernevens gaende sult sien, waervan ick met Syn Hoocheijt soo loffl. memorije in den jaere 1647 hebbe daerover gebesongeert [...], soo hebbe goet gedacht tot vorderinge van het voorss. werck requeste te presenteeren aen de Ed. Groot Mog., met een caerte ende bylaege van een lijste, om octroy te mogen hebben alleen op mijnen naem, om de vaert en straet te maeken op mijne costen [Q], mits genietende de gabellen in de lyste gespecificeert [mits.pp P], alsmede den grondt van de vaert, sooverre als de graeflyckheyts duijnen syn streckende (BriefwissHuygens dl. 5: nr. 5927, 481)
[Den Haag, Holland; 1662-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Brief TS=j SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Wat de aanleg betreft van een vaart naar Scheveningen van zes roeden breed met een stenen straatweg van twee roeden (aan weerszijden met bomen beplant zoals u zult kunnen opmaken uit de toegevoegde tekening die ik meestuur), waarover ik met Zijne Hoogheid - zo lofwaardig zijn gedachtenis! - in het jaar 1647 van gedachten heb gewisseld, leek het mij voor de verwezenlijking van het genoemde project goed om aan de Edele Grootmogenden een verzoekschrift voor te leggen voorzien van een kaart met bijvoeging van een overzicht, om octrooi te verwerven op mijn naam alleen om de vaart en weg op mijn kosten aan te leggen - waarbij ik uiteraard het genot zal hebben van de tolgelden zoals in het overzicht gespecificeerd - en om de ondergrond voor de vaart klaar te maken, zover als de duinen van de grafelijkheid zich uitstrekken’
    Dit citaat is afkomstig uit een brief gedateerd 5 oktober 1662 van Cornelis M. Soetens aan Constantijn Huygens. De brief is te rekenen tot tekstcat. B. Het plan voor een rechte straatweg van Den Haag naar Scheveningen (de huidige Scheveningseweg) had Huygens oorspronkelijk bedacht om het visvervoer naar de stad makkelijker te maken; de visvrouwen zouden dan niet langer meer met vismanden op het hoofd door de duinen hoeven te sjouwen. In 1653 schreef Huygens zijn Zee-straet over dit plan (zie Huygens 1981), maar het stadsbestuur zag er niets in. De Hagenaar Soetens, een vriend van Huygens, pakte het idee later op, breidde het uit met een vaart en vroeg op 11 juli 1662 bij de Staten van Holland octrooi aan voor de uitvoering van het ontwerp. In de brief waaraan dit citaat ontleend is, informeert Soetens Huygens over de voortgang van het project. Woorden: loffl.: WNT loffelijk betek. 3 eerste streepje; gebesongeert: WNT besogneeren betek. 2; vorderinge: WNT vordering: afl. van vorderen betek. I.3(‘ten uitvoer brengen, uitvoeren (...)’); gabellen: WNT gabel betek. 2 (‘(...) tol, en ook de plaats, waar de tol geïnd of geheven wordt’);WNT grond betek. II.2.a tweede streepje.
    Soetens heeft de Staten van Holland octrooi verzocht om de door hem geprojecteerde vaart en weg naar Scheveningen op zijn kosten aan te leggen (Q), waarbij de tolgelden vanzelfsprekend naar hem zullen gaan (P). P heeft een comitatieve rol, omdat P in de ogen van Soetens logisch ‘bij’ zijn voorstel komt om de kosten voor de aanleg van vaart en weg op zich te nemen.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject) want het begrepen subject, Soetens, is ook het niet-uitgedrukte subject van de direct hogere infinitieffrase.
257 [...] ende so bevonden wert dat jaarlix (boven alle onkosten) geen sestien duysent guldens wert geavanceert, gelijck ook na de gemelde proeff van twe maanden met het klein furneis, dat het werck niet soodanigh als verhoopt wert ende belooft is, uytvalt, dat in soodanige geval het den voorn. sr. Cattenburgh vrij zal staen ende geoorlofft zijn, met deselve twe maanden ofte alle jaren na ’t sluyten der boeken ende bevindingh van minder voordeel, van dit contract te deserteren ende geheel uyt te scheyden [Q], mits betalende den voorsz. Billingam ofte zijne erfgenamen alle tgene hij tot die tijt toe verdient sal hebben [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 3: 733)
[Amsterdam, Holland; 1665-T09] T=T09 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘[...] en als geconstateerd wordt dat in een jaar boven alle onkosten geen zestienduizend gulden winst wordt gemaakt, en eveneens wanneer na de beschreven proefperiode van twee maanden van werken met de kleine oven geconstateerd wordt dat het werk niet zo is als gehoopt en in het vooruitzicht gesteld, dan zal het in dat geval de heer Cattenburgh vrij staan om na deze twee maanden, of in enig jaar na opmaken van de jaarrekening en vaststelling van een geringere opbrengst, dit contract geheel te ontbinden, op voorwaarde dat hij de eerder genoemde Billingam of zijn erfgenamen al datgene uitbetaalt wat hij tot dat moment verdiend zal hebben.’
    Het citaat behelst een artikel van een contract (tekstcat. A1), waarin Dirk van Cattenburgh ene Joan Billingam in dienst neemt om spiegelglas te vervaardigen volgens een nieuw, geheim procédé dat alleen Billingam kent.
     De mits.pp-frase drukt een voorwaarde uit, want het contract noemt situaties waarin Cattenburgh een wens van tot ontbinding zou kunnen hebben en die wens is dus op dit punt in het vizier van contractpartijen.Opmerking: de infinitiefconstructie van dit contract te deserteren ende geheel uyt te scheyden is wel ondergeschikt aan het ‘vrij staan’ maar niet bovengeschikt aan de mits.pp-frase. Die is nl. ook aan het ‘vrij staan’ ondergeschikt. Semantisch uitgelegd: ‘ontbinden van het contract staat Cattenburgh vrij mits hij Billingam uitbetaalt’; niet: ‘hij ontbindt het contract mits hij Billigam uitbetaalt’, dat is onbegrijpelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want Cattenburgh fungeert als meew.voorw van de direct hogere frase en is het begrepen onderwerp van de mits.pp-frase; Cattenburgh moet bij een uiteengaan aan de voorwaarde voldoen dat hij Billingam uitbetaalt.
258 Doch werdt bij deesen (om bij voorval van versterf off dat wij resolveerden naer ’t verloop van drie jaeren uyt de neeringe van steenkooperije te scheyden) met voorbedachte raede goet gevonden, verstaen ende verdraegen, dat Dirck Steenoven voor hem, en bij sijn aflijvigheit sijn huysvrouwe ofte desselffs kinderen, opt uyteynde van de drie eerstaenvolgende jaeren in haer libre vrije keuse en optie sullen hebben en vermoogen de vernoemde steenplaetsen en aenkleeven van dien voor hun alleen t’ aenvaerden en erfelijck in eygendom te behouden voor haer en hunne naerkoomelingen [Q].
Mits daervooren alsdan aen Jan Stam, sijn huysvrouwe ofte decendenten uytreyckende ende betaelende, ende dat voor sijne helfte van den eygendom en wetenschap der voorseyde steenplaetsen, huysingen, erfpachte ende aencleeven vandien, soo als het tegenwoordich aldaer beheynt ende betimmert staet, de somma van vijff duysent caroli guldens [mits.pp P]. (BronnenAmst dl. 3: 758)
[Amsterdam, Holland; 1667-T09] T=T09 P=Amsterdam R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Maar bij deze wordt er (om in geval van overlijden of als wij zouden besluiten na drie jaar te stoppen met de steenhandel) na voorafgaand overleg mee ingestemd, vastgelegd en overeengekomen, dat Dirck Steenoven voor zichzelf, en bij zijn overlijden zijn echtgenote of haar kinderen, na het verstrijken van de drie eerstkomende jaren de volledig vrije keuze zullen hebben om de voornoemde steenbakkerijen met toebehoren voor henzelf alleen te aanvaarden en behouden in erfelijk eigendom ten bate van henzelf en hun nakomelingen.
Daarbij dient hij in dat geval als compensatie aan Jan Stam, diens echtgenote of nakomelingen het bedrag van vijfduizend carolusguldens ter beschikking te stellen en uit te betalen, als vergoeding namelijk van diens helft van het eigendom van de voornoemde steenbakkerijen met de betreffende expertise, de gebouwen, de [betaalde] erfpacht en alles wat daarbij hoort, zoals dat alles daar heden begrensd en gebouwd is.’
    Dit is een citaat uit een notariële akte - tekstcat. A1 -, waarin Dirck Steenoven en Jan Stam vastleggen dat zij hun al zeven jaar bestaande handel in steen voor drie jaar voortzetten, en voorts een bepaling toevoegen (zie het citaat) die van kracht wordt ingeval van tussentijds overlijden of een gemeenschappelijk besluit om de onderneming te beëindigen. Woord: daervooren: ‘als compensatie’_ vgl. VMNW daervore betek. I. 4 (‘als vergoeding daarvoor’).
    De toegevoegde bepaling houdt in, dat het in de genoemde situaties van een overlijden of beëindiging van de onderneming, Dirck Steenoven (of als hij gestorven is, zijn vrouw of zijn kinderen) na de drie jaren van de nieuwe contracttermijn vrij staat om de steenbakkerijen met alles wat erbij hoort voor zich en zijn nazaten in erfelijk eigendom over te nemen (Q), waarbij hij in dat geval Jan Stam of diens echtgenote of nakomelingen vijfduizend carolusguldens dient uit te betalen voor zijn helft van de eigendom en expertise betreffende de steenbakkerijen (P). De betekenis van mits is comitatief. Dirck Steenhoven wordt in het contract derhalve een vrije keus tot overname toegekend, maar er zijn geen indicaties aanwezig waarom hij die keuze zou willen maken of dát hij die zou willen maken en in dat verband aan een voorwaarde zou moeten voldoen. De rol van P is daarom niet conditioneel, maar comitatief.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
259 90. Van Vonnissen bij onderhoorige geregtsbanken gewesen, Sal appel Vallen met Inhibitie, soo verre de Vonnissen, Condemnatie medebrengen [Q1], mits de boete van agtien guldens daertoe staende alvoren werde geconsigneert [mits + Vfsubj P1]. [...]
107. Een gecondemneerde willende allegeren betalinge off exces inde executie sal, in oppositie by de Borgemeester ofte ter rolle ontfangen, en middeler tyd met alle verdere executie gesupercedeerd werden, op pene van attentaten [Q2], mits alvoren geconsigneert synde in saaken beneden de waarde van tien ponden Vlaams vyff schellingen, daarboven en beneden de honderd ponden, tien schellingen en in groote saaken twintig schellingen [mits.pp P2], tot een amende in cas van frivole oppositie. (Zeeuws Archief toeg.nr. 10, inv.nr. 500: tr5)
[Veere, Zeeland; 1668-T09] T=T09 P=Veere R=Zeeland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘Artikel 90. Inzake door onderhorige rechtbanken gewezen vonnissen zal, voor zover die een veroordeling met zich brengen, een hoger beroep gepaard gaan met een verbod [voor de lagere rechtbank] om het vonnis ten uitvoer te leggen, onder de voorwaarde dat de vereiste waarborg van achttien gulden vooraf gedeponeerd is. [...]
Artikel 107. Een veroordeelde die aanspraak wil maken op schadevergoeding ingeval van een onjuiste tenuitvoerlegging van een vonnis, moet door de burgemeester of in de pleitkamer als opposant toegelaten worden, en intussen dient - met als sanctie de straf die gesteld is op overtredingen van rechtsregels - elke verdere tenuitvoerlegging opgeschort te worden, onder de voorwaarde dat vooraf een waarborgsom gedeponeerd is van vijf schellingen ingeval van zaken met een waarde van minder dan tien pond Vlaams, tien schellingen bij zaken van meer dan tien en minder dan honderd pond en twintig schellingen bij zaken met een hogere waarde; op straffe van een boete in geval van ongefundeerde oppositie.’
    Dit citaat behelst de artikelen 90 en 107 van het Reglement van de vierschaar, 1668, van de stad Veere. Het is op 16 oktober 1668 in de vergadering van het stadsbestuur vastgesteld. Het reglement behoort tot tekstcat. A2. Woorden: onderhoorige: WNT onderhoorig betek. 2 (‘van plaatsen. Onderworpen aan den persoon of aan de macht, die in de bepaling is uitgedrukt of uit het zinsverband van zelf blijkt; inzonderheid, onder het rechtsgebied daarvan behoorende (...nj)’); appel: WNT appel II betek. 1 (‘in het rechtswezen. Het beroep op een hoogeren rechter (...) in onze Wetboeken niet meer gebezigd en vervangen door hooger beroep’); inhibitie: WNT, betek. (‘(...) rechterlijk verbod om met iets voort te gaan; meton. ook: door den rechter uitgevaardigde akte waarin deze verklaart dat iem. zich onder zijn rechtsmacht heeft gesteld en dat het derhalve verboden is dat een andere rechter rechtsmacht over de(n) betrokkene uitoefent. (...)’); geconsigneert: WNT consigneeren (‘in bewaring geven, t.w. waarden, als waarborg of om van de verantwoording ontheven te zijn’); allegeren: MNW: betek. (‘aanhalen, aanvoeren, bijbrengen, t. w. redenen, bewijzen, aanspraken enz.’); off: MNW of II betek. 1 (‘als voorwaardelijk en onderstellend voegwoord (...) ingeval, bijaldien, indien, als (...)’); exces: WNT betek. 1.b (‘overtreding’); rolle: WNT rol I betek. 2 β.2°(‘(...) de pleitkamer of pleitzaal’); oppositie: WNT betek. 1.c (‘in het rechtswezen. Verzet, tegenstand tegen een vonnis enz.’(...)’); ontfangen: MNW ontvaen I, B, 6 ‘toelaten’, WNT II, 2 idem; gesupercedeerd: WNT supersedeeren betek. 2 (‘uitstellen, opschorten’); pene: zevende streepje: op pene van op de straf daarop gesteld; attentaat: WNT betek. 2 (‘hetgeen in strijd met een rechterlijk gebod wordt ondernomen (...)’); amende: boete; frivool: WNT betek. 1 (‘van beweringen. Waardeloos, nietszeggend, ongegrond (...)’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Art. 90. Een hoger beroep bij de Vierschaar van Veere heeft de door een veroordeelde gewenste consequentie dat lagere rechtscolleges de tenuitvoerlegging van hun vonnis moeten opschorten (Q1), onder de voorwaarde dat door de gevonniste persoon voorafgaand een leges van achttien gulden wordt betaald (P1).
Art. 107. Als iemand schadevergoeding verlangt op grond van een onjuist uitgevoerd vonnis, dient hij als opposant toegelaten te worden, hetgeen gepaard gaat met opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis (Q2), onder de voorwaarde dat, naar gelang de waarde van de zaak in kwestie, een bepaald bedrag aan schellingen als waarborg wordt gedeponeerd (P2). De configuratie met mits + Vfsubj en die met mits.pp komen sterk overeen. Beide hebben ze conditionele betekenis: ze vermelden als voorwaarde voor een door Q aangeduid gewenst aspect van de rechtsgang dat er een waarborg ter waarde van een bepaald bedrag wordt gedeponeerd. Een vormelijke overeenkomst is, dat beide mits-frasen passief zijn. Een verschil is, dat de mits.pp-frase meer woorden telt dan die met mits + Vfsubj.
 De (passieve) mits.pp-frase is absoluut, want deze omvat zelf de (alternatieve) subjecten ervan, die niet gelijk zijn aan personen die voorwerp of onderwerp zijn in de direct hogere frase.
260 4. [...] Des sal hij, als de keuren enige portie voor den aenbrenger innehouden, voor sijn bekeuren deselve portiën genieten van’t gene hij aengeven sal, ende indien de keuren geen portiën voor den aenbrenger in en houden, alsdan sal hij hebben een darde deel van ’t gene hij bekeuren ofte aenbrengen sal, en insgelijck een darde deel van alle boeten van mestrekken, die door sijn aengeven genoten sullen werde(n), mitsgaders van alle gevechten, daerop hij den luyden bevonden ofte die hij aengebracht sal hebben, sonder hem bij de barbiers aengegeven te sijn; maer van de gevechten, die hem bij de barbiers aengegeven sullen sijn, sal hij niet meer genieten als een half darde part [Q], mits ’t selve den Schout aendienende als boven [mits.pp P],
5. Wel verstaende nochtans, dat alle de boeten, niet dan ses guldens en daeronder bedragende, bij hem substituyt in ’t geheel genoten sullen werden, als bij hem daervan de bekeuringe gedaen sal sijn. (Bontemantel dl. 1: 85)
[Amsterdam, Holland; 1669-T09] T=T09 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Instr TS=i SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Art. 4. [...] Wat dit betreft [toezicht op naleving van de plakkaten die kinderruil verbieden] zal hij, als de keuren een bepaald deel van de boetes voor de aanbrenger bestemmen, voor zijn bekeurarbeid dat deel krijgen van wat hij aangeeft, en als de keuren geen gedeelte voor de aanbrenger benoemen, zal hij een derde deel krijgen gebaseerd op zijn bekeuringen of aangiftes, en eveneens een derde deel van alle boetes op messentrekken die ten gevolge van zijn aangifte geïncasseerd zullen worden, evenals van de boetes op alle gevallen van handgemeen waarop hij de betrokkenen betrapt heeft of waarvan hij aangifte gedaan heeft en die niet bij hem aangebracht zijn door de barbiers; inzake de vechtpartijen die hem door de barbiers aangebracht zijn, zal hij echter niet meer dan de helft van een derde deel [van de boetes] krijgen, waarbij hij verplicht is de schout hiervan [van de rol van de barbiers in de melding] in kennis te stellen, zoals boven vermeld,
Art. 5. met dien verstande echter dat alle boetes van zes gulden of minder volledig bestemd zullen zijn voor de substituut, als de betreffende bekeuring door hem wordt uitgevoerd’.
    Dit citaat is afkomstig uit de persoonlijke aantekeningen van Hans Bontemantel (tekstcat. C). Een aantekening gedateerd 27 april 1669 bevat de ‘Conditiën op dewelcke de Heeren Burgemeesteren tot wederseggen aengenomen hebben Jan Voerknecht tot Onderschout en substituyt van den Schout der stadt Amsterdam’; hierin zijn de taken en bevoegdheden van de vervangend-schout te lezen. Het genre is instructie. Het citaat behelst de punten 4 en 5 hieruit. Editeur Kernkamp meldt deze instructie ook aangetroffen te hebben in bestuurlijke documenten uit 1660, maar stelt ook dat Jan Voerknecht waarschijnlijk in 1654 benoemd is met vrijwel precies deze opdracht (Bontemantel dl. 1: 85, nt. 1, α). Een dergelijke instructietekst bestond dus al wel zo’n tien jaar. Situatie: in het direct voorafgaande staat te lezen dat de substituut-schout gehouden is naerstich toesicht te dragen, dat de keuren deser stede en placcaten tegen de ongepermeteerde wisselingen behoorlijck onderhouden werden (voor wisselingen: WNT wisseling betek. 1 (‘Kind dat bij wijze van bedrog voor een ander is verruild (...)’). Het citaat gaat in op de vraag, wanneer de substituut welk deel krijgt van de boetes op overtreding van deze plakkaten en op andere overtredingen. Woorden: aengeven: aangeven WNT betek. 2.b eerste streepje (‘aan het gerecht bekendmaken (een gepleegd misdrijf), t.w. als men zelf in de zaak is betrokken, of ambtshalve verplicht de zaak ter kennis van het gerecht te brengen.’_als synoniemen worden genoemd ‘aangeven’, ‘aanbrengen’); bekeuren: WNT bekeuren II betek. 2 (‘keur, core in den zin van boete. Iemand eene beboeting aanzeggen. (...) tegen iemand proces-verbaal opmaken wegens eene overtreding); bevonden: WNT bevinden betek. 3 (‘iemand betrappen op iets, hem daaraan schuldig vinden (...)’); aendienende: WNT aandienen: bet. 1 (‘(...) berichten, bekendmaken aan een hooger geplaatst persoon of aan een lichaam, met gezag bekleed’).
    Als de gevallen van handgemeen bij hem aangegeven zijn door barbiers mag de substituut niet meer dan een zesde deel van de boetes zelf houden (Q), waarbij burgemeesters bepalen dat hij verplicht is deze rol van de barbiers te melden bij de schout (P). (Niet wordt genoemd dat de vervangend-schout iets bepaalds wenst.) P heeft een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject); het subject van de hogere frase is hij.
261 [...] 2e dewyle de Spaensche regieringe ende ministers gewendt sijn, alle coopluyden, die met de Croon tracteren off haer aen de Croon redevabel maecken, seer lichtelijck te vexeren ende onbehoorlijck op ’t lijff te vallen, dat niemandt van de subjecten van den coning van Spaigne sich tot eenige engagementen met off ten behoeve van de Croon kan inlaeten, dan [Q] mits tegelijck resolverende, sich van alle effecten, die hy van anderen onder sich heeft, te ontdoen, oock alle syne uutstaende schulden ilico te betaelen [mits.pp P], dewyle niemandt syne effecten off gelden wil laeten onder personen, die sich met de Croon engageren om redenen, voren verhaelt; ende dat sulx den heere Cattaneo niet sonder eenige moeyelijckheit sich tot de verschreven cautie heeft connen inlaeten (BriefwissDeWitt, sectie De Witt als briefschrijver dl. 4: 18)
[Den Haag, Holland; 1670-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Brief TS=j SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[u kunt uw aanspraken het best motiveren met de volgende overwegingen.] [...] 2e omdat de Spaanse regering en functionarissen de gewoonte hebben om alle kooplieden die zaken doen met de kroon of verplichtingen aan de kroon aangaan volstrekt willekeurig te treiteren en hen op ongepaste wijze te hinderen, kunnen onderdanen van de koning van Spanje overeenkomsten met of ten behoeve van de kroon uitsluitend aangaan onder de voorwaarde dat zij tegelijkertijd besluiten om het beheer van aandelen van anderen af te stoten en tevens hun uitstaande schulden onmiddellijk af te lossen, terwijl intussen niemand om eerder genoemde redenen zijn aandelen of gelden wil toevertrouwen aan personen die een overeenkomst met de kroon aangaan! En daardoor heeft de heer Cattaneo tegenwerking ondervonden om de genoemde borgstelling te kunnen realiseren’.
    Dit citaat is ontleend aan een brief (tekstcat. B) van Johan de Witt aan Jean Deutz, gedateerd 28 februari 1670. In het direct voorafgaande deel van de brief schrijft De Witt dat hij Deutz enkele argumenten aan de hand wil doen om diens verzoek tot schadevergoeding (te richten aan de Nederlandse thesaurier-generaal) te motiveren. Die compensatie verlangt Deutz, omdat hij de Antwerpse koopman Cattaneo schadeloos heeft gesteld voor zijn borgstelling voor een lening van de Spaanse koning; een borgstelling die Spanje vanwege de uit de akte blijkende steun van Deutz niet geaccepteerd had - iets wat bleek toen Deutz zijn uitgaven voor die schadeloosstelling al gedaan had. In het citaat suggereert De Witt aan Deutz dat hij zijn verzoek om schadevergoeding kan motiveren door de tegenwerking door Spaanse functionarissen te noemen. Woorden, namen: Jean Deutz, vermogend koopman en bankier, zwager van De Witt; lichtelijk: WNT betek. 8; minister: WNT betek. 2 (‘iemand in ’t algemeen die een post bekleedt in dienst van het openbaar gezag’); effecten: WNT effect betek. 6 (‘verhandelbaar bewijs van aandeel in eene leening door eenig lichaam uitgegeven of in het kapitaal eener onderneming’)_vgl. de moderne betek.:‘effect als verzamelnaam voor de financiële producten die op een beurs verhandeld worden’; op ’t lijff te vallen: WNT vallen betek. 41 (‘met vijandelijke bedoelingen tegen iemand of iets aanrukken’)_ de verbinding vallen op: betek. 1°. Eig.: iem. of iets gewapenderhand aanvallen_ook in de verbinding: iemand op den hals, op de huid, op het lijf vallen.; ilico: WNT betek. ‘onmiddellijk, op staanden voet, rechtstreeks’; dewyl: WNT dewijl (‘in den tijd dat, terwijl’) betek. 1 in combinatie met WNT wijl I betek. 6.b bij wijl(en), δ.(voegw.) ‘terwijl intusschen’).
    Onderdanen van de Spaanse koning kunnen alléén zakelijke overeenkomsten met het koningshuis sluiten (Q) als zij direct een eind maken aan het beheer van andermans gelden en hun schulden aflossen (P). Q duidt erop dat het voor wie dat wenst nauwelijks, nl. alleen onder een strikte voorwaarde, mogelijk is een overeenkomst met de kroon aan te gaan. P noemt die voorwaarde.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject ervan zijn te begrijpen (omgezet naar het positief) alle onderdanen die zaken willen doen met de Spaanse kroon, en zij zijn ook subject van de direct hogere frase.
262 Sereniam ter Generalityt.
Advys wegens Zeelant van te laeten coomen aen de Generalityt [Q1], mits rembourserende der costen en intresten [mits.pp P1].
Commissaressen advys: wat oncosten syn gevallen en met garnesonen van den Staet en tot haer lasten.
Minister van Sweeden, Appelboom, request wegens Rosenvelt, par vonnisse van Delft in confinement. Wert gequest en eenige daegen geleegen hebbende is......... (?). Den pensionaris van Delft doet daerover rapport en gecommuniceert ’t advys van scheepenen, die niet tegen hebben nae Sweeden te senden volgens versouck, alsoe krancksinnig is en niet anders doet als sulcke menschen syn gewoon te doen [Q2], mits dat in verseeckeringe mocht blyven [mits dat + Vf P2] (SmitBontemantel 8)
[Den Haag, Holland; 1670-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Suriname in bespreking bij de Staten-Generaal.
Standpunt namens Zeeland: het gebied laten toevallen aan de generaliteit op voorwaarde dat de kosten en het interest vergoed worden.
Standpunt van de commissarissen: [alleen] onkosten die gemaakt zijn; de garnizoenen kwamen van de staat, op haar kosten.
De gezant van Zweden, Appelboom, doet een verzoek aangaande Rosenvelt, die bij vonnis van het gerecht in Delft opgesloten zit. Raakte gewond en nadat hij enige dagen gelegen had..... (?) De pensionaris van Delft doet daarover verslag en brengt het advies van schepenen over, die er niets tegen hebben om hem zoals verzocht naar Zweden te sturen, omdat hij geestesziek is en zich niet anders gedraagt dan zulke mensen gewoonlijk doen, mits hij [vooralsnog] in verzekerde bewaring zou mogen blijven.’
    Dit citaat is ontleend aan Smits uitgave van de vrij complete aantekeningen die Hans Bontemantel maakte van de vergaderingen van de Staten van Holland in 1670. De puntjes en het vraagteken achter Wert gequest en eenige daegen geleegen hebbende is zijn van editeur Smit. Ik reken de aantekeningen van Bontemantel tot tekstcat. B, omdat aannemelijk is dat ze, hoewel in eerste instantie bedoeld als geheugensteun voor de auteur, door leden van de Amsterdamse vroedschap en anderen geraadpleegd werden. Bontemantel werd in 1670, een jaar na het neerleggen van het schepenambt, door burgemeesteren van Amsterdam meegenomen naar de bijeenkomsten van de Staten van Holland; dat was bij zojuist afgetreden schepenen de gewoonte (SmitBontemantel III). Woorden, namen, kwesties: Sereniam ter generalityt: vanaf maart 1667 was Suriname kolonie van Zeeland, dat daar investeringen deed (vandaar: intresten). Dit komt naar voren in Wolbers 1970 [1861]. In een noot meldt de editeur dat tussen de gewesten Zeeland en Holland spanningen ontstonden inzake de handel op Suriname en dat de Staten-Generaal Suriname van Zeeland wilden terugkopen (hetgeen in 1682 door de West-Indische Compagnie zou gebeuren); Appelboom: Harald Appelboom, Zweeds agent, in en sinds zijn studietijd in Nederland werkzaam en behartiger van de relatie met Zweden, vriend van Hugo de Groot, Heinsius en Vossius.
    Zeeland is akkoord dat het bezit van Suriname naar de Staten-Generaal zal gaan (Q1) op voorwaarde dat de gemaakte onkosten en de rentes vergoed worden (P1). Q duidt op de inwilliging door Zeeland van de wens van de Staten-Generaal dat Suriname aan de Staten toevalt. P noemt de daaraan verbonden voorwaarde die de Staten-Generaal moeten vervullen. Het citaat bevat nog een andere mits-constructie, nl. met mits dat + Vf P2. De pensionaris van Delft rapporteert het advies van schepenen van zijn stad, om tegemoet te komen aan de wens van agent Appelboom om ene Rosenvelt, momenteel opgesloten na een gerechtelijke uitspraak, naar Zweden te laten gaan (Q2) op voorwaarde dat Rosenvelt vooralsnog in verzekerde bewaring mag blijven (P2). De twee mits-constellaties hebben gemeen dat ze een voorwaarde noemen. Als verschil zou kunnen worden gezien, dat de mits.pp-configuratie voorkomt in een rapportage van één zegsman op de Statenbijeenkomst, nl. de vertegenwoordiger van Zeeland. Die beschrijft in korte bewoordingen ‘voor wat’ (Staten-Generaal verkrijgen Suriname) ‘hoort wat’ (een vergoeding van onkosten en betaalde renten). De mits.pp-configuratie betreft een transactie tussen twee partijen, Zeeland en de Staten-Generaal. De configuratie mits dat +Vf betreft méér dan twee partijen. Ze staat in een rapportage van de inbreng van de Delftse pensionaris, die op zijn beurt een weergave is van een advies dat de Delftse schepenen hebben uitgebracht; daarin staat een motivering (Rosenveld is nu eenmaal geestesziek), een conclusie (wij schepenen willen hem wel naar Zweden laten gaan, zoals gewenst door Appelboom) en een daaraan verbonden voorwaarde dat zij Rosenvelt in verzekerde bewaring mogen houden voor de terugtocht; ‘mogen’ omdat de Staten van Holland dit moeten toestaan. Doordat de voorwaardelijke mits-frase een constructie met persoonsvorm is, is er ruimte voor een hulpwerkwoord (mocht), dat juist deze laatste nuance uitdrukt.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als subject wordt begrepen de Generalityt die in de direct hogere frase de grammaticale rol van meewerkend voorwerp heeft.
263 Den pensionares Hop rapporteerden, dat op de middach nae het schyden van de vergaederinge den Raetpensionares had aengeboden syn vrindtschap aen de heeren van Amsterdam en dat bedrouft was, dat van ter syde hoorde een misnoegen op syn persoon [...].
Dat wegens de questie het stoppen door die van Rhynlant van de Drecht en de Aer van opinie is, dat die van Rhynlant gevoecht syn het waeter van Amstellant te stoppen ofte te keeren [Q], mits niet belettende de deurvaert [mits.pp P]. Dat op versoeck van de Edelen, als wesende haeren dinaer, de commissaressen Rycces en Druyf had weesen spreecken en de saecke gerecommandeert (SmitBontemantel 111)
[Den Haag (+Amsterdam), Holland; 1670-T09] T=T09 P=Den Haag P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Pensionaris Hop rapporteerde, dat ’s middags na afloop van de bijeenkomst de raadpensionaris [de Witt] zijn sympathie had betuigd aan de heren van Amsterdam en hun zijn droefenis had betuigd dat hij zijdelings had vernomen over onvrede over zijn persoon [...].
Dat hij inzake de kwestie van de afsluiting door Rijnland van de Drecht en de Aar van mening is, dat de Rijnlanders gerechtigd zijn de waterlopen in Amstelland te stoppen of te keren, op voorwaarde dat ze de doorvaart niet belemmeren. Dat hij op verzoek van de edelen, wier dienaar hij is, de commissarissen Rixse en Druyf had aangesproken en de kwestie in hun aandacht had aanbevolen’
    Dit citaat is ontleend aan Bontemantels persoonlijke notulen van de vergadering van de Staten van Holland in 1670. Het fragment is gedagtekend 14 mei 1670. Tekstcat. is B. Zie SmitBontemantel p. LIX over het langlopend conflict tussen Rijnland (i.h.b. Leiden) en Amsterdam inzake de vraag, wie het beheer van de waterlopen had, de bemoeienis met dit conflict door Johan de Witt die Amsterdam tegen de haren instreek, en de rol van de onderzoekscommissie Druyf-Rixse. Woorden: gevoecht: voegen: WNT gevoegen betek. III (‘(...) geschikt zijn, passen, betamen (...)’)_misschien in combinatie met betek. II zich gevoegen (‘zich er voor pasklaar maken, zich er voor geschikt maken, zich er naar schikken, zich er op toeleggen’)_maar hier te lezen als WNT bevoegd betek. 2; keeren: WNT betek. I.B.2.c (‘tegenhouden; het voortgaan of het binnenkomen, het binnendringen beletten, verhinderen’)_hierbij genoemd de verbinding het water keeren.
    De Rijnlanders zijn gerechtigd, aldus De Witt, de loop van het water in Amstelland te keren (Q) op voorwaarde dat zij de vrije doorvaart van schepen niet belemmeren (P).
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject worden begrepen de Rijnlanders, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
264 Saterdach den 26 july 1670. Pancras, Maerseveen, Bontemantel, Corver, Pensionares. Fiat. Ritmeester Munnix, door ouderdom caduc en lange dienst, versouckt het ritmeesterschap te moogen laeten bedienen door een te maecken colonel [Q], mits hy, Munnix, treckende het tractement of voordeelen [mits.pp P]. (SmitBontemantel 165)
[Den Haag (+Amsterdam), Holland; 1670-T09] T=T09 P=Den Haag P=Amsterdam R=Holland TC=B TG=Versl TS=o SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Zaterdag 26 juli 1670. Pancras, Maarsseveen, Bontemantel, Corver, raadpensionaris: akkoord. Ritmeester Munninck, te zwak geworden door hoge leeftijd en lange dienstjaren, verzoekt de Staten het ritmeesterschap te willen laten vervullen door een te benoemen kolonel, waarbij hij, Munninck, de wedde of de voordelen zal genieten.’
    Dit citaat is ontleend aan Bontemantels persoonlijke notulen van de vergadering van de Staten van Holland in 1670 (SmitBontemantel). Tekstcat. is B. In een aantekening van 8 februari 1670, ruim vijf maanden eerder, staat te lezen: “Munninx request: dat out en gebreckich is van poodegra etc.; versouckt syn tractement sonder dienst te doen. [betrokken Munninx is] Ritmeester. Haerlem, Amsterdam en... houden het op” (SmitBontemantel 8). (Het is niet duidelijk of de puntjes van Bontemantel zijn of van editeur Smit.) De Staten hadden de beslissing over dit vergaande verzoek van de oud en ziek geworden ritmeester op dat moment dus uitgesteld. Ze gaan volgens het onderhavige citaat in juli akkoord, mogelijk omdat Munninck nu verzoekt om ontheffing van zijn functie met behoud van zijn wedde ‘of voordelen’. We kunnen wel aannemen dat de prerogatieven een veel minder kostbare zaak waren voor de Staten, die door inwilliging van het verzoek in deze zwakkere vorm een elegante beëindiging van de loopbaan van de ritmeester konden realiseren. Woorden, namen: het gedeelte ‘Pancras [...] Pensionares. Fiat’ staat in de gebruikte editie in een ander lettertype, omdat het een marginale nota van de auteur betreft; Pancras: Nicolaes Pancras, burgemeester; Maerseveen: Joan Huydecoper van Maarsseveen, bewindhebber VOC; Corver: Nicolaes Corver, burgemeester; pensionares: WNT pensionaris betek. 2, tweede streepje; ritmeester: WNT betek. (‘(...) kapitein van de cavalerie (...)’); maecken: WNT maken betek. I.5 (‘iemand in een bepaalden toestand brengen’), b. streepje ‘(...) alleen met een lijdend voorwerp, zijnde een qualitatief woord, dat de beteekenis heeft van eene aanvulling bij het ww., en eene bepaling is van het eigenlijke voorwerp, dat niet rechtstreeks wordt genoemd’, laatste vb; colonel: WNT kolonel betek. 1.a (‘bij de strijdkrachten te land. (...) Aanvankelijk benaming voor den officier van den rang onmiddellijk boven dien van kapitein; aan hem die dezen rang bekleedde, was het bevel over eenige compagnieën gezamenlijk (later regiment geheeten) toevertrouwd; in den regel - sinds de 17de eeuw: altijd - ”bezat” hij ook zelf een compagnie (...)’); tractement: WNT traktement.
    De oude en zieke ritmeester Munninck verzoekt de Staten om zijn functie van aanvoerder van een ruitercompagnie te laten vervullen door een te benoemen kolonel, waarbij hijzelf dan logischerwijs van zijn taken ontheven wordt (Q). Bij deze vervanging en zijn plaatsmaken moet hij zijn bezoldiging of zekere voordelen behouden (P), zo geeft Bontemantel Munincks verzoek weer. Munninck vatte het doorlopen van zijn bezoldiging of de aan zijn functie verbonden prerogatieven zeer waarschijnlijk wel op als een soort voorwaarde, die hij zou kunnen stellen omdat de Staten belang bij zijn terugtreden hadden, maar doordat Bontemantel Munnincks inbreng als een verzoek formuleert, is de karakterisering als voorwaarde niet mogelijk. Het is immers niet zo dat Munninck zijn verzoek alleen doet bij de vervulling van zijn verlangen: het verzoek (de taalhandeling van het verzoeken) heeft hij bij deze gelegenheid uitgevoerd. Het is ook niet logisch zó te interpreteren dat Munninck de handeling waarom hij de werkgever verzoekt, afhankelijk laat zijn van de vervulling van een voorwaarde die evenzeer een handeling van de werkgever betreft. Er zijn in feite twee verbonden verzoeksinhouden, ten eerste de vervanging (Q) en ten tweede, daar voor de verzoeker beslist ‘bij horend’, het in stand blijven van het traktement of de prerogatieven (P). Dat wil zeggen dat de rol van het tweede element ten opzichte van het eerste een comitatieve genoemd moet worden, de tweede helft van het verzoek komt ‘erbij’ als wezenlijk en ‘niet te vergeten’.
 De mits.pp-frase is absoluut, want het subject is uitgedrukt in de mits.pp-frase zelf (hij, Munninck); het niet uitgedrukte subject van de direct hogere beknopte infinitief-constructie zijn de Staten.
265 Voeren hierop U. H. M. onderdanighlijck te gemoet, dat wij - onder reverentie - uyt de voorschreven missive van hem consul niet anders en connen sien, off hij is U. H. M. abuseerende. ’t Is sulckx, dat voor desen het consulaat van Egypten van onse natie lange jaren is geweest onder de Francen, bij dewelcke seer wel waren, vermits die bijnaer de geheele vaert van Alexandrië in hebben en daerom de France consul de speses bij sijn natie alleen conde vinden, excuseerende daerdoor onse schepen van havarije en gauderende de benefitie van de rechten [Q], mits uytkeerende aen onsen heer resident desselfs gerechtigheyt [mits.pp P]. In dien tijt navigeerden wij ende waren in aensien sonder lasten. (BronnenLevant dl. 3: 461)
[Amsterdam, Buitengewestelijk; 1671-T09] T=T09 P=Amsterdam R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Hierop geven wij Uwe Hoogmogenden onderdanig het antwoord, dat wij - met respect - uit de genoemde missive van de consul [Nederlandse consul in Egypte] niets anders kunnen concluderen dan dat hij Uwe Hoogmogenden misleidt. De zaak is deze, dat de functie van consul voor onze handel in Egypte eerder jarenlang door de Franse consul is waargenomen, waarbij wij ons zeer wel bevonden, omdat zij bijna de hele scheepvaart op Alexandrië beheersen en de Franse consul de belastingen en andere extra kosten daarom alleen bij zijn landgenoten hoefde op te halen. Zo vrijwaarde hij onze schepen van schaderisico en vloeiden de betaalde rechten aan hem toe, waarbij hij uiteraard aan onze heer resident de bijdragen diende uit te keren die de Nederlandse schepen verschuldigd waren [aan het handelskantoor]. In die tijd bevoeren wij de zeeën en stonden in aanzien zonder kosten.’
    Dit citaat is afkomstig uit een brief (gedateerd 3 februari 1671) van de directeuren van de Levantse handel, kantoor houdend in Amsterdam, aan de Staten-Generaal.. De brief is te rekenen tot tekstcat. B. De brief van de directie is bedoeld als advies aan de Staten-Generaal hoe de financiële problemen van het consulaat in Egypte, verwoord in een bijlage van consul Jan Theyls, opgelost kunnen worden. Maar allereerst legt de directie aan de Staten-Generaal uit in welk licht het verzoek van Theyls gezien moet worden: terwijl de Nederlandse handelaren vroeger konden meeprofiteren van de Franse handelsovereenkomsten met de Osmaanse autoriteiten rond de Middellandse Zee, had Nederland in 1611 een eigen ‘capitulatie’ verworven (een document waarmee het de positie van bevoorrecht handelspartner kreeg). Als gevolg daarvan moesten de Nederlandse kooplieden het stellen zonder de hulp van de Franse tussenperoon. Het citaat blikt terug op de vroegere situatie, toen die hulp er nog was. Woorden: vaert van Alexandrië: waarschijnlijk gewoon: ‘scheepvaart op Alexandrië; maar het kan ook zijn dat bedoeld is het Mahmoudi-kanaal lopend van de Nijl naar de Middellandse Zee; in hebben: WNT inhebben betek. 3g; excuseerende: WNT excuseeren betek. 3 (‘ontslaan van eene verplichting, vrijstellen’); havarije: WNT averij (‘ (...) de schade die aan een schip en de daarin geladen goederen wordt toegebracht; doch het is een rechtsterm geworden (...), betek. 1 (‘alle buitengewone onkosten, ten dienste van het schip en de goederen gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt (...)’); gerechtigheyt: WNT gerechtigheid betek. B 2 a.β. 2° (‘(...) recht op eene zaak, aan iemand anders dan den eigenaar toekomende, en dus strekkende tot beperking van den eigendom’).
    In vroeger tijd was het zo geregeld, zo verklaren de directeuren van de Levantse handel, dat de Franse consul in Egypte als tussenpersoon de belastingen inde die Nederlandse handelaren in Egypte verschuldigd waren (Q), waarbij deze vanzelfsprekend de Nederlandse bijdrage aan het plaatselijk handelskantoor van de Levantse handel aan het hoofd daarvan moest uitkeren (P). P heeft derhalve een comitatieve rol.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is de Franse consul, die ook fungeert als het (niet uitgedrukte) subject van de hogere beknopte participiumconstructie gauderende de benefitie van de rechten.
266 Ick Cornelis berge van Middelburg schipper naest Godt van mijnen Schepe genaemt poelwijck als nu ter tijt gereet liggende tarrarica Zerename om met den eersten goeden Windt, die God verleenen sal, te zeilen na Middelburgh alwaer mijn rechte ontladinge syn sal, oirconde en kenne dat ik ontfangen hebben onder den Overloop van mijn voorsz. Schip, van u Augustinus brun te weten, vier dobbel anckers met suycker gemerckt als [in margine: ww] al drooge ende wel geconditioneert, ende gemerkt met dit voorstaende merk. Al het welck ick beloove te leveren ((indien my Godt behouden reise verleent)) met mijn voorsz. Schip tot Middelburgh voorsz. aen Seigneur Willem Wilhelmie ofte aen synen Facteur ofte Gedeputeerden [Q], mits my betalende voor mijn vracht van dit voorsz. goedt avier deuten vant pondt suycker ende de averye na der usantien van der Zee [mits.pp P]. Ende om dit te voldoen dat voorsz. is, soo verbinde ik mijn selven, ende al mijn goet, ende mijn voorsz. Schip met alle syn toebehooren. In kennisse der waerheyt, soo hebbe ick dry Cognossementen hier af onderteeckent met mijnen na me ofte mijnen Schrijver van mijnent wegen, al van eender Inhout, het eene voldaen, de ander van geen der waerden. Geschreven in Zerename den 9 Januario Anno 1672 wij hebben ui[re?]spijt van een dobbel ancker jndien het int schip js tsal geleuert werden Cornelis Berghe [...] (www.gekaaptebrieven.nl nr. 3078)
[Torarica (+Middelburg), Buitengewestelijk; 1672-T09] T=T09 P=Torarica P=Middelburg R=Buitengewestelijk TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Ik, Cornelis Berge uit Middelburg, schipper naast God van mijn schip genaamd Poelwijck, dat momenteel gereed ligt in Tarrarica [heden: Torarica] in Suriname om bij de eerste goede wind die God schenkt naar Middelburg te zeilen waar ik mijn schip volgens contract zal ontladen, verklaar en erken dat ik in mijn genoemde schip, van u, Augustinus Brun, onderdeks ontvangen heb vier dubbele ankers suiker gemerkt met WW, geheel droog en in goede staat, en gemerkt met het hiervoorgenoemde teken. Onder voorbehoud van een goede reis, mij verleend door God, beloof ik het genoemde met mijn genoemde schip in de genoemde plaats Middelburg af te leveren aan de heer Willem Wilhelmie of zijn zaakgelastigde of afgevaardigden, onder de voorwaarde dat hij mij voor het vervoer van de genoemde goederen vier duiten per pond suiker betaalt, alsmede de kosten van averij volgens de gewoonten van de zeevaart. Ik verbind mij om het genoemde ten uitvoer te brengen met al mijn bezittingen en mijn genoemd schip en alle toebehoren als onderpand. Ter verzekering van de rechtsgeldigheid heb ik daarom drie cognossementen ondertekend of mijn secretaris heeft dat namens mij gedaan, alle met dezelfde inhoud; als één ervan voldaan is, verliezen de andere hun geldigheid. Geschreven in Suriname de 9e januari 1672. De lading van één dubbel anker is uitgesteld; als het binnen is, zal het geleverd worden. Cornelis Berge’
    Dit is de tekst van een in drievoud uitgevaardigde scheepsvrachtbrief (cognossement) door schipper Cornelis Bergen (Berge, Berghe), gedateerd 9 januari 1672. Als officieel, rechtsgeldig handelsdocument is deze tekst te rekenen tot tekstcat. A1. Tekstverantwoording: de transcriptie door Van der Sijs en vrijwilligers is diplomatisch. De formulering van een tekst zoals in bovenstaand citaat was in de tweede helft van de zeventiende eeuw standaard - individuele schippers varieerden daarop lichtelijk. Woorden, namen: tarrarica: Tarrarica, modern Torarica, plaats gelegen bij monding Surinamerivier; rechte: WNT recht bnw betek. 5 (‘zoals het zijn moet’) en 5b (‘in overeenstemming met den eisch der omstandigheden, den menschelijken wil of bedoeling. Vereischt, juist, goed e.d.’); Augustinus brun: van koopmansfamilie Broen, die o.a. suikkerrietplantages in Suriname exploiteerde; overloop: MNW overloop betek. 3 (‘plaats waar men over kan loopen, op een schip; dek, verdek’), corresponderend met WNT betek. 1.b_in één van de vb betreft het evenals in dit citaat een lading goederen ónder het dek); ancker: WNT anker II betek. ‘(...) in de wijnkooperij en den vischhandel gebruikelijke inhoudsmaat.(...)’_ in supplem. staat: 1a) de grootte van deze maat wisselt plaatselijk; [...] 30 oude kan of 35 liter’_ gebruik van deze maat in verband met suiker is in de historische woordenboeken niet te vinden; facteur: WNT facteur betek. 2 > factor betek. 4 (‘zaakgelastigde; vertegenwoordiger’); kennisse: MNW kennesse betek. 5 (‘getuigenis, getuigenverklaring (...)’)_ de verbinding in kennessen der waerheit (...), tot getuigenis of bevestiging der waarheid, ten einde de geloofwaardigheid of de rechtskracht eener overeenkomst enz. te vergrooten of te vermeerderen (...)’); af in daer af: MNW af, bet. 3 WNT cognossement: ‘eene onderhandsche verklaring, waarbij een schipper erkent zekere goederen geladen te hebben en zich verbindt die, hetzij aan toonder, hetzij aan een bepaalden persoon, hetzij ook aan order af te leveren, tegen intrekking van het oorspronkelijk exemplaar dezer verklaring in het bezit van den geconsigneerde (...)’_ de drie partijen (de afzendende koopman, de schipper en de ontvanger) kregen elk een exemplaar, de schipper ondertekende.
    Berge belooft het volgende. Hij levert de ingeladen vier dubbele ankers suiker aan de heer Wilhelmie conform diens opdracht (Q). De voorwaarde daarvoor is dat Wilhelmie aan Berge de vervoerskosten voldoet (4 duiten per pond suiker) en de kosten van eventuele averij (P). Q duidt op de door Wilhelmie gewenste levering van de suiker en P noemt de hiervoor gestelde voorwaarde.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw), want het begrepen subject is de heer Willem Wilhelmie dan wel zijn vertegenwoordigers, die meewerkend voorwerp zijn van de direct hogere frase.
267 Wy autoriseren by desen [...] Gerbrand Zas [...], omme sigh te begeven naer Engelandt end’ aldaer van wegen den Staet deser Vereenigde Nederlanden te negotieren end’ tracteren over een suspensie van waepenen te waeter tusschen hoogstgemelte Croon end’ desen Staet voor den tijdt van een jaer ofte sooveel langer, als hem mogelijck sal sijn [Q], mits begin nemende met den eersten April deses jaers 1673 ofte vroeger, is ’t doenlijck [mits.pp P], ende te dien eynde uyt te loven end’ spenderen, daer het dienst sal kunnen doen, een millioen guldens, oock - des noodt - Vranckrijck in den voorsz. stilstandt van waepenen te waeter te laeten gecomprehendeert sijn, end’ beloven hem aengaende alle ’tgeene voorsz. is te guaranderen. (CorrespWillemIII tweede gedeelte dl. 1: 321 nt. 1)
[Den Haag, Holland; 1672/73-T09] T=T09 P=Den Haag R=Holland TC=B TG=Instr TS=i SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Hierdoor machtigen wij Gerbrand Zas om zich naar Engeland te begeven en daar namens de Verenigde Nederlanden te onderhandelen over een overeenkomst voor een wapenstilstand op zee tussen de hooggemelde kroon en deze staat voor de duur van een jaar, of zoveel langer als hij [Zas] maar voor elkaar krijgt, als de overeenkomst maar wel op de eerste dag van april van dit jaar 1673 ingaat of indien mogelijk eerder. Met dit doel is Zas door ons ook gemachtigd om één miljoen gulden beschikbaar te stellen waar dat zinvol zou kunnen zijn, en tevens in het uiterste geval Frankrijk in de genoemde wapenstilstand op zee te betrekken. Wij beloven dat we rechtens voor hem instaan inzake al het genoemde.’
    Dit citaat komt uit een geloofsbrief namens Willem III voor diplomaat Gerbrand Zas van der Bossche. De in het archief van Fagel aangetroffen brief is volgens de editeur ongedateerd, maar moet van begin januari 1673 of eind 1672 zijn, want Zas werd in januari 1673 naar Londen gezonden. De brief valt in tekstcat. B. Prins Willem III van Oranje werd in 1672 stadhouder over vijf gewesten. De macht die hij kreeg zette hij vooral in in de buitenlandse politiek. Hij beoogde het protestantisme te beschermen tegenover Frankrijk en streefde naar een coalitie met o.a. Engeland (De Jongste e.a. 2005: 88).
Woorden: autoriseren: WNT autoriseeren betek. 1 (‘machtigen; volmacht geven’); hoogstgemelte: WNT hoogstgemeld > hooggemeld betek. 1 (‘van personen of zaken van aanzien enz.(...) of als een titel (edel, roemruchtig of iets derg.)’); loven: WNT betek. B (‘instaan voor, zich bereid verklaren tot betaling van’); des noodt: WNT desnoods betek. 2 (‘als uiterste tegemoetkoming, in het uiterste geval’).
    Twee analyses zijn mogelijk:
a. conditioneel
De stadhouder machtigt diplomaat Zas om een wapenstilstand ter zee tussen de Verenigde Nederlanden en de Engelse kroon te bereiken voor de duur van een jaar. De geldigheidsduur mag ook zoveel langer zijn als hij, Zas, voor elkaar krijgt; die speelruimte krijgt hij (Q) als de overeenkomst maar wel op de eerste dag van april van dit jaar 1673 ingaat, of indien mogelijk eerder. De rol van P is conditioneel; de mits.pp-frase noemt een randvoorwaarde, door Willem III gesteld bij de verder geheel vrije hand die Zas krijgt inz. de geldigheidstermijn van het vredesverdrag.
b. comitatief - Q-streepje moet dan vóór aldaer.
De stadhouder machtigt diplomaat Zas om een wapenstilstand ter zee tussen de Verenigde Nederlanden en de Engelse kroon te bereiken (Q), waarbij de ingangsdatum uiterlijk 1 april 1672 dient te zijn (P). P noemt een belangrijke taak die bijkomend is bij de eigenlijke opdracht om een overeenkomst over een wapenstilstand te bereiken; de rol van P is derhalve een comitatieve. Zowel Q als P zijn doelstellingen van de stadhouder.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-voorz.voorw), want als subject is te begrijpen de wapenstilstand ter zee, die ook fungeert als voorzetselvoorwerp van de direct hogere frase (daar aangeduid als een suspensie van waepenen te waeter tusschen hoogstgemelte Croon end’ desen Staet).
268 [...] alhoewel het voorsz. scheepje niet uyt noot, sooals by ’t scheepsvolck wert voorgegeven, is comen in te vallen, maer grotelijckx gesuspecteert wert voor een lorrendraeyer, soo hebbe ick nevers [lees: nevens] den colonel Torsay, als Uwe Hoogheyt’s ordre in desen respecterende, ’tselve mede uyt den areste ontslaege [Q], mits naer taxatie ende moderatie van leenmannen voornoemt voldoende de rechtelycke costen, ontrent het saiseren en aenhaelen van ’t voorsz. scheepje als andersints gevallen [mits.pp P]; waermede vertrouwende Uwe Hoogheyt’s bevelen te hebben naergecomen [...] blyve [ick] Uwe Hoocheyt’s onderdaenigen dienaer P. BRIEL. (CorrespWillemIII tweede gedeelte dl. 1: 291)
[Brielle, Holland; 1673-T09] T=T09 P=Brielle R=Holland TC=B TG=Brief TS=j SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] hoewel het genoemde scheepje niet door de nood gedreven is binnengevaren, zoals door het scheepsvolk wordt voorgewend, maar in hoge mate verdacht wordt van smokkelen, heb ik om gevolg te geven aan het bevel van Uwe Hoogheid in dezen tezamen met kolonel Torsay het beslag op het schip opgeheven, op voorwaarde dat men naar schatting en inzicht van voornoemde gerechtelijk administrateurs de gerechtelijke kosten voldoet in verband met de overmeestering, aanhouding en inbeslagname van het genoemde scheepje, zoals die in andere situaties ook gelden. Vertrouwend hiermee de orders van Uwe Hoogheid opgevolgd te hebben, verblijf ik, Uwe Hoogheids onderdanige dienaar P. Briel.’
    Dit citaat is ontleend aan een brief van baljuw Paulus Briel aan Willem III, gedateerd 26 augustus 1673. Tekstcat. is B. Informatie op grond van het direct voorafgaande: een schip met Franse wijnen aan boord was de haven van Hellevoetsluis binnengevaren. Omdat dit in strijd was met plakkaten van de Staten-Generaal hadden commandant Torsay van de vesting Hellevoetsluis en baljuw Paulus Briel van Brielle door de gerechtelijk administrateurs van de laatste beslag laten leggen op het schip. Willem III had vervolgens naar Torsay, en via hem naar Briel, de opdracht gestuurd het beslag op te heffen. In het citaat rapporteert Briel aan Willem III over de uitvoering van de opdracht. Woorden: never[n]s: WNT nevens betek. 1 (‘(...) aan de zijde van’); lorrendraeyer: WNT lorrendraaier betek. 2; leenmannen: WNT betek. ‘(...) de leenmannen, die van oudsher in de leenbanken zitting hadden, zijn in later tijd hier en daar ook met andere rechtspraak en zelfs met administratieve werkzaamheden belast’); saiseren: MNW betek. 2 (‘(...) de hand slaan aan, zich meester maken van iets’); aenhaelen: WNT aanhalen, suppl. betek. A.7 (‘aanhouden en in beslag nemen (...)’).
    Baljuw Briel meldt aan de stadhouder dat hij in diens opdracht samen met de commandant van Hellevoetsluis het beslag op de boot heeft opgeheven (Q), met als voorwaarde dat de eigenaren van het schip volgens de normale procedure de juridische kosten verbonden aan de beslaglegging betalen (P). In zijn melding van de opheffing van het beslag op de boot noemt hij de belangen van de eigenaren van het schip niet, maar hij heeft die wel voor ogen gehad. De mits-frase over de te betalen juridische kosten noemt een voorwaarde aan de eigenaren.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-lijd.voorw, want het subject is te begrijpen als het schip - metonymia voor de eigenaren van het schip -, dat in de vorm ’tselve als lijdend voorwerp optreedt in de direct hogere frase.
269 Consenterende, ende gevende niet te min by desen volkomene macht, en authoriteyt aen den voorn. Prince van Orangie, etc. om de voorsz. Stadt, slot en Heerlickheit van Zevenbergen mette Goederen als boven in vollen eygendom te moghen aen-nemen en behouden [Q], midts daer vooren effective uyt-keerende, en betaelende aen ieder van onse voorn. dochteren, oft by der selver voor-overlyden aen der selver Kinderen, ende aen de Kinderen van onse Dochter Louise voornoemt by representatie hondert en vyftigh duysent guldens te samen sesse hondert duysent guldens te beleggen op den Comptoire van de Lande, oft op andere goede versekerheydt in Hollandt, oft wel sal hy Prince van Orange, & c. in plaetse van prompte betaelinge van de voorsz. somme ter keure ende optie van onse voorsz. Dochteren, oft haere respective Kinderen aen ieder Staecke constitueren eene Rente van vyf duysent guldens jaerlijcks, maeckende des jaers te samen twintigh duysent guldens [midts.pp P] (Vaes 1711: Appendix, 5)
[Zevenbergen (+Den Haag), Brabant; 1674-T09] T=T09 P=Zevenbergen P=Den Haag R=Brabant TC=A1 TG=Test TS=e SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Hieraan verbindt zij zich, geeft evenwel bij dezen volledige bevoegdheid aan de voornoemde Prins van Oranje, etc. om genoemde stad en heerlijkheid en genoemd slot van Zevenbergen met de genoemde goederen in volle eigendom aan te nemen en te behouden, mits hij eerst effectief honderdvijftigduizend gulden uitkeert en betaalt aan ieder van onze voornoemde dochters of bij haar vooroverlijden aan haar kinderen, en bij representatie aan de kinderen van onze genoemde dochter Louise, tezamen zeshonderduizend gulden, ter belegging bij de staatskas of met een ander goed onderpand in Holland; dan wel dat de Prins van Oranje, etc. ter keuze van onze genoemde dochters of haar respectieve kinderen, in plaats van contante betaling van de genoemde som voor elke tak een lijfrente vestigt die vijfduizend gulden jaarlijks oplevert, tezamen komende op twintigduizend gulden per jaar’
    Het citaat stamt uit het testament (tekstcat. A1) van Amalia van Solms opgenomen in de Appendix van een uitvoerig geschrift met ‘uiteenzettingen’ (Memorien) uit het jaar 1711 van advocaat I.A. Vaes, waarin leden van tal van Europese vorstenhuizen hun opwachting maken. Deze uiteenzettingen dienden een rechtsstrijd die gevoerd werd namens Friedrich I, koning van Pruisen (1657-1713) en gericht was tegen Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1696-1711), stadhouder van Friesland en Groningen. Beiden waren nakomelingen van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, de één kleinzoon, de ander achterkleinzoon (maar zowel via zijn moeder als zijn vader); beiden maakten na de dood in 1702 van Amalia’s kleinzoon Willem III, die kinderloos gebleven was, aanspraak op de titel prins van Oranje. Het in deze Appendix afgedrukte testament van Amalia, woonachtig Den Haag, opgemaakt in 1674, was mede uitgangspunt van de juridische strijd. In het voorafgaande deel van het testament wordt verklaard wat aan Amalia’s vier nog levende dochters (zussen van Amalia’s zoon, de jong overleden Willem II) toebedeeld wordt waar het om de heerlijkheid Zevenbergen gaat. Zij genieten gelijkelijk het vruchtgebruik bij leven; na hun dood gaat dat over, stelt het testament, naar de dan nog in leven zijnde prins Willem III, Amalia’s kleinzoon - Willem III was nl. zoon van haar al eerder, in 1650, overleden zoon Willem II; bij successievelijk één van hen berust de beslissingsbevoegdheid inzake het beheer van het landgoed inclusief de kerkelijke bediening, en het leen Zevenbergen wordt ingeschreven op naam van de oudste dochter. Woorden: impetrant: degene, aan wie een eis, verzoek of aanspraak rechterlijk of van overheidswege wordt toegewezen; rechtverkrijgende; leen (Leen Zevenbergen): midden 17e eeuw was er geen feodaal stelsel meer. Toch wordt tot laat in de 19e eeuw gesproken over lenen. Als leenheer is dan de vorst te denken die aanspraak kan maken op diensten en producten van degenen die als feitelijke bezitters optreden.
     De mits.pp-frase drukt een voorwaarde uit voor de bevoegdheid om het in het testament genoemde in eigendom aan te nemen. Merk op dat de infinitieffrase om de voorsz. Stadt, slot en Heerlickheit van Zevenbergen mette Goederen als boven in vollen eygendom te moghen aen-nemen en behouden niet bovengeschikt is aan de mits.pp-frase; de infinitieffrase zelf is direct ondergeschikt aan de toekenning van de bevoegdheid. Semantisch gezegd: de prins van Oranje mág de volledige eigendom van Zevenbergen aannemen, mits hij Amalia’s vier dochters uitbetaalt, en niet: hij neemt de volledige eigendom van Zevenbergen aan, mits hij...etc.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw), want als subject wordt de prins van Oranje begrepen, die ook optreedt als meew.voorw in de direct hogere frase, waarin de erflaatster hem de volledige bevoegdheid geeft om Zevenbergen in volle eigendom aan te nemen.
270 [...] en sal voortaen niemant eenige Schuyten Zant mogen lossen, op de West-zyde van de Haven ofte Buyten sluys-vliet, maer wel op de Oost-zyde [Q], mits het selfde aenstonts naer het lossen op ruymende, tot drie voet van de houte Kaey af, ende als dan ’t selfde niet langer aldaer te mogen laten leggen als uyterlijck tweemael vier-en-twintgh uyren naer de lossinge van dien [mits.pp Pa ende te.Inf Pb], ter boete van drie Ponden. (Regionaal Archief Dordrecht toeg.nr. 767, archiefstuk 4, Bijlage 2: 4.1.28)
[Hoogheemraadschap Mijnsheerenlandt van Moerkercken (+Puttershoek), Holland; 1674-T09] T=T09 P=Hoogheemraadschap P=Puttershoek R=Holland TC=A2 TG=Verord TS=f SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘[...] van nu af zal niemand schuiten met zand mogen lossen westelijk van de haven of de watergang die het water naar de buitenste sluis voert, maar het is wel toegestaan aan de oostzijde, onder de voorwaarde dat men het onmiddellijk na de ontlading wegruimt tot op drie voet van de houten kade en het daar dan niet langer laat liggen dan maximaal twee etmalen na de betreffende lossing, op een boete van drie pond.’
    Dit fragment (tekstcat. A2) behelst bepaling xxviii van een verordening van het hoogheemraadschap MijnsHeerenlandt van Moerkerken, gedateerd 20 augustus 1674. De bepaling wordt kortweg aangeduid als ‘Geen Zant aen de Westzijde van de Sluysvliet op de kaey te leggen’. Het hoogheemraadschap had het beheer over het waterrijke gebied rond de Binnenbedijkte Maas in de huidige Hoekse Waard. Dat betrof het onderhoud en de aanleg van onder andere sluizen, sluiswanden en -vlieten, bermen, dijken, sloten, polders en wegen. Bestuurders hadden geconstateerd dat vaak de hand werd gelicht met de bepalingen van de geldende keur, met alle schadelijke gevolgen van dien. Daarom volgde een uitbreiding en vernieuwing van de keur uit 1596. In de laatste van de 39 bepalingen staat, dat de keur in Puttershoek als oorkonde ook getekend is door ene Johan de Wit, de toen functionerende waerts-man (dat wil zeggen de vertegenwoordiger van dat dorp bij het hoogheemraadschap), waarschijnlijk een zoon van Cornelis de Witt, die enige tijd dijkgraaf was van Mijnsheerenland. Woorden: sluys-vliet: WNT sluisvliet ‘breede sluistocht’; Buyten Sluys-vliet: WNT buitensluis betek. (‘buitenste sluis, aan de buitenzijde van eene schutkolk die op het buitenwater uitmondt (...)’); waerts-man: WNT waarsman betek. 1 ‘ambtenaar, toegevoegd aan dijkgraaf en heemraden, belast met het toezicht op (o.m.) de dijken, meestal verkozen in de dorpen of districten om bij den dijkgraaf de belangen van het dorp of district te behartigen’). Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Schepen, geladen met zand, mag men niet lossen westelijk van de haven of de buitenste sluisvliet; maar aan de oostkant mag het wel (Q) op voorwaarde van onmiddellijke verwijdering van het zand tot op drie voet van de kade en met inachtneming van een termijn van maximaal twee etmalen om het zand af te voeren (P). Q duidt op permissie voor schippers om hun zand op zekere plaats te lossen na vermelding van de plaats (die schippers geregeld geneigd zijn te kiezen maar) waar dat niet is toegestaan. P noemt er een tweeledige voorwaarde voor.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject worden opgevat schippers die zand lossen aan de oostzijde, en zij zijn ook het (samengetrokken) subject van de direct hogere frase, die positief inhoudt dat schippers wel zand mogen lossen aan de oostzijde; in de daaraan nevengeschikte negatieve frase fungeren de schippers als wél uitgedrukt subject, aangeduid door niemant.
271 Voorts erschenen Jan Benninck, en heeft naest anneminck ende acceptatie obgemelt transports, sich uit sijnen angebooren vrieen stants, den huijse tot Bredevoort hoffhorich ergeven, der hoffrechten gelijck andere hoffhoorige persoonen te genieten ende misgelden, edoch een kint onbenoemt, vrij voorbeholden. Sonder exceptie ende argelist, waer bij Comparant præsenteert, dat den naesten hoffdach sijn vrou sich mede naer den hoffrechte sal reguleren en laten inschrijven [Q] mits doende als behoort [mits.pp P]. (Gelders Archief toeg.nr. 0357, inv.nr. 13C)
[Bredevoort, Midden-Nederland; 1674/79-T09] T=T09 P=Bredevoort R=Midden-Nederland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Voorts is verschenen Jan Benninck. Hij heeft genoemde overdracht aangenomen en zich daarnaast vanuit zijn staat als vrijgeborene hofhorig verklaard aan huis Bredevoort, inhoudend dat hij net als andere hofhorigen de lusten en lasten van de hofrechten zal genieten, evenwel met een voorbehoud ten aanzien van een naamloos vrij kind; zonder uitzondering en te goeder trouw, waarbij comparant verklaart dat zijn vrouw zich op de eerstvolgende hofdag met de vereiste handelingen aan het hofrecht zal onderwerpen en zich laten inschrijven.’
    Het zgn. hofboek van huis Bredevoort, waarin de heer van Bredevoort de gegevens, rechten en plichten formuleerde van zijn hofhorigen (vandaar dat het hofboek gerekend wordt tot tekstcat. A1), vermeldt dat Henrick Benninck in een hofrechtelijk ritueel de hof Benninck met alle toebehoren en de voorrechten die samenhangen met de hofhorigheid aan huis Bredevoort, aan zijn zoon Jan Benninck overdraagt, onder voorbehoud van de rechtmatige aanspraken van de heer, voorziening in het levensonderhoud van de vader, en voor zover dat de exploitatie van de hof niet schaadt, uitkering aan de andere kinderen van hun rechtmatige aandeel. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Rituele handelingen die in het fragment als ‘vereiste handelingen’ worden aangeduid, zijn het middel waarmee de vrouw van Jan Benninck zich plechtig aan het hofrecht zal onderwerpen.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject). Als subject van de mits.pp-frase wordt begrepen Jan Bennincks vrouw, die ook subject van de direct hogere frase is.
272 Maer een meesters soon comende int voorssegde ambacht sal gestaen [Q], mits betalende halff recht [mits.pp P], maer doende sijn proeve als bouen sal gehouden sijn, den ouderman gesworens ende knape voor heuren salaris vande proeve, soo veel te betalen als andere. (Regionaal Archief West-Brabant toeg.nr. 01, inv.nr. 52: fol. 476r)
[Roosendaal, Brabant; 1675-T09] T=T09 P=Roosendaal R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Instr CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Maar een zoon van een meester die intreedt in genoemd ambacht zal ermee kunnen volstaan de helft van het inkomgeld te betalen, maar als hij zijn proef zoals hierboven vermeld doet, zal hij verplicht zijn om de gezworen overdeken en de knecht als hun loon voor de proef evenveel te betalen als anderen.’
    Dit citaat komt uit de ambachtsbrief voor het kleermakersgilde (tekstcat. A2) in de vrijheid en heerlijkheid Roosendaal, in 1675 geratificeerd door Willem Hendrik van Oranje alias stadhouder Willem III, hier in zijn functie van baron van Breda. De tekst is iets ouder: aan het eind van de gildebrief staat dat een eerdere versie ervan op 28 oktober 1665 in Rijswijk door zijn grootmoeder Amalia is ondertekend en van zegel voorzien. In het direct voorafgaande wordt bepaald dat ieder die zijn meesterproef met succes heeft afgelegd, contant vier oude schilden moet betalen als inkomgeld (voor de proef hadden zij al betaald, 30 gulden). Voor de zoons van kleermakersmeesters gold een ander bedrag als inkomgeld, zo blijkt uit het citaat. Vindbaarheid bron: zie bibliografie/archieven.
    De zoon van een gildelid heeft genoeg inkomgeld betaald (Q) door de helft van het reguliere inkomgeld te voldoen (P). De rol van P is instrumenteel.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
273 [...] ende en sullen de voorssegde Busmeesters, d’ouerende gelt vande voorssegde Busse, niet mogen onderhouden, Dan [Q] mits stellende borgen ende gevende tot proffijt vandeselve Busse behoorlijck intrest [mits.pp P], ende offer ijemant vanden ambachte waere die t’selve gelt alsoo begeerde, die sal daer oock goede sufficante borge als sijn eijgen schult stellen moeten, daer mede de Busmeesters wel te vreden sullen sijn. (Regionaal Archief West-Brabant toeg.nr. 01, inv.nr. 52 [boek De Roos]: fol. 478r)
[Roosendaal, Brabant; 1675-T09] T=T09 P=Roosendaal R=Brabant TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘[...] en de genoemde fondsmeesters zullen het batig saldo van het genoemde fonds niet mogen beheren dan tegen een borg en een passende rente ten bate van dat fonds. En mocht er iemand van het gilde zijn die het genoemde geld eveneens zou willen beheren, dan zal ook hij op eigen kosten daarvoor een goede en voldoende borg moeten stellen, ter goedkeuring van de fondsmeesters.’
    De ambachtsbrief (tekstcat. A2) voor het kleermakersgilde in de vrijheid en heerlijkheid Roosendaal is in 1675 geratificeerd door Willem Hendrik van Oranje alias stadhouder Willem III, hier in zijn functie van baron van Breda. De gildebrief omvat o.a. bepalingen over een eigen ziekenfonds (de bus). De busmeesters moeten zich aan duidelijke regels houden. In het direct voorafgaande staat dat de fondsmeesters op de dag van Sint Maarten, tijdens de jaarvergadering, vóór het eten, verantwoording moeten afleggen van inkomsten en uitgaven van het fonds. Het citaat beschrijft de regels voor het beheer van het batig saldo.
Woorden: bus: fonds (voor geneeskundige ondersteuning), WNT betek 2h; overend=overgehouden (winst); alsoo: evenzo, eveneens. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Beheer van het batig saldo door de fondsmeesters is uitsluitend toegestaan (Q) als ze voldoen aan de voorwaarden van borgstelling en rentebetaling ten bate van het fonds (P). De rol van P is voorwaardelijk.
 De aansluiting van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject.
274 Nu weder onse Reys-beschrijving gevordert. Het Schip daerop ick twee Jaren hadde gevaren | was mede nae Tayowan vertrocken; dies was ick op Bataviaes Rede (volgens mijn versoeck) op een ander | de Roode Leeuw genaemt | over-gestapt: dewijl ick geen smaeck in dese Tayowase-Oorlogs-tocht kost vinden; en dat mijn drie-jarigh verbant | in dese Landen | ten eynde liep: blijvende op Batavia, om my wel te beraden | of nae het Vaderlant te keeren | of noch een nieuw driejarigh knoopjen aen’t eerste vast te knoopen. Mijn Reijs-lust | en jonckheyt | preesen my ’t laatste soo krachtigh aen | dat ick my wederom voor drie Jaren [Q 1e deel] | mits de gewenschte verbetering van qualiteyt en gagie bekomende [mits.pp P] | by den Heer Generael | en Raden van India, in dienst der Edele Maetschappy begaf [Q 2e deel]. (Schouten 1676 tweede boek: 171)
[Haarlem (+Batavia), Holland; 1676-T09] T=T09 P=Haarlem P=Batavia R=Holland TC=C TG=Vert TS=r SM=Cond CV=W2 VO=QPQ
           
    ‘Nu weer verder met onze reisbeschrijving. Het schip waarop ik twee jaar had gevaren was mee op weg gegaan naar Taiwan; daarom was ik op de rede van Batavia (op eigen verzoek) overgestapt op een ander, de Rode Leeuw genaamd, omdat ik geen genoegen kon scheppen in deze Taiwanese oorlogsvaart, en omdat mijn driejarig contract in deze gebieden afliep. Ik bleef in Batavia om mij goed te bezinnen: naar het vaderland terugkeren of nog een nieuw driejarig knoopje aan het eerste vastknopen? Mijn reislust en jeugd bevalen mij de laatste optie zo krachtig aan, dat ik wederom voor drie jaar, onder de voorwaarde dat ik de gewenste verhoging van rang en beloning kreeg, op het kantoor van de heer generaal en de leden van de raad van Indië bij de nobele Compagnie in dienst trad.’
    Dit citaat komt uit Wouter Schoutens Oost-Indische voyagie. Dit werk is een autobiografische reisbeschrijving en valt in tekstcat. C. Schouten was, toen hij dit boek schreef, chirurgijn in dienst van de Oost-Indische Compagnie. De rechte strepen in het citaat, overgenomen uit de eerste druk, fungeren als een vorm van interpunctie. Woorden, begrip: de Raad van Indië was van 1609 tot 1942 een centraal orgaan van het Nederlandse koloniale bestuur in Azië, een regering onder de gouverneur-generaal; bekomen: WNT betek II.3.
    Schouten vertelt in een terugblik dat hij in juli 1661 na het aflopen van zijn eerste contract het kantoor van de VOC in Batavia opzocht en een nieuw driejarig contract met de maatschappij ondertekende (Q), hetgeen de VOC kennelijk goed uitkwam, want men ging in dat contract akkoord met Schoutens voorwaarde van een verhoging van zijn rang en salaris (P). P benoemt dus een voorwaarde waarmee ingestemd werd. Dat hij ook zelf veel voelde voor drie verdere jaren van avontuur, is af te lezen aan zijn opmerking dat hij in zijn initiatief gestuurd werd door zijn Reijs-lust en jonckheyt. Van de ondertekening zou het wellicht ook wel gekomen zijn als geen voorwaarde in het spel was gebracht; misschien zou Schouten ook getekend hebben als zijn verzoek om betere condities niet was ingewilligd, maar hij speculeert daar niet over.
 De aanslutiing van de mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want het begrepen subject is de ik-persoon. Deze persoon is ook subject van de direct hogere frase.
275 [...] sy hadden dunne katoene Broekjens aen | om te gevoechelijcker haer konstige oeffeningen te voltrecken. Sy mogen nooyt| soo men ons wist te getuygen | van iemant beslapen worden| om dat als dan [Q 1e deel] | mits Kinderen teelende [mits.pp P] | tot de voorgemelde actien onbequaem bevonden worden [Q 2e deel]. (Schouten 1676 derde boek: 116)
[Haarlem (+Bengalen), Holland; 1676-T09] T=T09 P=Haarlem P=Bengalen R=Holland TC=C TG=Vert TS=r SM=Oorz CV=W5 VO=QPQ
           
    ‘Zij hadden dunne katoenen broekjes aan om op des te betamelijker wijze hun kunstige demonstraties te geven. Zij mogen nooit, zo wist men ons te vertellen, door iemand beslapen worden, omdat zij in dat geval, door het dragen en baren van kinderen, niet in staat geacht worden tot de hiervoor beschreven activiteiten.’
    Dit citaat komt uit Wouter Schoutens Oost-Indische voyagie, een autobiografische reisbeschrijving, vallend in tekstcat. C. Schouten was, toen hij dit boek schreef, chirurgijn in dienst van de Oost-Indische Compagnie. De beschreven gebeurtenis speelde zich volgens een aantekening in de marge af in januari 1664. De bevolking van het toenmalige Bengalen ontving het reisgezelschap van de schrijver met eerbetoon. Vrouwen voerden kunstige dansen (oeffeningen) ten tonele. De auteur beschrijft hun kleding.
In de eerste druk, waaraan dit citaat ontleend is, staan de strepen (hier als rechte strepen weergegeven) die als een vorm van interpunctie fungeren.
    De mits.pp-frase duidt op de situatie van kinderen dragen en baren die er volgens de informanten van de schrijver de oorzaak van zou zijn (P) dat de betreffende vrouwen niet meer geschikt geacht zouden worden voor de opvoering van hun dansen (Q). Omdat dit gevolg Q in feite onwenselijk zou zijn, is ook de oorzaak ervan, het baren van kinderen P, ongewenst. De veroorzaking dáár weer van (namelijk dat de vrouwen beschikbaar zouden zijn voor mannen) wordt logischerwijze ook verboden, maar dat verbod staat voorafgaand aan, dus buiten de mits.pp-configuratie.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject zijn de vrouwen, die ook subject zijn van de direct hogere frase.
276 Weth en Raed gehouden den 22en Meije 1680 [...] Is goetgevonden met Adriaen Pietersz tu [te] spreken over het versteken van het clockspel en, hem toe te leggen voor dit jaer twee pond vlaems [Q] mits hetselve viermael in het jaer verstekende, gelijck voor desen heeft gepresenteert [mits.pp P], dogh alvorens van hem af te vorderen Rekeninge vande vijftigh guldens die wegens de Stadt ontfangen heeft om aen d’Heer Ontfanger generael over te brengen, en bij hem ingehouden voor eenige praetensien van verdient salaris, werdende tot dien eijnde gecommitteert d’Heer Christiaen Walens met den secretaris. (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 22: p. 134 links)
[Arnemuiden, Zeeland; 1680-T10] T=T10 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Wethouders en raad, vergadering gehouden op 22 mei 1680 [...] Men gaat ermee akkoord om met Adriaen Pietersz te spreken over het instellen van het klokkenspel en hem voor dit jaar twee pond Vlaams toe te kennen, op voorwaarde dat hij het klokkenspel viermaal per jaar nieuw instelt zoals hij eerder heeft aangeboden, maar om eerst van hem financiële verantwoording ter attentie van de ontvanger-generaal te verlangen van de vijftig gulden die hij van de stad ontvangen heeft en die ingehouden zal worden op zijn salarisaanspraken. Met deze opdracht zijn de heer Christiaen Walens en de secretaris gecommitteerd.’
    Dit citaat is ontleend aan de resoluties (notulen) van het stadsbestuur van Arnemuiden. Het betreft het verslag van de vergadering van 22 mei 1680. De tekst is te rekenen tot tekstcat. B. Uit één van de voorbeelden bij versteken in het WNT blijkt dat de opdracht tot het opnieuw instellen veelal uitging van het stedelijk bestuur (‘Dat de stedelijke besturen de melodie, de wijze, die de trommel der klokkenspelen speelt, minstens eens of tweemaal in het jaar doen veranderen, versteken’), en dat zien we ook in dit citaat. Woorden: versteken: WNT versteken I betek. II (‘[kern] opnieuw of op andere wijze steken’ (...)’) in ’t bijz. m. betr. t. de toonstiften in de trommel van een klokkenspel: op een andere plaats (in de trommel) steken (waardoor de melodie verandert). Vervolgens ook m. betr. t. de trommel, de klok en ook m. betr. t. den tijd waarop het klokkenspel speelt en de melodie. (...)’); toeleggen: WNT betek. I.B.3 (‘de bedoeling hebben iemand iets te schenken, oordeelen dat iemand iets ten deel moet vallen; bestemmen (voor -), toekennen, toewijzen’); presenteren: WNT presenteeren betek. II.A.2 (‘iemand iets aanbieden bij wijze van voorstel...).’).
Eigen diplomatische transcriptie, vervaardigd op basis van de scan van het handschrift.
    Het Arnemuider stadsbestuur accordeert een voorstel van Adriaen Pietersz om het klokkenspel opnieuw in te stellen en kent hem twee pond Vlaams toe (Q) onder de conditie dat hij het carillon viermaal per jaar nieuw instelt, zoals hij eerder aangeboden heeft (P); Q duidt hier instemming aan met een voorstel van beiaardier Pietersz. (Vervolgens wordt Pietersz nog een verdere voorwaarde gesteld: hij moet zijn boekhouding laten zien inzake de van stadswege ontvangen vijftig gulden, die op zijn honorarium gekort zullen worden.)
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-mee.voorw), want het subject wordt begrepen als Adriaen Pietersz, die als hem (meew.voorw) genoemd wordt in de direct hogere frase.
277 Ende raeckende het borgemeestersboeck dat haeren soon Jacob voor haer testatrice gehouden heeft, is haere begeerte dat hetgene hij deswegens nog te beuren heeft, sulx voor sijn eijgen profijt sal invorderen ende hem behouden [Q], mits daer tegen draegende de schaede die daer over nog mogte komen tot sijne laste [mits.pp P] (Brabants Historisch Informatie Centrum toeg.nr. 7700, inv.nr. 57: p. 136)
[Veghel, Brabant; 1680-T10] T=T10 P=Veghel R=Brabant TC=A1 TG=Test TS=e SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘En inzake het burgemeestersboekje waarin haar zoon Jacob voor haar, testatrice, de administratie heeft bijgehouden, is het haar wens dat hij hetgeen hij op grond daarvan nog te innen heeft, ten eigen bate zal invorderen en behouden, waarbij hij anderzijds de kosten die daar nog aan verbonden zouden kunnen zijn voor zijn rekening dient te nemen’
    Dit is een fragment van het testament (tekstcat. A1) van Catelijn Jansen, opgemaakt in haar woonhuis op 19 oktober 1680 in aanwezigheid van C. van der Hagen en Adrij Hendrix Smits, schepenen, en J. Boor, secretaris. Het testament is in het archief bewaard bij de stukken van de Veghelse schepenbank; Catelijn Jansen bepaalt daarin welke bezittingen en schulden aan elk van haar kinderen zullen toevallen. Het citaat beschrijft hoe zoon Jacob, die de hoeve zal overnemen, moet handelen met wat opgetekend staat in het zgn. burgemeestersboekje, een almanak met ruimte voor aantekeningen, die hier blijkbaar financiële overzichten omvatten. Woorden: borgemeestersboeck: WNT burgemeester _ samenst. burgemeestersboekje (‘in vroeger tijd: zakboekje, bestaande uit een almanak met witte bladen daarachter, veelal in een kostbaren band, ten dienste van een burgemeester’); houden: WNT betek. D.2. (‘van aanteekeningen e.d.: Geregeld, ordelijk, nauwgezet te boek stellen (...)_ bij het streepje: Men houdt ook eene lijst enz. (van iets), d.w.z. men teekent (daarin of daarop) geregeld en ordelijk de nieuwe posten enz. aan.’); invorderen: WNT betek. 1.a (‘van of met betrekking tot verschuldigde bedragen (...) opeischen, inmanen’); sulx: WNT zulks betek. 3.a _ hier niet apart vertaald; draegende: WNT dragen betek. II.A.9 (‘met eene geldelijke last of verplichting als voorwerp. Op zich nemen; opbrengen; aansprakelijk zijn voor’); daer over: WNT over betek. H.4.
    De eigenaresse van een boerenbedrijf legt tegenover schepenen van Veghel testamentair haar wens vast, dat haar zoon Jacob de volgens haar administratie nog te innen vorderingen voor zijn eigen voordeel behoudt (Q) waarbij zij als logische consequentie heeft laten noteren, dat de zoon daarbij wel de kosten dient te betalen die daar nog mee kunnen samenhangen (P). P heeft een comitatieve rol. Niets wordt gesuggereerd over wensen of belangen van zoon Jacob, voor de realisering waarvan hij aan een voorwaarde zou moeten voldoen; een conditionele rol van P is daarom niet beargumenteerbaar.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is de zoon Jacob, die als subject van de direct hogere frase fungeert.
278 Ook begon hy, als ’er maar weinig tydts overschoot, die uuren aan de Poëzy te besteden, en allengs, het Lombaardtwerk meer en meer moede, den dienst, hem opgeleidt, te verzuimen, en in plaats van panden vaarzen te schryven. Daar vielen wel eenige klaghten over dit verzuym: maar de Heeren van de Bank zaagen zyn doen en laaten heuschelyk door de vingers, en leidden ’t op zynen ouderdom. Dit duurde tot in ’t jaar MDCLXVIII. Toen hebben de Heeren Burgermeesters, weetende hoe weinig dienst de bank van hem trok, hem van zyne bedieninge ontslaagen [Q], mits behoudende zyn wedde [mits.pp P]: ’t welk meest door voorspraak van den Heer van Polsbroek, Kornelis de Graaf, den Burgermeester Lambert Reinst, en de gunst des Heeren van Vlooswyk werdt uitgewerkt. De Heer van Oudtshooren gaf hem te kennen, dat de Heeren Burgermeesters hem hadden ontslaagen, daar hy over verstelt stondt. Doch strax hoorende, dat men hem zyn wedde liet houden, streek de zwaarigheit van zyn hart (Brandt de jonge 1682: 63v)
[Amsterdam, Holland; 1682-T10] T=T10 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=t SM=Cond CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘Ook begon hij [Vondel], als er ook maar een beetje tijd over was, die uren aan de dichtkunst te besteden en van liever lede, het werk op de lommerd meer en meer moe, de hem opgelegde taken te laten liggen, en verzen in plaats van panden te noteren. Er kwamen wel enkele klachten over dit verzuim, maar de heren van de bank zagen zijn nalatigheid coulant door de vingers en schreven die toe aan zijn hoge leeftijd. Dit duurde tot in 1668. Toen ontsloegen de heren Burgemeesteren, wetende hoe weinig hij de bank opleverde, hem uit zijn ambt, de voorwaarde accepterend dat hij zijn bezoldiging zou behouden. Dit laatste werd vooral bereikt door tussenkomst van de heer van Polsboek, Kornelis de Graaf en burgemeester Lambert Reinst en door de welwillendheid van de heer Van Vlooswyk. De heer Van Oudtshooren deelde hem mee dat de Heren Burgemeesteren hem hadden ontslagen, waarover hij ontzet was. Maar toen hij direct daarna vernam dat men hem zijn wedde liet behouden, weken de zorgen van zijn hart’
    Dit citaat is ontleend aan ‘Het leven van Joost van den Vondel’ door Geeraardt Brandt de jonge. Dit werk is een biografie en valt dus in tekstcat. C. Toen Vondel zeventig was, kon hij nauwelijks meer rondkomen; zijn bedrijf in zijden kousen was failliet en zijn zoon had vele tienduizenden guldens van hem geleend zonder dat die terugbetaald waren. Vondel had zich als dichter voor Amsterdam verdienstelijk gemaakt (o.a. in 1655 door Inwydinge van ’t stadhuis t’ Amsterdam). In het direct voorafgaande beschrijft de auteur dat Vondels neef een oproep doet aan burgemeester Van Vlooswijk om zijn oom te steunen, waarop burgemeesteren hem in januari 1658 de betrekking toekennen van administrateur van het beleenregister bij de stadsbank van lening, tegen een jaarloon van 650 gulden. Het citaat beschrijft zijn laatste jaren in dienst van de lommerd. Woorden: lombaardtwerk: WNT lommerd betek.1 (‘een instelling die geld leent op roerende lichamelijke goederen, welke haar in pand worden gegeven; bank van leening’); dienst: WNT betek. 4. (‘ambtelijke betrekking (....)’ _ bij het streepje staat de toepassing: ‘wat iemands ambt medebrengt, zijne taak’); doen en laaten: WNT laten II, onder de gebruiksmogelijkheid als ‘(...) nalaten, niet doen’ staat de verbinding iemands doen en laten (‘zijne wijze van den tijd door te brengen’); heuschelyk: WNT heuschelijk betek. II.1; dienst...trok: WNT trekken betek. E.III.36 (‘Van iets dat voordeelig of nuttig is: dat ontvangen of verkrijgen’_ bij het eerste streepje staat de verbinding dienst trekken van -); wedde: WNT wedde I betek.7 (‘vaste, periodieke, inz. jaarlijksche geldelijke belooning, verbonden aan ambten of diensten (...)’; voorspraak: WNT voorspraak II betek. 4.c.α (‘In toep. waarbij iem. voor een bep. zaak de hulp inroept van iem. anders, omdat deze invloed uit kan oefenen op den pers. of de instantie die m. betr. t. de hiervoor genoemde zaak de beslissing te nemen heeft: het aanbevelen of aanbevolen worden in den gunst van een derde; aanbeveling, bemiddeling, tusschenkomst (...)_ vaak in de verb. door de voorspraak van’); Kornelis de Graaf: vermoedelijk zoon van Cornelis de Graeff die tot 1662 burgemeester was en belangrijk was voor de bouw van het nieuwe stadhuis; Heer van Vlooswyk: tien jaar tevoren (tot eind januari 1658) burgemeester Amsterdam, maar in 1668 ook weer; versteld: WNT betek. 2.a.
    Omdat Vondel als administrateur bij de bank van lening niet meer productief was, wilden burgemeesteren hem in 1668 ontslaan uit zijn functie, een ontslag dat zij ook voltrokken (Q). Bemiddelende personen hadden bij de burgemeesters bedongen dat dat alleen mocht als Vondel zijn wedde zou behouden (P), een conditie die burgemeester Van Vlooswyk had geaccepteerd.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-lijd.voorw), want als subject wordt Vondel begrepen; Vondel is als lijdend voorwerp aanwezig in de direct hogere frase.
279 [...] de predikanten of Proponenten die op de vacante plaetsen dienst waernemen, sullen aldaer in slaep, kost, en dranck verpleeght worden, door de weduwen en wesen, by aldien sy het tractement van de Predicants-plaets trecken, en daer geen weduwen of wesen en syn, sullen die Predikanten en Proponenten op haer eygen kosten den dienst aldaer waernemen [Q], mits daer voor ses gulden: eens genietende van de ?erckmeester aldaer [mits.pp P], die dan oock het tractement sullen profiteren. (GrootGeldersPlacaetbk dl. 2: 535)
[Zutphen, Midden-Nederland; 1683-T10] T=T10 P=Zutphen R=Midden-Nederland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Comit CV=W2 VO=Q-P
           
    ‘[...] de predikanten of kandidaten die in plaatsen waar een vacature is, het ambt waarnemen, zullen daar van eten, drinken en een slaapplaats worden voorzien in het weduwen- en wezenhuis; daarnaast ontvangen zij ook het traktement van het predikantsambt. En waar geen weduwen- of wezenhuis is, zullen predikanten en kandidaten die het ambt aldaar waarnemen hun kosten zelf betalen, waarbij zij daarvoor eenmalig zes gulden dienen te ontvangen van de plaatselijke kerkvoogd; zij zullen ook dan het traktement ontvangen.’
    Dit citaat komt uit een ordonnantie (tekstcat. A2), op 28 februari 1683 uitgevaardigd door de erfstadhouder (Willem III) van het vorstendom Gelre en het graafschap Zutphen. Als reglement is deze tekst te rekenen tot tekstcat. A2. Met dit reglement sluiten de opstellers aan op een ordonnantie inzake de beroeping van predikanten op de Veluwe, die een jaar eerder op een Landdag in Zutphen was aangenomen. Opstellers regelen in dit citaat de bezoldiging en het levensonderhoud van waarnemend predikanten. Woorden: proponenten: WNT proponent (‘in de taal der protestantsche kerken. Oorspronkelijk: persoon, inzonderheid student in de theologie, die proponeert (in bet. 3: ‘(...) een tekst uit den bijbel uitleggen in den vorm van een predikatie. Bijna alleen gebruikt indien de uitlegger (nog) geen geordend predikant is’ (...)’); verpleeght: WNT verplegen betek. 3 (‘verzorgen, van het noodige voorzien, onderhouden’); by aldien: WNT betek. 1_ voegwoordelijke combinatie, ‘in welk geval zij...’, in dit citaat door mij gezien als relatieve aansluiting, daarom nevenschikkend vertaald; trecken: WNT trekken betek.E.II.27.a (‘van geld of goederen: ontvangen, beuren, genieten’ _ onder eerste streepje: ‘In verb. met woorden als aalmoes, geld, inkomen, loon (...), pensioen, rente, steun enz.’); predicants-plaets: WNT predikant > Afl. predikantsplaats (‘ambt, bediening (...) van een predikant’; kerckmeester: WNT kerkmeester betek. A.2.e (‘(...) onder de Republiek benoemde de vroedschap de kerkmeesters der publieke Kerk (...); de hedendaagsche titel is kerkvoogd (...), of (...) kerkrentmeester’);
    De opstellers van de ordonnantie schrijven voor, dat waarnemend predikanten in plaatsen waar geen weduwen- en wezenhuis is, hun maaltijden en onderkomen zelf regelen en bekostigen (Q), waarvoor zij als compensatie een eenmalige betaling van zes gulden dienen te krijgen van de kerkvoogd ter plaatse (P). P heeft een comitatieve rol. De mits-constructie zoals de opstellers die in dit citaat toepassen schrijft eenvoudig voor wat bij afwezigheid ter plaatse van een weduwen- en wezenhuis de verantwoordelijkheid is van de invaller (zelf opdraaien voor onderdak etc.) en wat het plaatselijk kerkbestuur moet doen (aan de waarnemer eenmalig zes gulden toekennen). Het is hier niet zo dat de opstellers een wens of belang van een bepaalde participant centraal stellen. Dit past bij het genre ordonnantie, waarin veelal belangen van diverse participanten tezamen worden beschouwd en aan elk van die partijen een verantwoordelijkheid wordt toegewezen. Maar de regeling is vermoedelijk sluitstuk van een voorafgaande discussie, correspondentie of onderhandeling en daarin kan wél een tekst gefunctioneerd hebben waarin de wens of het belang van een specifieke partij in het oog gevat is, met als uitdrukking een voorwaardelijke mits-constructie. Het is bijv. voorstelbaar dat een plaatselijk kerkbestuur (vanuit zijn belang dat de kansel ’s zondags niet leeg zou blijven) in een brief aan de landdag het verzoek geformuleerd heeft elke zondag te kunnen beschikken over een waarnemer; even voorstelbaar is een antwoordbrief met een conditionele mits-constructie in de trant van: jazeker, op voorwaarde dat u eenmalig een bepaald bedrag voor die waarnemer ter beschikking stelt.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de predikanten en kandidaten voor dat ambt, die ook als subject van de direct hogere frase fungeren.
280 Resolutie om den schouw in Overbetuwe twee daegen te mogen voeren [Q1], mits maer een dagh vacatie inbrengende [mits.pp P1].
Extract uyttet reces des Landtdaghs in Aprili en Majo 1684. binnen Nymegen gehouden.
Mercury den 30. April.
Het versoeck van Dyck-greeff ende Heymraden des Ampts Overbetuwe, tot voeringe der schouwen op de Waeldycken, als die van den Ampte tuschen Maes en Wael, voort ’t toekomende in plaets van een twee dagen te mogen hebben, wort geaccordeert [Q2], mits dat d’onkosten niet sullen mogen over d’ingesetenen off morgen talen omgeslagen worden [mits dat + Vf P2]. (GrootGeldersPlacaetbk dl. 2: 540)
[Nijmegen, Midden-Nederland; 1684-T10] T=T10 P=Nijmegen R=Midden-Nederland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
   Besluit dat men de schouw in Overbetuwe in twee dagen mag uitvoeren, op voorwaarde dat men slechts voor één dag vacatiegeld rekent.
Extract uit de verslagen van de Landdag, gehouden in april en mei 1684 te Nijmegen.
Woensdag 30 april.
Het verzoek van dijkgraaf en heemraden van het ambacht Overbetuwe om de schouw van de Waaldijken voortaan in twee dagen in plaats van één te mogen uitvoeren, zoals ook dijkgraaf en heemraden van het ambacht Tussen Maas en Waal dat mogen, wordt gebillijkt, onder de voorwaarde dat de meerkosten niet zullen mogen worden omgeslagen over de ingezetenen of de schatbare morgens land.’
    Dit citaat behelst een extract uit het verslag van de bijeenkomst op 30 april 1984 van de zgn. Landdag, het orgaan waarin steden en ridderschap in het vorstendom Gelre en het graafschap Zutphen vertegenwoordigd waren. De eerste zin is de door de editeur in 1701-1703 boven de tekst gezette titel. Als weergave van een resolutie valt dit citaat in tekstcat. B. Woorden, zaken: inbrengende: MNW inbringen betek. 5. (‘(...) mederekenen, bijvoegen’); reces: WNT betek. 2 (‘schriftelijk verslag van een gevoerde onderhandeling’); schouw: WNT schouw III betek. 2 (‘op vaste tijden terugkeerende gelegenheid dat wateren, wegen, dijken enz. worden geschouwd’); een dagh vacatie: heemraden waren van onderop gekozen bestuurders, kregen onkostenvergoeding per activiteit; ampt: MNW ambacht I betek. 3.b (‘vooral in Holland, de benaming der heerlijkheid met lagen rechtsdwang, ambachtsheerlijkheid (...)_Overbetuwe: gebied tussen Arnhem en Nijmegen, dus tussen Rijn en Waal, plaatsen bijv. Driel, Elst, Heteren, rivier de Linge; het gelijknamige ambacht was een rechtsgebied met ook de taken van een waterschap; Ampt tuschen Maes en Wael: ambacht omringd door Maas- en Waaldijk, waarin gelegen Druten, Grave, Herne; morgen talen: MNW morgental betek. 1 (‘het getal schatbare morgens land, waarop een gemeente gesteld is en waarover de belasting wordt omgeslagen; (...)“in een polder bij morgentalen stemmen, d. i. naar mate een ingeland in een polder een getal van zoo of zooveel morgen lands bezit” ’); off: MNW of II betek. 1.
    Bovengeplaatste titel met mits.pp: men krijgt permissie de schouw uit te voeren over twee dagen (Q1) onder de voorwaarde dat men voor die extra dag geen vacatiegeld rekent (P1). In de mits-configuratie met mits dat + Vf, die in de eigenlijke tekst staat, is de relatie tussen Q en P deze: de wens van dijkgraaf en heemraden van het ambacht Overbetuwe om twee dagen, één dag meer dan eerst, te krijgen om de inspectie van de Waaldijken uit te voeren, wordt ingewilligd (Q2), onder de voorwaarde dat zij de kosten voor die extra dag niet omslaan over ingelanden of morgens van landeigendom (P2). De beide conditionele mits-configuraties beschrijven exact hetzelfde besluit. Omdat de eerste configuratie een titel betreft en de tweede de eigenlijke verslagtekst, is het verschil logischerwijze dat de informatie uitgebreider is in de tweede mits-configuratie: hier is te lezen wie de schouw uitvoert, wat er geschouwd wordt, dat het vacatiegeld normaal gesproken omgeslagen wordt, én dat aan de permissie de indiening van een verzoek door dijkgraaf en heemraden voorafgegaan is. Q1 in de mits.pp-constellatie is met de kennis van de eigenlijke tekst rijker te lezen: niet slechts als algemene permissie, maar als gewenste vergunning.
 De mits.pp-frase (titel) is conjunct, want als subject worden begrepen dijkgraaf en heemraden van Overbetuwe, die ook het niet-uitgedrukte subject van de direct hogere infinitieffrase zijn.
281 Den Impetrant sal binnen veerthien dagen naer dat het versoeck van de Adjuncten hem sal wesen geaccordeert by requeste van den Hove versoeken, dat de gemelte Adjuncten tegens seeckeren bequamen dagh mogen worden verschreven [Q], mits als dan effectivelyck in handen van den Griffier by provisie consignerende soo veel penningen als by den Hove tot verpleginge van de nodige onkosten goet sal gevonden worden [mits.pp P], sonder dat de gedaegde in revisie gehouden sal wesen daer toe ietwes te verschieten, maer dat het selve alle te samen by den Impetrant van revisie sal moeten versorgt worden. (GrootGeldersPlacaetbk dl. 2: 570)
[Zutphen (+Arnhem), Midden-Nederland; 1688-T10] T=T10 P=Zutphen P=Arnhem R=Midden-Nederland TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘De revident zal binnen veertien dagen na verkregen akkoord op zijn verzoek om adjuncten het Hof middels een rekest mogen verzoeken, de genoemde adjuncten voor een bepaalde geschikte dag op te roepen, onder de voorwaarde dat hij op dat moment daadwerkelijk in handen van de griffier zo veel penningen in voorlopige bewaring geeft als door het Hof adequaat geacht worden als garantie voor de noodzakelijke kosten. De gedaagde zal in de revisie niet gehouden zijn daartoe enig bedrag in te leggen; integendeel, alle bedragen bijeengenomen zullen voor rekening zijn van de revident.’
    Dit citaat behelst artikel VI van een voor de provincie Gelderland uitgevaardigde ordonnantie voor revisieprocessen. Het reglement werd in maart 1688 in Zutphen door de Landdag goedgekeurd en in Arnhem gedrukt op 26 juni 1689, draagt het zegel van het vorstendom Gelre en het graafschap Zutphen en is ondertekend door secretaris Engelen. Tekstcat. waarin het citaat valt is A2. Als iemand meent dat in een gerechtelijk proces en bijbehorend oordeel een fout is gemaakt, heeft hij het recht herziening (revisie) daarvan te vragen. In het direct voorafgaande staat dat deze impetrant (de revident) mag verzoeken om zes zgn. adjuncten. Onder adjuncten wordt hier verstaan: onafhankelijke rechtskundigen die de verschillende stappen in het proces op juistheid onderzoeken. Woorden: impetrant: WNT betek. 1. (‘degene, wien een eisch, verzoek of aanspraak rechterlijk of van overheidswege wordt toegewezen; rechtverkrijgende’_onder deze betekenis staat in een voorbeeld de term ‘impetrant van revisie’); hove: het provinciaal gerechtshof; verschreven: WNT verschrijven betek. 2 (‘schriftelijk, formeel, officieel verzoeken of gelasten te komen; schriftelijk, formeel uitnoodigen, - oproepen, - ontbieden; aanschrijven; convoceeren’); verpleginge: WNT verpleging betek. 1 (‘het zich in rechte verbinden om bep. schulden, bep. kosten te betalen). Nauwkeurigheid van 1688 als datering: de tekst van het citaat is ouder. In kolom 490 van de gebruikte editie staat exact dezelfde tekst van artikel VI, maar dan in een nadere regelgeving door een in 1679 gehouden Landdag van revisiezaken - kennelijk een heikel onderwerp, dat steeds beregeld moest worden. Te veronderstellen is dat de tekst nog veel ouder is dan 1679.
    De revident mag in een rekest het Hof verzoeken om convocatie van de door hem gewenste adjuncten voor een geschikte datum (Q). P noemt een daaraan gekoppelde voorwaarde: hij moet tegelijkertijd met de indiening van het rekest een geldbedrag, qua hoogte te bepalen door het Hof, in consignatie geven bij de griffier als vergoeding van de kosten van de revisie (P).
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is de impetrant, die ook subject is van de direct hogere frase.
282 7. [...] aengaende het incopen en bereyden van de witte laeckens sullen sy, contractanten, gesamentlyk en in ’t particulier gehouden syn te prefereren en gunstig wesen die persoon of persoonen, wie die souden mogen wesen [Q], mits soo wel doende als andere [mits.pp P], vooral geen eygenbaatig persoon, maer alsulcke, daer het voordeel van contractanten aen gelegen leyt (BronnenLeiden dl. 5: 641)
[Leiden, Holland; 1689-T10] T=T10 P=Leiden R=Holland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘7. [...] inzake inkopen en produceren van de witte lakense stoffen zullen zij, contractanten, zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, gehouden zijn begunstigende voorrang te geven aan die personen - wie het dan ook zijn, als zij maar even goed werk leveren als anderen - die vooral niet op eigen gewin uit zijn, maar juist waardevol zijn voor de winst van contractanten’
    Dit citaat omvat artikel 7 van een contract voor een productie- en handelsvennootschap in lakense stoffen, opgemaakt op 8 januari 1689. Als contractanten zijn voor de notaris verschenen de Leidenaren Jan en Bartholomees Vailland. Het contract behoort tot tekstcat. A1. Woorden: bereyden: WNT bereiden betek. A.3.a (‘scheren, droogscheren’); laeckens: WNT laken I betek. 1 (‘benaming voor een effen of met keperbinding geweven stof van wollen garen, die door volling zulk eene dichtheid verkregen heeft dat men van de draden genoegzaam niets zien kan, zoodat zich de oppervlakte wollig, viltachtig en dicht voordoet; ook voor een stuk van die stof zooals dat tot een bepaalde lengte en breedte wordt vervaardigd. (...)’); gelegen leyt: WNT gelegen betek. III.b (‘aan iemand of iets gelegen zijn, daaraan verbonden zijn, t.w. als iets van (veel, weinig, geen enz.) waarde, belang of beteekenis’). Editie: op de pagina in waar het citaat staat, vermeldt de editeur het register waaruit het door hem getranscribeerde contract komt (‘protocol-notaris A. den Oosterling, Reg. 1080, no. 83’). Via Compilatiecorpus Leiden 1689 is het fragment ook toegankelijk: uitsluitend digitaal, en zonder interpunctie.
    Contractanten moeten, zo stelt het contract, voor het inkopen en verder bereiden van wit laken zekere preferentie doen gelden voor de aan te nemen medewerkers. Welke dat zijn, mogen contractanten vrijelijk bepalen; zij zijn allen goed (Q), mits de kwaliteit van hun werk even hoog is als die van anderen (P). P kan op twee manieren uitgelegd worden: als voorwaarde waaronder gebruik mag worden gemaakt van de vrijheid om naar eigen wens medewerkers aan te nemen; maar ook als een eis aan de kandidaat-medewerkers, om geschikt te zijn om aangenomen te worden. De rol van de mits.pp-frase is dus naar individuele keuze conditioneel óf comitatief. Direct na de mits.pp-configuratie volgt nog beperkende uitwerking van een belangrijke eigenschap van nieuw aan te nemen medewerkers, nl. dat ze voordeel opleveren voor het bedrijf en niet op eigenbaat gericht zijn.
 De mits.pp-fase is conjunct subject-subject, want als subject worden begrepen de vrijelijk te kiezen medewerkers, die ook als onderwerp van de hogere frase fungeren.
283 [...] laetende niet min oock d’optie aende persoonen die de prysie van immeuble goederen willen gedaen hebben te nemen sulcken pryser nevens den ghesworen stock-houder als zy sullen gheradigh vinden [Q] mits doende den eedt voorseyt [mits.pp P] ende sal den stockhouder den voorseyden pryser oock moeten betaelen synen salaris uytten salaris vande selve prysie (Compilatiecorpus Brugge 1690 nr. 1)
[Brugge, Vlaanderen; 1690-T10] T=T10 P=Brugge R=Vlaanderen TC=A2 TG=Verord TS=g SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘[...] evenwel wordt aan hen die de onroerende goederen getaxeerd willen hebben, ook de keuze gelaten om naast de gezworen verkoopmeester een taxateur aan te stellen die zij geschikt achten, op voorwaarde dat deze wel de genoemde eed aflegt. De verkoopmeester zal de genoemde taxateur ook diens loon moeten betalen uit de vergoeding voor de taxatie in kwestie’
    Dit is een citaat uit art. 8 van de ordonnantie (tekstcat. A2) op openbare verkopingen, door burgemeesters en wethouders van Brugge uitgevaardigd in 1690. Deze ordonnantie bevat vergeleken bij de oude enkele nieuwe bepalingen, die, aldus het stadsbestuur in een toelichting, moeten voorkomen dat willekeur hoogtij viert inzake de prijzen die gevraagd worden bij de verkoping van zowel roerende als onroerende goederen uit sterfhuizen, waarbij de stedelijke gezworen vendumeesters vaak worden gepasseerd. Het direct voorafgaande gedeelte beschrijft gedetailleerd hoe het loon van de gezworen stokhouder afhangt van de verkoopprijs. Maar soms maakt de verkopende partij een keuze die inhoudt dat de vendumeester dat loon niet volledig voor zichzelf kan houden. Woorden: prijzie: WNT: prisie, prijzije, prezije: schatting, taxatie; stokhouder, WNT: betek.1: ’Ambtenaar belast met het houden van openbare verkoopingen; vendumeester.’
    In het artikel dat in dit fragment centraal staat, heeft het stadsbestuur o.a. het mogelijk toekomstig belang op het oog van de partij die onroerend goed wenst te verkopen, nl. het belang om een eigen taxateur naast de gezworen vendumeester te benoemen. Het bestuur stelt dat de verkopende partij het recht daartoe heeft (Q). Voorwaarde voor de verkopers om van dit recht gebruik te maken is dat de extra eigen taxateur wel de geldende eed aflegt. Door het stellen van deze voorwaarde wil het stadsbestuur voorkomen dat het evenwicht geschaad wordt tussen de belangen van kopers, verkopers en de gezworen vendumeesters.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen de aan te stellen taxateur, die geen rol als subject of voorwerp heeft in de direct hogere frase.
284 3 Maend. [...] 16 pond choccolate van mijn, nevens een groote quantiteit, Germain, ’s Gravemoer, Oyen etc. toehoorende, wierdt tot Myl. Portland, daer het ingebracht was, door de cherchers van ’t Custome-house seer scherp gevisiteert en 3 gl. voor yder pond daervan geëyscht; een doos van 18 pond kreegh ick noch met een slingerslagh uyt haer handen.
4 Dynsd. Hoorde dat de geinteresseerden inde choccolate voorz. toegestaen was, die weder naer Hollandt te mogen senden [Q], mits t’scheep gedaen werdende door ymant van ’t Customehouse [mits.pp P]. (HuygensJrJournaal dl. 1: 250v)
[Engeland (+Den Haag), Buitengewestelijk; 1690-T10] T=T10 P=Engeland P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=r SM=Cond CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘Maandag 3 [april]. Zestien pond chocolade van mijzelf, naast een grote hoeveelheid van Germain, ’s Gravemoer, Oyen e.a., werd ten huize van mylord Portland, waar deze bij elkaar was gebracht, door de ambtenaren van de douane zeer streng geïnspecteerd, en er werd drie gulden per pond gevorderd; een doos van achttien pond wist ik nog met een truc uit hun handen te houden.
Dinsdag 4 [april]. Ik vernam dat de belanghebbenden bij de genoemde chocolade de vergunning hadden gekregen om die terug naar Holland te sturen, onder de voorwaarde dat de partij ingescheept zou worden door iemand van het douanekantoor.’
    Dit citaat, gedagtekend 3 en 4 april 1690, komt uit het journaal van Constantijn Huygens jr. Het dagboek valt in tekstcat. C. Constantijn Huygens jr. was vanaf 1689, toen stadhouder Willem III koning van Engeland, Schotland en Ierland werd, diens secretaris, in welke hoedanigheid hij, meestal te paard, meereisde in zijn gevolg. Hij beschreef in een dagboek de dagelijkse bezigheden, nieuwtjes van het hof van Willem III en wetenschappelijke en artistieke onderwerpen. Zie Dekker (2013) over Huygens’ belang voor het dagboek als indertijd modern genre. Woorden, namen: Myl. Portland: aanduiding voor Hans Willem Bentinck, Nederlandse diplomaat en generaal, bevriend met Willem III; ingebracht: WNT inbengen betek. 6; geinteresseerden: WNT interesseeren betek. I.A (hier staat de combinatie: ‘in of bij iets geïnteresseerd zijn, er met zijn belang (zijne belangen) in of bij betrokken zijn’); slingerslagh: WNT slingerslag II betek. 4.b (‘gauwigheid, handigheid, slimmigheid’_ dit citaat). Transcriptie: het handschrift is door leden van het Historisch Genootschap getranscribeerd. Hun werkwijze beschrijven zij als volgt: ‘Wij hebben een trouwen afdruk van het Handschrift gegeven en ook daar zijne spelling gevolgd, waar de auteur zichzelven niet gelijk bleef’ (HuygensJrJournaal VII).
    Huygens jr. vernam dat hij en zijn metgezellen de gewenste exportvergunning hadden gekregen om hun chocolade naar Holland te zenden (Q), op voorwaarde dat de chocolade ingescheept zou worden door een douanier (P).
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen de partij chocolade, die in de direct hogere frase alleen voorkomt als kern van een bijv. bepaling (inde choccolate) en als lijdend voorwerp in een ingebedde infinitiefconstructie (die in die weder nae Hollandt te mogen senden).
285 22 Sond. De wagens quamen eerst smergens ten 7 ueren, wanneer de Con. uyt reed, op de tijding van dat de vijandt daeghs te voren smergens ten 11 ueren gemarcheert was en de Sambre mede gepasseert ende dese mergen vroegh te Florenne gekomen was, ende daer achter een beeck lagh om ons te beletten van naer Dinant te konnen avanceren. Praete naermidd. met den Edelman, tot wiens de Con. logeerde. Seyde dat het landt daer voll minen van ijser ende van kolen was, dat de luyden, daerin traffiquerende, in ydereen’s grondt mochten komen, deselve opgraven ende bewercken [Q], mits gevende aenden eygenaer een thiende van dat uytgroeven [mits.pp P], maer dat 10 voet mosten vanden huysen af blijven ende de grondt, naer dat met graven gedaen hadde weer effen maecken. (HuygensJrJournaal dl. 1: 473)
[Ardennen (+Den Haag), Buitengewestelijk; 1691-T10] T=T10 P=Ardennen P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=C TG=Vert TS=r SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Zondag 22 [juli]. De wagens kwamen pas ’s ochtends om zeven uur. Daarna reed de koning uit, vanwege het bericht dat de vijand daags tevoren ’s ochtends om 11 uur op mars was gegaan en ook de Sambre was overgestoken, en op deze ochtend vroeg in Florennes was aangekomen en daar achter een riviertje lag om ons te beletten naar Dinant op te trekken. Ik sprak in de namiddag met de edelman bij wie de koning logeerde. Hij zei me dat het gebied daar vol ijzer- en kolenmijnen was, en dat handelaars op ieders grond mochten komen om die delfstoffen uit te graven en bruikbaar te maken, tegen afgifte aan de eigenaar van een tiende van wat ze hadden opgedolven, maar dat ze tien voet van de opstallen verwijderd moesten blijven en de grond na het graven weer moesten egaliseren.’
    Dit is een fragment uit het journaal van Constantijn Huygens jr., gedateerd 22 juli 1691. Tekstcat. is C. In de tweede helft van 1691 ondernam stadhouder Willem III met Staatse troepen een tocht naar het zuiden (linkeroever van de Maas, streek rond Luik) om enkele gebieden terug te veroveren die de Fransen onder Lodewijk XIV in de Negenjarige oorlog hadden ingenomen; het zou een niet te winnen strijd blijken. In dit citaat wil de stadhouder op Dinant aan; in afwachting daarvan sprak Huygens jr. met degene die hem logies verschafte. Woorden, namen: wanneer: B (voegw) betek. 14 (‘als voegw. van tijd, waarin het temporeel, onderbrekend aspect overheerscht; de bijzin met wanneer krijgt het karakter van een progressieven hoofdzin’); Florenne: Florennes, plaats in de huidige provincie Namen tussen Maas en Sambre; Sambre: rivier die in Namen uitmondt in de Maas; Dinant: plaats in Namen, gelegen aan de Maas, vroeger behorend bij Luik, maar in 1691 al vele jaren Frans bezit; traffiquerende: WNT trafikeeren betek. 1 (‘handel drijven, handelen’).
    Stadhouder Willem III en zijn gevolg bevinden zich in een deel van de Ardennen waar ijzer en kolen in de grond zitten. Handelaars in ijzer of kolen mogen, aldus een locale zegsman, zulke delfstoffen winnen uit de grond van particuliere eigenaren (Q) op voorwaarde dat ze 10% van de opbrengst aan de desbetreffende eigenaar afstaan (P).
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject worden begrepen de handelaars in delfstoffen, die ook als subject fungeren van de direct hogere frase.
286ab De derde soort deser Belesers zyn sekere vrouwen, die ’t volk wysmaken, datse met de Duivelen omgaan; welker een deel witt, anderen rood zyn, of swart. En wanneerse wicchelen willen, berokense haarselven met swavel en anderen stank: waarop de Duivel hen bevangt, sose seggen [Q1]; mits veranderende hunne stem, als of hy sprak uit haren mond [mits.pp P1]. Daar op naderen de raadvragers, en vrage met grote vernederheid het gene sy begeeren te weten. ’t Antwoord ontvangen hebbende, gaanse heen [Q2]: mits latende in ’t huis van de waarsegger een geschenk [mits.pp P2].(Bekker 1691-1693 eerste boek: 71)
[Amsterdam, Holland; 1691-T10] T=T10 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=q SM=Instr SM=Comit CV=W5 CV=W3 VO=Q-P
           
   De derde soort bezweerders zijn bepaalde vrouwen die de mensen wijsmaken dat ze omgang hebben met de duivels, waarvan sommige wit zijn en andere rood of zwart. En als zij willen wichelen, bewalmen ze zich met zwavel en andere geurende stoffen, waarna de duivel naar zij zeggen bezit van hen neemt door hun stem te veranderen, als sprak hij door hun mond. Daarna komen degenen die consult vragen naderbij en vragen zeer nederig dat wat ze verlangen te weten. Nadat ze het antwoord gekregen hebben, gaan ze heen, waarbij ze zich verplicht weten om in het huis van de waarzegster een geschenk achter te laten.
    Dit citaat komt uit De betoverde wereld, een werk geschreven door de sinds 1680 in Amsterdam werkzame protestantse predikant Balthasar Bekker. Als theologisch en ethisch traktaat valt het in tekstcat. C. In De betoverde wereld zet de auteur zich af tegen het geloof in heksen en duivels; bijbelpassages waarin de duivel voorkomt moeten zijns inziens niet letterlijk opgevat worden. In het eerste boek gaat het over hoe er door diverse volkeren gedacht wordt over God en geesten. Dit fragment maakt deel uit van een hoofdstuk over geesten en de toverkunst bij de ‘Mohamedanen’, in het bijzonder over bezweerders in het Middellandse-Zeegebied. Bekker last hier (cursief gedrukt in de uitgave) vertalend een beschrijving in van een bepaald type bezweerder door de etnograaf Pietro Della Valle (1586-1652), die in het nabije en verre Oosten gereisd had. Woorden: beleser: WNT belezer, MNW beleser (‘(...) bezweerder); stank: WNT betek. 4. (‘Bij uitbreiding voor iets dat stank verwekt (...)’).
    In de eerste mits.pp-configuratie zijn Q1 en P1 als volgt weer te geven. Volgens de door Bekker aan het woord gelaten Della Valle beweren bepaalde wichelaarsters dat hun stem en hun woorden op zekere momenten overgenomen worden door de duivel zelf (P1), die hen daardoor in zijn macht krijgt (Q1). P1 is derhalve middel, Q1 doel van de duivel. In de tweede mits.pp-configuratie heeft P2 een comitatieve rol. Mensen vragen de vrouwen daarna om advies, en als ze antwoord op hun vragen gekregen hebben, gaan ze huns weegs (Q2), zo vervolgt Della Valle zijn beschrijving, waarbij ze zich verplicht weten om in het huis van de wichelaarster een geschenk achter te laten (P2). P2 drukt in de visie van de door Bekker opgevoerde etnograaf zoiets als een morele plicht uit, die uitdrukking is van dankbaarheid.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is de duivel, die ook optreedt als het subject van de direct hogere frase. De mits.pp-frase met P2 is eveneens conjunct (subject-subject), want als subject worden de raadvragers begrepen, die ook als subject optreden in de direct hogere frase.
287 Dan vraag ik noch, so ’t een eigenschap des Duivels is, hem self wel te veranderen in enen Engel des lichts: (2 Kor. 11: 14) of ’t ons daarom vry staat so te doen [Q]; mits den Duivel so godvrughtig makende, dat hy spook maakt om ene kleine schuld die niet betaald is, of om enige aalmis die te geven staat, of om trowbeloften die gebroken zijn [mits.pp P]. Sekerlik, so Moses ende Profeten, so d’Apostelen en Euangelisten daarenboven, niet genoegh zijn om den menschen te leeren: noch Ziele, noch Engel, veel min de Duivel uiter hellen sal dat met sijn spoken doen. (Bekker 1691-1693 tweede boek: 221v)
[Amsterdam, Holland; 1691-T10] T=T10 P=Amsterdam R=Holland TC=C TG=Vert TS=q SM=Instr CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Zich vermommen als een Engel van het licht, dat is iets wat de Duivel soms doet (2 Kor. 11:14). Gegeven dat feit stel ik dan deze vraag: staat het ons vrij om hetzelfde te doen door de Duivel een vrome gedaante te geven, die ophef maakt over een kleine schuld die niet terugbetaald is, een aalmoes die gegeven moet worden of trouwbeloften die gebroken zijn? Waarachtig, als Mozes en de Profeten en zelfs de Apostelen en Evangelisten niet genoeg zijn als leerbron voor de mensen, dan zal geen menselijke Ziel of Engel dat wel zijn, en de Duivel uit de hel met zijn monsters nog veel minder.’
    Dit citaat komt uit De betoverde wereld, een werk geschreven door de sinds 1680 in Amsterdam werkzame protestantse predikant Balthasar Bekker. Als theologisch en ethisch traktaat valt het in tekstcat. C. Context: het tweede boek behandelt op grond van bijbelpassages en sommige wetenschappelijke inzichten de leer van de geesten; de titel van hoofdstuk XXXII geeft Bekkers boodschap: De Duivel dus uit soo veele plaatsen der Schrifture uitgebannen, heeft ook dese vryheid niet, dat hy door de weereld spookt, en den menschen buiten slaap of in den droom verschijnt. Het citaat behelst een retorische vraag over de rol die de Duivel vaak speelt in menselijk gedrag. De auteur vindt een aangrijpingspunt in de tweede brief van Paulus aan de Korinthiërs (in het citaat: 2 Kor. 11: 14), nl. waar Paulus de Korinthiërs verwijt dat hun apostelen vals zijn, wat hij niet verwonderlijk vindt, omdat ‘de satan zelf [zich] verandert [...] in een engel des lichts’ (Statenvert). Woorden: maken: WNT betek. I.4.a, in combinatie met betek. III.4; spook: WNT betek. 8 (‘in een verouderd collectief gebruik: booze geesten; monsters; griezelig ongedierte’ (met één vb uit De betoverde wereld), maar daarnaast komt de verbinding spook maken in één van de vb. voor bij betek. 11 (‘drukte; ophef; bombarie’); sekerlik: MNW betek. 2, WNT betek. I.4.a.
    Een vermomming als Engel des lichts behoort tot de bedrieglijke praktijken van de Duivel, zo heeft Paulus in een brief aan de Korinthiërs geschreven. Mag de mens daarom een dergelijke valsheid aan de dag leggen (Q) door de Duivel een vrome gedaante te geven en het vingertje te heffen inzake kwesties als schuldvereffening, armenhulp en huwelijksontrouw (P), zo vraagt de schrijver. De rol van P is instrumenteel ten opzichte van een verborgen streven Q.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-subject; subject zijn wij, de mensen, die ook begrepen subject zijn van de direct hogere infinitieffrase so te doen die weer ondergeschikt is aan ’t ons daarom vry staat.
288 Op het versoeck van Abraham Wyckaert en Amelia de Moor desselfs huysvrou bij requeste gedaen om de weescamer deser stad te secluderen gelijck zij by Testamente hebben gedaen op het vertreck van den selve Abraham Wyckaert hebben Burgemeesters W en Raden de gepleegde Seclusie bij haar int’ Testamente gedaen geapprobeert en houden t’selve van weerden [Q] mits betalende t’ recht daer toe staande [mits.pp P] (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 22: p. 204 links)
[Arnemuiden, Zeeland; 1693-T10] T=T10 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Naar aanleiding van het verzoek van Abraham Wyckaert en zijn echtgenote Amelia de Moor om de weeskamer van deze stad uit te sluiten zoals zij bij testament bepaald hebben voor het geval genoemde Abraham Wyckaert overlijdt, hebben Burgemeesters, Wethouders [?] en raadsleden de door hen bij testament bepaalde uitsluiting goedgekeurd en verklaren deze geldig, op voorwaarde van betaling van de daarvoor geldende leges’
    Dit citaat omvat het verslag van één van de besluiten, genomen door de vergadering d.d. 31 januari 1693 van Wethouders en Raad van Arnemuiden. Tekstcat. is B. Woord: de weescamer deser stad: WNT weeskamer betek. 2 (‘rechtscollege dat namens de (stedelijke) overheid toezicht houdt op de voogdij van minderjarige (soms ook meerderjarige) weezen, dat de administratie en het beheer voert over de weezengoederen en het weezenkapitaal’)_ vergelijk MNW wesecamere betek. 2, waarin de taak van de stedelijke overheid nog niet expliciet benoemd wordt. Eigen diplomatische transcriptie op basis van een scan van het handschrift.
    De testamentair vastgelegde wens van een zeker echtpaar tot uitsluiting van een rol voor de stedelijke weeskamer als de man komt te overlijden, wordt door het stadsbestuur in orde en geldig verklaard (Q), op voorwaarde dat het echtpaar de leges daarvoor voldoet (P).
 De mits.pp-frase is semi-conjunct aangesloten, want als subject worden begrepen Abraham Wyckaert en Amelia de Moor, personen die niet optreden als onderwerp of voorwerp in de direct hogere frase; ze zijn alleen aanwezig in de vorm haar in een agentieve bepaling (in bij haar int’ Testamente gedaen).
289ab Item, behooren ook desen Officie toe alle Zee-vonden, als Ankers, Cabels, en voorts indifferentelijk alle andere lichte en sware goederen, vlotende op de wateren, of in den grond gevonden of gevischt; waer af de vinders, of visschers van dien, schuldig zijn den selven vond den Bailliu van de Wateren te komen te kennen geven, die henlieden daer van contenteren moet van ’t bergloon, na discretie [Q1]; mits dat de Domeinen daer af maer profiteren een derde [mits dat +Vf P1], en de rest tot profijt van den Bailliu [Q2] mits in sijne Rekening daer van houdende goede Notitie [mits.pp P2].
Item competeert ook ’t voornoemde Officie d’Autoriteit van allen compositien van de Boeten, Breuken, en Penen die souden mogen vervallen van vijftig goude Leeuwen ter causen hier vooren of andersins [Q3]; mits de selve compositien doende present lieden van eere, en niet suspect [mits.pp P3]; en worden die gepasseert in rekening op de attestatien van de Persoonen daer over geweest hebbende: van welke compositien de Domeinen maer profiteren een derde [Q4], mits dat de Bailliu ’t sijnen laste dragen moet het part van de Denunciateurs en ’t surplus voor sijn recht [mits dat + Vf P4]. (Smallegange 1696: 159v)
[Goes, Zeeland; 1696 [?1581]-T10] T=T10 P=Goes R=Zeeland TC=C TG=Instr TS=i SM=Comit CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Voorts vallen onder dit ambt ook alle zeevonden, zoals ankers, kabeltouwen en verder alle andere lichte en zware goederen, ongeacht welke, die op het water drijven of op de zeebodem gevonden zijn of daarvan zijn opgevist. De vinders of vissers van zeevonden zijn verplicht deze aan te geven bij de waterbaljuw, die aan hen naar zijn redelijk oordeel het vindersloon moet uitbetalen, waarbij een derde van de opbrengst in elk geval naar de Domeinen gaat; en de rest komt ten goede aan de baljuw, die hiervan uiteraard een correcte boekhouding bijhoudt.
Voorts berust bij het genoemde ambt ook de bevoegdheid over alle schikkingen die als inkomsten binnenkomen inzake de in verband met het vorengenoemde of anderszins opgelegde boetes en andere geldstraffen tot een bedrag van vijftig gouden leeuwen, waarbij hij de plicht heeft deze schikkingsbesluiten voor te leggen aan deugdzame lieden van onverdachten huize. De boekhouding daarover zal worden goedgekeurd op basis van de verklaringen van de personen die daarover geoordeeld hebben. Van deze schikkingsgelden profiteren de domeinen zonder voorbehoud van een derde deel, waarbij de baljuw het aandeel van de aangevers voor zijn rekening dient te nemen en het dan resterende voor zichzelf houdt.’
    Dit citaat komt uit de Nieuwe cronyk van Zeeland van Mattheus Smallegange, waarvan het tweede boek en daarin hoofdstuk XV, getiteld ‘Het Water-Balliuschap van Zeeland’. Als tekst uit een kroniek valt het citaat in tekstcat. C. Inzake de datering van het citaat: Smalleganges werk is van 1696. Blijkens de titelpagina omvat deze Zeeuwse kroniek echter oudere equivalenten, namelijk van Jacob van den Eynde (wiens kroniek geschreven is rond 1610) en Jan van Reigersbergh (sterfjaar 1591) en biedt het werk daarop aanvullingen. Aan het begin van hoofdstuk XV geeft Smallegange aan zich daar in directe zin te baseren op Marcus Zuerius van Boxhorn (1602-1653), ook kroniekschrijver van Zeeland); een letterlijke overname is niet uitgesloten. Smallegange citeert daarop het begin van de instructie van de waterbaljuw zoals in 1581 opgesteld door de Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland. De verdere taakomschrijving van deze functionaris, waarvan dit citaat onderdeel is, is dus mogelijk op die instructie van 1581 gebaseerd, misschien in eigen woorden van Smallegange, misschien in bewoordingen ontleend aan Boxhorn (1650), die mogelijk weer één van de chroniqueurs rond 1600 als uitgangspunt koos. Woorden: breuken: WNT breuk, betek. C1.b (‘(...) de straf, bestaande in de betaling eener geldsom (of bij verdere overdracht: die geldsom zelve), door den overtreder tot herstel der overtreding (...) aan den heer des lands verschuldigd; bergloon: WNT betek. 1 (‘(...) loon dat betaald wordt wegens het bergen, het in veiligheid brengen, van in zee drijvende of gestrande goederen of onbeheerd gevonden schepen’); Domeinen, hier onvertaald gelaten: MNW domeinen betek. 2 en WNT domein betek. 5 (‘in den vorm van het mv.: heerlijke rechten. (...) [in één geval]:’bron van inkomsten (...)’); maer: WNT maar V betek. II.3, 3e streepje en 6 (‘slechts de genoemde voorwaarde moet worden vervuld, ten minste, minstens, in elk geval (deze vert. niet in WNT), zonder voorbehoud’; Bailliu van de Wateren: MNW baliu betek. 1, in combinatie met WNT waterbaljuw, ‘ben. voor een rechterlijken ambtenaar die belast is met het toezicht op zaken betreffende de wateren, visscherij en scheepvaart.(...)’; competeren: VMNW betek. ‘behoren tot, toebehoren aan’; compositie: WNT en MNW betek. ‘overeenkomst, verdrag, schikking’; vervallen: WNT vervallen I, betek. V.24 (‘op of voor een contractueel vastgelegd tijdstip) betaald moeten worden of zijn; betaalbaar worden; verschijnen.’ M.n. betek. V.24.a (‘van (periodiek) te betalen bedragen zooals renten, (gedeelten van) schulden, pachtsommen.’), wat de toepassing op inkomsten uit boeken zie MNW vervallen betek. I.A.3; Gouden Leeuw: munt ter waarde van 30 stuivers, medio vijftiende eeuw, met leeuw op de voorzijde; denunciateurs: WNT denuntiateur (‘als rechtsterm: persoon die iets dat strafbaar of laakbaar is, aangeeft bij overheid of gerecht. (..)’).
    De vier Q mits P-relaties in het fragment kunnen als volgt gekarakteriseerd worden.
Q1 – P1: de relatie is comitatief. De vinder van zeevonden wordt een bedrag uitbetaald dat gebaseerd is op het redelijk oordeel van de waterbaljuw over de waarde van de zeevond; de vinder geniet dit ‘loon’ voor zijn zoekarbeid op zee en strand (Q1), met dien verstande dat een derde deel van de waarde in elk geval aan de domeinen toevalt (mits dat + Vf P1).
Q2 – P2: de relatie is comitatief. Het loon voor de baljuw komt ook uit het bedrag van de waarde. Hij houdt het deel dat overblijft na aftrek van een derde deel voor de domeinen en het door hem bepaalde vindersloon (Q2), waarbij hij in zijn boekhouding de inkomsten van de vonden en de verdeling van de gelden correct dient te administreren (mits.pp P2).
Q3 – P3: de relatie is comitatief. Van het geld dat als boetes en schikkingen van straffen binnenkomt, komen vijftig gouden leeuwen (vermoedelijk per jaar) in beheer bij de baljuw (Q3), waarbij hij de plicht heeft de desbetreffende schikkingsovereenkomsten voor te leggen aan een groep onafhankelijke wijze lieden (mits.pp P3).
Q4 – P4: de relatie is comitatief. Q4 betreft de regel dat aan de Domeinen zonder voorbehoud een derde van de boetes toevalt (Q4), waarnaast geldt dat de baljuw de aangevers van overtredingen hun aandeel dient uit te keren en hij het dan nog resterende zelf houdt (mits dat + Vf P4).
De overeenkomst tussen de vier mits-constructies is dat ze comitatieve betekenis hebben. Is er een verschil tussen de twee mits.pp-constructies (2e en 3e mits-cx) en de twee mits dat + Vf -constructies (1e en 4e mits-cx)? Het enige punt van verschil is, dat de twee constructies met mits dat + Vf een uitgedrukt onderwerp hebben dat nieuw is vergeleken bij een belangrijk persoon (meestal optredend als onderwerp of voorwerp) in de direct hogere frase, terwijl het begrepen onderwerp van beide mits.pp-frasen juist daaraan gelijk is.
 Aansluiting: in P2 is de mits.pp-frase semi-conjunct, omdat het begrepen subject de baljuw is, de persoon die in de direct hogere frase alleen optreedt in een possessieve bepaling bij profijt. In P3 is de mits.pp-frase conjunct (subject-meew.voorw), want het begrepen subject is de baljuw, die in de direct hogere frase meewerkend voorwerp is (metonymisch als ’t voornoemde Officie).
290 Ende yemandt Soon ofte Sonen hebbende, heeft altijdt (volgende de dispositie hiervoren verhaelt) vermogen syn Ambachten te Verkoopen [Q 1e deel], midts betalende den Rent-meester alleenlijck het Recht vande Oversettinghe metten Brief ende Zegel als voren [midts.pp P], sonder regard te nemen of den Kooper mede Soon ofte Sonen hadde ofte niet [Q 2e deel]. (Smallegange 1696: 368v)
[Goes, Zeeland; 1696 [?1591]-T10] T=T10 P=Goes R=Zeeland TC=C TG=Brief
           
    ‘En iemand met een zoon of zoons heeft overeenkomstig de bepaling die hierboven is genoemd [uit een oude keur], altijd de vrijheid gehad zijn ambachten te verkopen, met als enige voorwaarde dat hij zoals hiervóór beschreven de rentmeester de leges betaalt voor de eigendomsoverdracht, met akte en zegel, zonder in beschouwing te nemen of ook de koper een zoon of zoons heeft of niet.’
    Dit citaat komt uit de Nieuwe cronyk van Zeeland (tekstcat. C) van Mattheus Smallegange, waarvan het derde boek en daarin hoofdstuk XXI, getiteld ‘Van de Wetten en Politien van Zeeland’. Smallegange brengt in dit gedeelte enkele eeuwen jurisprudentie bijeen inzake enkele oude keuren van Zeeland. Op de bewuste pagina’s citeert Smallegange onder het kopje Copie een brief waarin een grafelijke belastingontvanger zijn interpretatie (Advys) geeft van een bepaalde keur. Daarin staat centraal de verkoop van ambachten die door een leenheer aan een leenman als bijna-eigendom in gebruik zijn gegeven (de verkoop dus van lenen). In een bepaalde situatie was daarvoor, behalve het normale recht van transport aan de rentmeester, ook nog het recht van ‘lossing’ aan de grafelijkheid verschuldigd. Die verplichting gold wanneer iemand zónder zoons zijn ambacht wilde verkopen aan iemand mét zoons; de ratio was vermoedelijk dat door de te verwachten toekomstige vererving aan de zoons het gebruik van het leen langer genoten zou gaan worden dan in een situatie waarin de leenman geen zoons had en het leen bij zijn overlijden automatisch zou terugvallen aan de heer. De rentmeester legt uit dat het voor iemand mét zoons anders lag: deze mocht zijn ambachten altijd zonder extra betaling voor de ‘lossing’ verkopen, zonder dat het iets uitmaakte of de koper wel of geen zoons had; met als vermoede ratio dat een verkoop aan iemand die ook zoons had de leenduur niet zou verlengen, terwijl een verkoop aan iemand zonder zoons de leenduur alleen maar zou verkorten! Woorden: ambacht: VMNW betek. 8.1 (‘Gebied incl. de rechterlijke macht daarover dat als leen is uitgegeven aan een heer’); verhef: WNT betek. II.6. (officiële erkenning van leenroerigheid door (nieuwe) leenhouder).
 De datering van dit fragment is problematisch, de betrouwbaarheid ook. Het jaar van datering van de Nieuwe cronyk van Zeeland is 1696, maar dit corpusfragment gaat hoogstwaarschijnlijk, via een ons onbekende weg, terug op een tekst van een eeuw eerder. ‘Als we afgaan op Smallegange’ laat een grafelijke rentmeester in deze brief voor tijdgenoten (eind 16e eeuw) zijn licht schijnen over een oude keur en doet hij dat voor tijdgenoten. Smallegange vermeldt geen nadere bron(nen). Heeft hij de tekst overgenomen van Boxhorn [Marcus Zuerius van Boxhorn (1602-1653)], uit wiens Zeeuwse kroniek hij sowieso veel overnam? En heeft Smallegange, of Boxhorn, van de brief een afschrift naar de letter gemaakt, of zaken veranderd, genormaliseerd wellicht naar het taalgebruik van dat moment?
    Iemand die zoons heeft, heeft zijn ambachten [de gebieden waarover hij jurisdictie heeft] altijd mogen verkopen zonder een extra ‘lossings’-belasting aan de graaf verschuldigd te zijn, onafhankelijk van de vraag of de koper zoons had of niet (Q), met als enige voorwaarde de betaling van de normale belasting op overdracht met akte en zegel (P). Q is een gunstig feit voor verkopers met zoons. De rol van P is voorwaardelijk.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is degene die zoons heeft en altijd zijn ambachten heeft mogen verkopen; die persoon is ook subject van de direct hogere frase.
291 wert Sara Goewijns haar versouck om de weescamer te secluderen, geaccordeert [Q], mits betalende het recht daer toe staende [mits.pp P]. (Zeeuws Archief toeg.nr. 1200, inv.nr. 22: p. 217 links)
[Arnemuiden, Zeeland; 1696-T10] T=T10 P=Arnemuiden R=Zeeland TC=B TG=Versl TS=n SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘met het verzoek van Sara Goewijns om de weeskamer uit te sluiten, is ingestemd, mits zij de daarvoor geldende leges voldoet.’
    Het citaat stamt uit de notulen van 21 okt. stadsbestuur Arnemuiden. Tekstcat. is B. Eigen diplomatische transcriptie.
    Het stadbestuur bewilligt in de wens van Sara Goewijns om de stedelijke weeskamer uit te sluiten (Q), op voorwaarde dat zij de geldende leges voldoet (P). De vertaling kan ook zijn: ‘tegen betaling van de daarvoor geldende leges’.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw): het begrepen subject van de mits.pp-frase is Sara Goewijns, en zij treedt in de direct hogere frase op als meew.voorw.
292 Ad art. 13, sprekende van de leger-godtsdienst. D. D. Deputati hadden last ontfangen, in plaets van ses seven predicanten te senden, ’t welck oock hadden volbracht [Q], mits sendende extraordinaerlick D. Jacobum Hensbroeck [mits.pp P] (ActaPartSyn dl. 6: 420)
[Zuid-Hollandse synode (+Breda), Holland; 1697-T10] T=T10 P=Zuid-Hollandse synode P=Breda R=Holland TC=B TG=Versl TS=n SM=Instr CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Bij artikel 13, dat handelt over de godsdienstige zorg in het leger. D.D.-gedeputeerden hadden de opdracht ontvangen om in plaats van zes, zeven predikanten te sturen, hetgeen ze inderdaad hadden uitgevoerd door als toegevoegd predikant doctor Jacobus Hensbroeck te zenden.’
    Dit citaat is ontleend aan de handelingen van de Particuliere Synode van Zuid-Holland, gehouden van 9-18 juli 1697 te Breda; de classis Breda ressorteerde nl. wat de grenzen van de kerkelijke organisatie betreft onder de Zuid-Hollandse synode. De handelingen vallen in tekstcat. B. Woorden: deputati: wisselende, later vaste personen, benoemd door de voltallige synodevergadering, die belast werden met de uitvoering van de besluiten van de jaarlijkse vergadering; D.D.: afk. ‘Divinitatis Doctores’, waarbij divinitatis doctor betekent ‘doctor in de theologie’; extraordinaerlick: WNT extraordinair betek. 2 (‘bijkomend bij wat gewoon, gebruikelijk, de regel is.’)_ afl. extraordinairlijk, op een andere dan de gewone wijze; voorsorge: WNT voorzorg betek. 1 (‘zorg voor iem. of iets; bemoeienis ten gunste van iem. of iets; bekommering’).
    De aan gedeputeerden door de synodevergadering verstrekte opdracht was, te voorzien in een zevende predikant voor het leger; die opdracht hadden ze uitgevoerd (Q) door dominee Hensbroeck extra naar de militairen te doen gaan (P). Q duidt op het doel om de taak uit te voeren en P noemt het daartoe aangewende middel.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want begrepen subject zijn de D.D. Deputati, die ook fungeren als niet-uitgedrukt subject van de direct hogere frase.
293 Ick wenste, dat U Ed. die saek soo veer koste adjusteeren, dat ick op mijn komste in Hollandt aenstons de koop soude kunnen sluyten en vervolgens possessie van die heerlijgheyt nemen. Ick magh wel leyden, dat de princesse van Aldenborg daervan kennis geeft in secretesse aen haer soon, en ook aen vooghden, soo veel het noodigh is [Q], mits haer doende belooven het te secreteren, tot de koop publicq moet werden gemaeckt [mits.pp P]. (CorrespWillemIII tweede gedeelte dl. 3: 468)
[Veluwe (+Kensington), Midden-Nederland; 1698-T10] T=T10 P=Veluwe P=Kensington R=Midden-Nederland TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Ik zou wensen dat u de zaak zo ver in orde zou kunnen maken, dat ik bij mijn komst in Holland de koop direct zou kunnen sluiten en de heerlijkheid vervolgens in bezit nemen. Ik zou er geen bezwaar tegen hebben, als de prinses van Aldenborg haar zoon daarvan onder geheimhouding op de hoogte stelt en eveneens, voor zover nodig, de voogden, als zij hen maar laat beloven het [de transactie] geheim te houden totdat de koop algemeen bekend moet worden gemaakt.’
    Dit is een citaat uit een brief, gedateerd maart 1698, van stadhouder Willem III (U Ed. goede vrindt William Rex) aan de heer Johan van Arnhem. De laatste was heer van heerlijkheid en kasteel Rosendael nabij het huidige Velp. De brief valt in tekstcat. B. Willem III koesterde in 1698 de (nooit vervulde) wens om kasteel en heerlijkheid Doorwerth te bemachtigen; de Veluwe was al zijn geliefde jachtgebied sinds hij in 1684 het Oude Loo had gekocht. Doorwerth werd op dat moment bewoond door Charlotte de la Trémoille, in het citaat de princesse van Aldenborg; Charlotte was getrouwd geweest met rijksgraaf Von Aldenburg, o.a. heer van Doorwerth. Na diens overlijden had zij in 1684 met hun zoon haar intrek in Doorwerth genomen (zie Sayyed 2014). Willem wilde Doorwerth van Charlotte kopen en haar de baronie IJsselstein vérkopen, en presenteert deze ruil, wat jaarlijkse inkomsten betreft, als gunstig voor Charlotte. In het citaat schrijft Willem, die op dat moment in Kensington (Engeland) verblijft, dat Charlotte voor zover nodig ook aan de ‘voogden’ melding doet van de transactie; bedoeld worden de broers van de rijksgraaf, die vanaf diens overlijden de mede-voogdij over haar zoon hadden gekregen en met wie Charlotte strijd voerde over de bezittingen van wijlen haar man en het erfdeel van haar zoon. Woorden: magh wel leyden: WNT lijden I betek. I.A.4. c (‘goedvinden, geen bezwaar hebben tegen-); secretesse: WNT betek. 1 (‘geheimhouding, geheimhoudendheid’); secreteren: WNT secreteeren (afl. van secreet III) betek. ‘geheimhouden, in ambtelijke taal in de 18de eeuw (...)’; publicq: WNT publiek I betek. 2.f (‘openbaar, algemeen bekend [...] in praed. gebruik, te weten in de verb. publiek zijn, - worden, iets - maken’).
    Stadhouder Willem III staat de prinses van Aldenborg toe om haar zoon en diens voogden op de hoogte te brengen van de verwachte verkoop van Doorwerth [Q], op voorwaarde dat zij van zoon en voogden geheimhouding verlangt totdat de transactie openbaar zal zijn (P). Q duidt op de permissie die de prinses krijgt om, als zij dat wenst, haar zoon en diens voogden te informeren. P is een voorwaarde waaraan die permissie gekoppeld is.
De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want als subject wordt begrepen de prinses van Aldenborg, die ook subject is van de direct hogere frase.
294 [...] Beloovende den selven vande voornoemde somma van Een honderd drie en sestig guldens een jaerlickse losrente jeegens vijv per Cento ingaende op dato deses en Loopende tot de effective voldoeninge van voorssegde Capitael en Interesse toe, die ten allen tijden sal moogen en moeten geschieden [Q], mits Elkanderen drie Maenden te vooren waerschouwende [mits.pp P], stellende hij Comparant tot meerder Securiteijt tot een speciael hypotheeck de voorssegde huijsinge ende Erve ende voorts sijn Persoon en vordere goederen, met Renunciatie van t Stad en Landregt deeses Graevschaps, dicteerende dat het speciael hypotheeck voor het Generaele moet gesleeten werden, Alles op heerlijcke en reale Executie. Sonder Arg. (Regionaal Archief Rivierenland toeg.nr. 0826, inv.nr. 1558)
[Culemborg, Midden-Nederland; 1698-T10] T=T10 P=Culemborg R=Midden-Nederland TC=A1 TG=Contr TS=a SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘[...] Over de vermelde som van honderddrieënzestig gulden belooft hij [Arien Verweij] aan genoemde [Aert van Beusighem] een jaarlijkse aflosbare rente van vijf procent, met ingang van datum dezes en doorlopend tot de genoemde hoofdsom met de rente volledig is afgelost, hetgeen te allen tijde zonder speciale overeenstemming zal mogen plaatsvinden, mits partijen elkaar drie maanden vooraf informeren. Als extra zekerheid brengt hij, comparant, als speciaal onderpand genoemd woonhuis en erf in en verder zijn eigen persoon en overige bezittingen, waarbij hij buiten toepassing verklaart de regel van het stad- en landrecht van dit graafschap die inhoudt dat de aflossing van specifieke hypotheken moet plaatsvinden voorafgaande aan het voldoen van algemene verplichtingen; alles volgens de procedure van onmiddellijke gerechtelijke uitwinning. Te goeder trouw [overeengekomen].’
    Dit is een fragment van een schuldbekentenis van Arien Verweij, die op 10 november 1698 verscheen voor Huijbert Wijnen, Andreas Bosch en Alexander van Grootveld, schepenen van de stad Culemborg. Aan het slot staat dat het document voorzien is van het zegel der schepenen en de handtekening van de secretaris. De schuldbekentenis valt in tekstcat. A1. Arien Verweij heeft een woonhuis gekocht. Ten behoeve van de kooppenningen heeft hij 163 gulden geleend van Aert van Beusighem, rentmeester van de armen. In de akte waaraan dit citaat ontleend is, geven schepenen ter kennis dat Verweij voor hen verschenen is en de schuld aan Van Beusighem heeft erkend. Het citaat beschrijft de overeengekomen afspraken. Woorden: renunciatie: WNT betek. 1 (‘het afstand doen van - ; afstand; het afzien van - ; verzaking’), i.h.b. 1.d (‘met betr. tot rechten of verplichtingen, en vandaar ook met betr. tot plakkaten, wetsartikelen, bepalingen in overeenkomsten waaruit rechten en/of verplichtingen voortvloeien (...)’); moeten: WNT moeten II betek. 6 (‘ter aanduiding dat iets niet kan uitblijven, zonder dat een gebod, een bevel, eene afspraak of welke bepaling ook wordt geschonden’); heerlijcke: WNT heerlijk betek. I. II. B (‘(...) heer opgevat als landsheer, grondheer. Van een of van den heer; een of den heer toekomende, enz’)_ bij het vijfde streepje staat de verbinding heerlijke executie met als betek. ‘dadelijke gerechtelijke uitwinning’; Arg., afk. van arglist: WNT suppl. 1 ‘als juridische term: aanwezigheid van kwade trouw’_ bij het eerste streepje staat: ‘vooral in de verb. zonder arglist aan het slot van overeenkomsten enz.’. Vindbaarheid bron: zie Bibliografie > Geraadpleegde archieven.
    Volgens een schuldbekentenis heeft ene Arien Verweij het recht om op elk gewenst moment de hoofdsom van een lening en de nog openstaande rente zonder speciale overeenstemming af te lossen (Q). De hieraan verbonden voorwaarde is dat hij drie maanden voor de voorgenomen aflossing melding daarvan doet bij de schuldeiser (P). Aan het woord Elkanderen in P kan moeilijk betekenis toegekend worden, want de voorwaarde kan alleen betrekking hebben op Verweij die de schuldeiser tijdig informeert, niet ook andersom.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want als subject wordt begrepen Arien Verweij, die niet optreedt in de direct hogere frase, maar wel op verschillende ander plaatsen in het citaat, onder andere als begrepen onderwerp van het eerste woord Beloovende.
295 Gemelte heeren hebben de voorsz. pointen ad referendum genomen en my een spoedig antwoort van de Keyser op deselve doen hopen, met byvoeging op het eerste, dat niet veel difficulteyt scheen te wesen, om het gerequireerde pouvoir aen de Keyserlycke ministers in Den Hage te doen hebben [Q1], mits dat ook de Graeff van Tallard van gelijck pouvoir soude wesen voorsien [mits dat + Vf P1]. [...] Haer Excellentien seyden, dat wel hadden gehoort, dat gesproken was, om het Milanees te laten, òff aen den Hertog van Lotharingen, sooals geschreven heb, die dan wederom dat Hertogdom aen Vranckrijck soude cederen, òff aen den Hertog van Savoyen [Q2], mits aen die Croon cederende Savoyen [mits.pp P2], dog dat aen de Keyser ’t Milanees absolut nodig soude wesen en ongelijck meer als de Nederlanden en daerom ten dien opsichte geen expedient soude wesen te vinden. (WeenscheGezntschpsber dl. 2: 95v)
[Wenen (+Den Haag), Buitengewestelijk; 1699-T10] T=T10 P=Wenen P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Comit CV=W3 VO=Q-P
           
    ‘Genoemde heren [gezanten van de Duitse keizer] hebben raadpleging over de vermelde punten beloofd en mij hoop gegeven op een snel antwoord van de keizer daarover. Aan het eerste voegden zij nog toe, dat er niet veel problemen leken te zijn om aan de keizerlijke gezanten in Den Haag het verlangde mandaat te geven, mits ook de graaf van Tallard een zelfde mandaat zou hebben. [...] De geachte gezanten zeiden, dat ze wel hadden gehoord, dat erover gesproken was om de Milanese bezittingen toe te delen hetzij aan de hertog van Lotharingen, zoals ik schreef, die dat hertogdom dan weer bij Frankrijk zou voegen, hetzij aan de hertog van Savoye, waarbij deze Savoye onder de Franse kroon zou moeten scharen; maar dat de Milanese bezittingen voor de Keizer absoluut onmisbaar zouden zijn, onvergelijkbaar meer dan de Nederlanden, en dat daarom in dat voorstel geen uitweg te vinden zou zijn.’
    Dit citaat stamt uit een brief van 12 augustus 1699 van Jacob Hop aan raadspensionaris Heinsius, afkomstig uit het archief van Heinsius. Het citaat valt, als deel van een brief, in tekstcat. B. Jacob Hop was een Nederlandse gezant aan het hof in Wenen, waar vredesonderhandelingen gevoerd werden tussen Frankrijk enerzijds en o.a. het Keizerrijk, de Republiek, Engeland, Spanje en Turkije anderzijds. Hop en zijn collega-gezanten hielden hun opdrachtgevers in Den Haag via brieven op de hoogte van hun activiteiten in de onderhandelingen. Voorafgaand aan het eerste deel van het citaat schrijft Hop aan Heinsius dat hij de keizerlijke gezanten gevraagd heeft de Keizer ervan te overtuigen dat Navarra en de Milanese bezittingen hoe dan ook uit handen van Frankrijk moeten blijven, en dat de Zuidelijke Nederlanden aan het keizerrijk zouden mogen toevallen. De keizerlijke diplomaten in Den Haag zouden ook mandaat moeten hebben om rechtstreeks met de Franse gezant te onderhandelen. In het deel van de brief tussen het eerste en tweede gedeelte van het citaat, schrijft Hop dat de gezanten benadrukken dat er ondanks eventuele eensgezindheid moeilijkheden blijven: zo zijn Frankrijk en het Keizerrijk het fundamenteel oneens inzake Navarra en het Milanese bezit. Het citaat beschrijft dan welke suggesties volgens de gezanten in de wandelgangen besproken zijn inzake het Milanese bezit, ingeval dat toebedeeld zou worden aan de hertog van Lotharingen of aan zijn collega van Savoye. Woorden, naam: referendum: WNT betek. ‘stemming’, hier ligt ‘raadpleging’ voor de hand; gerequireerde: WNT requireeren betek. 4 ‘met een zaak als subj. Vereischen, noodig hebben’; Graeff van Tallard: Franse adellijke diplomaat (1652-1728), militaire commandant, maarschalk; Excellentien (in de tekst staat: Extien): WNT Excellentie betek. 2 (‘als titel van verschillende hoogwaardigheidsbekleeders, thans bepaaldelijk van ministers, gezanten, staatsraden [etc.]’); cederen: WNT cedeeren (‘afstaan’); opsichte: WNT opzicht betek. 7 (‘bedoeling, oogmerk (...)’).
    De ministers van de keizer zouden volgens henzelf in Den Haag het bewuste mandaat kunnen krijgen (Q1) onder de voorwaarde dat de Franse graaf van Tallard eenzelfde mandaat zou hebben (P1). De rol van de frase ingeleid door mits dat is voorwaardelijk. Eén van de door de gezanten in de wandelgangen wel beluisterde opties voor een akkoord was, dat het Milanese bezit aan de hertog van Savoye zou worden toebedeeld (Q2), waarbij deze Savoye dan onder de Franse kroon zou moeten scharen (P2). De rol van de mits.pp-frase is comitatief: de gezanten (informanten van Hop) hebben uit de mond van niet nader vermelde personen de optie ‘Milanees bezit naar Savoye’ opgetekend, die in de optiek van deze personen gevolgd diende te worden door de invoeging van Savoye in het Franse koninkrijk.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-meew.voorw): als subject wordt begrepen de hertog van Savoye, die ook fungeert als meew.voorw, aangeduid met aen den Hertog van Savoyen, in de direct hogere frase.
 Behalve het verschil tussen de conditionele en de comitatieve semantiek, zou als punt van verschil tussen de mits-constructies kunnen worden genoemd dat het subject van de mits dat-frase met soude wesen voorsien geen feitelijk handelende persoon aanduidt omdat deze frase een constructie omvat met een perfectum passief, terwijl het subject van de mits.pp-frase wel een handelende persoon betreft: het subject wordt begrepen als de hertog van Savoye.
296 De Koning [...] heeft my bevoolen om voor de laatste maal aan te bieden de wedergeving van al ’t geen in de handen van syne Majesteyt, geduyrende desen oorlog gevallen is, in de selve stant als de Landen en Steden sig tegenwoordig bevinden: soo sijne Koninklijke Hoogheyt sulke redelijke en voordeelige conditien niet aanneemt, schoon dat de Koning sijne machten in d’andere Landen, alwaar hy den oorlog voert, soude moeten verminderen, soo heeft sijne Majesteyt besloten ’t Land geheelijk met de verbranding van de huysen, vernieling der granen, afhouwing der bosschen, der wijngaarden ende vrucht-boomen, in de gantsche uytgestrektheyt daar hy sijne Wapenen sal konnen brengen, te verwoesten.
Mits de bovengemelte wedergeving doende [mits.pp P], soo eyst sijne Majesteyt dat sijne Koninklijke Hoogheyt hem de vrye doortogt verleene, om door sijne Landen heen en weder te konnen trekken, om den oorlog in’t Milanees te brengen, hem alle nootsakelijke levens middelen voor een redelijke prijs doende verschaffen [Q]. (RyswykseVredeHandel 66)
[Rijswijk, Buitengewestelijk; 1700 [1696]-T10] T=T10 P=Rijswijk R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Instr CV=W3 VO=P-Q
           
    ‘De koning [Lodewijk XIV] [...] heeft mij opgedragen om voor de laatste keer het aanbod te doen alles in de huidige staat te restitueren wat gedurende deze oorlog in handen van Zijne Majesteit gevallen is; voor het geval Zijne Koninklijke Hoogheid [hertog van Savoye] deze redelijke en voordelige voorwaarden niet aanneemt, heeft Zijne Majesteit - hoewel hij [dan] in de andere gebieden waar hij oorlog voert zijn troepenmachten zou moeten verminderen - besloten het land geheel te verwoesten door de huizen af te branden, graanvelden te vernielen, bossen te kappen, wijngaarden te vernietigen en vruchtbomen om te hakken, zo ver als hij zijn troepen zal kunnen brengen.
In ruil voor de genoemde gebiedsteruggave eist Zijne Majesteit dat Zijne Koninklijke Hoogheid hem vrije doortocht verleent om door zijn gebieden heen en weer te trekken en de strijd naar de Milanese bezittingen te brengen, en dat hij hem daarbij tegen een redelijke prijs alle noodzakelijke levensmiddelen laat verschaffen.’
    Dit citaat komt uit een brief van 6 juni 1696 van de Franse maarschalk De Catinat, generaal van Lodewijk XIV, aan de eerste minister van de ‘Zijne Koninklijke Hoogheid’ genoemde hertog Victor Amadeus II van Savoye. De brief is te rekenen tot tekstcat. B. De tekst is een vertaling uit het Frans; hij staat in RyswykseVredeHandel, dat in 1700 verscheen. Dit werk bevat documenten en verslagen van de vredesonderhandelingen in Rijswijk (mei-september 1697) ter beëindiging van de Negenjarige oorlog (1688-1697). Betrokken bij de onderhandelingen waren aan de ene kant Frankrijk onder Lodewijk XIV, aan de andere kant de zgn. Grote Alliantie bestaande uit Zweden, Denemarken, Engeland, het hertogdom Savoye, de Republiek, Spanje en het Keizerrijk. Uitkomst ervan was o.a. dat Frankrijk Straatsburg mocht houden maar alle op Spanje veroverde gebieden moest teruggeven en de zelfstandigheid van het hertogdom Lotharingen respecteren; en dat de Republiek en niet Frankrijk militairen mocht legeren in zes steden in de Zuidelijke Nederlanden. Het gebied waar het in deze brief om gaat is het graafschap Nice en mogelijk nog een ander deel van Franstalig Savoye. Nice was van strategisch belang voor Lodewijk XIV, die zich samen met Savoye sterk wilde maken tegen de Spaanse beheersing van het Milanees bezit. Dat was voor Savoye niet vanzelfsprekend, want in de voorafgaande periode was de relatie tussen Frankrijk en Savoye steeds slechter geworden; Savoye had zich in 1690 aangesloten bij de coalitie tegen Frankrijk. Woord: wapenen: WNT wapen betek. 4 (‘(meton.) steeds in het mv.: troepen, strijdkrachten, leger’).
    De Catinat biedt namens Lodewijk XIV de hertog van Savoye aan, alle op Savoye veroverde gebieden terug te geven. In ruil daarvoor (P) eist hij van de hertog dat deze hem de vrije doortocht door Savoye verleent ten behoeve van oorlogsvoering tegen Spanje rond het Milanese bezit, en dat hij [Lodewijk XIV] daarbij tegen een redelijke prijs levensmiddelen kan verkrijgen (Q) De mits.pp-frase benoemt het middel P dat Lodewijk XIV inzet om de medewerking van Savoye voor zijn oorlogsdoeleinden te verkrijgen. P heeft dus een instrumentele rol.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject), want het begrepen subject is Zijne Majesteit (Lodewijk XIV), die ook fungeert als subject van de direct hogere zin.
297 Sijn Majesteyt van alle de rechten die hy wegen dat poinct door het Traktaat van Nymegen geacquireert had, afstant doende [Q]: echter onder die conditie, dat de Hertog den doortogt aan de Troepen van sijne Majesteyt, door sijne Landen sal accorderen, soo dikmaals als hy daar toe versogt sal worden [onder die conditie, dat + Vf Pa], en mits betalende conform het geene ’t welk met Commissarissen van sijne Majesteyt, en die van den voornoemden Heere Hertog geconvenieert sal sijn [mits.pp Pb]. (RyswykseVredeHandel 390)
[Rijswijk, Buitengewestelijk; 1700 [1697]-T10] T=T10 P=Rijswijk R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Cond CV=W1 VO=Q-P
           
    ‘Zijne Majesteit doet afstand van al de bij het Traktaat van Nijmegen op dit punt [het gebruik van doorgangswegen richting Elzas] verworven rechten, maar alleen onder het beding, dat de hertog [van Lotharingen] de vrije doortocht door zijn gebieden aan de troepen van Zijne Majesteit zal toestaan, zo vaak als hij daartoe het verzoek zal krijgen, en tegen een betaling overeenkomstig hetgeen tussen afgevaardigden van Zijne Majesteit en die van genoemde hertog afgesproken zal zijn.’
    Dit citaat is ontleend aan artikel VI van een concept uit 1697 voor wat in 1700 de Vrede van Rijswijk zou worden, een vredesverdrag tussen de Franse koning Lodewijk XIV en de toenmalige geallieerden (het Heilige Roomse Rijk, de Republiek, Zweden, Spanje en enige kleinere staten). De tekst van het vredesverdrag valt in tekstcat. A2. Door het Traktaat van Nijmegen van 1668 had Frankrijk onder andere Lotharingen verworven. Eén van de verdragsteksten van de Vrede van Rijswijk (1697) maakte deze gebiedsuitbreiding van Frankrijk ongedaan. Het citaat noemt twee voorwaarden die de Franse vorst Lodewijk XIV verbindt aan instemming daarmee. Woord: wegen: WNT wegens betek. 4.
    Ten gunste van de hertog van Lotharingen doet Lodewijk XIV afstand van Lotharingen, dat hij bij het Traktaat van Nijmegen verworven had (Q), onder twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de hertog vrije doortocht door zijn gebieden verleent aan Lodewijk XIV, zo vaak als er een verzoek daartoe gedaan wordt (Pa). De tweede voorwaarde staat in de mits.pp-frase, inhoudend dat de hertog van Lotharingen geld betaalt aan Lodewijk XIV, zo veel als tussen vertegenwoordigers van Frankrijk en van Lotharingen afgesproken zal worden (Pb). De rol van de mits.pp-frase is dus conditioneel.
 De mits.pp-frase is semi-conjunct, want het begrepen subject is de hertog, die niet als onderwerp of voorwerp fungeert in de direct hogere frase, maar wel elders in de tekst optreedt, nl. als onderwerp van de aan de mits.pp-frase nevengeschikte frase ingeleid door onder die conditie, dat.
298 Alsoo de alderchristelijkste Koning by het 4. Artykel van het Traktaat van Nymegen aan den Keyser de Stad Philipsburg met alle soodanige rechten, die sijne Majesteyt op de selve Plaats had, wedergegeven heeft gehad. Soo belooft sijn alderchristelijkste Majesteyt [...], om de saken weder tot de Traktaaten van Nymegen te brengen, de selve Stad van Philipsburg, met alle desselfs Fortificatien in de staat daar de selve tegenwoordig in is, te doen wedergeven [Q], mits afbrekende de Brugge, die sijn Majesteyt aldaar heeft doen bouwen [mits.pp P]. (RyswykseVredeHandel 391)
[Rijswijk, Buitengewestelijk; 1700 [1697]-T10] T=T10 P=Rijswijk R=Buitengewestelijk TC=A2 TG=Contr TS=h SM=Anders CV=W5 VO=Q-P
           
    ‘Omdat de allerchristelijkste Koning [Lodewijk XIV] op basis van het 4e artikel van het Traktaat van Nijmegen de stad Philippsburg aan de [Duitse] keizer teruggegeven heeft met al de rechten die Zijne Majesteit op die plaats had, daarom belooft Zijne allerchristelijkste Majesteit, teneinde de verhoudingen terug te brengen overeenkomstig de Traktaten van Nijmegen, [...] over te gaan tot teruggave van deze stad Philippsburg met al zijn versterkingen in de staat waarin die stad nu verkeert, met één uitzondering, nl. dat Zijne Majesteit de brug afbreekt die hij daar heeft laten bouwen.’
    Dit citaat omvat artikel IX van een concept uit 1697 voor een vredesverdrag tussen de Franse koning Lodewijk XIV en de toenmalige geallieerden, waaronder de Duitse keizer (de Vrede van Rijswijk). Zie voor bijzonderheden van dit verdrag en voor de tekstcat. A2 citaat nr. 297. Philippsburg was in 1668 in het Traktaat van Nijmegen door Frankrijk aan het Duitse keizerrijk teruggegeven, maar de Fransen hadden de stad in 1688 opnieuw bezet. Als vestingstad aan de Rijn was Philippsburg van strategische betekenis en Lodewijk XIV had dat uitgebuit door het aanleggen van een brug die de vesting verbond met het door Frankrijk bezette gebied links van de Rijn en dus ook met Frankrijk zelf.
    De verhouding tussen Q en P kan als volgt weergegeven worden. Bij de overdracht van Philippsburg aan de Duitse keizer belooft Lodewijk XIV om hem de stad en zijn fortificaties terug te geven in de staat van dat moment (Q), met uitzondering van de brug die hij daar heeft laten bouwen: die breekt hij af (P). P heeft de rol van uitzondering: volgens Lodewijks belofte wordt de stad teruggegeven in de staat van dat moment, uitgezonderd de brug die hij heeft laten bouwen om een snelle militaire verbinding van Philippsburg met Frankrijk te hebben. Maar omdat de betekenis ‘uitzondering’ in mits.pp-voorkomens niet frequent is, zou het kunnen zijn dat bepaling P door de taalgebruiker voorwaardelijk opgevat wordt: de geschetste belofte als geheel (het streepje voor de markering voor Q komt dan vóór Soo te staan) is dan gekoppeld aan één voorwaarde: dat hij de brug afbreekt (impliciet ‘en dat dat geaccepteerd wordt’). Het probleem van deze herinterpretatie is dat de lezer de toestemming van de Duitse keizer (‘en dat dat geaccepteerd wordt’, ‘dat hij de brug mag afbreken’) als impliciet aanwezig moet begrijpen en erbij moet interpreteren. Bij een conditionele interpretatie is het bovendien zo, dat de toestemming om de brug af te breken als voorwaarde begrepen moet worden voor het gestand doen van Lodewijk XIV van zijn belofte als geheel; dat is in de context van de langdurige onderhandelingen die uitmondden in de Rijswijkse afspraak niet heel logisch: als de belofte van Lodewijk nog afhankelijk is van de vervulling van een belangrijke voorwaarde door de Duitse keizer, is er niet veel bereikt. De interpretatie van de mits-frase als uitzondering is eenvoudiger: de door Lodewijk XIV beloofde teruggave van Philippsburg inclusief fortificaties aan de Duitse keizer staat overeind, de daarbij horende bepaling 'in de toestand van dat moment' kent éen uitzondering: de brug; daarvoor geldt die bepaling (binnen de belofte) niet, want die haalt hij weg.
 De mits.pp-frase is conjunct (subject-subject): als subject wordt begrepen sijn alderchristelijkste Majesteyt en deze persoon is ook subject van te doen wedergeven in de direct hogere frase. Het is begrijpelijk dat de Fransen de brug zelf willen afbreken, omdat deze in de nieuwe situatie in hun nadeel kan gaan werken en zij na hun militaire terugtrekking geen controle meer zullen hebben over wat de andere partij met de brug zal doen.
299 [...] is niet nodigh, dat overkomt, nochte dat ymant van hier overgaet; ’t een en ’t ander soude esclat geven ende het soude konnen gebeuren, dat Vranckrijck selfs welligt van sentiment soude wesen, dat, schoon het tractaet gesloten was, men het noch eenige tijt verholen hielt [Q], mits de tijt, in ’t selve uytgedruckt, verlangt werdende, sooals omtrent het eerstgeslote tractaet was geschiet [mits.pp P]; maer het kan niet beeter, niet sécréter noch korter geschieden als soo wy nu met Sweden gedaen hebben. (CorrespWillemIII eerste gedeelte dl. 1: 507)
[Den Haag, Buitengewestelijk; 1700-T10] T=T10 P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W6 VO=Q-P
           
    ‘[...] het is niet nodig dat men [vanuit Frankrijk] overkomt, noch dat iemand van hier daarheen gaat; zowel het een als het ander zou ophef veroorzaken, en het zou allicht kunnen blijken, dat Frankrijk zelf de wens heeft om het verdrag, hoewel het al gesloten is, nog enige tijd buiten de openbaarheid te houden, als tenminste de erin geformuleerde termijn verlengd zou worden, zoals met het eerder gesloten verdrag is gebeurd. In elk geval kan het [tekenen en rechtsgeldig maken van het verdrag] niet beter, secreter en sneller plaatsvinden dan op de wijze waarop wij het onlangs met Zweden gedaan hebben.’
    Dit is een citaat uit een brief (tekstcat. B) van Anthonie Heinsius, gedateerd 9 februari 1700, aan stadhouder Willem III. Heinsius werkte sinds 1689 als raadpensionaris van Holland met als standplaats Den Haag, functioneerde als eerste minister van de gehele Republiek en was zaakwaarnemer van de stadhouder als die in Engeland was. Het contact tussen Nederland en Frankrijk dat in dit citaat aan de orde is betreft vermoedelijk enkele bepalingen uit het Verdrag van Den Haag (1698) die nog niet bilateraal ondertekend waren. Heinsius gaat in het direct voorafgaande in op een brief van de stadhouder, die meldt dat de graaf van Tallard, die voor Frankrijk de vredesonderhandelingen heeft gevoerd, de wens heeft uitgesproken dat vertegenwoordigers van de Republiek naar Frankrijk komen om het verdrag te tekenen. In het citaat raadt Heisius de stadhouder af hierop in te gaan. Twee maal wordt in het citaat verwezen naar de gang van zaken bij eerder gesloten verdragen. Ten eerste door de frase sooals omtrent het eerstgeslote tractaet was geschiet. Deze zal betrekking hebben op het Verdrag van Rijswijk (1697). Ten tweede door de woorden soo wy nu met Sweden gedaen hebben. Deze zullen slaan op de recente betrokkenheid van de Republiek bij vredesbesprekingen met Zweden met als inzet de hoogte van de tol in verband met de handel (graan, hout, ijzer) in het Oostzeegebied. Vermoedelijk betreft het besprekingen in 1699 met Scandinavische en Baltische landen; een aparte overeenkomst tussen Nederland en Zweden die er geweest is, hoorde bij de Vrede van Nijmegen van 1679, maar dat jaar ligt te ver van 1700 af. Woorden: wellicht: WNT betek. 2 (‘(...) als bijw. van modaliteit: misschien, mogelijk, allicht (...)’); sentiment: WNT betek. 2; secreter: WNT secreet III betek. 1 (‘geheim’); korter: WNT kort I betek. B.2.a.γ (‘binnen niet langen tijd, spoedig, vlug’).
    Heinsius acht het mogelijk dat de Fransen de wens hebben om een met de Republiek gesloten verdrag nog een tijd buiten de openbaarheid te houden (Q). Dat zou alléén kunnen als de daarin vastgelegde periode waarbinnen stappen gezet moeten zijn verlengd zou worden (dat is voorwaarde P).
 De mits.pp-frase is absoluut, want het subject staat in de mits.pp-frase zelf, nl. de tijt, in ’t selve uytgedruckt. De frase heeft geen begrepen subject.
300 Soo hebbe hem ’tselve niet konnen accorderen maar wel toegestaan de kleine straffen over hare soldaten als mettet dragen van musquetten en yts diergelijks te mogen doen [Q], mits daarvan kennisse gevende aan den commenderende officier van ’t schip ten eynde sulx ter gelegener tijd werde gedaan, sonder dat den scheepsdienst daardoor in ’t wenden, draeyen of andersints come belemmerd te werden [mits.pp P]. (BriefwissHeinsius dl.1: 345)
[Engelse zuidkust (+Den Haag), Buitengewestelijk; 1702-T10] T=T10 P=Engelse zuidkust P=Den Haag R=Buitengewestelijk TC=B TG=Brief TS=k SM=Cond CV=W4 VO=Q-P
           
    ‘Daarom heb ik met zijn [Sparres] verzoek niet kunnen instemmen, maar wel toegestaan dat zij [de officieren van de landmilitie] lichte straffen aan hun soldaten toedienen op het punt van het dragen van musketten en dergelijke, onder de voorwaarde dat zij de zeeofficier die het commando over het schip voert ervan in kennis stellen opdat deze [straffen] op een geschikt tijdstip uitgevoerd worden, zonder dat het functioneren van het schip daarvan bij koerswenden, keren of anderszins nadeel ondervindt.’
    Dit is een citaat uit een brief, gedateerd 21 juli 1702, van admiraal Van Almonde, die met de vloot voor anker ligt aan de zuidkust van Engeland, aan de griffier van de Staten van Holland in Den Haag. De brief valt in tekstcat. B. In het direct voorafgaande stelt Van Almonde dat generaal-majoor Sparre hem de avond daarvoor het verzoek heeft gedaan, de ongelijkheid op te heffen tussen land- en zeeofficieren inzake het straffen van soldaten. Sparre bepleitte dat de officieren van de landmilitie hun soldaten zouden mogen straffen zonder medeweten van de zeeofficier op wiens schip men zich bevindt. In het citaat schrijft Van Almonde hoe hij op het verzoek van de generaal-majoor heeft gereageerd.
    Van Almonde schrijft aan de Staten van Holland, dat hij als reactie op het verzoek van een zekere generaal-majoor, er zijn akkoord aan gegeven heeft dat landofficieren hun soldaten lichte straffen mogen geven (Q), mits ze de commando-voerende zeeofficier informeren, teneinde het tijdstip verstandig te kiezen en nadelige effecten op de bewegingen van het schip te voorkomen (P). Q duidt op een permissie voor bepaalde handelingen en P op de daaraan verbonden conditie.
 De mits.pp-frase is conjunct subject-meew.voorw, want als subject worden begrepen de officieren van de landmilitie, die ook als (samengetrokken) meew.voorw fungeren in de direct hogere frase.